Ta'yinat

kaartTa'yinat, ruïnenheuvel van 700 x 500 x 15 m bij de Orontes, 20 km ten oosten van Antiochië. Van 1935 tot 1938 werd hier gegraven door een team van de Universiteit van Chicago dat tegelijk werkte op vier andere terpen in de 'Amuq geheten vlakte. In vier sondages, waarvan de grootste 52 m² besloeg en 8 m diep was, werden lagen uit de bronstijd aangeboord, maar de niet onderzochte resterende 7 m bevatten ongetwijfeld ouder materiaal.

Van fase H (2750-2500 vC) heeft men twee door een deur verbonden kamers gevonden, waarin 75% van het aardewerk naar transkaukasische traditie met de hand gemaakt en rood-zwart gepolijst was; 13% was naar Syrische traditie op de schijf gedraaid, onversierd lichtbruin aardewerk. Anthropomorfe haardomvattingen uit klei hier en elders in Syrië en Palestina duiden erop dat er ditmaal geen sprake was van handel maar van een bevolkingsverplaatsing vanuit Transkaukasië (de z.g. Khirbet-Kerak-cultuur).

Van fase I (2500-2250) is een driedubbele overhuifde broodoven gevonden, die ook kenmerkend is voor deze cultuur. Hoewel 40% van het aardewerk in deze fase nog met de hand gemaakt rood gepolijst is, komt daar nu op de schijf gedraaid lichtbruin aardewerk bij in de vorm van geribbelde bekers, kruiken en kannen. Ook vereenvoudigde kleibeeldjes van vrouwen, een ander kenmerk van de nieuwe 'bekercultuur', werden hier aangetroffen.

Fase J (2250-2000) van de 'Amuq is alleen op T. door vondsten gestaafd. Gedeelten van gebouwen met zware muren en rijen kleine kamers kwamen hier aan het licht. 53% van het aardewerk zijn nu onbeschilderde, 34% beschilderde bekers, kannen en kruiken. De versiering bestaat meest uit zwarte banden, waar horizontale en golflijnen doorheen gekamd zijn. Fase J eindigde in een grote brand, waarna de terp 1000 jaar onbewoond bleef.

In fase O werden op het hoogste punt rond een plein een aantal openbare gebouwen opgetrokken, waarvan de kleitichelmuren tot 7 m diep in de oudere lagen gefundeerd werden. Binnen fase O kunnen vijf bouwperioden worden onderscheiden.

(1) ca. 875-825. Ten noorden van het plein verrees een gebouw met colonnade als ingang en daarachter verschillende brede, ondiepe zalen of rijen kamers achter elkaar (een z.g. bit hilani). Ten zuiden van het plein verrees een veel groter complex, dat slecht bewaard is.

(2) ca. 825-739. Het plein (VIII) werd met kleine stenen geplaveid en een straat van kalksteen en bazaltblokken leidde van citadelpoort XII naar paleis I. Evenals in Hamath werden op het plein de resten van een bazalten troon gevonden. Paleis I mat 58 x 29 m, met muren van 2,5 m dik. Het had een bit-hilani-plattegrond, met drie houten zuilen op bazalten bases. De trap, zoals steeds naast de colonnade gelegen, was op zijn minst 5,5 m hoog. Hout was in de lengte en in de breedte in de kleitichelmuren verwerkt. Sommige muren waren blauw gepleisterd. De brand die het gebouw verwoestte verteerde ook houten meubels die met brons en been waren versierd. Paleis IV was kleiner (40 x 40 m, met twee zuilen), maar had tot 3 m dikke muren en bevatte een grotere zaal (34 x 9 m). De oorspronkelijke bekleding met kalksteenplaten moet o.a. een leeuw in reliëf hebben vertoond. Gebouw VI, een aanbouw van paleis I, sloot in deze bouwperiode de oostkant van het plein af. Op de zuidoosthoek van de citadel stond, met de ingang naar het oosten gericht, tempel II. Tussen de anten stonden hier twee houten zuilen op dubbele leeuwenbases (foto rechts). De deur leidde naar een antecella van 10 x 8 en een cella van 3 x 8 m, in de as waarvan een met steenplaten bekleed kleitichelpodium stond. Hieromheen waren de muren rood, wit en blauw geschilderd. In tegenstelling met de paleizen werd de tempel niet verwoest, maar bleef in periode 3 dienst doen. Poort XII, die toegang gaf tot de citadel, had doorgangen van 3,5 m breed en was bekleed met bazaltplaten van 1,50 x 1 x 0,25 m.

(3) ca. 739-680. Na de assyrische verovering werd paleis IV in steen en baksteen herbouwd, waarbij de grote zaal tot 5 m werd versmald. Paleis I werd ook herbouwd, waarbij de colonnade door een eenvoudige deur werd vervangen en vleugel VI werd overdekt door een imposant platform van 87 x 46 m. Wat hierop stond is nu verdwenen. Ten zuiden van de citadel werd paleis III gebouwd, dat overeenkomt met het paleis van de assyrische stadhouder op Til-Barsib. Het was gebouwd rond binnenplaatsen en bevatte een blauw beschilderde troonzaal van 26 x 8 m met rails voor een verschuifbare vuurkorf. De kamer ernaast was rood beschilderd. Ook deze bouwperiode eindigde met een brand. (4) ca. 680-600. Paleis I werd weer herbouwd en opnieuw van een colonnade voorzien.

(5) ca. 600-500. Na een derde brand werden de deuren van paleis I dichtgemaakt en de oostkamers van buiten toegankelijk gemaakt!

Het aardewerk van fase O is veelal voorzien van een gepolijste rode deklaag. Daarnaast komen rood-zwart beschilderde amforen en tuitkannen veel voor. Van de kleine vondsten zijn gepubliceerd een ingelegde bronzen plaque gevonden bij paleis I, bouwperiode 0 3, door een Assyriër aan de dondergod gewijd voor het leven van zijn heer Tiglatpileser III (744-727), en een bronzen voorhoofdversiering voor een paard (uit paleis I, bouwperiode 0 4), waarop een leewentemmer en oorlogsgodinnen in reliëf zijn afgebeeld.

Waarschijnlijk vertegenwoordigt T. het oude Kinalua (in Js 10, 9 Kalno), de hoofdstad van het luwische rijkje Patina, dat de Assyriërs Unq, de Arameeën en Arabieren 'Amuq, 'vlakte', noemden. Na de verovering door Tiglatpileser III in 739 werd het de hoofdstad van de nieuwe assyrische provincie Kullani.


Lit. R.J. Braidwood/L. S. Braidwood, Excavations in the Plain of Antioch 1. The Early Assemblage. Phases A-J (OIP 61, Chicago 1960). R.C. Haines, Excavations in the Plain of Antioch 2. The Structural Remains of the Later Phases (OIP 95, Chicago 1971). H.J. Kantor, A Bronze Plaque with Relief Decoration from Tel! Tainat (JNES 2L 1962, 93-117). Ph. Houwink ten Cate, Kleinasien zwischen Hethitern und Persern (in Fischer Weltgeschichte 4, Frankfurt a.M. 1967, 112-134; met Hattina als oudere lezing voor Patina). J. D. Hawkins (RLA 4, 160-162). Id., Assyrians and Hittites (Iraq 36, 1974, 67-83, met name 81-83). [van Loon]


Kaart