PRAKTISCHE HANDLEIDING VOOR DE KLASSIEKE UITSPRAAK VAN HET LATIJN

Thomas M. Bervoets

1 Inleiding
2 Klinkers
2.1 Korte en lange klinkers
2.2 Afzonderlijke klinkers
2.3 Tweeklanken
2.4 Klinkerverkorting
2.5 Verkorting slot-o bij werkwoorden
2.6 Jambenverkorting
2.7 Synizesis
2.8 Hic, hoc, cuius, eius, huius
3 Medeklinkers
3.1 Afzonderlijke medeklinkers
3.2 Dubbele medeklinkers
3.3 Afzonderlijke combinaties
4 Het woordaccent
4.1 Paenultima-regel
4.2 Muta cum liquida
4.3 Enklitika
4.4 Apokope
4.5 Adeō
4.6 Griekse woorden
5 Woordverbindingen
5.1 Klinkerverkorting
5.2 Elisie
6 Bibliografie

1 Inleiding

In de oudheid werd de taal opgeschreven om later te worden gehoord. De Romeinen wilden de geschreven taal in de eerste plaats horen. Alle teksten werden bij voorkeur luid gelezen en de taalgebruikers hadden veel meer dan in onze dagen waardering voor een welluidende taal. In de hele rijke en gevarieerde literatuur hebben niet alleen de dichters maar ook de auteurs van in het bijzonder het kunstproza ernaar gestreefd, dat ritme en klank de inhoud effectief ondersteunen.
Om ook dit aspect van de taal te kunnen waarderen hebben filologen en linguïsten de antieke uitspraak van het Latijn in de klassieke periode gereconstrueerd.
Daarbij is in de eerste plaats uitgegaan van hetgeen de grammatici hierover hebben meegedeeld.
Daarnaast is er uit het metrum van de dichters veel lering te trekken.
Voorts vormen de historische ontwikkeling van de taal en de veranderingen in de spelling een belangrijke bron. De talloze inscripties geven door de wijze van notatie ook fonetische informatie. Dat geldt ook voor de transcriptie van Latijnse woorden en namen in het Grieks en omgekeerd.
Ten slotte speelt ook een vergelijkende beoordeling van de ontwikkeling van de uit het Latijn voortgekomen Romaanse talen een rol.
De hieronder geboden praktische richtlijnen zijn gebaseerd op dit onderzoek dat met name vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw serieus ter hand is genomen, nadat Desiderius Erasmus reeds in 1528 een bewonderenswaardige aanzet daartoe had gegeven.

 

2 Klinkers

2.1 Korte en lange klinkers

Alle klinkers kunnen als korte of als lange klinkers worden gesproken.
In het Nederlands zijn de spellingsregels beslissend voor het onderscheid tussen lange en korte klinkers (boom - bomen; bom - bommen).
Het Latijn kent nauwelijks vaste regels om te bepalen of een klinker lang of kort is. Natuurlijk zijn er wel patronen en structuren te onderkennen, maar ze laten zich niet in sluitende regels vatten. In elk geval kent het geen aparte schrifttekens daarvoor, zoals enkele in het Grieks (ε-η; o-ω).
De lengte of kwantiteit van elke klinker moet per woord of vorm steeds apart erbij worden geleerd, c.q. in een woordenboek of grammatica worden opgezocht.

Als enige werkelijke vaste regel geldt dat klinkers vóór de combinatie -nf en -ns steeds lang worden gesproken:

ānser, ānfrāctus, īnfēlīx, cōnferō, cōnsul, īnsānus, perīnfirmus, cōnficiēns, cōnsequēns

Deze klinkers mogen bovendien enigszins genasaliseerd worden gesproken.

Als vuistregel geldt dat de uitspraak van een lange klinker twee maal zo lang duurt als die van een korte klinker. Alle lange klinkers, ook die in lettergrepen die niet het woordaccent dragen en die vóór en na het woordaccent staan, behoren als lang te worden gesproken:

amīcus, amīcitia, cōnsuētūdinēs

De handhaving van de kwantiteit van de klinkers in alle posities is essentieel voor de uitspraak in het algemeen en het zinsritme (proza) of metrum (poëzie) dat daarvan een gevolg is, in het bijzonder:

Non est enim ullo modo dubium quin, qui bonos consules habent, melius agant.

