OP DIT MOMENT: 520
GEDICHTEN MET EEN KLASSIEK MOTIEF

Spring meteen naar het laatst toegevoegde gedicht!                          

                         


Een aantal gedichten heeft een titel tussen [...]. Ofwel omdat het gedicht geen titel draagt ofwel als trefwoord.
Houd rekening met Griekse en Latijnse spelling. Bijvoorbeeld Actaeon en Aktaion/Aktaioon.
Gebruik Ctrl-F om de toegevoegde titels te doorzoeken. Bijvoorbeeld Midas: tweemaal als oorspronkelijke titel, eenmaal toegevoegd bij Verzoek om ezelsoren.


Mochten er onverhoopt rechten overtreden worden op/door/met deze site, stuur mij dan even een mailtje zodat de plooien recht kunnen worden gestreken.

Leo Nellissen

www.stilus.nl


Aanvullingen zijn welkom.

Met dank aan Pim Boer, Dia de Boer, Feike Dietz, Harrie van Gils, Eva De Hondt, Sjors van Hoof, Anton J.L. van Hooff, Hettie Marzak, Lucette Meijer-van Gorp, Janneke van der Meulen, Cock van Montfoort, Hans Overheul, Peter De Smet, Pieter Thijs.


En als aparte bestanden:

Analyse van Op een hond zijn kop stak (Hans Favery) door Paul Claes

Analyse van 4 gedichten over Icarus (Claus, Knibbe, Vestdijk en Vuylsteke) door Leo Nellissen

Bespreking van Phaedra (Hugo Claus) onder andere in relatie met Hippolytos (Euripides), Phaedra (Seneca) en Phèdre (Racine) door Leo Nellissen. Let wel: geen gedicht. Pdf van 1 Mb


titels

 
79 n. C. zomer in Herculaneum
Aan de mast [Odysseus]
Aan den Hermes van Praxiteles
Aan de Scamander
Aan een boom in het Vondelpark [Hector]
Aan Lesbia
Absyrtos
Achaemenides
Achilles
Achilles
Achilles met Xanthos
Achteraan in de klas
Actaeon
Actaeon
Actaeon aan het water
Adonis
[Aeneas]
Aeneas [2van4]
Aeneas
Ab urbe condita (et cetera)
A farewell to arms
Afrodite
A funny thing happened [Rome]
Ai Dionysos!
Aktaion
Alexander de Grote
Als Cassandra
Anadyomene
Anadyomene
Anchises
Andromache
Anemoon van de Libanon [Adonis]
Antiek [Aeneas]
[Antigone, Creon, Sophocles]
Aphrodite
Apollo en Daphne
Apollo en Dionysos
Arachne
Arachne
Arachne
Arachne's werk
Arcadia
Archaïsche grafsteen
Archeologisch
Archeoloog
[Archilochos]
Archimedes
Ares
Ares en Aphrodite
Argivische inscriptie
Argos
[Argos]
Ariadne, de draden van de nacht
Ariadne op Naxos
Aristoteles
[Arminius, Varus, Teutenburgerwoud]
Artemis
Artemis
Atalanta's nederlaag
Atalanta
Ate [ἄτη] [Herakles]
Athene
Athene zegt Odysseus waar hij is
Atlas barend
Attisch zwartfigurig
Augias
Augustinermuseum
Ausonius
Baadster
Bacchus en de matrozen
Ballade van de honderd vrijers
Baucis
Bij het zien van vitrines vol terra sigillata
Bij Plato's Phaedrus
Blues ... Marcus Ulpius Heracles ...
Botticelli’s Venus
Brand van Rome
Brief uit Pompeji
Brueghels Ikarus
Caesar
Caligula
Caligula's dood
Caracalla
[Cerberus]
Ceres
Ceres en Landman
Cerveteri - Villa Giulia Rome: het echtpaar
[Charon]
Chiusi
Circe
Circe's eiland
[Circusvoorstelling]
Cirkelkwadratuur [Hippocrates]
[Civilis]
[Civilis]
Colosseum (Truus in Rome)
Corintische Kore
Daedalus
Daedalus en Icarus, een boer
Danaë en de gouden regen
Danae
Daphne
Daphne
Dafnis en Chloë
De achterkant van Rome
De appels der Hesperiden
De as van Nero
De bijen
De beloofde zee [Odysseus]
De boer [Icarus]
De diefstal van Hermes
De doos van Pandora
De droom / de val [Icarus[
Δέδυϰε μὲν ἀ σελάννα [Sappho]
De Etrusken
De furiën
De geboorten van Hera
De geboorte van Aphrodite
De geboorte van Aphrodite
De geboorte van Pallas Athene
De Græcus
De helm van Ikaros
De herschepping [Orpheus]
De intiemste zichtlijn [Odysseus]
De intocht
De keuze van Paris
De komst van de muze
Delphi
Delphi
Delphi
De man [Oedipus]
De man van Marathon
De mens de mens een wolf
Demeter
Demeter
Demeters dochter
Demeter's klacht
De mist
De muze
De muze
De nacht
De nadagen van Icarus
De nadagen van Prometheus
De Odyssee
De ontsnapping van Icarus
De prepenelope
De poel [Narcissus]
De roof van Kerberos
De roof van Persephone
Dertig eeuwen [Patrocles]
De sestertius van Faustina Junior
De sociale werkplaats [Schikgodinnen]
De steen van Sisyphos
De stiefmoeder [Phaedra]
De Tiber
Deucalion en Pyrrha
De val van Icarus
De val van Icarus
De visser [Icarus]
De vondst in het wrak
De waarheid over het paard [Troje]
De zee
De zwaan [Leda]
Diana
Dido [3van4]
Dido, c'est moi [1van4]
Dido, na vertrek van Aeneas [4van4]
Dionysos
Dionysos en de Tyrrheensche zeeroovers
Dionysus en de hippies
Dionyzos
[Doctor Wiekel]
Domus Aurea (Rome)
Dorp in Zuid-Holland [Icarus]
Drie heldenzangen [Ilias]
Driehoek [Sappho]
Echo
Een datum in tweeduizend [Odysseus]
Een schim [Forum Romanum]
Een zeebries [Odysseus]
Elginmarble
En [Rome]
Endymion
Endymion
Endymion
Endymion
Eos
Epidauros
Erechteion [Kariatide]
Erfgoed
Euclides
Europa en de stier
Eurydice
Eurydice heeft spijt
Exekias
Fragmenten van een telegonie [Odysseus]
Faun
Ganymedes
[Gedicht]
Geen ploeg staat stil [Icarus]
Georgica
Geschiedenis
Gezicht op de Tiber (Truus in Rome)
Graf van Achilles
Grand Tour (Rome als Ziekte)
Groeten uit Griekenland
Hanig [Socrates]
Hannibal
Hebe
Hecate
Hector en Andromache
Heenreis van de Argo
Hekate
[Helena]
[Helena]
Helene: eidolon
Hephaistos
Hera
Herculaneum
Herinnering
Herinnering van Hippomenes
Hermes
Hermes Psychopompos
Hermes van Praxiteles
Hestia
Het geval Icarus
Het kneutje
Het kind Herakles
Het legendarische Troje
Het lied der Sirenen
Het meer [Lycische boeren]
Het oordeel van Tiresias
Het vat der Danaiden
Het verleden van Silenos
Hoe op een zondag Oedipus Octopus werd en wat er daarna gebeurde
Homeros
Homeros
Homerus op Ithaka
Hyakinthos
Icarus
Icarus
Icarus
Icarus
Icarus
[Icarus]
[Icarus]
Ikaries is de zee [Icarus]
Ikaros
Ikaros
Ikaros' thuiskomst
[Ikarus}
Ik wou gewoon dat ik dood was
Immateriële schade [Medea]
Ino's klacht
Io en de horzel
Io
Ja, Catullus, nog altijd hetzelfde liedje
Jaloezie
"Je hebt gewonnen, Galileeër"
Katakomben
Kijkend naar Laocoon
Kirke en Odysseus
Klassiek [Ave]
Klassiek [Zeus, Danae, Io]
Kleine ode aan een al heel lang dode keizer
Kleuterschool der poëzie
Klytaimnestra tot Zeus
Klytemnestra's klacht
Kort begrip der Romeinsche historie
Kortstondig [Lucretius]
Kouros
Kouros van Anavysos
Kouros van Milos
Kylix van Exekias
Laatste wil van Alexander
Lady Sappho
Lakedaimonische discuswerper
Laocoon
Latijn
Leda
Leda
Leda
Leda en de zwaan
Leda en de zwaan
Le mythe de Sisyphe [Sisyphus]
Leraar
Lethe
Licht (Rome als Ziekte)
Litai [λιταὶ]
Literatuurgeschiedenis
Lof der Dichtkunst
[Lotophagen en Cyclopen]
Lucullus
[Lugano]
Marcus Aurelius
Marsua [Marsyas]
Marsyas
Medea
Medea II
Medusa
Meetkunde [Archimedes]
Metamorfose
Metamorphose
Met Catullus op de hei
Midas
Midas
Morgengebed
Mukene
Muntstuk met uil
Museum in Olympia
Mussen [Caligula]
Narcis
Narcissus
Narcissus
Narcissus
Narcissus
Narcissus
Narcissus
Narcissus
'Narcissus leunend op een voet van marmer'
Narkissos
Narkissos
Nausicaa
Nausikaä
Nehalennia
Nero
Nero
[Nero]
Niet omzien, Orpheus
Nikè
Niobe's klacht
No second Troy [Troje]
Ode aan Sappho
Odyssee
Odyssee
Odyssee
Odysseus
Odysseus
Odysseus
Odysseus
Odysseus
Odysseus 1 [1van3]
Odysseus 2 [2van3]
Odysseus 3 [3van3]
Odysseus doezelt
Odysseus in de onderwereld
Odysseus tot Penelope
Odysseus' terugkeer
Oedipus
Oedipus
Oedipus
Oedipus
Oedipus en Antigone
[Oedipus Rex]
Oidipoes
Ongelukkige Catullus
Opbranding van Phaëton
Op de wijze van Catullus
Op een muis
Op een mier
Op een mensaap
Op een glimworm
Op een os
Op een eend
O Rakel
Orfeus
Orfeus
[Orfeus]
Orpheus
Orpheus
Orpheus
[Orpheus]
Orpheus bij de Kikonen en elders
Orpheus descending
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
Orpheus en Eurydice
Orpheus en Euridike
Orpheus in de Efteling
Orpheus nu
Orphisch
Orphuis
Οὐτιδᾶνὸς Οὖτις [Cycloop]
Overal borsten [Lesbia]
Ovidius
Paar [Apollo en Daphne]
Paestum
Paestum
Paestum
Palatijn (Truus in Rome)
Pallas Athena
Pan aan de Ladon [Syrinx]
Παρά θῖνα θαλάσσης [langs het strand van de zee]
Parthenon
Pegasus
[Peloponnesus]
Penelope
Penelope
Penelope's eisprong
Penelope's slotsom
Penelope tot Odysseus
Penelope wacht
Pentheus
Persephone
Phaedra
Phaëton
Phaëton
Philemon en Baucis
Philemon en Baucis
Pindarus
Pink Narcissus
Plato
[Plato]
[Plato]
Ploutoon
Plutarchus
Pompeius
Pompeji
[Pompeji]
Poseidon
Poseidoon
Potspel met Liploze
Prometheus
Prometheus
Prometheus
Proteus
Psyche
Pygmalion
Pygmalion
Pygmaliose
Pygmalion
[Pygmalion]
Pygmalion
Pyramis en Thisbe
Pyramis en Thisbe
Pyramis en Thisbe
Pyramis en Thisbe
Pyramis en Thisbe
Pyramis en Thisbe
Pyramis en Thisbe
Romeins
Sabijnsche-maagdenroof
Sapphisch
Sappho
Sappho
[Sappho]
[Sappho]
[Sappho]
[Sappho]
Satiricon
Schaduw van de Argo
Scylla
Scylla en Charybdis
Selcuk - een zoektocht [Efeze]
Semele's dood
Sint Pietersplein (Rome als Ziekte)
Sisyphus
Slechte knechten [Menenius Agrippa, maag en ledematen]
Socrates' doodsoratie
Sokrates
Spelende Artemis [Actaeon]
Spreken over Paris
Sterrenkaart [Andromeda]
Syrinx en het riet
Tacitus op 't Noordzeestrand
Tantalos
Tantalus
Telemachos op Vlieland
Thalassa
Theater van Ephesus
Thebe
't Heerlijk heitje
[Theokritos]
Theseus
Thracisch I [Orpheus]
Thracische jongensdans
Tiresias in de onderwereld
't Latijnsche school
Toeval [Pompeji]
Togatus Barberini of: De anti-Cerberus
Trivia
Troilus 1 [1van2]
Troilus 2 [2van2]
Troje
't Rozeneiland [Cyprus]
Tuin van Epicurus
Tweespalt [Nausicaä]
Uitzicht vanuit Delphi
Togatus Barberini of: De anti-Cerberus
Ulysses
Val van Icarus
Venus
Venus in de strandstoel
Venus van Milo
Vergetelheid [Lotophagen]
Vergilius
Verschiet te Rome
Verre vrouw [Odyssee]
Verlaten Leda
Vertrek [Odysseus}
Verzoek om ezelsoren [Midas]
Via Appia
Via di Porta Pinciana. Hier woonde Jet van Dam van Isselt (Rome)
Vanuit Hades
Vierkante cirkel [Anaxagoras]
Voor Diana [Actaeon]
Voorzang uit "Theseus op Naxos"
Winter in San Clemente (Rome)
Woordjes leren
Wreed is de verte [Orpheus]
Xenofanes
Zeno
Zeus
'... zoals de honingappel' (Sappho)
Zoals een man [Homerische vergelijking]
Zueignung [Pegasus]




















































































































































































