Theo Holleman NRC zaterdag 2 december 2000
Het christendom heeft waarschijnlijk al in de tweede eeuw Nijmegen bereikt. Dit blijkt uit een recente vondst van scherven waarop het christelijke Chi-Rho-monogram was gekrast. Tot nu werd aangenomen dat pas de eerste christelijke Romeinse keizer Constantijn de Grote (280-337) het gebruik van dit symbool verbreidde. Aan het symbool is een beroemd verhaal verbonden. Op een nacht in oktober 312 kreeg Constantijn een droom waarin de Griekse letters chi en rho (X en P) verschenen. Een stem raadde hem aan zijn leger onder deze tekens te laten opmarcheren tegen rivaal Maxentius: 'In dit teken zult gij overwinnen.' Constantijn volgde het advies op, won en verleende de christenen het jaar daarop vrijheid van godsdienst (het Edict van Milaan).
Uit dit verhaal en via dateringen van gevonden chi-rho tekens (christogrammen) is de indruk ontstaan dat het pas in de vierde eeuw een van de symbolen voor het christendom werd. Twee vondsten van christogrammen in Nederland sloten daarbij aan. In de jaren vijftig vond de archeoloog Brunsting in de Nijmeegse binnenstad een haarnaald die met dit teken was versierd. Dat gebeurde bij opgravingen van een grafveld uit de laat-Romeinse tijd. En in Limburg werd een paar jaar geleden een helmkam met christogram ontdekt; de helm moet tussen 350 en 400 na Christus zijn gemaakt.
Ontdekkingen van christogrammen bij de recente opgravingen in het centrum van Nijmegen wijzen nu naar een veel eerder gebruik. H. van Enckevort van het Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen: "De oudste die wij gevonden hebben stammen uit het einde van de tweede eeuw. Het gaat om een scherf van een bord waarop er drie zijn ingekrast, mogelijk stond er nog een vierde op. Verder hebben we er een op een kruik uit de derde eeuw aangetroffen. Voorzover bekend zijn het de oudste chi-rho tekens ter wereld."
Topstuk in de serie Nijmeegse christogram-vondsten is de hals van een glazen fles. Daarop zijn er vijftien gegraveerd, plus kruizen en het bekende gestileerde visje. Het stuk werd in een grafkuil uit de vierde eeuw teruggevonden, maar behoorde niet tot de grafinventaris en was toen ongetwijfeld al oud. Van Enckevorts baas J. Thijssen vult aan: ""ecentelijk is er dan ook nog een in Wijchen ontdekt. En zo'n opmerkelijke groep vondsten, die zet je toch aan het denken."
De vraag is waar die vroege Nijmeegse christenen vandaan kwamen. Thijssen: "Ik ben in de literatuur gedoken en heb gevonden dat eind tweede eeuw in Lyon christenvervolgingen werden gehouden. Ik kan me voorstellen dat er toen christenen naar het grensgebied zijn uitgeweken, naar Nijmegen dus. Daar hadden ze meer kans om te overleven dan in een goed gestructureerde, stedelijke omgeving." Van Enckevort: "Bovendien was het hier destijds een smeltkroes van culturen. Naast de Romeinse cultuur, bleef de inheemse lang gehandhaafd. En in de derde eeuw begonnen er met de komst van troepen uit oostelijke regio's allerlei oosterse invloeden door te dringen, zoals die van cultusgemeenschappen rond Mithras en Sol Elagabalus. Men zal in zo'n smeltkroes waarschijnlijk heel wat verdraagzamer tegen de christenen hebben aangekeken dan men dat meer in het centrum van het rijk deed."
![]() |
De nieuwe vondsten maken deel uit van een grootschalig project om de vroege geschiedenis van Nijmegen op te helderen. De meeste inspanning gaat overigens naar een iets latere periode dan die van het vroege christendom: het zogenoemde 'gat van Nijmegen'. Zo wordt de onbegrepen periode genoemd tussen de vierde en de zevende eeuw. Uit die tijd zijn slechts zeer weinig geschreven bronnen over en archeologisch werd tot nu toe in Nijmegen ook niet veel gevonden. Bestond Nijmegen eigenlijk wel in die periode? Drs. J. Thijssen en drs. H. van Enckevort van het gemeentelijke Bureau Archeologie werken samen met prof.dr. J.K. Haalebos van de Katholieke Universiteit. In hun nieuwe schets van de periode is van een onderbreking in de stedelijke ontwikkeling geen sprake meer. En die bestendige, vroege gemeenschap van christenen speelde wellicht een belangrijke rol in de continuiteit.
