Šubat-Enlil

Šubat-Enlil ('Woonplaats van Enlil'), naam van een plaats waar de assyrische koning Šamši-Adad I zich lange tijd ophield. We kennen S. voornamelijk uit de archieven van Mari; het wordt ook genoemd in de tabletten van Chagar Bazar en in een belangrijke itinerarium-tekst (zie W. Hallo). De plaats wordt in de Mari-brieven vooral genoemd tijdens de periode van assyrische invloed (Samsi-Adad en diens zoon Jasmah-Adad) en slechts zelden in de correspondentie van de dynastie van Zimrilim. De tekst uit Archives Royales de Mari XIV 101 (cf. 102) doet vermoeden dat S. korte tijd onder elamitische heerschappij stond.

S. moet waarschijnlijk geïdentificeerd worden met Tell Leilan, een 2 x 1 km grote tell, die bestaat uit een citadelheuvel met daaromheen een ommuurd stadsgebied, gelegen ca. 26 km ten oostzuidoosten van Qamisli (Kamesili) in het uiterste noordoosten van Syrië. Tell Leilan is nog niet opgegraven, maar oppervlakte-onderzoek heeft aardewerk uit het einde van het 3e en uit vrijwel het hele 2e millennium vC aan het licht gebracht.


Lit. Belangrijke tekstplaatsen: Archives Royales de Mari I, II, IV, V, XIII, XIV. - O. Lorentz (AOAT 1, 1969, 199-260; vgl. AOAT 3/1). W. Hallo, The Road to Emar (JCS 18, 1964, 57-88). - Over de identificatie: B. Hrouda, Wassukanni, Urkis, Subat Enlil (MDOG 90, 1958, 22-35). W. van Liere, Capitals and Citadels (Annales Archéologiques de Syrie 13, 1963, 19-122). [Meijer]


Kaart