Gad (hebr. gād: geluk), naam van:
(1) Gad, west- en zuidsemitische godheid van nog onbekende herkomst, in het OT eenmaal (Is 65,11) genoemd, naast Meni. Te oordelen naar de naam, die mogelijk met hebr. gādad (indringen, overkomen) samenhangt, en de verklaring daarvan in Gn 30,11 is G. 'geluks'-god en betekent zijn naam het plotseling overkomen geluk (vgl. grieks τύχη en τυγχάνω). Met deze naam zijn de plaatsnamen Baäl-Gad (Joz 11,17 e.a.), en Migdal-Gad (Joz 15,37) en de persoonsnamen Gad, Gadi, Gaddi, Gaddiël en Azgad samengesteld. G. mag zich daarom in een levendige, op kanaänitische invloed teruggaande verering verheugd hebben.
(2) Gad, volgens de bijbelse genealogie zoon van Jakob
en Zilpa (Gn 30,10v), eponymus van de israelitische
stam G. Deze wordt gekarakteriseerd in Gn 49,19
en Dt 33,20v. Volgens Nm 1,24v telde de stam
45650, volgens Nm 26,15-18 40500 gewapende mannen.
De onderafdelingen worden in Gn 46,16; Nm
26,15-18; 1Kr 5,11-17 opgenoemd. G. heeft zich gevestigd
in het oostjordaanse gebied tussen Jabbok en
Arnon (Nm32,34-37), waar de 'mannen van G.'
tijdens Mesa (inscriptie r. 10) de buren van de Moabieten
waren. Jr 49,1 schijnt te veronderstellen dat
de stam door de Ammonieten verdrongen is. Het
stamgebied en de grenzen ervan worden beschreven
in Joz 13,24-28; Nm 32,34-37. In 1Sm 13,7 staat G.
naast Gilead, in 2Sm 24,5 naast Aroër, Jazer en Gilead.
In de postexilische tijd wordt G. door Ez (48,
27v.34) en Openb. (7 ,5) eveneens tot de twaalf stammen
van Israel gerekend.
Lit. Abel 2, 69v. Simons blz 557. R. de Vaux, Notes d'histoire
et de topographie transjordaniennes (VP 1, 1941, 16-47). M.
Noth, Israelitische Stämme zwischen Ammon und Moab
(ZAW 60, 1944, 11-57). Id., Gilead und Gad (ZDPV 75, 1959,
14-73).
[v. d. Born]