   

auteurs

 
Aafjes   Achterberg   Andreus   Asscher   ter Balkt   Bastet   van Bergen   van den Bergh   Berghuis   Bernlef   Boele van Hensbroek   Boutens   Brassinga   Buckinx   Buddingh'   Burnier   Burssens   Campert   Charivarius   Claes   Claus   de Coninck   da Costa   Couperus   Daisne   van Deel   Deelder   Degenaar   D'Haen   Donker   Drs. P   Ducal   van Duinkerken   Eijkelboom   Elshout   Emmens   Engelman   Enquist   Ent   Evens   Faverey   Freriks   Galiën   Geerds   de Génestet   Gerhardt   Gils   Gorter   Gossaert   Govaerts   Guépin   van der Graft   Greshoff   Hamelink   Harten   Hartman   Hawinkels   Hensen   Herzberg   Hirs   Hoornik   Houben   Jansen   Kal   Keteleer   Kloos   Knibbe   Komrij   Kool   Koster   Kousbroek   Kouwenaar   Kuijper   Kuipers   Langendonck   Leeflang   van der Leeuw   van Leeuwen   Lehmann   Leopold   Leroy   Lodeizen   Lucebert   Manders   Marsman   Menkveld   Mérode   Mok   Morriën   dér Mouw   Multatuli   Mussche   Negidius   Nijhoff   van Nijlen   Nolens   Nooteboom   O'Mill   Oosterhuis   Oosthoek   Otten   van Pamelen   Pfeijffer   Portegies Zwart   Pos   Presser   Rawie   Rens   Riem   A. Roland Holst   Saint-Rémy   Sanders   Scheltema   Schoolmeester   Schouten   Schulte Nordholt   Slauerhoff   Spillebeen   Stip   Stuiveling   Tellegen   Tentije   Terborgh   van Tienhoven   Tritsmans   Vasalis   Veltman   Versteegen   Verwey   Vestdijk   Vinkenoog   Vlek   van Vliet   Voeten   de Vos   Vroegindeweij   Vroman   Vuylsteke   de Waard   Walter   Walvis   Warmond   Warren   Waskowsky   Weemoedt   Werumeus Buning   Wijnberg   de Wijs   van Wilderode   Wilmink   Winkler   van Zanen   Zuiderent  

Aafjes, Bertus [Civilis]
De Tiber
Erechteion [Kariatide]
Herinnering
Homeros
Parthenon

Achterberg, Gerrit Delphi
Euclides
Herculaneum
Hecate
Narcissus
Orpheus
Thebe
Trivia

Andreus, Hans Ai Dionysos!
Met Catullus op de hei

Asscher, Maarten Museum in Olympia

Balkt, H.H. ter. Blues ... Marcus Ulpius Heracles ...
De intocht
De mist
Slechte knechten [Menenius Agrippa, maag en ledematen]
Tacitus op 't Noordzeestrand
'... zoals de honingappel' (Sappho)

Bastet, F.L. Colosseum (Truus in Rome)
Domus Aurea (Rome)
Gezicht op de Tiber (Truus in Rome)
Grand Tour (Rome als Ziekte)
Het legendarische Troje
Kouros van Anavysos
Licht (Rome als Ziekte)
Le mythe de Sisyphe [Sisyphus]
Marcus Aurelius
Palatijn (Truus in Rome)
Sint Pietersplein (Rome als Ziekte)
Venus in de strandstoel
Via di Porta Pinciana. Hier woonde Jet van Dam van Isselt (Rome)
Winter in San Clemente (Rome)

Bergen, Hans van Icarus

Bergh, H. van den Penelope tot Odysseus

Berghuis, Hans Medea II
Vanuit Hades

Bernlef, J. Overal borsten [Lesbia]

Boele van Hensbroek, P.A.M. Poseidoon

Boutens, P.C.. Aan den Hermes van Praxiteles
Lethe
Ode aan Sappho
[Plato]
Voorzang uit "Theseus op Naxos"

Brassinga, Anneke. Verschiet te Rome
Kortstondig

Buckinx, Pieter Geert Medea
Oidipoes
Phaedra
Prometheus

Buddingh', C. De nadagen van Icarus
Kleine ode aan een al heel lang dode keizer
Zoals een man [Homerische vergelijking]

Burnier, Andreas Icarus

Burssens, Gaston Venus

Campert, Remco A funny thing happened [Rome]
Metamorphose
Mussen [Caligula]

