Vectigal, term waarmee de Romeinen oorspronkelijk en in strikte zin de inkomsten aanduidden die de staat verkreeg uit de staatseigendommen; in uitgebreidere zin werden ook indirecte belastingen v. genoemd, in tegenstelling tot het tributum (directe belasting); in de keizertijd werd v. zelfs in de ruimste zin gebezigd voor alle soorten van belasting.
Vectigalia werden geheven op het gebruik van staatsgrond (ager publicus) en de exploitatie van mijnen (metalla) en zoutpannen (salinae), maar ook indirecte belastingen als tollen, in-, uit- en doorvoerrechten (portoria), visrechten (piscatio) en de 5%-heffing op vrijlatingen (vicesima manumissionum of libertatis) werden ertoe gerekend. Oorspronkelijk werd veelal in natura betaald. Het innen werd door de censoren aan publicani verpacht; dezen werden in de 2e eeuw nC vervangen door conductores, later door staatsambtenaren. Ten tijde van de republiek vormden de v.ia de voornaamste bron van inkomsten voor de romeinse staat. In 293 vC dekte de opbrengst de personele en sacrale uitgaven van de staatshuishouding, de kosten van graan voor de bondgenoten in leger en vloot en die voor het onderhoud van tempels, pleinen en openbare gebouwen. Naarmate in de 1e eeuw vC en de 1e eeuw nC de omvang van het staats rondbezit verminderde, namen de inkomsten uit de v.ia af. Dit had tot gevolg dat steeds nieuwe vormen van indirecte belasting bedacht werden en dat - althans buiten Italië, waarvan de inwoners van 167 vC tot het eind van de 3e eeuw nC geen tributum hoefden te betalen - de betekenis van het tributum toenam.
Zo werd het in 6 nC door keizer Augustus ingerichte
aerarium militare gevoed
door twee nieuwe belastingen:
een omzetbelasting van 1% op aankopen
bij verkopingen (centesima rerum venalium) en een
successierecht van 5% op erflatingen hoger dan
100.000 sestertiën aan niet-verwanten (vicesima hereditatum).
Ook werd een 4%-belasting ingevoerd
op de verkoop van slaven (quinta et vicesima venalium
mancipiorum).
Lit. W. Schwan (PRE 7A, 1-78 s.v. tributum). - M. Rostowzew,
Die Geschichte der Staatspacht in der römischen Keiserzeit bis
Diokletian (Philologus, Suppl. 9, Leipzig 1904) 329-512.
[A. J. Janssen/Nuchelmans]