Sestertius (nummus), letterlijk 'derdehalve (munt)', d.w.z. 2 1/2 as. Deze naam droeg bij de Romeinen een muntstuk met de waarde van een kwart denarius; Romeinen IV, E. Geld. In de tijd van de republiek was de s. van zilver en werd slechts in beperkte mate geslagen; de oudste exemplaren, tot ca. 200 vC, hebben een gewicht van 1,237 g en vertonen op de voorzijde de gehelmde kop van Roma met het waardemerk HS, op de keerzijde een afbeelding van de Dioscuren en het opschrift ROMA. Toen ca. 130 vC de waarde van de denarius op 16 as werd vastgesteld, werd ook de waarde van de s. aangepast (4 as; waardemerk Δ).
Sedert het begin van de keizertijd werd de s. van geelkoper vervaardigd, aanvankelijk met een gewicht van een uncia (27,3 g). Gewicht en gehalte daalden steeds verder, totdat hij bij de munthervormingen van de 3e eeuw gedoemd was te verdwijnen. Al vanaf de 2e eeuw vC werd de s., die vergelijkbaar is met het nederlandse 'kwartje', naast de denarius de primaire financiële rekeneenheid, als zodanig dikwijls nummus genoemd; in de 1e eeuw nC verving hij als rekeneenheid de denarius geheel.

Lit. K. Reglinp (PRE 2A, 1878-1883). - H. Mattingly, Roman
Coins (London 1928, 1960). R. Reece, Roman Coins (ib.
1970). [Nuchelmans]