Charivarius [Civilis]
Homerus' Odysseus
Ovidius' Metamorphoses:
Eerste Zang: Deucalion en Pyrrha
Tweede Zang: Echo
Derde Zang: Narcissus
Vierde Zang: Arachne
Vijfde Zang: Pyramis en Thisbe
Zesde Zang: Icarus
Zevende Zang: Scylla
Achtste Zang: Philemon en Baucis
Negende Zang: Pygmalion
Tiende Zang: Phaëton
Elfde Zang: Koning Midas
Twaalfde Zang: Io
Dertiende Zang: Bacchus en de matrozen
Veertiende Zang: Actaeon
Vijftiende Zang: Atalanta

Claes, Paul Arachne's werk
Artemis
Danae
De man [Oedipus]
De stiefmoeder [Phaedra]
Driehoek [Sappho]
Laocoon
Leda
Narcissus
Odysseus
Paar [Apollo en Daphne]
Penelope

Claus, Hugo Caligula
Ikaros
Marsua [Marsyas]
Odyssee
Ulysses

Coninck, Herman de Narkissos

Isaäc Da Costa Lof der Dichtkunst

Couperus, Louis Baadster
Dionyzos
Leda
Narcis
Sabijnsche-maagdenroof

Daisne, Johan Dafnis en Chloë

Deel, T. van Archeologisch
Anadyomene
Kouros

Deelder, J.A. Orpheus descending
Pompeji

Degenaar, Job. Orpheus in de Efteling

D'Haen, Christine Adonis
De nacht
Leda

Donker, Anthonie Een schim [Forum Romanum]
Midas
Nero

Drs. P [Arminius, Varus, Teutenburgerwoud]
[Circusvoorstelling]
De Odyssee
Meetkunde [Archimedes]
Sisyphus
Tantalus
Venus van Milo

Ducal, Charles Narcissus
Odysseus

Duinkerken, Anton van Augustinermuseum
[Lotophagen en Cyclopen]

Eijkelboom, Jan Woordjes leren

Elshout, Ron Daedalus en Icarus, een boer
Orpheus nu

Emmens, Jan Antiek [Aeneas]
Klassiek [Zeus, Danae, Io]
Oedipus
Romeins
Spreken over Paris

Engelman, Jan Apollo en Dionysos

Enquist, Anna Oedipus

Ent, Anton Actaeon
Arachne
Argos
Telemachos op Vlieland

Evens, Erwin De droom / de val [Icarus[

Faverey, Hans [Argos]
[Sappho]
[Sappho]

Freriks, Kester Wreed is de verte [Orpheus]

Galiën, Laura van der [Pygmalion]

Geerds, Koos Exekias
Icarus

Génestet, P.A. de 't Latijnsche school

Gerhardt, Ida Achilles met Xanthos
Archaïsche grafsteen
Argivische inscriptie
Bij Plato's Phaedrus
De bijen
De herschepping [Orpheus]
Dertig eeuwen [Patrocles]
Faun
Georgica
Nikè
Orphisch
Οὐτιδᾶνὸς Οὖτις [Cycloop]
Παρά θῖνα θαλάσσης [langs het strand van de zee]
Psyche
Sapphisch
Sappho
Thracisch I [Orpheus]
Thracische jongensdans
Tuin van Epicurus
Vergetelheid [Lotophagen]
Zueignung [Pegasus]

Gils, Gust De helm van Ikaros
De waarheid over het paard [Troje]

Gorter, Herman De muze

Gossaert, Geerten Thalassa

Govaerts, Jo [Aeneas]

Graft, van der Archimedes
Ares en Aphrodite

Greshoff, J. Ikaros' thuiskomst

Guépin, J.P. De geboorte van Aphrodite
Endymion
Ik wou gewoon dat ik dood was
Het oordeel van Tiresias

Hamelink, Jacques Aan de Scamander
Anemoon van de Libanon [Adonis]
Heenreis van de Argo
Herinnering van Hippomenes
Lakedaimonische discuswerper
Opbranding van Phaëton
Orpheus bij de Kikonen en elders
Pan aan de Ladon [Syrinx]
Potspel met Liploze
Schaduw van de Argo
Spelende Artemis [Actaeon]

Harten, Jaap Ja, Catullus, nog altijd hetzelfde liedje
Lady Sappho
Orfeus

Hartman, A.S. Immateriële schade [Medea]

Hawinkels, Pé De val van Icarus

Hensen, H. Niet omzien, Orpheus

Herzberg, Judith De boer [Icarus]
De visser [Icarus]

Hirs, Rozalie Pallas Athena

Hoornik, Ed. Tweespalt [Nausicaä]

Houben, Piet-Hein Diana
Een zeebries [Odysseus]
Odysseus

Jansen, Tjitske [Icarus]

Jellema, C.O. Kouros van Milos

Kal, Jan De val van Icarus

Keteleer, Hilde Ariadne, de draden van de nacht

Kloos, Willem Vergilius

Knibbe, Hester Brief uit Pompeji
De achterkant van Rome
Daedalus
Delphi
Demeter
Eurydice
Paestum
Persephone

Komrij, Gerrit Endymion

Kool, Marjolein Cirkelkwadratuur [Hippocrates]
Vierkante cirkel [Anaxagoras]

Koster, Edward B. Hermes van Praxiteles

Kousbroek, Rudy Hanig [Socrates]

Kouwenaar, Gerrit Ceres en Landman
Drie heldenzangen [Ilias]

Kuijper, Jan Sterrenkaart [Andromeda]

Kuipers, Frans [Icarus]

Langendonck, Prosper van Circe

Leeflang, Ed Andromache

Leeuw, Aart van der Odysseus tot Penelope

Leeuwen, Joke van Het meer [Lycische boeren]

Lehmann, L.Th. Anchises
[Archilochos]
Attisch zwartfigurig
Bij het zien van vitrines vol terra sigillata
Fragmenten van een telegonie
Kylix van Exekias
Literatuurgeschiedenis
Paestum
Prometheus
Pygmalion
[Theokritos]
Uitzicht vanuit Delphi
Vertrek [Odysseus}

Leopold, J.H. Caligula's dood
Δέδυϰε μὲν ἀ σελάννα [Sappho]
Laatste wil van Alexander
Ploutoon

Leroy, Frédéric Odyssee

Lodeizen, Hans Narcissus
'Narcissus leunend op een voet van marmer'

Lucebert Aan Lesbia
Medusa
Orphuis

Manders, Hans Afrodite
Apollo en Daphne
Botticelli’s Venus
Demeters dochter
De roof van Persephone
Kijkend naar Laocoon
Orpheus en Euridike
Pygmalion

Marsman, H. De zee
Paestum

Menkveld, Erik Aan de mast [Odysseus]
Actaeon aan het water

Mérode, Willem Via Appia

Mok, Maurits De poel [Narcissus]

Morriën, Adriaan De doos van Pandora

Mouw, J. A. dér 't Rozeneiland [Cyprus]

Multatuli [Gedicht]

Mussche, Achilles Verlaten Leda

Negidius, Numerius Leraar

Nijhoff, Martinus Morgengebed

Nijlen, Jan van Ceres

Nolens, Leonard Narcissus

Nooteboom, Cees Athene zegt Odysseus waar hij is
Homerus op Ithaka
Latijn
Xenofanes

O'Mill, John [Doctor Wiekel]

Oosterhuis, Huub [Orfeus]
Val van Icarus

Oosthoek, Andreas Klassiek [Ave]
Nehalennia

Otten, Willem Jan Achaemenides
De beloofde zee [Odysseus]
Een datum in tweeduizend [Odysseus]
De prepenelope
De intiemste zichtlijn [Odysseus]
Odysseus 1 [1van3]
Odysseus 2 [2van3]
Odysseus 3 [3van3]
Odysseus doezelt
[Orpheus]
Penelope's eisprong
Penelope's slotsom
Troilus 1 [1van2]
Troilus 2 [2van2]
Verre vrouw [Odyssee]

Pamelen, Frank van Caesar
O Rakel

Pfeijffer, Ilja Leonard De Græcus

Portegies Zwart, Fred De ontsnapping van Icarus

Pos, Hugo [Charon]
Ongelukkige Catullus

Presser, J. [Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]
[Orpheus en Ahasverus]

Rawie, Jean Pierre No second Troy

Rens, Lieven Nausikaä

Riem, Ineke Penelope wacht

A. Roland Holst Leda en de zwaan
Pegasus

Saint-Rémy Helene: eidolon

Sanders, Georgine Syrinx en het riet

Scheltema, J.M.W. Narcissus

Schoolmeester, De Kort begrip der Romeinsche historie

Schouten, Rob Het geval Icarus
Hoe op een zondag Oedipus Octopus werd en wat er daarna gebeurde

Schulte Nordholt, J.W. Graf van Achilles

Slauerhoff, J. Arcadia
Pindarus

Spillebeen, Willy Aeneas
Geen ploeg staat stil [Icarus]

Stip, Kees Ballade van de honderd vrijers
Groeten uit Griekenland
Kleuterschool der poëzie
Op een eend
Op een glimworm
Op een mensaap
Op een mier
Op een muis
Op een os
Pyramus en Thisbe; naar Speenhoff
Pyramus en Thisbe; naar Nijhoff
Pyramus en Thisbe; naar De la Fontaine
Pyramus en Thisbe; naar Gorter
Pyramus en Thisbe; naar Vondel
Pyramus en Thisbe; naar Achterberg

