Ananias (hebreeuws hănanjāh: Jahwe heeft zich erbarmd), eigennaam o.a. van:
(1) In Tob 1,18 noemt de engel Raphael zich Azarias, de zoon van de grote Ananias; hij is inderdaad Azarias (hulp van Jahwe), zoon (godenzoon vgl. Job 1,6; 2,1; Ps 89,7) van A., de genadige Jahwe.
(2) Ananias, christen uit Jeruzalem, die met zijn vrouw
Sapphira tegen de jonge christengemeente en daarmede
tegen de heilige geest misdeed; de schuld
moest daardoor met de dood uitgeboet worden
(Hand 5,1-1 1).
Lit. Ph. H. Menoud, La mort d'Ananias et Saphira (Mélanges
Goguel, Neuchâtel 1950, 146-154).
(3) Ananias, discipel uit Damascus, aan wie in een gezicht
bevolen werd, Paulus de handen op te leggen, en die
hem het woord des Heren over zijn uitverkiezing
overbracht (Hand 9,10-19; 22,12-16).
(4) Ananias, joodse hogepriester (ca. 47-59) behandelde
Paulus in het proces voor het synedrin zeer onheus
(Hand 23,2-5) en klaagde hem aan bij de stadhouder
Felix (24,1-9). Wegens zijn hebzucht en terreur werd
hij als vriend van de Romeinen bij het begin van de
joodse oorlog (sept. 66) door de zeloten vermoord
(vgl. Hand 23,3).
(5) Ananias (Chananja of Hananja), een van de drie metgezellen van Daniël.
[v. d. Born]