Egypte - Economie

(A) Bodemgebruik. Voor de graangewassen, vruchten en groenten die in Egypte geteeld werden, voor de veeteelt, de visserij en jacht, zie Egypte III en IV. De akkerbouw wordt rijk geïllustreerd in de graven van het Oude en het Nieuwe Rijk (zie ANEP nr. 84v; 89-93; 95). Over de irrigatie, die zulk een belangrijke factor was, zijn weinig gegevens te vinden. Vast staat dat de sjaduf reeds in het Nieuwe Rijk bekend was. De sàqija (of noria) echter kwam eerst tijdens de ptolemaeïsche periode in gebruik. Terwijl de veeteelt een overwegende rol speelde onder het Oude Rijk, werd onder het Nieuwe Rijk de verbouw van graangewassen het belangrijkst.

Op het gebied van de mijnbouw was Egypte een arm land. De zeldzame lagen kopererts in de arabische woestijn leverden weinig op en waren vroeg uitgeput. Van de 3e dynastie af moest men dit metaal op de Sinaï winnen. Toen ook daar in de loop van het Middel-Rijk aan de ontginning een einde kwam, moest het koper uit Syrië, doch voornamelijk uit Cyprus ingevoerd worden. Bij gebrek aan tin konden de E. geen brons vervaardigen. Dit metaal kwam bij hen eerst in gebruik ca. 2000 vC, d.i. duizend jaar na de andere landen van het Nabije Oosten. Het werd in de vorm van blokken uit Voorazië ingevoerd en in het Nijldal verwerkt tot wapens, werktuigen voor timmerlieden en steenkappers, scheermessen, spiegels, sloten, vaatwerk en beelden. Alleen meteoorijzer was aanvankelijk in Egypte bekend en gold er als buitengewoon kostbaar; vandaar zijn naam bi3 n p.t 'hemelerts'. Het gebruik van uit erts gewonnen ijzer verspreidde zich langzaam in het Nijldal tussen 1000 en 600 vC. Het kwam uit Syrië en Anatolië, en de Hethieten schijnen er eerst een monopolie van bezeten te hebben. Goud kwam overvloedig voor in de bergen van de oostelijke woestijn en in Nubië, het 'goudland'. Dikwijls was het met zilver vermengd; in plaats van nb heette het dan d'm, wat wij door 'electrum' vertalen. De E. kenden het middel niet om dit zilver van het goud te scheiden. Het zilver dat zij bezaten stamde uit Voorazië en was tot na het Middel-Rijk kostbaarder dan goud. Eerst tegen het einde van het Nieuwe Rijk, tengevolge van de veroveringen in Azië, daalde de waarde van het zilver.

De randen van de Nijlvallei leverden verschillende steensoorten, doch voornamelijk kalksteen. Deze werd vroeg gebezigd als bouwmateriaal en voor het vervaardigen van beelden. De miljoenen blokken die nodig waren voor de bouw van de piramiden werden ter plaatse gehouwen, maar de mooie witte kalksteen die voor de bekleding diende kwam van de steengroeven van Tura, aan de overzijde van de Nijl. Gele kalksteen werd op de gebel Silsile, ten noorden van Ombos, en een soort harde rode kalksteen (kwartsiet) op de gebel Ahmar ten oosten van het huidige Kaïro gewonnen. Het z.g. albast kwam in Midden-Egypte, bijzonder in Hatnub, voor. Beroemd waren de steengroeven van de Wadi Hammamàt, waar graniet, leisteen enz. gevonden werd. Rood en zwart graniet was te Aswàn voorhanden.


Lit. Fernande Hartmann, L'agriculture dans l'ancienne Égypte (Paris 1923). T. N. Savel'eva, Het landbouwsysteem van Egypte in de tijd van het Oude Rijk (russisch; Moskau 1962). M. Schnebel, Die Landwirtschaft im hellenistischen Ägypten (Münchn. Beitr. z. Pap.-Forsch. 7; München 1925). Over hongersnood: J. Vandier, La famine dans l'Égypte ancienne (Inst. franç. d'Archéol. or., Rech. d'Archéol., de Philol. et d'Hist. 7; Le Caire 1936). - A. Lucas, Ancient Egyptian Materials and Industries, 4e ed. door J. R. Harris (London 1962). W. Helck, Materialien zur Wirtschaftsgeschichte des Neuen Reiches, 5 dln. (Abh. Akad. Mainz. Geistes- und sozialwiss. Kl. 1960, no. 10-11; 1963, no. 2-3; 1964, no. 4; Wiesbaden 1961-1965).


(B) Arbeid, industrie, handel. In theorie behoorden de akkergrond van Egypte, doch ook de daarbij horende gebouwen en werktuigen, het vee en het personeel, dat de grond bewerkte, aan de koning. Toch bestond er een onderscheid tussen het persoonlijk bezit van de vorst, de kroongoederen, en wat aan de staat toebehoorde. Daarenboven stond de koning uitgestrekte landerijen in bruikleen af aan hoge ambtenaren en beambten, aan soldaten en aan de tempels. Deze gronden, met wat erbij hoorde, werden praktisch privé-bezit. Op dit gebied deden zich allerlei schommelingen voor, naargelang het koninklijk gezag sterk of zwak was. Op het einde van de 19e dynastie was bv. het tempelbezit buitengewoon uitgebreid. Voor de akkers en het vee die in bruikleen gegeven werden moesten de vruchtgebruikers aan de staat bepaalde belastingen in natura betalen. Sommige decreten wijzen op enkele vormen van ontheffing, voornamelijk ten gunste van de tempels. Het blijft echter onzeker of deze ooit een volledige vrijstelling hebben genoten.

