Hebreeuws

Hebreeuws, naam die gewoonlijk gegeven wordt aan de taal waarin, behoudens enkele hoofdstukken in het aramees, het OT oorspronkelijk is geschreven. Het woord h. komt in het OT niet voor, de rabbijnen spreken later gewoonlijk over 'de heilige taal'. Deze moet als oudh. onderscheiden worden van de volgende fase in zijn ontwikkeling, die in de jongste literatuur van het OT, zoals Pr en Sir, begint en tot bloei komt in het h. van de Misjna. Dan (in de 2e eeuw nC) is het echter als spreektaal reeds verdrongen door het aramees, dat blijkens 2Kg 18, 26-28 in de 8e eeuw nog slechts door een elite in Jeruzalem werd gesproken en verstaan. Het gebruik wordt beperkt tot de literatuur en de liturgische teksten.

Het h. van de Misjna, Tosefta en de Midrasjim van de Tannaïten is een voortzetting en ontwikkeling van de taal van Dt, gekenmerkt door nieuwe werkwoordsvormen en een groot aantal leenwoorden, voornamelijk uit het grieks.

Als literaire kunsttaal heeft het h. een renaissance beleefd in de 12e eeuw in Spanje, waarbij Halevi (1080-1145) zich als dichter heeft onderscheiden. Onder invloed van de verlichting in joodse kringen, vooral in Duitsland (de haskala) kreeg het gebruik .van het h. op het einde van de 18e eeuw nieuwe impulsen. Het moderne h., dat in Israël gesproken en geschreven wordt, vormde zich omstreeks 1870. Het heeft veel te danken aan de lexicograaf Ben Jehuda (oorspr. Perelmann, 1858-1922) met zijn Thesaurus Totius Hebraitatis.

Het h. is een dialect van het kanaänitisch, dat reeds voor 2000 vC de taal was van de in Palestina wonende Semieten. Het wordt gerekend tot het noordwestsemitisch, waarvan het ugaritisch, amoritisch, phenicisch-punisch en de zuidkanaänitische glossen in de Amarnabrieven bekend zijn. Het h. heeft zich ontwikkeld onder invloed van de Amorieten, die zich uit hun stamland in westelijke richting hebben verbreid. Het werd een met het oudaramees verwant idioom en dan wat Js 19,18 noemt: de taal van Kanaän.

Er treden ingrijpende veranderingen op, zoals de diftongering, die ook het moabitisch kenmerkt (bēt > bait 'huis', jēn > jain 'wijn' etc), het oorspronkelijke determinativum ha wordt lidwoord, het nomen verliest de casusvervoegingen, het verbum krijgt i.p.v. modi een systeem van aspecten, waarbij de grammatica zich behelpt met misverstand wekkende benamingen als perfectum en imperfectum. Intussen blijven oude taalstructuren doorwerken en zo kan men in de teksten van Qumran een oude energicus tegenkomen. Deze door de geschiedenis veroorzaakte gelaagdheid van het h. stelt de grammatica en de syntaxis voor grote moeilijkheden. Het OT spreekt op enkele plaatsen van dialectische verschillen in de uitspraak van het h. Volgens Ri 12,6 zeggen de Efraïmieten een s i.p.v. š bij de uitspraak van šibbolet en zijn zij daaraan te herkennen. Neh 13,23v spreekt van kinderen uit gemengde huwelijken die niet in staat waren judees te spreken omdat zij van huis uit asdoditisch gewend waren.

Ook de teksten van Qumran maken ons attent op dialectische differentiatie (zoals hū'ā en hī'ā voor hū en hī, 'hij - zij') en hebben daarmee nieuw licht geworpen op de uitspraak van het samaritaans. Het h. werd uitsluitend door medeklinkers schriftelijk vastgelegd. Men neemt thans aan dat de oudste vorm van dit alfabet niet phenicisch van oorsprong is, maar teruggaat op een oorspronkelijk kanaänitisch consonantenschrift, bestaande uit 22 tekens, waarvan sommige met meer dan één functie. De vondst van speerspitsen met inscripties in el-hadr (ten westen van Bethlehem) uit de 12e eeuw vC wees in deze richting. (J. Milik and Frank M. Cross Jr., Inscribed Javelin-Heads from the Period of the Judges: A Recent Discovery in Palestine, BASOR 134, 1954, 5-15). Hierdoor werd een band gelegd met de protosinaïtische teksten, die sedert 1905 gevonden werden in serabīt el-chādem. Het staat thans wel vast dat dit pictografisch alfabet van ca. 1800 vC in Palestina onder directe of indirecte invloed van het egyptisch hiërogliefenschrift naar een akrofonisch principe werd ontwikkeld. (Frank M. Cross Jr., The Evolution of the Proto-Canaanite Alphabet, BASOR 134, 1954, 15-24).

De oudste inscripties in het oudh.e schrift zijn de boerenkalender van Gezer (10e eeuw vC), de ostraca van Arad (10-7e eeuw), de steen van Mesja van Moab (9e eeuw), 63 ostraca van Samaria (8e eeuw), de Sjiloach-inscriptie (eind 8e eeuw), een grafschrift gevonden bij Jeruzalem (8e eeuw), de 21 ostraca van Lachis (ca. 588) en voorts inscripties op zegels, zegelafdrukken en handvaten van kruiken.

