Egypte - Staatsbestel

(A) Staatsvorm en bestuur. Egypte was sinds Menes, in het begin van het historisch tijdperk, een eenheidsstaat met een absolute monarchie. De herinnering aan de oorspronkelijke tweeledigheid bleef echter voortleven in de koningstitel nsw-t-bitj (lett. 'die van de rietplant en van de bij') die 'koning van opperen beneden-Egypte' betekent. De vorst heette ook 'heer van het Dubbele Land' en hij droeg de 'pschent', de dubbele kroon, samengesteld uit de witte kroon van opper-Egypte en de rode kroon van de Delta. Op de zijkanten van zijn troon verenigen genii de lotusplant en de papyrus, symbolen van beide landsdelen.

De bovenvermelde titel is eigenlijk slechts een deel van de volledige koningstitulatuur (nhb.t), die geleidelijk ontstaan is onder het Oude Rijk en aan de koning vijf namen toekent: de Horusnaam, de nbtj-naam of 'naam der twee meesteressen' (nl. de gier Ntzb.t en de slang W3d.t, godinnen van opper- en beneden-Egypte); de Hr-nb-naam of 'Horus op het goud'; de nsw-t-bitj-naam, die de vorst bij zijn troonsbestijging aannam en die ook zijn voornaam of intronisatie-naam wordt genoemd; de s3-R'-naam of. 'zoon van Re', die als de eigenlijke naam van de koning werd beschouwd. Onder deze naam wordt hij heden gewoonlijk aangeduid, zoals bv. Sesostris, Amenemhêt, Amenhotep. Onder het Nieuwe Rijk kwam de titel Farao in gebruik.

Tot vóór enkele jaren werd algemeen aangenomen dat de koning tegelijk mens en god was. Nadat hiertegen twijfel is geopperd, wordt deze opvatting nu meer genuanceerd. Zijn goddelijk karakter wordt thans geïnterpreteerd als een theologische voorstelling die de vorst verantwoordelijk maakte voor het instandhouden van de Maat, de kosmische orde (Derchain) of die hem ritueel de rol van een goddelijke schepper toekende (Hornung).

Onder de eerste dynastieën gelastte de koning, naargelang de omstandigheden, prinsen of leden van het hof met tijdelijke administratieve opdrachten. Tijdens de 3e dynastie werd het ambt van t3tj geschapen, dat algemeen door 'vizier' vertaald wordt. Het werd nog tot in de 4e dynastie aan prinsen toevertrouwd, later niet meer. De vizier was tegenover de koning voor de gehele administratie, zowel binnenlandse als buitenlandse, verantwoordelijk; hij was het hoofd van de rechtspleging en oefende sommige priesterambten uit. Alleen het militaire beleid viel buiten zijn bevoegdheid. Naderhand, voornamelijk onder het Nieuwe Rijk, werden er gedurende bepaalde perioden twee viziers, een voor opper- en een voor beneden-Egypte, aangesteld. Naast de vizier, en onafhankelijk van hem, stond de beheerder van de kroongoederen (imj-r3-pr-wr), die op sommige tijdstippen onder het Nieuwe Rijk hiërarchisch de voorrang kreeg op de vizier. Tijdens deze periode vertrouwde de koning ook vaak tijdelijke opdrachten toe aan bepaalde personen (r3 hrj).

Het Nijlland was administratief ingedeeld in gouwen, in het egyptisch sp.t geheten en door de Grieken met νομός weergegeven. Het aantal gouwen heeft in de loop der tijden schommelingen ondergaan. Het traditionele aantal, voorkomend op de tempellijsten uit de ptolemaeïsche en romeinse periode, is 42: tweeentwintig in opper-Egypte en twintig in de Delta.

Aan het hoofd der gouwen stonden de gouwvorsten of nomarchen. Dezen vertegenwoordigden natuurlijk een centrifugale kracht: als het koninklijk gezag verzwakte, vermeerderde hun macht, en in troebele tijden waren zij zelfstandig en werd Egypte een feodale staat.

In de loop van het Oude Rijk werden talrijke ambten gecreëerd die aan de vizier ondergeschikt waren. Zo is spoedig een ingewikkelde bureaucratie ontstaan met een strenge hiërarchische orde. Men heeft reeds voor deze periode op het bestaan van 1600 titels gewezen. Na de buitenlandse veroveringen voegden zich daarbij nog de beheerders van de nieuwe gebieden. Nubië werd bestuurd door een soort onderkoning die de titel droeg van 'koningszoon van Kusj' en 'voorzitter van de zuidelijke vreemde landen'. In Syrië-Palestina steunde de egyptische administratie echter op de stadsvorsten.

