TROPEN EN FIGUREN


De verplichte stijlmiddelen voor de eindexamens Latijn en Grieks vind je in de syllabi van het betreffende jaar (vanaf CE 2015).

Stijlmiddelen worden door schrijvers gebruikt om de aandacht van de lezer op belangrijke punten te vestigen.
Stijlmiddelen zijn niet per definitie geschikt of ongeschikt, geslaagd of mislukt. De context en de lezer bepalen of stijlmiddelen hun doel bereiken of zelfs averechts werken.

TROPEN hebben betrekking op de betekenis, de inhoud van de woorden: beeldspraak.

  • vergelijking: hierbij worden object/afgebeelde en beeld beide genoemd:
    de man is zo rood als een kreeft
        afgebeelde: man; beeld: kreeft; punt van overeenkomst: kleur
    Pippi is zo sterk als een paard
        afgebeelde: Pippi; beeld: paard; tertium comparationis: kracht

    een breed uitgemeten vergelijking heet een Homerische vergelijking

  • metafoor: een vergelijking met alleen het beeld:
    zij reed op haar stalen ros hard naar me toe
        afgebeelde: fiets; beeld: paard; tertium comparationis: te berijden vervoermiddel

  • metoniem: geen overeenkomst maar een logische betrekking tussen object en beeld. Er heeft verwisseling van naam plaatsgevonden. Enkele voorbeelden:
    • naam van godheid ipv werkterrein of machtsgebied:
      Venus (= liefde)
    • bijnaam ipv eigennaam:
      de vader van de geschiedschrijving (= Herodotus)
    • maker ipv voorwerp
      wij zagen een Harley rijden (= een Harley-Davidson motor)
    • plaats of land ipv mensen
      Groningen kort weer op de studiebeurs (= de ambtenaren van studiefinanciering in Groningen)
      Nederland verloor met 118-93 (= het Nederlandse basketbalteam)
    • stof ipv voorwerp
      ik kroop vroeg onder de wol (= de wollen dekens)
    • voorwerp ipv inhoud
      jij lust nog wel een glaasje? (= drank)
    • pars pro toto
      zeil, kiel, achtersteven (= schip)
    • totum pro parte
      even mijn fiets plakken (= binnenband)
    • abstractum pro concreto
      bewaking (= gevangenbewaarders)
      genot (= lieveling)
    • concretum pro abstracto
      vlam (= liefde)
      purper (= heerschappij)
FIGUREN hebben betrekking op de vorm, de bouw van de zin.

  • alliteratie: beginklank van opeenvolgende woorden is gelijk:
    Lotje leerde Lientje lopen langs de lange Lindenlaan
    in mari meri miri mori muri necesse est

  • anafoor: repetitio: herhaling van eenzelfde woord(en) aan het begin van opeenvolgende zinnen:
    heel het keizerhuis, heel de senaat, heel de ridderstand

  • anakoloet: storing in de juiste syntactische samenhang, vaak in navolging van de spreektaal:
    enige tientallen sympathisanten - zij waren gekomen in verband met de dreiging van ontruiming - de politie hield een charge en veegde de straat schoon
    zo is de spreker hier na een bijzin, gevolgd door een bijzin die hij nader wil uitleggen, raakt hij het spoor bijster

  • anastrophe: zie inversie

  • anticlimax: opeenvolging van steeds zwakkere uitdrukkingen zorgt voor afname van de spanning; zie enumeratio

  • antithese: tegenstelling:
    mijn en dijn
    dood of levend

  • apostrophe: allocutio: het toespreken van personages binnen het verhaal of het toespreken van niet aanwezige personen:
    dan zou jij, Troje, nog bestaan

  • archaïsme: het gebruik van verouderde woorden, uitdrukkingen en constructies:
    kinderen, zwijgt en luistert

  • assonantie: klinkerrijm:
    per aspera ad astra

  • asyndeton: de leden van de opsomming worden door komma's verbonden:
    ik wou dat ik groter, slimmer, mooier was

  • barbarisme: het overnemen van constructies die niet tot het taaleigen van de eigen taal behoren: anglicisme, gallicisme, germanisme, graecisme:
    wat is de tijd?

  • brachylogia: breviloquentia: brevitas: weglating van woord(en), die makkelijk door de lezer aangevuld kunnen worden:
    zal men deze getuigen niet geloven? M. Octavius niet? L. Ligurius niet?