Hierdoor onderscheidt het Latijn (en Grieks) zich wezenlijk van de uitspraak van de meeste tegenwoordige talen.

 

2.2 Afzonderlijke klinkers

Over de werkelijke klank, het timbre of de kwaliteit van de klinkers weten we natuurlijk het minst met zekerheid.

Een verantwoorde indicatie vormen de overeenkomstige klinkers in het Italiaans of Spaans:

pater, amat, casa, dare, animal, tamen
amāre, māter, frāter, āera
(acc. ev van āēr), pār, pāx, sāl, pāstor, nāscī, mālle
et, est, esse, brevis, ego, bene, enim, dedērunt, stetērunt
āēr, dē, mē, tē, sē, rēx, spēs, ērēxī, bēstia, stēlla, ēsca, crēscere, dēdidērunt
cor, duo, locus, mox, nox, os
(‘bot’), rosa
Ōceanus, ōs
(‘mond’), ōstia, mōs, nōs, vōs, nōlle, ōrdō, ōrnāre, vōx, ferōx

i kan zowel klinker als medeklinker zijn.
Als klinker wordt hij in alle posities steeds gesproken als ‘ie’ in ‘niet’ en ‘nieren’:

in, is, id, quis, quid, ipse, is, etiam, occidō (< cadō), via, vir, idem (onz.)
īdem (mnl.), vīs, ī, īs, īmus, vīvere, vīta, occīdō (< caedō)

Een i tussen twee klinkers is zowel klinker als medeklinker en moet dan ook als zodanig (eerst ‘i’ dan ‘j’) worden gesproken; aldus ontstaat er een duidelijk onderscheid in de uitspraak tussen eius en eum, bij welke laatste vorm veel sprekers een parasitaire overgangsklank ‘j’ laten horen, die echter beslist vermeden dient te worden:

ēius, cūius, māior, māiestās
eum, eam, eōrum, eōs

Geen medeklinker, maar een korte klinker is de i in de drielettergrepige eigennamen:

Gāĭus, Trōĭa

maar bij dichters zijn ze meestal tweelettergrepig.

Ook u kan zowel klinker als medeklinker (v) zijn.
u als klinker wordt steeds als ‘oe’ in ‘koe’ en ‘moeder’ gesproken.

ut, nurus, vultus
tū, lūx, frūctus, frūctūs

y klinkt als ‘u’ in ‘Utrecht’ en ‘buur’.

Aegyptus, mystērium
mȳthus, psȳchē

 

2.3 Tweeklanken

De tweeklanken ae, au, ei, eu, oe, ui worden als twee afzonderlijk hoorbare klanken samengesmolten tot één lange klinker:

quae, haec, raeda, Caesar, saepe, rosae, aera (mv van aes)
aut, Mausōlēum, gaudēre, audīre, inaudītus
hei, heia
heus, eugē, ēheu, Euander, Eurōpa
foedus, proelium, coepī
huīc, cuī, ūnīcuīque

 

2.4 Klinkerverkorting

Een lange klinker vóór een andere klinker wordt binnen de echt Latijnse woorden bijna altijd vermeden: vocalis ante vocalem corripitur. Deze regel geldt ook in het geval van een lange klinker als slotletter en een beginklinker van het volgende woord, als men die woorden verbonden wil of moet spreken (zie onder 5.1).

De stam-e van woorden van de vijfde declinatie wordt vóór de uitgangs-i alleen dan verkort, als er een medeklinker aan de stam-e voorafgaat:

reī, fideī, speī
diēī, rabiēī, speciēī

De stam-i van het werkwoord fierī wordt alleen dan verkort, wanneer er een r in de vorm voorkomt:

fierent, fierī
fīō, fīunt, fīēbant, fīent, fīat

Klinkerverkorting treedt niet op in de uitgang van de voornaamwoordelijke gen. ev -īus (wel bij dichters).

