Van de taal der Illyriërs
in engere zin
weten we zo goed als niets, omdat er behalve enkele
eigennamen en een paar glossen niets van bewaard
gebleven is. Op grond van oppervlakkige overeenkomsten
tussen toponiemen en antroponiemen uit
het illyrische kerngebied aan de oostkust van de
Adriatische Zee en voor illyrisch gehouden
venetische en
messapische woorden heeft men sinds
het einde van de 19e eeuw gepoogd een illyrische
taal te reconstrueren, een fantoom dat helaas door
vele handboeken rondspookt. Misleid door het ruime
antieke gebruik van de naam Illyriërs
en verleid door een aantal merkwaardige overeenkomsten
in de oude toponiernen van Europa, namen vervolgens
een aantal linguisten - onder wie H. Krahe, die
echter later voorzichtiger werd - aan dat het i. zich
eenmaal had uitgestrekt over geheel Centraal-Europa,
ja zelfs van de Oostzee tot Sicilië en van
Britannië tot
Bithynië; G. Kosinna en anderen
identificeerden lichtvaardig de sprekers van dit oer-i.
met de dragers van de z.g. urnenveldencultuur (ca.
1250-750 vC). Deze hypothesen zijn vals gebleken
en in de laatste jaren is men t.a.v. dit 'panillyrisme'
uiterst gereserveerd geworden: het venetisch blijkt
geen illyrische maar een italische taal te zijn, nauw
verwant met het latijn; met het thans beschikbare
materiaal valt geen enge verwantschap tussen illyrisch
en messapisch te bewijzen; de overeenkomsten
tussen de oud-europese toponiemen kunnen op veel
andere wijzen worden verklaard. Voor zover het
eigenlijke i. grijpbaar is, lijkt het tot de indo-europese
talenfamilie te behoren.
Lit. H. Krahe, Lexikon altillyrischer Personennamen
(Heidelberg 1929). H. Krahe/C. de Simone/J. Untermann, Die
Sprache der Illyrier 1-2 (Wiesbaden 1955-1964). A. Mayer,
Die Sprache der alten Illyrier 1-2 (Wien 1957-1959). H. Kronasser,
Zum Stand der Illyristik (Linguistique Balkanique 4,
1962, 5-23). Id., Illyrier und Illyricum (Die Sprache 11, 1965,
[Nuchelmans]
55-83).