Tijdens de ptolemaeïsche en romeinse periode trad de διοικητής in de plaats van de _t3tj of vizier; de rechterlijke functies van deze laatste werden echter overgenomen door de ἀρχιδικαστής. De beheerder van het koninklijk vermogen heette ἴδιος λόγος. De gouwen werden bestuurd door griekse, later romeinse, strategen. De νομάρχης was toen een ondergeschikt inheems ambtenaar; hij was de beheerder van de βασιλικὴ γῆ (staatsdomein) en was over het algemeen verantwoordelijk voor de betrekkingen tussen de egyptische bevolking en de strateeg.


Lit. A. Moret, Du caractère religieux de la royauté pharaonique (Ann. du Musée Guimet. Bibl. d'Étude 15; Paris 1902). H. Frankfort, Kingship and the Gods (Chicago 1947). H. Jacobsohn, Die dogmatische Stellung des Königs in der Theologie der alten Ägypter (Ägyptologische Forschungen 8; Glückstadt 1939). G. Posener, De la divinité du pharaon (Cah. Soc. asiat. 15; Paris 1960). Ph. Derchain. Le rôle du roi d'Égypte dans le maintien de l'ordre cosmique (Arm. du Centre d'Ét. d. Religions 1, 1962, 61-73). H. Brunner, Die Geburt des Gottkönigs (Ägypt. Abh. 10; Wiesbaden 1964). E. Hornung, Geschichte als Fest (Libelli 246; Darmstadt 1966). - H. Gauthier, Le livre des rois d'Égypte, 5 dln. (MIFAO 1721; Le Caire 1907-1917), met aanvulling: Ree. Trav. 40, 1923, 177-204. - G. Steindorff, Die ägyptischen Gaue und ihre politische Entwicklung (Abh. sächs. Akad. Wiss., Philol.-hist. Kl. 27, no. 25; Leipzig 1909). H. Gauthier, Les nomes d'Égypte depuis Hérodote jusqu'à la conquête arabe (Mém.

Inst. d'Ég. 25; Le Caire 1935). - A. Weil, Die Veziere des Pharaonenreiches (Leipzig 1908). - W. Helck, Untersuchungen zu den Bearntentiteln des ägyptischsn Alten Reiches (Ägyptol. Forsch. 18; Glückstadt 1954). Id., Zur Verwaltung des Mittleren und Neuen Reiches (Probleme der Ägyptologie 3; Leiden 1958). K. Baer, Rank and Titie in the Old Kingdom (Chicago 1960). T. Säve-Söderbergh, Ägypten und Nubien (Lund 1941).


(B) Recht. Het recht in Egypte was nauw met de godsdienst verbonden omdat rechtvaardigheid en waarheid op het menselijke vlak de verwezenlijking zijn van Maat, de kosmische orde. Van deze was de koning de garant, doch praktisch was in zijn naam de vizier er voor verantwoordelijk dat in het land recht heerste. Daarom droeg hij een beeldje van de godin Maat aan een ketting om de hals. Verschillende uitlatingen wijzen er op dat er reeds onder het Oude, en zeker onder het Middel-Rijk, een geschreven recht bestond, hoewel een codificatie eerst voor het Late Tijdperk (eerste perzische overheersing) uitdrukkelijk betuigd is. Aan juridische teksten zijn vooral koninklijke decreten (wd en wd.t, lett. 'bevel') op stèles bewaard, die voor welbepaalde omstandigheden maatregelen troffen. Voor de rest moeten de geldende rechtsnormen moeizaam gereconstrueerd worden op grond van de bewaarde akten, contracten, procesverbalen enz. Deze zijn over de verschillende perioden ongelijk verdeeld. Toch maken zij het mogelijk, ons een vrij volledig beeld te vormen van het bestaan en de ontwikkeling van het personen- en vermogensrecht, inzonderheid het familierecht, het zakenrecht, het erfrecht en het contractenrecht. Over het procesrecht, en vooral over het strafrecht, zijn wij het minst ingelicht. Buitengewoon talrijk zijn de demotische en griekse rechtsoorkonden uit de ptolemaeïsche en romeinse tijd.