 

2.5 Verkorting slot-o bij werkwoorden

Sinds Ovidius wordt steeds vaker de slot-o van werkwoordvormen verkort, te beginnen met de jambische vormen van de 1e pers. ev praes. zoals rogŏ, sciŏ, volŏ, daarna die van andere werkwoorden en ook de 1e pers. ev fut. ex. (dīxerŏ).
In proza kan men de slot-o van deze vormen spreken naar gelang het uitkomt.
Wel wordt de slot-o van nescio steeds kort gesproken in combinaties als nesciŏ quis (quid, quem, quōmodō enz.) (ook aaneengesloten geschreven), waar nescio deel van een onpersoonlijk voornaamwoord is geworden.

 

2.6 Jambenverkorting

In de volgende van oorsprong jambische woordjes worden alle klinkers kort gesproken:

bene, male, cito, ego, mihi, tibi, sibi, ibi, ubi, quasi, nisi, modo (bijw.), puta (‘bijvoorbeeld’)

Van de volgende woorden mag, waar nodig, de slotklinker ook lang worden gesproken:

mihī, tibī, sibī, ibī, ubī

 

2.7 Synizesis

Uit de prosodie van de dichters kennen we het verschijnsel dat de klinkers e, i en u vóór een klinker soms als medeklinkers (‘j’, resp. ‘w’) kunnen worden gesproken, waardoor een lettergreep wordt uitgespaard. Ook wordt hierdoor de voorafgaande lettergreep met een korte klinker lang, wat een gevolg voor het woordaccent kan hebben (zie onder 4.1).
Ook in proza-teksten kan de spreker daarvan gebruik maken als het zinsritme daartoe aanleiding geeft:

alveō, aurea, abjetis, abjetibus, condicjōnibus, cōnsiljum, deōrsum, genva, muljer, muljeris, muljeribus, nātjōnis, prīncipjum, sinvātur, svēscere, svētus

 

2.8 Hic, hoc, cuius, eius, huius

Hic en hoc met korte klinkers zijn de nom. ev mnl. resp. onz. van het aanwijzend voornaamwoord; hōc is de abl. ev mnl. en onz. daarvan en hīc is het bijwoord: beide met lange klinkers.
Toch worden de beide korte vormen bij Vergilius en andere dichters vaak lang gemeten. Men spreke ze dan niet met lange klinkers, maar als ‘hicc’ en ‘hocc’.

De stamklinker van cuius, eius en huius wordt in de ene grammatica als lang en in de andere als kort genoteerd: bij dichters is de stamklinker doorgaans lang, in proza is hij gewoonlijk kort.

 

3 Medeklinkers

3.1 Afzonderlijke medeklinkers

In principe wordt elke medeklinker uitgesproken. Ze klinken grotendeels als in het Nederlands, waarbij moet worden gelet op het volgende:

b wordt als slotletter niet als ‘p’ gesproken:

ab, ob, sub

Voor d geldt iets soortgelijks, zodat er verschil is in de uitspraak van:

ad ‒ at; quod ‒ quot

c in alle posities als ‘k’:

cacūmen, Caesar, Cicerō, caelum

g in alle posities (behalve vóór n, zie onder 3.3) als ‘g’ in de Franse woorden ‘garçon’, ‘grand’:

gaudium, agere, vulgus

h wordt aan het begin van een woord gesproken als een niet al te nadrukkelijke Nederlandse ‘h’, maar vormt nooit een afzonderlijk foneem; bij woordverbindingen en tussen twee klinkers binnen een woord mag hij ook wegvallen; in andere gevallen dient hij vooral om een hiaat aan te geven, wanneer men beslist meer lettergrepen wil of moet weergeven:

habēre, prohibeō, hasta, Ahāla, mihi, nihil, vehemēns of vēmēns, vehiculum

i als medeklinker wordt gesproken als ‘j’:

iam, iacēre, iacere, iuvenis

In samenstellingen van iacere is i zowel medeklinker als klinker en spreekt men eerst ‘j’ dan ‘i’:

abicere, dēicere, conicere

m is tussen klinkers en als slotletter zwak en kan dan zelfs geheel wegvallen (zie onder 5.2).

