Stele

atheneStele (στήλη letterlijk 'staander'), in de archeologie terminus technicus voor een vrijstaande, rechtopstaande steen of stenen plaat met een inscriptie en/of reliëfs. In de oude culturen van Egypte en Mesopotamië werd de s. vooral gebruikt als grafsteen en als oorkendesteen. In Griekenland is de s. meestal een marmeren plaat met voetstuk en bekroning; daar diende zij als grafsteen, oorkondesteen, votiefsteen (wijgeschenk ter ere van een godheid), gedenksteen of, doorgaans zonder versiering, als grenssteen.

Van de griekse grafsteles zijn talrijke kalkstenen en marmeren exemplaren bewaard gebleven, waarvan vele, vooral attische, versierd zijn met schitterend reliëfwerk. Het beroemdst zijn de grafs. van Aristion (ca. 510 vC; Athene, Nationaal Museum nr. 29), het z.g. Leukothea-reliëf (ca. 480-470 vC; Rome, Villa Albani) en de grafstele van Hegeso eind 5e eeuw vC; Athene, Nationaal Museum nr. 3624). Bekende votiefsteles zijn de z.g. Ludovisi-troon (ca. 470-460 vC; Rome, Museo Nazionale Romano), een s. ter ere van de godin Athene (de godin leunt op een lans en kijkt peinzend naar een grenssteen (zie hierboven); ca. 460 vC; Athene, Acropolis-museum nr. 695) en een s. met Orpheus, Eurydice en Hermes (romeinse copie van een grieks origineel uit ca. 420 vC; Napels, Museo Nazionale Archeologico).


Lit. H. Möbius (PRE 3A, 2307-2325). - H. Diepolder, Die attischen Grabreliefs des 5. und 4. Jahrhunderts v. Chr. (Berlin 1931 = Darmstadt 1965). K. Friis Johansen, The Attic Grave-Reliefs of the Classical Period (Kopenhagen 1951). U. Hausmann, Griechische Weihreliefs (Berlin 1960). G. M. Richter. The Archaic Gravestones of Attica (London 1961). H. Hiller, Ionische Grabreliefs der ersten Hälfte des 5. Jahrhunderts v. Chr. (Mitteilungen des Deutschen Archäologischen Instituts, Abteilung Istanbul, Beiheft 12, Tübingen 1975). E. Pfuhl/H. Möbius, Die ostgriechischen Grabreliefs 1-4 (Mainz 1977-1979). G. Neumann, Probleme der griechischen Weihreliefs (Tübingen 1979). [Nuchelmans]


Register