De uitgestrektheid van bodemarchieven
als het Nijmeegse (vijf- tot zeshonderd
hectare: van de hoge stuwwal in
het oosten via het stadscentrum tot in
het laaggelegen Waterkwartier) is een
groot nadeel. De verspreide kijkgaten,
toevallig ontstaan door het bombardement
in 1944 en door nieuwbouw, zijn
slechts moeizaam met elkaar in relatie
te brengen. Wat het hiaat betreft heeft
het Bureau Archeologie de draad opgepakt
in de late derde eeuw na Chr. De
Romeinse stad Ulpia Noviomagus Batavorum
(in de bodem van het Nijmeegse
Waterkwartier) was aan het
wegkwijnen onder aanhoudende invallen
van Germanen; of Franken zoals ze
tegen die tijd genoemd gaan worden.
Door interne strubbelingen waren de
Romeinen niet goed in staat de Frankische
invallen het hoofd te bieden. Archeologen
meenden dat men Ulpia uiteindelijk
zou hebben opgegeven en dat
de bevolking moest zijn weggetrokken.
De eerste aanwijzing dat de stedelijke
ontwikkeling wel degelijk was doorgegaan,
dateert al uit 1969. Bij het Valkhof,
in het gebied van het oude Oppidum
Batavorum dat in de eerste eeuw
bij de Batavenopstand van Julius Civilus
was verwoest, werd een laat-Romeinse
gracht ontdekt. De gracht dateerde
uit het begin van de vierde eeuw.
Onderzoek in de decennia na 1970, en
voorlopig afgesloten bij de herinrichting
van het oostelijke centrumkwartier,
stelt Thijssen en Van Enckevort nu
in staat het ontbrekende hoofdstuk in
te vullen.
Hun reconstructie luidt als volgt. Onder keizer Constantijn de Grote (306-337) werd de orde hersteld. Rond 320 hadden de Romeinen het tot dan verlaten terrein van Oppidum Batavorum helemaal opnieuw ingericht en op het Valkhof een castellum gebouwd. Hiervoor werd materiaal gebruikt dat ze uit de ruïnes van Ulpia haalden. De kern van de bewoning lag vanaf die tijd niet meer in het Waterkwartier, maar weer op de oude plaats: in het centrum van het huidige Nijmegen. In die tijd woonden er ook al Franken in de onmiddellijke nabijheid van het castellum. Niet ver ten oosten van de omgrachting zijn namelijk sporen van een Frankische nederzetting ontdekt; munten wijzen uit dat die dateert uit 325-375.
Het grafveld van deze gemeenschap is
eveneens teruggevonden. Mogelijk was
dit een van de groepen die in ruil voor
toelating tot het Romeinse rijk een deel
van de grensverdediging op zich moesten
nemen. Deze foederati hadden
daarmee feitelijk al een flink deel van de
macht in onze streken in handen. De
Romeinse macht, aan de andere kant,
werd alleen maar zwakker. In 406 raakte
Mainz stevig in Frankische handen,
in 459 Keulen en daarmee was de
machtsomwenteling in NoordwestEuropa
compleet. Het castellum op het
Valkhof was echter al die tijd in functie
gebleven en wegens de Frankische aanwezigheid
zal de 'overdracht' wellicht
eerder geruisloos dan met geweld hebben
plaatsgevonden.

Thijssen: "Een tijdje geleden heb ik eens een lezing gehouden over continuiteit. Ik stelde daarin dat er steeds intermediaire groepen geweest moeten zijn die de Romeinse cultuur in perioden van terugval konden handhaven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bouw van Ulpia. In het verleden werd daarover gezegd dat men bouwvakkers uit Keulen moest hebben aangetrokken. Maar zo werkte dat niet. Of neem de vroege Frankische invasies van de vierde eeuw. Die mensen zijn een deel van de Romeinse erfenis gaan gebruiken. Zonder een intermediaire groep zou dat niet hebben gekund. Er zijn mensen uitgeschakeld in die periode, maar het verhaal gaat door. Dus moeten er genoeg zijn overgebleven om de know-how uit de complexe Romeinse maatschappij mee te nemen en voort te laten leven. In welke gemeenschappen moet je die mensen dan zoeken? Wat Nijmegen betreft zou dat vanaf eind tweede eeuw best eens die kennelijk bestendige gemeenschap met christelijke inslag kunnen zijn geweest."
Van Enckevort: "Het is een hachelijk
verhaal, dat weten wij ook wel. Maar
wij hebben een andere instelling dan archeologen
vroeger. Die schreven alleen
dingen op waar ze zeker van waren. Op
die manier blijft er echter een hoop in
de la liggen waar niemand ooit een oordeel
over kan geven. Dat schiet niet op.
In ons verhaal over Ulpia, over de
voortzetting van de stedelijke ontwikkeling
in het terrein van het oude Oppidum
Batavorum, over de vroege christenen,
daar zullen best missers zitten.
Dat wij er nu mee naar buiten komen.
geeft anderen de kans ons te vertellen
waar we fout zitten. Alleen op die manier
kom je vooruit. "
Naschrift: In december 2005 is gebleken dat de Christus-monogrammen
in de moderne tijd
op de voorwerpen zijn aangebracht!