Lit. J. Pirenne, Histoire des institutions et du droit privé de Pancienne Égypte, 3 dln. (Bruxelles 1932-1935). E. Seidl, Einführung in die ägyptische Rechtsgeschichte bis zum Ende des Neuen Reiches (Ägypt. Forsch. 10; Glückstadt ²1951). Id., Ägyptische Rechtsgeschichte der Saiten- und Perserzeit (ibid. 20; Glückstadt 1956). Id., Ptolemäische Rechtsgeschichte (ibid. 28; Glückstadt ²1962). Een beknopter overzicht van Id., in B. Spuler, Handbuch der Orientalistik. I. Abt., 3. Ergänzungsband (Leiden 1964). R. Taubenschlag, The Law of Greco-Roman Egypt in the Light of the Papyri (New York 1944: Warszawa ²1955).


(C) Defensie. Het leger. Onder het Oude Rijk bestond er nog geen militaire stand. Wel waren er sok daten die voor de bewaking van het paleis en, als politie, voor het handhaven van de orde zorgden. Sommige werden ook met bijzondere opdrachten naar het buitenland gezonden, bv. om zeldzame of kostbare waren te halen. Er werden ook reeds soldaten in Nubië en in Libië aangeworven. Onder de bevolking werden van tijd tot tijd 'troepen' gelicht voor het uitvoeren van grote bouwwerken, voor werken in de steengroeven of ook voor veldtochten tegen de nomaden en tegen de nabuurvolken. Het Midde1-Rijk kende echter reeds beroepssoldaten, die voor hun levensonderhoud met akkers beleend werden. Voor de grote expedities van de Amenemhêts en de Sesostrissen werden zij met lichtingen uit de burgerbevolking aangevuld. Dit systeem werd onder het Nieuwe Rijk sterk uitgebouwd en gaf het ontstaan aan een machtig beroepsleger. Toen werden ook de troepen van vreemde huurlingen of krijgsgevangenen zeer talrijk. Na het invoeren van paard en strijdwagen nam de ruiterij op haar beurt een grote uitbreiding.

De kleinste tactische eenheid, die vroeger uit een groep van 10 manschappen bestond, werd onder het Nieuwe Rijk tot 50 man opgevoerd. Vier zulke afdelingen werden in een s3 of 'phyle' van 200 man gegroepeerd, die een eigen naam had en onder het bevel stond van een standaarddrager. De bevelhebber van een compagnie boogschutters heette hrj pd.t. Onder de Ramessiden worden vier grote legereenheden vermeld, wier getalsterkte onbekend is en die de namen droegen: Amon, Re, Ptah, Seth. Een van de hoogste rangtitels was mr ms' (legeraanvoerder). De afdelingen van de strijdwagens stonden onder het bevel van 'stalbestuurders'.

Van de vloot weten wij vooral dat zij altijd in nauwe samenwerking met het landleger opereerde. De conflicten tussen militaire leiders en burgerlijke ambtenaren, die zich onder de 18e dynastie voordeden, wijzen op de politieke macht die het leger verworven had. De generaal Horemheb zou dan ook op het einde van die dynastie de troon veroveren en een andere generaal, Ramses, werd de eerste farao van de 19e dynastie. In 950 was het een aanvoerder van libische huurlingen, Sjosjenk I, die de 22e dynastie stichtte.

Onder de Lagiden wordt de legerorganisatie totaal anders. De oorlogstactiek berustte toen op de macedonische falanx en op het gebruik van olifanten.


Lit. R. O. Faulkner, Egyptian Military Organization (JEA 39, 1953, 32-47). A. R. Schulman, Military Rank, Title and Organization in the Egyptian New Kingdom (Münchn. ägypt. Stud. 6; Berlin 1964). Id., The Egyptian Chariotry. A Reexamination (J. Amer. Res. Center in Egypt 2, 1963, 7598). T. Säve-Söderbergh, The Navy of the Eighteenth Egyptian Dynasty (Uppsala 1946). W. Helck, Der Einfluss der Militärführer in der 18. Dynastie (Unters. z. Gesch. u. Alt. -Kunde Äg. 14; Leipzig/Berlin 1939). M. Launey, Recherches sur les armées hellénistiques (Paris 1949-1950). Over de oorlogvoering: Y. Yadin, The Art of Warfare in Biblical Lands, 2 dln. (New York 1963). V. I. Avdiev, Militaire geschiedenis van Oud Egypte (russisch; Moskau 1959). Over de bewapening: H. Bonner, Die Waffen der Völker des Alten Orients (Leipzig 1926). W. Wolf, Die Bewaffnung des altägyptischen Heeres (Leipzig 1926). Over vestingbouw: A. W. Lawrence, Ancien Egyptian Fortifications (JEA 51, 1965, 69-84).


Egypte