Vestales, groep van zes, oorspronkelijk wellicht vier
priesteressen van de romeinse godin Vesta (sacerdotes
Vestales), waarvan de instelling algemeen aan
Numa werd toegeschreven. De eerste in rang was
de Virgo Vestalis maxima (dat het hier gewoon om
de oudste zou gaan, is hoegenaamd niet zeker),
maar het feitelijke gezag over hen (patria potestas)
werd uitgeoefend door de
pontifex maximus, die hen
tevens in het collegium pontificum vertegenwoordigde.
Hun verhouding tot de rex sacrorum is niet
zo duidelijk. De woning van de Vestales lag in het Atrium
Vestae (dat zij slechts om ambtelijke redenen of wegens
ziekte mochten verlaten), naast de Vesta-tempel
op het Forum Romanum. Hun taak bestond in
het onderhouden en bewaken van het heilige stadsvuur
(Vesta). Wie het liet uitdoven, werd door
de pontifex maximus gegeseld. De Vestales waren verder
belast met het onderhoud en de jaarlijkse
schoonmaak van de Vesta-tempel en met de zorg voor de
offerbenodigdheden aldaar, de z.g. (penus Vestae).
Zo bereidden zij zelf het offermeel, dat dan op 9
juni, 13 september en 15 februari aan het volk werd
uitgedeeld. Behalve de Vestalia moesten zij nog
andere religieuze festiviteiten met hun aanwezigheid
opluisteren (o.a. de Fordicidia, de Ops- en
Bona-Dea-feesten, de Parentalia, de Parilia). waarvoor
zij zo nodig reinigingsmiddelen uit de penus Vestae
ter beschikking stelden.Lit. C. Koch (PRE 8A, 1732-1753). H. Dragendorff, Die
Amtstracht der Vestalinnen (Rheinisches Museum 51, 1896, 281-302).
T.C. Worsfold. The History of the Vestal Virgins of Rome
(London 1932, ²1952): G. Gianelli, II sacerdozio delle Vestali romane
(Florence 1933). F. Münzer, Die römischen Vestalinnen bis zur
Kaiserzeit (Philologus 92, 1937, 47-67, 199-222). E. del Basso,
Virgines Vestales (Atti dell'Accademia di Scienze morali e politiche
della Società Nazionale de Scienze, Lettere ed Arti di Napoli 85,
1974, 161-249). M. Beard, The Sexual Status of Vestal Virgins (JRS
70, 1980, 12-27). [van Uytfanghe]