  • chiasme: kruisstelling:
    servi multa saxa et trabes longas portabant

  • climax: opeenvolging van steeds sterkere uitdrukkingen zorgt voor vergroting van de spanning; zie enumeratio

  • constructio ad sententiam: constructie naar de inhoud van een begrip, niet naar de (grammaticale) vorm:
    mijn zus stond met een meisje te praten, die ik ook kende

  • contaminatie: versmelting van twee uitdrukkingen:
    een bericht opnoteren
    met pijpestelen uit de lucht vallen

  • correctio: verbetering van een uitdrukking, die te zwak is:
    toch leeft Catilina. Leeft? Sterker nog, hij komt in de senaat

  • ellips: weglating van woord(en), waar dit grammaticaal eigenlijk niet kan:
    brevi (= brevi tempore)
    mihi liber (= mihi liber est)

  • enallage: hypallage: wisseling van bepalingen:
    altae moenia Romae

  • enumeratio: opsomming:
    uren, dagen, weken, maanden, jaren, eeuwen
    veni, vidi, vici

  • epitheton ornans: versierend adiectivum, vaak met betekenis-deflatie:
    pius Aeneas
    de uilogige Athena

  • eufemisme: een verzachtende uitdrukking voor iets vreselijks:
    de dierenarts heeft de poes laten inslapen
    Venerische ziekten

  • exclamatio: uitroep:
    o tempora, o mores

  • hendiadys: één door twee: één samengesteld begrip wordt weergegeven door twee substantiva:
    arma virumque (= de wapenfeiten van de held)
    litterae nuntiique (= schriftelijke berichten)

  • hypallage: zie enallage

  • hyperbaton: scheiding van grammaticaal bijeen horende woorden door andere, Distanzstellung:
    speluncam Dido dux et Troianus eandem deveniunt

  • hyperbool: opzettelijke overdrijving:
    in snelvoetigheid de winden overtreffen

  • inversie: omkering van de gebruikelijke woordvolgorde:
    Italiam contra (anastrophe)
    een boef ben je! (prolepsis)

  • ironie: opzettelijk tegengesteld uitdrukken van wat bedoeld wordt; spot:
    dat was me een leuke avond

  • litotes: sterke bevestiging door middel van ontkenning van het tegenovergestelde:
    non sine causa
    dat heb je niet onaardig gedaan

  • metafoor: zie tropen

  • metoniem: zie tropen

  • neologisme: nieuw gevormd woord of nieuwe betekenis aan een bestaand woord:
    voordeurdeler
    schraal

  • onomatopee: klanknabootsend(e) woord(en) of zin:
    quamvis sint sub aqua, sub aqua maledicere temptant

  • oxymoron: verbinding van tegenstrijdige begrippen:
    eendrachtig in tweedracht
    absentes adsunt

  • paradox: schijnbare tegenstrijdigheid:
    nog zo'n overwinning en ik ben verloren

  • parallellisme: identieke opbouw in opeenvolgende zinnen:
    we zullen naar school gaan om te leren, we zullen naar een café gaan om te eten, we zullen naar huis gaan om te slapen

  • personificatie: het als persoon opvoeren van een concreet of abstract begrip:
    Fama volat

  • pleonasme: dubbel uitdrukken van hetzelfde begrip:
    hij had verlof dat te mogen doen
    witte sneeuw
    het eerste begin

  • polysyndeton: de (minimaal drie) leden van de opsomming worden door en verbonden:
    geef me m'n hoed en m'n jas en m'n das want ik ga me bedrinken
    Tiberii Gaique et Claudii ac Neronis

  • praeteritio: aankondiging om iets over te slaan (en dus toch te noemen):
    ik geloof niet dat het nu de plaats en tijd is om te spreken over de manier waarop sommigen de hun toebedeelde taken verwaarlozen; ik zal dus verdergaan met ...

  • prolepsis: vooraf nemen:
    • het gevolg wordt gelijktijdig voorgesteld:
      de kinderen bedekken hun verborgen snoepjes
    • subject bijzin wordt object hoofdzin:
      denk aan deze man, dat hij sterk is (= denk er aan, dat deze man sterk is)
    • vooropplaatsing van zinsdeel
      de postbode, hem heeft de hond vandaag gebeten (inversie)

  • repetitio: zie anafoor

  • retorische vraag: vraag waarop het antwoord aan iedereen al duidelijk is:
    wie maakt zijn huiswerk nou niet altijd?

  • soloecisme: grove taalfout door gebrekkige taalkennis (dit is géén stijlmiddel):
    hun zeggen dat een aantal leerlingen op tijd waren

  • tautologie: herhaling van een begrip in andere woorden:
    pais en vree
    vast en zeker

  • tricolon: mededeling in drieën; zie asyndeton, (anti)climax, enumeratio, parallellisme, polysyndeton

  • understatement: opzettelijke verzwakking:
    dat heb je wel aardig gedaan

  • variatio: met opzet verschillende woorden en constructies gebruiken:
    Tiberii Gaique et Claudii ac Neronis
    per vim et dolis

  • vergelijking: zie tropen

  • zeugma: speciale vorm van brachylogia: men gebruikt een (werk)woord in verschillende betekenissen:
    bij deze pont zet men koffie en over


© Leo Nellissen 1999-2014, met dank aan Joop Jagers