Stuiveling, Garmt [Pompeji]

Tellegen, Toon De furiën
De komst van de muze
De muze
Nausicaa
Odysseus
Op de wijze van Catullus
Ovidius
Penelope
Theseus

Tentije, Hans Chiusi
Ikaries is de zee [Icarus]

Terborgh, F.C. Circe's eiland

Tienhoven, H.J. van Odyssee

Tritsmans, Marc 79 n. C. zomer in Herculaneum

Vasalis, M. Aan een boom in het Vondelpark [Hector]
Daphne

Veltman, Martin. [Antigone, Creon, Sophocles]
[Nero]

Versteegen, Jos Pink Narcissus

Verwey, Albert Brueghels Ikarus
Endymion
Orpheus

Vestdijk, Simon Absyrtos
Aktaion
Arachne
Ariadne op Naxos
Atalanta's nederlaag
Augias
Brand van Rome
Danaë en de gouden regen
Daphne
De appels der Hesperiden
De diefstal van Hermes
De geboorten van Hera
De geboorte van Aphrodite
De geboorte van Pallas Athene
De keuze van Paris
Demeter's klacht
De roof van Kerberos
De steen van Sisyphos
Dionysos en de Tyrrheensche zeeroovers
Endymion
Europa en de stier
Ganymedes
Hebe
Hekate
Hermes Psychopompos
Het kind Herakles
Het lied der Sirenen
Het vat der Danaiden
Het verleden van Silenos
Hyakinthos
Ikaros
Ino's klacht
Io en de horzel
Kirke en Odysseus
Klytemnestra's klacht
Leda en de zwaan
Marsyas
Narkissos
Niobe's klacht
Odysseus in de onderwereld
Oedipus en Antigone
Orpheus en Eurydice
Pentheus
Phaëton
Philemon en Baucis
Prometheus
Proteus
Scylla en Charybdis
Semele's dood
Tantalos
Tiresias in de onderwereld

Vinkenoog, Simon Ate [ἄτη] [Herakles]
Atlas barend
Litai [λιταὶ]

Vlek, Hans R. Corintische Kore
De as van Nero
De sestertius van Faustina Junior
Elginmarble
Socrates' doodsoratie
't Heerlijk heitje

Vliet, Eddy van Achteraan in de klas
Icarus

Voeten, Bert Odysseus' terugkeer

Vos, Marjoleine de Aeneas [2van4]
Baucis
Dido [3van4]
Dido, c'est moi [1van4]
Dido, na vertrek van Aeneas [4van4]
Klytaimnestra tot Zeus

Vroegindeweij, Rien De man van Marathon

Vroman, Leo Pygmaliose

Vuylsteke, J. [Ikarus}

Waard, Elly de Als Cassandra
Anadyomene
[Plato]
[Sappho]

Walter, Hein Hestia

Walvis, Mickey Oedipus

Warmond, Ellen De nadagen van Prometheus
Pygmalion

Warren, Hans Achilles
Aphrodite
Ares
Artemis
Athene
De Etrusken
Demeter
De vondst in het wrak
De zwaan [Leda]
Dionysos
Hephaistos
Hera
Hermes
Het kneutje
Orpheus
Poseidon
Satiricon
Toeval [Pompeji]
Verzoek om ezelsoren [Midas]

Waskowsky, Riekus Archeoloog
Geschiedenis

Weemoedt, Lévi De sociale werkplaats [Schikgodinnen]

J. W. F. Werumeus Buning Hector en Andromache
[Sappho]

Wijnberg, Nachoem Achilles
Orpheus
Troje

Wijs, Ivo de Eos
Metamorfose

Wilderode, Anton van Cerveteri - Villa Giulia Rome: het echtpaar
Delphi
En [Rome]
Epidauros
Homeros
Katakomben
Mukene
Muntstuk met uil
Sappho

Wilmink, Willem Eurydice heeft spijt
Jaloezie

Winkler, Kees Dionysus en de hippies
Voor Diana [Actaeon]

Zanen, Leo van Ab urbe condita (et cetera)
A farewell to arms
Alexander de Grote
Aristoteles
Ausonius
Caracalla
[Cerberus]
De mens de mens een wolf
Erfgoed
Hannibal
[Helena]
[Helena]
"Je hebt gewonnen, Galileeër"
Lucullus
[Lugano]
Nero
Oedipus
[Oedipus Rex]
[Peloponnesus]
Plato
Plutarchus
Pompeius
Selcuk - een zoektocht [Efeze]
Sokrates
Theater van Ephesus
Togatus Barberini of: De anti-Cerberus
Zeno
Zeus

Zuiderent, Ad Dorp in Zuid-Holland [Icarus]


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Terug - Top


Metamorfose

Ik zit Ovidius te lezen
En zulke dingen zeg ik niet
Omdat ik graag als erudiet
Of studieus word nagewezen

Latijn is mij tot mijn verdriet
Op school te weinig aangeprezen
Ik lees in 't Nederlands hoe deze
Auteur zijn wonderwereld ziet

Ovidius vertelt metamorfosen:
Mensen verstenen, reuzen worden rozen
Vissers dolfijnen - en dat gaat maar door

Een dichter uit het mythologisch duister
Verandert mij: ik word terwijl ik luister
Een en al oor

Ivo de Wijs

Terug - Top


Eos

Ho rododaktulos - hoe welgekozen
De dageraad met vingeren als rozen
De dame met de mantel van saffraan
Godin van het begin: metamorfose

De zuster van de zon en van de maan
Zij laat haar tweespan langs de hemel gaan
De aarde blinkt en blaakt en kan weer blozen
De nacht is om, de nieuwe dag komt aan

De ochtendschemer tussen zwart en blauw
Te kort, te pril, te mooi, te snel vervlogen
Zij komt, zij roept ons wakker - en verdwijnt

Wij vinden als het volle daglicht schijnt
De tranen van haar morgenrode ogen
De dauw

Ivo de Wijs

Terug - Top


[Cerberus]

Men zegt dat het Rijk van de Doden
voor levenden streng was verboden.
         Ter handhaving stond
         een veelkoppige hond
aan het hek, op bevel van de Goden.

Leo van Zanen

Terug - Top


Togatus Barberini of: De anti-Cerberus

                          Exegi monumentum
                          Horatius, Carmina III.30

De opdrachtgever spreekt

Kunst stond in onze woning in het rond.
Naast beelden, borden, mozaïeken, glazen
bezaten wij versierde Griekse vazen.
Wat ik daarvan als kind de mooiste vond
was die met Hercules en hellehond.
Je zag het waakse ondier zich verbazen
over hoe, ondanks zijn driekoppig razen,
de halfgod onverschrokken voor hem stond.

Ik heb een kunstenaar op kunnen sporen
die mij in marmer zet, tezamen met
vader en grootvader, ook senatoren -
hun koppen uit mijn dodenkabinet.
Mijn lichaam, als het hunne, gaat verloren;
wat blijft is dit driehoofdige portret.

Leo van Zanen

                          Bijbehorende afbeelding: Togatus Barberini (Capitolijnse Musea, Rome

Terug - Top


Sokrates

De wijsgeer SOKRATES
stond bij Athenes volkscongres
in een verdachte reuk - wat heet! -
met zijn 'Ik weet dat ik niet zweet.'

Leo van Zanen

Terug - Top


Zeno

De filosoof ZENO
vond dat een spoedcursus steno
bestond uit paradoxaal
veel lesmateriaal.

Leo van Zanen

Terug - Top


Plato

De geschriften van PLATO
zoveel eeuwen na dato -
wat moet ik ermee?
Ik heb geen idee.

Leo van Zanen

Terug - Top


Aristoteles

ARISTOTELES
gaf Alexander de Grote les:
rekenen, taal, natte his,
en een hoop geschiedenis.

Leo van Zanen

Terug - Top


Alexander de Grote

ALEXANDER DE GROTE
vond het leven maar klote.
Vandaar, naar men weet,
dat hij jong overleed.

Leo van Zanen

Terug - Top


Hannibal

Het veldheerschap van HANNIBAL -
geen mens die het vergeten zal:
een groots, dramatisch panorama
van Alpentocht tot Zama.

Leo van Zanen

Terug - Top


Lucullus

Men behandelde LUCULLUS
na zijn veldtochten als vullis.
Toch werd hij daarom niet boos -
hij vond het enkel smakeloos.

Leo van Zanen

Terug - Top


Pompeius

Gnaeus POMPEIUS'
voornaam is een trochaeus;
zijn achternaam is
een amfibrachys.

Leo van Zanen

Terug - Top


Nero

Het schijnt dat als NERO
luisterde naar de Bolero
bij een christenvervolging
hij compleet uit zijn bol ging.

Leo van Zanen

Terug - Top


Plutarchus

In zijn werken spreekt PLUTARCHUS
slechts sporadisch van monarches.
Het beroep van koningin
was destijds nog niet zo in.

