Arabisch

Het arabisch, behorende tot de groep der semitische talen, was reeds lang voor zijn grote bloeiperiode bekend, hetgeen allereerst geldt van het zuid-a., dat gesproken werd in de oude rijken die ontstonden in het tegenwoordige Jemen. De oudste inscripties die men heeft aangetroffen gaan waarschijnlijk terug tot in de 9e eeuw vC, terwijl jongere inscripties stammen uit het koninkrijk der Himjarieten (6e eeuw vC). Het zuid-a., dat geschreven werd met consonanttekens die gelijkenis vertonen met de noordsemitische alfabetten, wordt nog slechts als dialect gesproken in het uiterste zuidoosten van Arabië (Mahra). Van de noord-a.e dialecten, die de overhand hebben gekregen, is slechts weinig uit de preïslamitische tijd overgeleverd. Eerst in de 7e eeuw, bij de opkomst van de islàm, deed het noord-a. als cultuurtaal zijn intrede in de geschiedenis met de koran, die zijn literaire vorm reeds ten tijde van Mohammed of in de periode kort daarna heeft gekregen. In de toen volgende eeuwen viel de grote bloeitijd van het a., welke gepaard ging met de groeiende invloed van de islam. Naast het religieuze, artistieke en administratieve gebruik van deze taal, kwam het a. toen ook zozeer in omloop als de taal der geleerden, dat niet alleen moslems (Arabieren en niet-Arabieren), maar ook joden en christenen zich erin gingen uitdrukken.

De consonantische tekst van de koràn, die stipt is overgeleverd, gaat waarschijnlijk terug op een preïslamitische dichtertaal en vertegenwoordigt in zijn oorspronkelijke vorm het westelijk dialect van de Hidzjaz. Later is de koran bij de vocalisatie in overeenstemming gebracht met de vigerende dichtertaal, waarvan de oorsprong in de oostelijke dialecten ligt. De oudste exemplaren van de koran zijn geschreven in het z.g. koefische schrift, dat vooral bij inscripties werd gebruikt. Later ging men over op het cursieve nasji-schrift, waarvan zich in de verschillende landen van elkander onderscheiden vormen hebben ontwikkeld. Langzamerhand ontstond de behoefte aan uniformering en definitieve vastlegging van het schrift, een ontwikkeling die eveneens plaatsvond met betrekking tot het hebreeuws bij de joodse en het syrisch bij de christelijke geleerden, waarbij men wederzijdse beïnvloeding kan vaststellen. Het van links naar rechts lopende a.e schrift, waarvan de letters evenals in het syrisch met elkaar verbonden konden worden, verkreeg zo een duidelijk beeld met van elkaar onderscheiden woorden, terwijl bovendien de uitspraak werd vastgelegd door toevoeging van vocaaltekens aan de consonantentekst.

Het a., dat zelf reeds een zeer uitgebreide woordenschat bezit, verrijkte zich bij het verdringen van het egyptisch, koptisch en latijn in Noord-Afrika nog met talloze woorden uit andere cultuurtalen en werd tot diep in Afrika, tot Spanje toe en ver naar het oosten een belangrijke verkeerstaal. Het huidige a. valt uiteen in talrijke dialecten, die echter nimmer schrijftaal zijn geworden. Overigens heeft de algemene kunsttaal op deze dialecten een belangrijke invloed uitgeoefend.


Lit. J. H. Kramers, De Semietische talen (Leiden 1949). Id., The Language of the Koran (Analecta Orientalia, Leiden 1956) 149-167. C. Brockelmann, Geschichte der arabischen Literatur² (Leiden 1946-1949), Supplementbände 1-3 (Leiden 1938-1942). [Beek]


Kaart