
Taänach (arabisch tell ta'annek, LXX Ταναχ), oude
kanaänitische koningsstad in de vlakte van Jizreël,
8 km ten zuidoosten van Megiddo.
De stad, die al genoemd wordt in egyptische teksten
sinds Thutmosis III en in de Amarna-brieven, werd
in 1468 vC door Thutmosis III, in 918 vC door
Sisak van Egypte veroverd. Het OT vermeldt T.
o.m. Joz 12, 21; 17, 11 en 21, 25, maar het werd
eerst door David aan Israël onderworpen.
Nadat E. Sellin in 1902-1904 op de tell ta'annek gegraven
had, werd de heuvel (340 x 110 x 40 m) van
1963 tot 1968 door P. W. Lapp aan een nieuw onderzoek
onderworpen. Hij bleek een groot aantal door
tijdelijke verlating van elkaar gescheiden woonlagen
te bevatten.
Van ca. 2700 tot ca. 2400 vC lag er een stad waarvan de met torens versterkte muur in vier fasen tot reusachtige proporties werd uitgebouwd, met één toren van 10 x 20 m.
Vanaf ca. 1600 vC stonden er binnen een kazemattenmuur één vorstelijke woning en andere woonhuizen langs een noord-zuid lopende straat; kinderen werden in kruiken onder de vloer begraven. Deze laag werd gedeeltelijk verwoest, waarschijnlijk in de egyptische veldtocht van 1468 vC. Hierop volgde een meer bescheiden bebouwing tot ca. 1350 vC, waarin kleitabletten met akkadische teksten gevonden zijn; hieruit blijkt dat de plaatselijke konmg orders kreeg van de egyptische gouverneur te Gaza.
Pas ca. 1200 vC werd de heuvel weer bebouwd, deels met openbare gebouwen; uit een daarvan is een in ugaritisch alfabet beschreven kleitablet te voorschijn gekomen. Omstreeks 1125 kwam aan deze bewoning al weer een gewelddadig einde (de eerder geuite veronderstelling dat de bewoning van het tegelijk verwoeste Megiddo zich naar T. verplaatste, is niet bevestigd).
Vanaf ca. 960 vC stond er een gebouw waarvan men
aanneemt dat het voor de cultus diende; naast messen
en vele varkensbotten vond men er drie kleine
steles, een gietvorm voor beeldjes van klei en, in
een bijbehorend waterreservoir, een offerstandaard
van aardewerk met de afbeelding van een naakte
vrouw of godin geflankeerd door leeuwen en sfinxen.
De verwoesting van dit gebouw zou een gevolg
kunnen zijn van de egyptische veldtocht van 918 vC.
In de perzische tijd, ca. 450-400 vC, werd een nieuw
openbaar gebouw opgetrokken en werd de noordelijke
toren opnieuw in gebruik genomen.
Lit. A.E. Glock (Encyclopedia of Archaeological Excavations in
the Holy Land 4, 1978, 1138-1147). - Verslagen van de amerikaanse
opgravingen: P. W. Lap (BASOR 173, 1964, 240-246; 185, 1967,
Lapp, T. by the Waters of Megiddo (BA 30, 1967, 2-27). W.E.
Rast, T. I. Studies in the Iron Age Pottery (Cambridge Mass. 1978).
[Beek/Van Loon]