Leo van Zanen

Terug - Top


Caracalla

Keizer CARACALLA
geloofde niet in Allah,
want hij leefde (daardoor kwam het)
drie, vier eeuwen voor Mohammed.

Leo van Zanen

Terug - Top


Zeus

De oppergod ZEUS
werd vooral buitenshuis
door de aandrift bevangen
de beest uit te hangen.

Leo van Zanen

Terug - Top


[Peloponnesus]

Een toerist op de Peloponnesus
stuurt ansichten met: Schrijver dezes
         snapt niet wat te zien is
         aan al die ruïnes -
verveel me hier godallejezus.

Leo van Zanen

Terug - Top


[Helena]

Er kwam eens een vrouwtje naar Troje
geheten Helena de Mooie.
         Haar man Menelaos
         verwekte een chaos
Die leidde tot meer dan één dooie.

Leo van Zanen

Terug - Top


[Helena]

Agamemnon sprak spottend in Troje
tot Helena: 'Jij bent een mooie!
         Loopt weg bij mijn broer,
         wordt dan Paris z'n hoer.
En - bevalt het beroep lichtekooi je?'

Leo van Zanen

Terug - Top


Lugano

Een gymnasiast uit Lugano
gaat altijd naar school met de kano.
         Hij heeft op de steven
         als motto geschreven:
mens sana in corpore sano.

Leo van Zanen

Terug - Top


[Oedipus Rex]

Een man genaamd Oedipus Rex
bedreef met zijn moeder vaak seks:
         een Weens psychiater
         vernoemde veel later
naar hem een erotisch complex.

Leo van Zanen

Terug - Top


Ausonius

 

1. Aan de Moezel

                          quis color ille
                          Ausonius, Mosella

In een der verder weg gelegen hoeken
van Romes immer groeiende domein,
waar wilde dieren en Germanen zijn,
waar christenen elkanders leer vervloeken

en voor de zending hun gewijde boeken
vertalen in het Gotisch en Latijn,
loopt aan een zijriviertje van de Rijn
een dichter naar het juiste woord te zoeken.

Hij ziet de Kleine Maas bij avondval.
Hem overkomt een schitterend gezicht,
waarvan hij zich met moeite los kan scheuren:

de helling vangt het allerlaatste licht
en spiegelt in de rimpels van kristal
haar druivenpracht in niet te noemen kleuren.

 

2. In Trier

                          Ausonius, Cupido cruciator

Augusta Treverorum is een stad
die men nog tot in Rome roemen hoort:
haar Moezelbrug, haar Noordelijke Poort.
Zoïlus ging een dag met mij op pad

en voerde mij, na een verkwikkend bad,
langs thermen, tempels en theater voort.
Bij alles stond hij mij gevat te woord,
niets waar hij niet een toelichting bij had.

Hij nodigde mij voor het eten thuis
en toonde als verrassing mij tot slot
een muur, beschilderd volgens eigen plan:

een aantal boze vrouwen hangt de god
der liefde aan een boom als aan een kruis.
Ik aarzel. Daar geniet mijn gastheer van.

 

3. In Bordeaux

                          Succedens aevum prorogat ipse suum
                          Ausonius, De rosis nascentibus

Paulinus kent het hogere verlangen
sinds hij het christendom is toegedaan.
Vanuit het graf roept mij mijn vrouw vaak aan,
en mijn pupil de keizer is vervangen.

Zoals de rozentuinen in mijn zangen
zal op de lange duur ook mijn bestaan
afwisselend van bloeien en vergaan,
van winnen en verliezen samenhangen.

Dit Burdigala is mijn moedergrond.
Mijn zoon komt met mijn kleinzoon ook naar hier,
die hij op mijn verzoek Paulinus noemde.

Dus binnenkort zal ik weer met plezier
die lettergrepen vormen met mijn mond -
de naam waarvan ik ooit de drager roemde.

Leo van Zanen

Terug - Top


Ab urbe condita (et cetera)

Livius, Tacitus -
Romes historie
kent blijkbaar slechts oorlog,
te land of ter zee.

Noemen wij daarom dit
militaristische
genre 'geschietschrijving'.
(Ja, met een t.)

Leo van Zanen

Terug - Top


De mens de mens een wolf

Homo (leert Plautus ons)
homini lupus est.
Voor een Romein ligt
de diepere zin

in het besef dat zijn
betoverstamvader
ooit nog gezoogd zou zijn
door een wolvin.

Leo van Zanen

Terug - Top


"Je hebt gewonnen, Galileeër"

Christofobie:
Julianus Apostata
sloeg heel de kerstening
gade met vrees.

Liever nog zag hij dat
Constantinopolis
Gallisch geworden was
dan Galilees.

Leo van Zanen

Terug - Top


Oedipus

(Smakeloos wanvertoon:
wat mensen aanspreekt
is altijd weer spanning,
sensatie en seks.

Neem nu bijvoorbeeld de
huiveringwekkende
Griekse tragedie van
Oedipus Rex.)

1.
Ordinair straatgevecht.
Slaat bij een kruising
een man neer, die voorrang nam
komend van links.

Hoofdpersoon vlucht na dit
ondiplomatische
treffen en komt dan terecht
bij een sfinx.

2.
Nogmaals een oponthoud.
Zij geeft een raadsel op:
Wat rijdt op rails,
heeft een fluit en een slurf?

Hij geeft ten antwoord 'Een
locomo-ketel-fant',
doodt haar en toont zo
zijn kennis en durf.

3.
Leve de vreemdeling!
Alle omwonenden
stellen hem voor
aan de weduw-vorstin.

Zonder scrupules of
anti-conceptiva
palmt hij haar in
en hij sticht een gezin.

4.
Dan slaat het noodlot toe.
Man blijkt zijn pa te zijn,
vrouwlief zijn ma
en hij grijpt naar de fles.

Kortom: geknipt voor een
melodramatische
soap-opera op
zeg SBS6.

Leo van Zanen

Terug - Top


A farewell to arms

Een oude breister uit Athene
die breide eens haar armen uit.
Daar lagen zij, vlak voor haar tenen.
Zij gaf een akelig geluid.

Zij wou hen in hun val nog grijpen,
wat zonder handen moeilijk gaat -
die waren, met in elk een breipen,
onhandelbaar in deze staat.

Kon zij er desnoods een slechts pakken!
Maar hulpeloos stond zij erbij
terwijl haar jurk omlaag kwam zakken.
Reeds spoedig kwam haar boezem vrij.

Het had één voordeel: haar gewicht
verminderde met tien, twaalf kilo.
Maar dit heeft niet haar hart verlicht,
zij treurt nog steeds - Venus van Milo.

Leo van Zanen

Terug - Top


Selcuk - een zoektocht [Efeze]

De ruïnes van Efeze
hebben schatten voortgebracht
en in Selçuk heeft men deze
een museum toebedacht.

Fraai bewerkte marmerblokken
vullen hier een zaal of zes,
waar mijn aandacht wordt getrokken
door een kop van Socrates.

Voor geluiden en gebaren
van bezoekers blind en doof
blijf ik tien minuten staren
naar de grote filosoof.

Aan de balie, waar een bende
reproducties wordt verkocht,
blijkt mijn held een onbekende.
Ik heb in de stad gezocht.

Vrolijk klateren fonteinen,
ergens jodelt een moskee.
Op zijn rug sjouwt, langs de pleinen,
iemand een bejaarde mee.

Bij een kroegje aangekomen
worden zij beleefd gegroet.
Als zij plaats hebben genomen
zie ik: opa mist een voet.

Op de ansichtkaarten prijken
Priapus, Zeus, Artemis,
en wat er valt te bekijken
in oud Hiërapolis.

Heel Turkije is voorhanden:
van Apollo’s Didyma
tot de populaire stranden
en de Aya Sofia.

Schoenen, sieraden, tapijten -
de verkopers zoeken sjans
om hun waar te kunnen slijten
in het Engels, Duits en Frans.

Een zelfs pocht op zijn voormalig
medenederlanderschap,
want: De kat (lacht hij aanhalig)
krabt de krullen van de trap.

In de schaduw van de bomen
langs het oude aquaduct
zie ik een mooi meisje komen
dat een sinaasappel plukt.

Steengekletter valt te horen
van triktrak en domino.
Op hun brommers en tractoren
stelen anderen de show.

Voor de katten in de straten
is de mens in al zijn vaart
- etensresten daargelaten -
nauwelijks de aandacht waard.

Maar waar moslims in hun tempel
zijn verenigd in gebed
heeft een poesje op de drempel
met hun schoenen dolle pret.

Ik ga voort, ononderbroken.
Uit een steeg klinkt luitmuziek.
Op een kaartenrek gestoken
Socrates bij jeansboetiek.

Uiteraard kost het een schijntje.
En tevredener dan ooit
neem ik koffie op een pleintje
nu de zoektocht is voltooid.

Leo van Zanen

Terug - Top


Theater van Ephesus

Zo niet alles, dan toch veel
(merk ik ook hier in Ephesus)
blijkt te kunnen op toneel:
poëzie, pop, drama, Jezus...

Neem bijvoorbeeld dit theater -
Paulus was er zendeling
waar zo'n twintig eeuwen later
Michael Jackson stond en Sting.