q komt alleen voor in combinatie met u, die dan klinkt als ‘kw’:

quoque (bijw.), quōque, quamquam, quicquid, coquō, quodcumque

r (littera canina, ‘hondenletter’) dient dentaal of rollend te worden gesproken:

rabiēs, rota, recipere, reciprocāre, afferre, narrāre, perrumpere

s wordt in alle posities, ook bij woordverbindingen, stemloos, nooit als ‘z’ gesproken:

casa, cāsus, causa, cōnsul, cōnsulēs, īnsula, esse, īsse

t in ti gevolgd door een klinker, wordt steeds als ‘t’ gesproken, dus nooit als ‘ts’:

nātiō, iūstitia, Terentius

Met v wordt in onze transcripties meestal de u als medeklinker weergeven, die wordt gesproken als ‘w’:

vīvere, vēnī, vīdī, vīcī, avārus

z wordt gesproken als ‘tz’:

Zama, zōna, gaza, gargarizāre

 

3.2 Dubbele medeklinkers

Dubbele medeklinkers worden weergegeven door er even de stem op te laten rusten:

abbās, accipere, agger, aggredī, addere, afferre, annus, appropinquāre, attamen

 

3.3 Afzonderlijke combinaties

g vóór n (gn) wordt nasaal gesproken als ‘ng’ in ‘vang-net’:

Gnaeus, magnus, rēgnum, īgnis, pūgna

h achter c, p en t (ch, ph, th) geeft aan dat de voorafgaande letter geaspireerd moet worden gesproken:

pulcher, Ēchō, philosophus, theātrum

n in nc, ng en nqu, wordt nasaal gesproken als in ‘anker’:

sānctus, longus, quīnque, inquam, prīnceps

u in gu en su vóór klinker is vaker medeklinker (‘gw’, ‘sw’) dan klinker:

gverra, langvēscere, lingva, sangvis, exstingvere, ungvere
svāvis, svādēre, Svēbī, Svētōnius

maar:

argŭere, sŭēscere, sŭere

 

4 Het woordaccent

De klemtoon, betoning of het woordaccent werd in de klassieke periode zo goed als zeker door een verschil in toonhoogte tot uitdrukking gebracht. Cicero is hierover heel duidelijk (Cic. Or. ad Brut., XVII, 57 en XVIII, 58).

 

4.1 Paenultima-regel

Het woordaccent valt op één van de laatste drie lettergrepen, maar slechts zelden op de laatste. De vóórlaatste lettergreep (syllaba paenultima) wordt betoond als deze lang is en bij tweelettergrepige woorden. In alle andere gevallen draagt de lettergreep daarvóór het woordaccent (antepaenultima).

Een lettergreep is lang, wanneer hij een lange klinker of tweeklank bevat, of wanneer de klinker wordt gevolgd door twee of meer medeklinkers, waarbij qu als één medeklinker geldt, x als twee en h in het geheel geen waarde heeft.

 

4.2 Muta cum liquida

Wanneer een korte klinker wordt gevolgd door een b, c, d, f, g, p, en t, waarachter een l of r (niet m en n) wordt de lettergreep in proza steeds als kort gesproken. In geval van een paenultima verschuift de klemtoon dan naar de antepaenultima.