Op de landbouwexploitaties ontwikkelden zich verschillende industrieën: men vervaardigde bier, wijn, olie, weefsels, papyrus, leder, was enz. In de hellenistische tijd bestonden er staatsmonopolies, bv. van olie, zekere linnen weefsels, papyrus: deze produkten, of de grondstoffen, moesten aan de staat afgestaan worden, die zelf de verkoop organiseerde.

De tempels, die belangrijke nijverheidscentra waren, ontsnapten in zekere mate aan het monopolie, doch stonden onder staatscontrole. Over het bestaan van monopolies in de faraonische tijd ontbreken voldoende gegevens.

De betaling aan de beambten en de werklieden geschiedde in natura: graan, bier, olie. Ook de gehele economie steunde op ruilhandel. De prijs der verkochte waren werd berekend in verhouding tot een bepaalde gewichtseenheid in zilver, goud of koper. Deze heette s'tj of sn'.t en vormde tijdens het Nieuwe Rijk een onderverdeling van de deben en de kite. De waardeverhouding der drie metalen heeft in de loop der tijden grote verschillen gekend. Cerny heeft het vermoeden geopperd dat de s'tj of sn'.t een plat en rond stuk metaal zou zijn van een gewicht van 1/12 deben, d.i. van ca. 7,5 gr., dat een inscriptie zou dragen met vermelding van zijn gewicht en van de instantie die het uitgegeven heeft. Indien deze hypothese juist is zou Egypte praktisch al een soort munt bezeten hebben van de regering van Amenhotep II af. Wij bezitten echter eerst sinds de 22e dynastie getuigenissen over zilver 'van het schathuis van de god Harsaphes'. Dit waren blijkbaar zilverstukken waarvan het gehalte en gewicht gewaarborgd waren door het merk van de tempel van Heracleopolis. In de saïtische tijd is er sprake van het zilver van 'het schathuis van Thebe' en onder de perzische overheersing van het zilver van 'het schathuis van Ptah te Memphis'. De oudste egyptische muntstukken die bewaard zijn werden in de 4e eeuw vC door de koningen van de 29e en 30e dynastie geslagen voor het betalen van hun griekse huurlingen. In de hellenistische periode bleef de betaling in natura bestaan, doch het geld, door de Grieken (vooral ten behoeve van hun onderhorigen) in massa ingevoerd, speelde van lieverlede een steeds groter rol.


Lit. G. Dykmans, Histoire économique et sociale de l'ancienne Égypte, 2 dln. (Paris 1936-1937). S. Sauneron, L'Égypte, in Histoire générale du travail (Paris 1959). Claire Préaux, L'économie royale des Lagides (Bruxelles 1939). J. Cerny, Prices and Wages in Egypt in the Ramesside Period (Cahiers d'Histoire du monde 1, 1954, 903-921).


(C) Verkeer. Het verkeer geschiedde zoveel mogelijk per boot (zie ANEP p. 33), op de Nijl of op de talrijke kanalen. Het werd bespoedigd door de gunstige verhouding tussen de noordenwind en de zuid-noordwaartse stroming van de rivier (Egypte). Voor de zeevaart bestonden er grote schepen, waarvan een bepaald type kbn.t later kpn.t (Byblusvaarder), heette. Op de zand- en rotsbodem van de woestijn werd gebruik gemaakt van sleden, ook voor het transport van zeer zware vrachten. Daarbij stond soms iemand vooraan op de slede en goot water uit om het glijden te vergemakkelijken. Zware lasten konden ook over geëffende boomstammen (walsen) gerold worden. De oudste afbeelding van een wagen met vier wielen stamt uit de 13e dynastie. De wielen zijn massief, wat hun oorsprong uit walsen verraadt. Zulke wielen zijn reeds sinds de 6e dynastie bekend. Deze wagens werden door ossen getrokken. Het gewone last- en rijdier was de ezel. De strijdwagen met twee wielen werd, samen met het paard, eerst ca. 1600 vC bekend, de kameel werd in Egypte niet vóór de perzische tijd verspreid (Egypte, Fauna). Deze wielen bezaten aanvankelijk vier spaken, onder Thutmosis IV acht; daarna werd het wiel met zes spaken het meest gebruikelijke.


Lit. Helck/Otto 316v; 400v. - A. Köster, Schiffahrt und Handelsverkehr des östlichen Mittelmeeres im 3. und 2. Jahrtausend v. Chr. (Alter Orient. Beiheft 1; Leipzig 1924). Id., Zur Seefahrt der alten Ägypter (ZAeS 58, 1923, 125-132). R. O. Faulkner, Egyptian Seagoing Ships (JEA 26, 1940, 3-9). J. A. Wilson, Buto and Hierakonpolis in the Geography of Egypt (JNES 14, 1955, 209-236, inz. 225-228). Hilde vom Deines, Die Nachrichten über das Pferd und den Wagen in den ägyptischen Texten (Mitt. d. Inst. f. Or.-Forsch. 1, 1953, 3-15).


Egypte