Ik zeg zacht een van mijn verzen
tegen een verdwaalde mus,
en het klinkt mij als De Perzen
van de oude Aeschylus.

Leo van Zanen

Terug - Top


Erfgoed

Er is nog indrukwekkend veel op Kos
te vinden van Romeinen en van Grieken:
de twintig eeuwen oude mozaieken;
het graf van eerste heerser Harmylos;

de heiligdommen van Asklepios -
een pelgrimsoord voor veel antieke zieken;
de bouwvallen van vroege basilieken,
met name die gewijd aan Stefanos.

Ik vroeg twee landgenoten, die als wij
en een groot aantal seniorenparen
een busexcursie deden, of ook zij

zo dol op de klassieke oudheid waren.
Zij zei beslist van niet. Hij viel haar bij:
Wij zijn niet zo van die cultuurbarbaren.

Leo van Zanen

Terug - Top


Laatste wil van Alexander

Dan als ik tuimel in de kist
    doodsoverwonnen en bezweken,
laat mijn twee handen zijn ontbloot
    en uit de baar naar buiten steken.

Dat, als ik het paleis verlaat
    en langs den grooten weg mij richt,
een elk mijn schamelte ontwaar'
    en worde door mijn lot gesticht.

Hoe zulk een, die veroverd had
    van aarde-oppervlak tot aan
de helle hoogte van gebergt',
    de diepten van den Oceaan,

Die des turkooizen hemels vriend
    en onbeperkte gunsteling
de verste grens van het heelal
    in zijn grootmeesterschap omving,

En zeggen kon: mijn stalen arm
    noopt de bevolkte wereld gansch,
dat hij zijn opgebrachte cijns
    uitstorten moet in mijn balans.

Ziet aan! hij maakte zooveel zorg
    en moeite en zooveel schats te schande
en is verloochend door zijn geld
    en heengegaan met leege handen!

Zegt overluid dit al, opdat
    de drom der saamgeschoolde velen,
elk naar zijn rang in dezen dag
    van onmacht en berooidheid deele.

Dat zij den kittel van het goud,
    het veile, in hun ziel verslaan
en zuchten om hun eigen lot
    en niet om mijn verlorengaan.

J.H. Leopold

Terug - Top


Als Cassandra

Wie is er geen Cassandra in een tijd
waarin je zonder visionair te zijn
kunt zien dat Troje zal gaan branden?

Aan rafelranden van de stad en in
de buitenwijken smeult het al -
Luister, het is de wind niet, blijf niet doof

en blind, het zijn miljoenen naderende
voeten, aanschuifelend tot een storm
die weinig overeind zal laten staan

Berg je nu het nog kan, want wie gesteld
is boven ons is machteloos en arrogant
en zal alleen zichzelf trachten te redden

Elly de Waard

Terug - Top


Actaeon

Dit was pas spieden in het kroondomein!
Hij zag haar liezen en godinnenheuvel
Jaloezie deed hem als jager stromen

Voor straf kreeg hij flanken, ranke benen

Ik ren en spring voordat de honden mij
met mijn welrijend bloed uiteenrijten

Anton Ent

Terug - Top


Arachne

Een godin daag je niet uit, ook niet
als je weet dat jij de kroon zal dragen

Een leermeester verslaan doet pijn
Zij kon de zon in je geweven water
niet zien schijnen en scheurde draden

stuk. Je kon het meesterwerk niet tonen
en stierf uit schaamte en verdriet

Athene riep jou weer tot leven
Gedoemd web na web te weven

Anton Ent

Terug - Top


Argos

We werden gehard tegen straaljagers, koning voetbal
toneel, sinterklaas en de kerstboom, onze ogen
moesten zich openen voor de briesende leeuw

We verlieten de school en het catechisatielokaal
Mijn oudste broer werd piloot, mijn jongste spits
in betaald voetbal en mijn zus speelde Shakespeare

Ik voedde kinderen op. Gooi geen brood weg
lees Homerus. Ik probeerde hun ogen te openen
voor schoonheid van een hond in zijn vuil

Anton Ent

Terug - Top


Telemachos op Vlieland

Ik ben geen paard maar ik draaf
Geen coureur maar aan de einder
zwaait een man met een zwartwitte vlag

Ik wil hem niet zien. Regen, verstreep
hem. Nevel, vermist deze angstvlaag
Ik kniel. Bij een zandkorrel begint

de weg naar de rots. De witte botten
van mijn vader wentelden in de golven
Niettemin kwam hij thuis

Anton Ent

Terug - Top


Chiusi

Hoeveel spaden diep lag niet
het onderspit dat hij moest delven?

zijn bronzen, gevleugelde helm droeg hij nog
toen ze hem vonden en opgroeven, een paar duizend jaar
nadat hij bij Chiusi sneuvelde, zijn neusplaat
bleek tegen geen zwaardhouw bestand en was diep
zijn voorhoofd binnengedrongen

terrasiena het geronnen bloed op lippen en kin
en in de rimpels van zijn hals, alsof hij zich volgevreten had
met stukken reerug die te gauw, te rauw
van het vuur waren gehaald

zijn ogen, in hun omrande kassen, zijn uitgestoken
of door raven, bonte kraaien uitgepikt, of rotte
het gebrokene er vanzelf uit weg, vloog het als het donker
van de dagpauwoog onder zijn struikdichte
wimpers vandaan

en stuitte de wind daarna, na de slag niet
op overal verspreid liggende uitrustingsstukken
en een ribbenkast waarmee zelfs de onafzienbaarste akkers
geëgd kon worden, hele streken uitgekamd?

maar hinderlagen, nederlagen later
in de etalages van souvenirwinkeltjes de gepatineerde
replica's van Etruskische miniaturen -
strijdwagens en paarden, zwaardvechters
en speerdragers fier zij aan zij

terwijl de dood in alle hevigheid afwezig is

Hans Tentije

Terug - Top


Δέδυϰε μὲν ἀ σελάννα

De maan is lang van den hemel
en ook de Pleiaden zijn onder,
't is diep in den nacht geworden,
maar ik lig alleen op mijn leger.

O Zoilos, wie der vrouwen
ontrooft u aan mijn verlangen
en hangt in wellust verloren
aan uw hals en kust uwe oogen?

Wanneer ik hunker en hijgend
versmacht en dan weer schieten
er tranen van spijt in mijne oogen
en bijt ik wild op mijn lippen.