Na de ballingschap kwam het arameese vierkante schrift in zwang, dat lange tijd door het oudhebreeuwse schrift werd begeleid, totdat het in de 2e eeuw nC canoniek werd. Daarnaast hielden de Samaritanen een eigen schrift in stand, dat zij ontwikkelden tot een sierschrift.

Het gemis aan klinkers werd aangevuld doordat de 'ālef, hē, wāw en jōd, nadat zij elke klankwaarde hadden verloren, ter aanduiding van klinkers werden gebruikt. Hun veelvuldig voorkomen in deze functie in de teksten van Qumran is van belang voor onze kennis van de uitspraak van het ca. 100 vC. In jonge teksten wordt ook de 'ajin gebruikt om de e-klank weer te geven. Getallen worden in het OT voluit geschreven, later dienden de letters in volgorde van het alfabet om getalwaarden uit te drukken; daaraan ontsprong de getallenmystiek van de Kabbala. De schrijfwijze van de letters onderging in beginsel geen verandering meer; Rasji (1040-1 105) ontwierp een halfcursief schrift, dat tot heden in Talmud-commentaren gebruikt wordt. Het h. van Israël heeft een geheel cursief schrift ontwikkeld.

De behoefte aan consolidatie van de uitspraak en van de accenten bij de cantilerende voordracht heeft geleid tot vocalisatiesystemen, die tenslotte verdrongen zijn door die van de schrijversscholen van Ben Ascher en Ben Naftali in Tiberias (8e eeuw). De eerste ging domineren dank zij de autoriteit van Maimonides (1135-1204). Ondanks het vernuftig systeem van punten en strepen ontstond er toch een aanzienlijk verschil in uitspraak tussen de zuideuropese (het sefardisch) en de oosteuropese joden (het asjkenazisch). De uitspraak in het moderne Israël is het meest verwant aan de eerstgenoemde en ontwikkelt zich nog gestadig door het dagelijks gebruik.


Lit. Tekstuitgaven: R. Kittel, Biblia Hebraica (Stuttgart 1968vv; nieuwe editie met geheel herzien kritisch apparaat). Een nieuwe uitgave wordt ook voorbereid door The Hebrew University Bible Project; Sample Edition with Introduction by M. Goshen-tiottstein, The Book of Isaiah (Jerusalem 1965). H. Donner/W. Röllig, Kanaanäische und aramäische Inschriften 1-22, 31 (Wiesbaden 1964-1966). M. Lidzbarski, Handbuch der nordsemitischen Epigraphik 1-2 (Weimar 1898 = Hildesheim 1962). S. Moscati, L'epigrafia ebraica antica 1935-1950 (Rome 1951).

Grammatica's: H. Bauer/P. Leander, Historische Grammatik der hebräischen Sprache des A.T. (Halle 1922 = Hildesheim 1962). G. Bergsträsser, Hebräische Grammatik (Leipzig 1918-1929 = Hildesheim 1962). W. Gesenius/E. Kautzsch, Hebräische Grammatik (Leipzig 1909 = Hildesheim 1962). P. Joüon/L. Semkowski, Grammaire de Phébreu biblique (Rome 1923 = 1962). J. Lettinga, Grammatica van het Bijbels Hebreeuws (Leiden 1962). R. Meyer, Hebräische Grammatik 1-23 (1966vv). C. Brockelmann, Hebräische Syntax (Neukirchen 1957). M. Segal, A Grammar of Mishnaic Hebrew (Oxford 1927). A. Sperber, A Historical Grammar of Biblical Hebrew (Leiden 1966). Paleografie: S. Bimbaum, The Hebrew Scripts (London 1954- 1957).

Lexica: F. Buhl/W. Gesenius, Handwörterbuch über das alte Testament (Berlin 1915 = 1962). L. Koehler/ W. Baumgartner, Lexicon in Veteris Testamenti Libros (Leiden 1953 = 1958; de eerste aflevering van een nieuwe uitgave verscheen in 1968). C. Jean/J. Hoftijzer, Dictionnaire des inscriptions sémitiques de l'ouest (Leiden 1965). Concordanties: G. Lisowsky, Konkordanz zum hebräischen A.T. (Stuttgart 1958). S. Mandelkern, Veteris Testamenti Concordantiae Hebraicae atque Chaldaicae (Leipzig 1937 = Graz 1955).

Monografieën: J. Barr, The Semantics of Biblical Language³ (London 1962). F. Böhl, Die Sprache der Amarnabriefe mit besonderer Berücksichtigung der Kanaanismen (Leipzig 1909 = 1968). P. Kahle, Masoreten des Ostens (Leipzig 1913). Id., Masoreten des Westens 1-2 (Stuttgart 1927-1930). E. Kutscher, Yemenite Hebrew and Ancient Pronunciation (JSS 11, 1966, 217-226). J. Palache, Semantic Notes om the Hebrew Lexicon (Leiden 1959). C. Rabin, The Present State of Rescarch in Semantics of Biblical Hebrew (Suppl. VT, Leiden 1966). S. Segert, Aspekte des althebräischen Aspektsystems (ArOr 33, 1965, 93-104). [Beek]


Kaart