Bij de dichters moet deze lettergreep omwille van het metrum soms lang worden gemeten waardoor het accent verschuift:

ténebrae of tenébrae; vólucrēs of volúcrēs

 

4.3 Enklitika

De partikels -que, -ne en -ve achter een woord waarvan de oorspronkelijke slotlettergreep kort is, zorgen ervoor dat de paenultima toch de klemtoon krijgt:

armáque, multáque, plēráque, utráque, ūnus duóve, ūna alteráve, homō bēstiáve
Salváne, māter? Benéne tē habēs?

maar:

dḗnique, ítaque, úndique

 

4.4 Apokope

De vocativus-vormen van woorden op -ius, eindigend op -i, dragen het accent op de paenultima als gevolg van de weggevallen slot-e; zo ook de verkorte genitivus-vormen van dezelfde woorden en die op -ium:

ō fīlī, Vergílī, Antṓnī, Valérī
cōnsílī, impérī, ingénī

De laatste lettergreep krijgt het accent als gevolg van het wegvallen van de slot-e in vormen als:

vidḗn? (< vidēsne), dīxtīń? (< dīxtīne < dīxistīne), satīń? (< satisne)

Eveneens wegens het wegvallen van -ce:

antehāć, posthāć, adhūć, dōnéc, abhínc, illīć, illāć, illūć, istīć, istāć, istūć

 

4.5 Adeō

Het bijwoord adeō heeft de klemtoon op de e:

adéō

 

4.6 Griekse woorden

Griekse woorden in Latijnse letters mogen volgens de Latijnse accentregels worden betoond.

 

5 Woordverbindingen

Woorden worden niet los van elkaar gesproken, maar worden met het volgende woord verbonden tot er een rust of spreekpauze volgt. In feite spreken we in lettergrepen.
Bij de dichters wordt de rust gevormd door caesura of diaeresis en soms door een regeleinde. In proza valt hij in elke geval aan het eind van de zin. Voor het overige is hij afhankelijk van de persoonlijke interpretatie van de spreker, waarbij leestekens een hulp, maar niet beslissend hoeven te zijn.
Men zoeke een rust zoveel mogelijk aan het eind van een lange lettergreep.

 

5.1 Klinkerverkorting

Bij het verbinden van woorden met een lange slotklinker wordt deze verkort, als het volgende woord met een klinker begint (zie onder 2.4).
Tussenwerpsels (ō, āh, ēheu) worden geïsoleerd gesproken, worden niet verkort en leiden ook niet tot enige verkorting.

 

5.2 Elisie

Van de dichters weten we dat een slot-m wegvalt en de voorafgaande klinker wordt versmolten met de beginklinker van het volgende woord. Deze wijze van verbinden kan ook in proza worden toegepast al naar gelang het zinsritme.
Dat geldt eveneens voor de vormen es en est, waarbij echter niet de slotklinker maar de klinker van es of est wegvalt.

mōnstrum horrendum, īnfōrme, ingēns

 

6 Bibliografie

W. Sidney ALLEN. Vox Latina. A Guide to the Pronunciation of Classical Latin. Second Edition. Cambridge. 1978.

P. Caelestis EICHENSEER. Libellus Textualis Phonodiscorum Compactorum Phonetices Latinae et Pronuntiatus Latini. Saraviponti-Saarbrücken. 1995.

A. ERNOUT. Morphologie Historique du Latin. 3e édition, revue et corrigée. Parijs. 1953. archive.org

H.H. JANSSEN. Historische Grammatica van het Latijn. Deel I. De Klanken. Den Haag. 1952. archive.org

Frances E. LORD. The Roman Pronunciation of Latin. Why we use it and How we use it. Boston. 1894. gutenberg.org

J. MAROUZEAU. La Prononciation du Latin (Histoire, Théorie, Pratique). 4e édition. Parijs. 1955. archive.org

M. NIEDERMANN. Précis de Phonétique historique du latin. Cinquième édition revue et augmentée. Parijs. 1906. archive.org

J.P. POSTGATE. Prosodia Latina. An Introduction to Classical Latin Verse. Oxford. 1923.

E.H. STURTEVANT. The Pronunciation of Greek and Latin. Second Edition. Philadelphia. 1940. archive.org

J. WOLTJER. Latijnsche Grammatica. Zesde herziene en omgewerkte druk door R.H. Woltjer. Groningen, Den Haag. 1924. archive.org


Mochten er onverhoopt rechten overtreden worden op/door/met deze site, stuur dan even een mailtje zodat de plooien recht kunnen worden gestreken.


Deze pagina maakt deel uit van www.STILUS.nl.