J.H. Leopold

                         Sappho, fragment 168 B

Terug - Top


Caligula's dood

'T Is feest in Rome; op de straten hangt
een zware stofwolk en daaronder gonst
in doffe mengeling joelen, zingen, schreeuwen,
want van den circus stuwt een dicht gedrang
voort langs de huizen; ieder praat en lacht
in uitgelaten vreugde of duwt en scheldt
en balt den vuist, dan weer is 't een bekende,
die luid wordt aangeroepen, fluiten, zingen
stijgt alles op in 't trillend heete zonlicht, -
tot men uiteengaat: boven aller hoofden,
verschijnt de jonge keizer op zijn draagstoel,
verweerde Batavieren torsen dien,
en rondom stralen zilvren lansen, schilden,
met kunst gedreven helmen; boven 't hoofd
des Caesars wuiven blauwe pauweveeren
en purperen gewaden, bonte zijde
met gouddoorweven ruischen door het volk,
en ‘Heil den Caesar, Heil Caligula’
zoo davert het, men klapt, men wuift,
en aller oogen zwelgen in de pracht,
die daar voorbij gaat en de moeders beuren
haar kinderen hoog op, - maar hij, de keizer,
zat zwijgend op zijn zetel, 't hoofd gebukt,
en niets bewoog op 't bleeke aangezicht:
alleen de lippen waren trotsch gekruld.
En droomend ging zijn blik de rijen langs,
terwijl hij door de franje van zijn kleed
zijn fonkelende vingers spelend gaan liet.
Zoo gaat hij voort, tot aan 't Palatium.
Daar houdt men stil, en als hij op de trappen
gestegen is en 't juichen dubbel aangroeit,
dan toeft hij even voor 't naar binnen gaan,
ziet naar de schare en verachtelijk
trekt hij de schouder op en treedt de gang in. -
Het volk zwijgt, door de rijen gaat gemompel,
op de aangezichten trekt nog de oude trots
maar even slechts, en dan herdenkt het weer
den luister van de spelen, 's keizers gave
en het vervult bij 't weggaan nog de lucht
van zegewenschen voor den milden Caesar! -
In het Palatium is 't koel en rustig
en als de keizer door de zuilen gaat,
haalt hij diep adem en ‘ik ben nog moede’,
zoo zegt hij, ‘van het late maal van gistren
en de Falerner bonst nog in mijn hoofd;
en dan die woeste drommen, o, dat volk,
ik haat het met zijn plompe eerbewijzen.
Het wil zijn liefde toonen en verdringt zich,
verspert de straten, krijscht in rauwe kreten.
Dan zal ik komen, knikken, minzaam zijn,
terwijl er wolken stof en lauwe geuren
als uit een kudde vee, om 't hoofd mij stijgen,
en elk den botten mond wijd open spert,
met strakken blik mij aangaapt; o, gepeupel,
hadt gij toch al te zamen éénen nek,
hoe spoedig rolde 't hoofd u voor de voeten!’
Verwenschend gaat de keizer voort; daar ruischt
een schaar van rijk gekleede Grieksche zangers
hem tegemoet: ‘Ei, dat is goed bedacht,
toont daad'lijk uwe kunst,’ zoo zegt hij nu,
‘'t gewelf zal uw geluid versterken.’ Men begint
een loflied op den Caesar, maar hij roept:
‘Houdt op, dat lied is oud, ik ken 't van buiten.
Is dat het nieuwste, wat men zingt in Hellas?
Ik wil een andren zang, die zacht bedwelmend
mijne ooren rust geeft na het feestgewoel.
Hebt ge geen danseressen in uw midden?’
Men knikt van ja en uit der mannen kring
treedt nu een slanke vrouw uit Azie,
met vurige oogen, lichtgebruinde leden.
Ze buigt en spreidt een bont tapijt op 't marmer,
dan legt ze 't bovenkleed af; een doorzichtig
en ragfijn weefsel plooit zich om haar lichaam
en ritselt bij het golven van den boezem, -
ze geeft een teeken en de zang begint:
een smeltend lied, daarin weerklinkt gedempt
een smachtend klagen en de zoete smart
der wellust, zie in 't oog der danseres
trilt angstig smeeken en haar boezem zwoegt;
een zucht dringt door de lippen en ze strekt
haar armen uit als riep ze om den beminde.
Allengs zwelt dan de zang aan tot een hijgen
van liefdedorst en jubelende weelde
en lokkend wiegt de vrouw het heerlijk lichaam
zacht op de lenige enkels, 't hoofd terug geneigd,
een glimlach dartelt om den mond, terwijl ze
haar oogen sluit, als zwijmend van genot. -
De keizer is voldaan, hij knikt met 't hoofd
de maat van 't lied en lodderoogig slaat hij
het sierlijk spel der ranke leden gade
en van zijn hand werpt hij de vrouw een ring toe;
dan zegt hij tot zijn hovelingen: ‘zorgt
dat deze lieden heden avond hier zijn
en mij ter ruste zingen: bij hun' tonen
moet het, dunkt mij, zoet zijn in te sluimeren.’...
‘Dat zult ge spoedig weten,’ klinkt een stem,
cen zwaard wordt opgeheven, treft den keizer,
die wankelt, wendt zich om; een tweede boort
hem midden door de borst, dan stort hij neder,
en twintig zwaarden woelen in zijn vleesch
in wilde drift; dan sluiten zich de daders
aaneen en dringen met gevelde punt
door de verbijsterden, en vluchten heen!
Eén gillende angstkreet klinkt door 't prachtgebouw,
dan stuiven allen weg, een enkle blikt er
nog even huivrend om en sluipt dan voort.
En eenzaam ligt de keizer neer op 't marmer
en slechts een tikken ritselt in de stilte
van 't bloed, dat neerdrupt op den kouden steen.

J.H. Leopold

Terug - Top


Ploutoon

Daar is maar een, die rijk is, waarlijk rijk,
wiens schatten grooter worden zonder einde;
dat is de dood; want alles wat geweest is
bezit hij reeds en wat er nu bestaat,
wat onze geest begrijpt dat ooit zal komen,
dat alles wordt zijn eigen en nog meer.

J.H. Leopold

Terug - Top


Voorzang uit "Theseus op Naxos"

Avond. Een jonge roeier zingt:
Als de Vader van de winden
Goede gunst en bries blijft zenden,
Brengt de derde dag ons onverwachten
Zonder riemslag
Naar het vaderland, naar huis.

Vlekkelooze lichtgezeefde klaarheid
Gaat de nacht op aan den hemel -
Nauw bevleugde slaap mijn oogen
Al de dagen en de nachten,
Sinds, ontkomen aan doods duistren doolhof
En zijn angstgestrengeld net van paden,
Ik de wereld en den blauwen hemel
En het leven wederzag.

In de schaduw van de zeilen
Kijk ik uit naar zee en hemel,
Voel mij door de lange dagen
Glijden als een schim.
Schooner wolken, schooner vooglen
Dan ik immer heb geweten
Drijven door de diepe luchten over,
Uit wier afgrond zon en maan en sterren keeren
Nieuw en vreemd.

Van de plecht der schepen die wij praaien,
Van eilanden, uit hun bloemdoorkleurde tuinen,
Wuiven groeten slanke goden.
Tusschen 't maatvolle bewegen
Van verheerelijkte lijven,
Tusschen 't vloeiendlichte stralen
Van gelukvergoddlijkte oogen
Roert mijn jonge lichte wezen,
En den koelgekruiden smaak van 't leven
Proeft mijn mond bij elken ademtocht.

't Zalig-zekere verlangen
Naar mijn meesters huis en zijn bekenden
Drink ik maar bij lust en wijle
Diep en langzaam als een geurgen
Wijn en zonder overdorst...

Moog' het, als ik thuiskom, wezen
In den zonnigen voormiddag
Als de knechten 't land bestellen,
En het erf ligt warm en eenzaam,
En mijn moeder met de jonge maagden
Kneedt in 't donkre meelbestoven
Molenhuis de madza voor den middag.
Grommend rekken bij mijn naadren
In het zongeblakerd zand zich
De geketende Molossers.
Maandenlange droom vertastbaard,
Blijf ik zwijgend,
Donker in het helle deurgat.
En mijn moeder - en de schuwe, slanke,
Donkeroogige, verschrikte Thressa
Bleek en bevend, -
En haar oogen zeggen al haar liefde...
Zal mijn heer op 't feest zijns harten
Eén ding weigren
Aan den slaaf die uit den dood den jongen meester
Tegen hoop behouden wederbracht?

Als de Vader van de winden
Goede gunst en bries blijft zenden,
Brengt de derde dag ons onverwachten
Zonder riemslag
Naar het vaderland, naar huis.

P.C. Boutens

Terug - Top


Ode aan Sappho

                         De maan is onder -
                         En de Pleiaden -
                         Rond middernacht is 't -
                         Voorbij gaat de ure -
                         En ik, eenzaam slaap ik!

Weinig losse parelen uit het halssnoer,
Dofgestolde tranen van hel verlangen,
Van een kind van koningen, dat begraven
      Werd in haar bruidsuur -

Enkle schelpen luid van het zuiver ruischen
Van de oneindge zee van uw dooden hartstocht
Hier waar naar den dorst van het zanden hoogland
      Nimmer de vloed stijgt -

Nu de lente al zoel is van zomer, in den
Nacht doorzichtig-donker en bleek van sterren,
Als de zonneguldige wang van Zuidkind
      Bleek is van hartstocht;

Nu de luwe geurengedrenkte winden
Aadmen over de aard de bestorven echo
Van den koelen eeuwigen gloed waarmeê haar
      Goden beminden,

Weten aarde en hemel en al de sterren,
Door de zilvren zangen der latere eeuwen,
Niets dan 't gouden eindlijk hervonden hooglied,
      Niets dan uw woorden:

't Zuiver lied dat stuwt door zijn vaste rhythmen
't Leven zelf, zijn levendgeheime schoonheid,
Als 't besloten bloed in de vaas van 't lichaam
      Zingt op den hartslag.

Nu, op 't heilig uur dat de duistre deuren
Laten los uit Hades' verdronken velden
Alwie moeder Aard van haar doode kindren
      Roept in haar armen,

Klaart in diepe nis van den gouden schemer
Weêr uw hoog gelaat in den helm der haren;
Uwer slanke vingeren bleeke gratie
      Leidt op het speeltuig

't Lied van vloeibaar vuur dat de doove sintlen
Uwer lippen warmt tot den gloed des levens;
Met der maten zwellende vluchten rijst uw
      Ziel in uw oogen...

Zuster! Nimmermeer door den breuk der heemlen
Zal éen ziel als gij uit den afgrond stijgen,
Zingen naakt en schoon voor het aangezicht der
      Goden als gij zongt!...

Als de luide storm in het donker najaar
Bruisend opsteekt, golvende luchten mantel,
Om den wanhoopskreet van verloren zielen,
      Dolende schimmen,

Varen, blanke vluchten op stille vleuglen,
Alzijds aan uit landen van dood en leven,
Uit de schemerrijken van slaap en droomen,
      Zielen ontelbaar.

Zooals witte wolk aan den blooten hemel
Windloos aangedreven de gouden maan dekt,
Huift de breede dichtende drom uw klaarheid
      Weg uit mijn oogen.

O de velen, o de verheerlijkt schoonen,
Mannen, vrouwen, maagden en blonde knapen,
Schoon als moeders droomen haar eerstgeboornen,
      Brandend van naaktheid:

Alwie ongelescht door het leven droegen
Dorst naar liefde nimmer op aard gevonden,
Van wier oogen stralend en diep geen oogen
      Rieden 't mysterie;

Alwie diepst gekrenkt in hun hoogst verlangen,
Zonder smaad of haat hunnen weg vervolgend,
Liefdes eengen eeuwigen naam beleden
      Meer dan het leven;

Die voor werelds donkere roode lusten
Hunner oogen zuiveren gloed bedekten,
Dat de dood zelf niet van die helle haarden
      Doofde den lichtglans;

Die in heilger schaamte gesloten mantel
Zwijgend schrijden over het plein der aarde,
Slechts bekend en enkel bemind door 't oog der
      Zalige goden;

Zonder kroon of mantel of aardschen bijnaam,
Naakt en schoon als geen van der dagen kindren,
Reien allen rondom uw zang den bloei van
      Lippen en oogen.

