Prodigium
Prodigium heette bij de Romeinen een voorteken of
wonderteken zowel van goede als van kwade gebeurtenissen.
De etymologie
van het woord is onzeker
(prod-aio? prod-agere?). Aan het in de oudheid
wijdverbreide geloof in prodigia liggen twee
fundamentele
opvattingen ten grondslag:
1. alle
merkwaardige verschijnselen in de natuur of in het
dagelijks leven zijn wilsuitingen van
goddelijke
machten;
2. deze verschijnselen staan met elkaar in
sympathetisch verband. De oudheid zelf onderscheidde:
a. signa
oblativa (spontaan, onverwacht) en impetrativa
(afgebeden, uitgelokt);
b. particuliere en staatsprodigia;
c. tekenen aan de
hemel en tekenen op de aarde.
Voorbeelden van prodigia zijn zons- en maansverduisteringen,
bliksems (gunstig uit het oosten,
ongunstig uit
het westen), gedragingen en geluiden
van dieren, toevallige feiten (niezen, struikelen,
enz.), bomen (arbores
felices en infelices). Vooral
in Rome werden prodigia gretig benut in de politiek.
De senaat poogde de kwalijke gevolgen van
een
prodigium publicum af te weren door de procuratio-ritus
(verzoening van de goden). Zie ook
Omen.
Lit. P. Handel (PRE 23, 2283-2296). - L. Wülker, Die geschichtliche
Entwicklung des Prodigienwesens bei den Römern
(Diss. Leipzig 1903). K. Steinhauser, Der Prodigienglaube
bei den Griechen (Diss. Tübingen 1912). R. Bloch,
Les prodiges dans l'antiquité classique (Paris 1963).
[van Uytfanghe]