
Havila (Chavila) komt in de volkentafel van Gn 10
zowel bij de Kus-sectie als bij de Sem-sectie voor,
maar duidt beide malen op de bevolking van een
gebied in Zuid-Arabië (Arabië).
Welk gebied dit is, is niet duidelijk, maar daar het
samen met Ophir en Saba genoemd wordt, ligt het
voor de hand te denken aan Haulan, het goudgebied
bij uitnemendheid van Zuid-Arabië. In Gn 2,11 (het
land waaromheen de eerste paradijsrivier liep) alsmede
in Gn 25,18 (het gebied waar de Midianieten
woonden) en 1Sam 15,7 (het gebied vanwaar de
Amalekieten optraden) is H. vermoedelijk gebruikt
als aanduiding van geheel Arabië.
Lit. J. Simons, The Geographical and Topographical Texts of
the Old Testament (Leiden 1959) 40v. W. H. Gispen, Schepping
en Paradijs (1966) 137v.
[Attema]