
Sicinus (Σίκινος), grieks eiland in de Aegeïsche
Zee, een van de zuidelijke Cycladen, met een
max. hoogte van 552m en opp. van 39 km². S. is rijk aan marmer, maar
heeft geen natuurlijke haven. De dichterlijke bijnaam
Οινόη (Apoll.Rhod. 1,620) wijst op wijnbouw. S.
was al in het 3e millennium bewoond getuige de vroeg-cycladische keramiek
die hier gevonden is; in historische tijd vestigden Ioniërs zich hier.
Het eiland onderwierp zich in het begin van de 5e eeuw vC aan de Perzen
(Hdt. 8,46). S. was na de Perzische Oorlogen lid van de Attisch-Delische
Zeebond en sinds 377 vC van de Attische Zeebond (Xen. Hell. 6,2,12;
Diod. 15,47,2). De polis Sicinus lag in het westen aan de voet van de Agia
Marina, maar er zijn weinig resten over behalve een necropool en een
Heroön uit de 3e eeuw nC. dat in vroegchristelijke tijd omgebouwd
werd tot kerk en nu een deel van het klooster Episkopi is. Inscripties
getuigen van een tempel van Apollo Pythius. In het oosten zijn er nog
enige antieke resten bij Kaap Malta.
Lit. NP 11,542. Philippson/Kirsten 4, 139-141. A. Frantz, The Princeton Enc.
of Classical Sites, 1976, p.839.