Philemon

(1) Philemon (Φιλήμων) van Syracuse (ca. 365-264 vC), op Menander na de belangrijkste dichter van de attische z.g. Nieuwe Komedie. P. bracht het grootste deel van zijn leven door in Athene, waar hij in 307 het burgerrecht verkreeg. Hij zou 97 blijspelen geschreven hebben; daarvan zijn ca. 60 titels bekend en ca. 230 fragmenten bewaard gebleven. De eerste maal behaalde hij een eerste prijs bij de Dionysiën van 327 vC; bij de Lenaeën viel hem driemaal een eerste prijs ten deel. Bewerkingen van Philemons Ἔμπορος (De koopman) en Θησαυρός (De schat) bezitten we volgens Plautus' eigen getuigenis in diens Mercator resp. Trinummus; in zijn Mostellaria heeft Plautus hoogstwaarschijnlijk Philemons Φάσμα (Het spook) nagevolgd. Voor zover na te gaan is, was P., die tijdens zijn leven hoger gewaardeerd werd dan Menander, een meester in de dramatische techniek, het bedenken van verrassende wendingen en het opvoeren van de spanning. Tegenover deze positieve kwaliteiten staat echter een zekere neiging tot breedsprakig moraliseren; daarin gaf hij blijk van een pessimistische levensvisie, die met zijn bewondering voor Euripides kan samenhangen.


Lit. Fragmenten in T. Kock, Comicorum Atticorum Fragmenta 2 (Leipzig 1884) 478-539 en, met engelse vertaling, in J. Edmonds, The Fragments of Attic Comedy 3A (Leiden 1961) 2-97. - A. Körte (PRE 19, 2137-2145). - E. Rapisarda, Philemone Comico (Milaan 1939). T. B. Webster, Studies in Later Greek Comedy (Manchester 1953) 125-151.


(2) Philemon junior, zoon van vorige Philemon en, evenals deze, dichter van blijspelen. Hij zou 54 stukken geschreven en zesmaal een eerste prijs behaald hebben. Van zijn werk zijn slechts 13 regels bewaard gebleven.


Lit. Fragmenten in T. Kock, Comicorum Atticorum Fragmenta 2 (Leipzig 1884) 540 en, met engelse vertaling in J. Edmonds, The Fragments of Attic Comedy 3A (Leiden 1961) 250-253. [Nuchelmans]


Lijst van Auteurs