Nicomedes (Νικομήδης), naam van vier koningen van Bithynië.
(1) Nicomedes I,
koning van ca. 280 tot ca. 255, zoon van
zijn voorganger Zipoetes. Voor de strijd tegen
Antiochus I sloot hij bondgenootschappen met de
machtige stad Heraclea Pontica
en met Antigonus
Gonatas. Toen Antiochus en Antigonus vrede sloten,
nam N., die in een troonstrijd gewikkeld was
met zijn broer Zipoetes, in 278 het noodlottige
besluit om keltische
Galaten in dienst te nemen,
hetgeen de plundertochten en de vestiging van dezen
in Klein-Azië ten gevolge had. Met behulp van de
Galaten versloeg hij zijn broer en werd heer over
geheel Bithynië en een deel van Phrygië. Ca. 264
stichtte hij de naar hem genoemde stad
Nicomedia.
(2) Nicomedes II Epiphanes,
koning van 149 tot 128, zoon
van Prusias II. Deze wenste hem niet als opvolger.
N. verbond zich toen met Prusias' vijand Attalus II
van Pergamum, veroverde ondanks romeinse
bemiddelingspogingen Nicomedia en liet zijn vader
stenigen. In de strijd tussen Rome en Aristonicus
(133-130) koos N. de zijde van de Romeinen, die
hem echter niet, zoals hij gewenst had, de heerschappij
over Phrygië gaven.
(3) Nicomedes III Euergetes,
zoon en opvolger van Nicomedes II,
koning van 128 tot ca. 95. Toen de Romeinen troepen
van hem eisten voor de strijd tegen de
Cimbren,
antwoordde hij dat de meeste Bithyniërs door
de romeinse belastinggaarders als slaven verkocht
waren, waarna de senaat hen in vrijheid stelde. N.
breidde zijn heerschappij in 106 vC uit over een deel
van Paphlagonië
door een verdelingsaccoord met
Mithridates VI,
en in 102 vC over Cappadocië door
de weduwe van Ariarathes VI van Cappadocië te
huwen. Beide territoriale aanwinsten moest hij echter
door ingrijpen van de Romeinen prijsgeven.
(4) Nicomedes IV Epiphanes Philopator,
zoon en opvolger
van Nicomedes III, koning van ca. 95 tot 74, moest kort na
zijn troonsbestijging naar Rome vluchten voor zijn
door Mithridates VI
gesteunde stiefbroer Socrates
Chrestos, maar werd in 92 door de romeinse consul
Manius Aquilius
in zijn rechten hersteld.
Vervolgens deed hij op instigatie van Aquilius invallen
in Pontus, waar hij echter in 88 verslagen
werd; N. vluchtte opnieuw naar Italie.
Sulla zette
hem in 84 wederom op de troon van Bithynië. Omdat
N. de zoon uit zijn huwelijk met de cappadocische
prinses Nysa niet erkende - Nysa zelf had
hij laten vermoorden - vermaakte hij zijn rijk aan
Rome.
Lit. Ad 1-4: F. Geyer (PRE 17, 493-499). [Nuchelmans]