Rachab (hebreeuws rāḥāb), naam van een boer in Jericho, die volgens Joz2-6 een rol heeft gespeeld toen de Israelieten onder Jozua het gebied ten westen van de Jordaan binnendrongen. De twee vooruitgezonden verspieders brachten in haar huis, dat gevestigd was in de stadsmuur, de nacht door.
Toen de Israelieten gezocht werden, verborg R. hen op het dak onder de vlasstengels en misleidde de achtervolgers. Zij verklaarde haar zorg voor deze mannen uit haar geloof in de macht van de God van Israel (ib. 2,9-11). Zo wordt zij voorgesteld als een vreemdelinge met profetische gaven, die wegens haar geloof en verdiensten in de gemeenschap van Israel werd opgenomen (vgl. Hb 11,31 en Jac 2,25). Dat Mt 1,5 haar noemt in de genealogie van Jezus is begrijpelijk wanneer men let op de plaats die zij in de rabbijnse literatuur had gekregen. Zij heet daar de vrouw van Jozua, de moeder van Boaz en de stammoeder van acht profeten, waaronder Jeremia.
Men had enige moeite met haar beroep, niet
alleen in Joz2,1, ook in 1Kg 3,16 en Ez 23,44. De
Targum vertaalde het woord zōnāh ('hoer') met
pundākīt. Dit woord betekent herbergierster en was
waarschijnlijk een eufemisme, omdat een herberg in
de oosterse oudheid dikwijls tegelijk als bordeel fungeerde.
Anderen hebben zoonaah in verband gebracht
met māzōn, 'spijs', en kwamen zo eveneens bij het
meer eerzame beroep van de gastvrouw, die voedsel
verstrekt.
Lit. G. Kittel (ThW 3, 1-3). StB 1, 20-33. [Beek]