In de breede golf van de glanzen schoudren,
Tusschen 't gouden net van de stralen oogen,
Opgevoerd met vleugelenlicht verlangen,
      Sluit zich de ziel aan

Bij uw luistrend koor op zijn vaart naar 't Westen,
Naar waar stijgt van ver uit den hellen afgrond
Van de oneindigheid het geruisch der waatren,
      Grondlooze lichtvloed.

Aan den zoom dier zee van gelouterd sterlicht
Raakt de voet de zuivere zanden vloeren;
Allen vrij en allen gelijk in schoonheid
      Treden de zaalgen.

O de velen, o de verheerlijkt schoonen,
Eindlijk eindlijk lesschend hun dorst oneindig
In den koelen louteren laaien vloed der
      Eeuwige schoonheid!

Al den nacht geleiden uw gouden zangen
't Blijde spel, hun kussen van mond en oogen;
Aldoor nader tusschen de groote sterren
      Schouwen de goden...

Als wen diepe sterkende slaap vervluchtigt,
En de schoone morgenbestraalde wereld
Nieuwe droom lijkt killer en doffer dan de
      Droom die voorbij vlood:

Enkle schelpen luid van het zuiver ruischen
Van de oneindge zee van uw dooden hartstocht
Hier waar naar den dorst van het zanden hoogland
      Nimmer de vloed stijgt -

Weinig losse parelen uit het halssnoer,
Dofgestolde tranen van hel verlangen,
Van een kind van koningen, dat begraven
      Werd in haar bruidsuur.

P.C. Boutens                          Sappho, fragment 168 B

Terug - Top


Lethe

‘Hoe over 't brandend blind bazalt
Vind ik den weg naar Lethe? -
O alles te vergeten
Eer de avond valt!

Ik weet dat dood en donker komen
Als dit schel daglicht is gebluscht,
Maar ik wil diepe klare rust
En zonder droomen.

Voor wie als ik van kind tot knaap,
Van man tot grijsaard derven,
Voor die is dood en sterven
Maar verontruste slaap...

De zoete macht tot lach of traan
Gaf mij en nam mij 't leven.
Alleen mijn oogen bleven
Kijken, mijn voeten gaan.

Hoe vaak sindsdien waar 'k zat en ging,
Is langs mijn wakende oogen
De lange trein getogen
Van aller lust herinnering.

Wat moet ik aldoor zien wat 'k weet?
Al 't reddeloos volbrachte,
Al 't reddeloos gedachte:
Gelijk is wat ik liet en deed!

O eer de dood mijn leden bind'
En hen voor eeuwig bedde, -
Wat zal mijn oogen redden
Van dezen droom die immer nieuw begint?:

O blanke ziel, o roode bloed,
O hart verdwaald daartusschen, -
Wie zal in slaap u sussen
Tezamen en voorgoed?

Mijn voet kan vóor den avondval
Nog vele mijlen reizen,
Wil éen den weg mij wijzen
Naar Lethes dal.

Wie over 't brandend blind bazalt
Brengt mij naar Lethe? -
O alles te vergeten
Eer de avond valt!’

P.C. Boutens

Terug - Top


Sabijnsche-maagdenroof

                         Loggia dei Lanzi

Hij is zwaar forsch, maar slank, mijn soudenier,
Soldaat van Romulus; hoog'r in zijn armen
Tilt de Sabijnsche maagd hij, trots haar karmen;
En welft zijn rug acht'rover in spel van spier

En pees; strak spant zijn dij breed; prachtig dier,
Mandier, dat schaakt zijn vrouwtje tusschen zwermen
Van vrouwen, vluchtend her en der, erbarmen
Smeekend in vrees voor 't driest mandriftig vier...

Gian van Bologna deed, met 't blij besef
Van 't recht des sterkste, die brutaal viert zege,
- In marmer eerst, op 't bronzen bas-relief

Daarna - hem leve' en prachtiglijk bewegen,
En koos zich tot model dier lichaamsglorie,
Bartolommeo, den jongen Ginori.

Louis Couperus

Terug - Top


Het oordeel van Tiresias

Eerlijk gezegd
- en het is heel bijzonder
dat je klaar komt van mijn vinger in je oor -
als je zo urenlang in alle staten
door het bed hupst
verlang ik wel eens naar een goed gesprek.

Het is mij een bron van filosofische verbazing
- neem de ontmoeting met een neger in Afrika,
Mr. Livingstone | presume en de man
spreekt keurig hollands -
dat er überhaupt verstaanbare klanken komen
uit een wezen dat verder zo verschillend is.

J.P. Guépin

Terug - Top


Ik wou gewoon dat ik dood was

Sapfo's verkoudheid, haar klein vuur,
haar zweet, en de huid, groener dan gras.

Dagenlang praat ik met mijn verliefdheid,
de neus volgeschoten met tranen.

O wanneer gaat deze tijd voorbij, zo bitter en zo zoet,
mijn lippen ondanks alles archaïsch gekruld.

J.P. Guépin

Terug - Top


[Sappho]

Ik ben hier omdat ik nergens

anders kan zijn dan waar ik ben:
genoeg andere plaatsen ken ik
waar ik nu niet ben.

Zeker, nog mooiere waaiers
zijn er dan zij er een van had

om open te doen en dicht, en niet
dicht deed. Ook ik hield van je,
Atthis, al zo lang al, toen je nog
zo'n wicht was, zo, zonder iets,
steeds opnieuw herhaald in dat

ene fragment dat jou uitmaakt.

Hans Faverey

Terug - Top


Jaloezie

                         Sapfo (Griekenland ca. 600 voor Christus)

Wie is dan toch die fraaie held
aan wie jij zoiets moois vertelt,
wat is dat wel voor een idool
die wekt wat zich in jou verschool?

Die daar zo heerlijk luisteren mag
naar jouw verleidelijke lach
waarvan mìjn hart het snelste klopt.
Had ik me maar voor jou verstopt.

Er wil geen woord over mijn tong
en in mijn oren suist een gong,
onder mijn vel word ik bloedheet
en ik zie niets meer en ik zweet.

Bleker ben ik dan wintergras.
Ik wou dat ik gestorven was.

Willem Wilmink

Terug - Top


Driehoek

mij geleek
hij een god
toen hij keek
naar jou tot

ik bezweek
en ging stot-
teren bleek
blind en bot

ijlings jacht
vuur door mij
dubbelzwart

zinkt de nacht
alles hard
ik als jij-'

Paul Claes

Terug - Top


[Sappho]

Den eenen appel aan den tak ben ik,
Die Sappho zong, door de oogster nog vergeten
Mijn stille boom scheen van geen bloei te weten
En zie, het noodweer kwam, toen bloeide ik.

De bliksemstraal, in ieder oogenblik
Belaagde mij; worm heeft mij aangevreten
Ik zag Gods licht alleenig door de spleten
Des wilden hemels, maar toch groeide ik

Zoo ben ik dan, rijp voor het late leven
Klaar voor den pluk, klaar voor het groene gras,
Eén ding weet ik, dat weinigen beleven:
Dat ik een appel aan Gods boomen was.
Hij oogst, hij zaait, en mij schijnt 't zoo te zijn,
Dat engelen hoeders van den boomgaard zijn.

J.W.F. Werumeus Buning

                         Sappho, fragment 105 B

Terug - Top


Sapphisch

Gekanteld aan de appelaar
bij treden door geen voet genaakt
amphore, waaruit water vliet
dat wellend niet ten einde raakt:
der goden dodengave aan haar,
de steeds ontstegene in het lied,
de donkere appel aan de tak,
die geen hand uit het lover brak.

Ida Gerhardt

                         Sappho, fragment 105 B

Terug - Top


'... zoals de honingappel' (Sappho)

'zoals de honingappel roodkleurt aan de bovenste tak,
bovenin, aan de bovenste boomtak: de appelplukkers vergaten -
nee, zij vergaten hem niet, zij konden niet bij hem komen'

stamelt de scherf van Sappho, op Lesbos, een eiland
in Mytilene daar danste zij ...

scherf en blad reiken ons nog haar stem,
onze boomgaarden zijn zo veel ruwer,
geuren waaien niet meer zoet als honing ...

harde zeebries steekt op uit de zeeën
dit is niet de eeuw voor de tedere voet
'de maan en het zevengesternte zijn onder'

het is alleen de scherf die nog zingt
en minder weten wij van Sappho dan van het gras
dat bloeide en danste onder haa voet

hoe groot moet eens de vreugde geweest zijn op Lesbos
als van de scherf de vonk opspringt van het geluk,
wanneer uit ingestorte regels als uit ruïnes
dronken makend zich openbaart, helderheid; glans

'van de honingappel roodkleurend aan de tak van de boom'

H.H. ter Balkt

                         Sappho, fragment 105 B

Terug - Top


Afrodite

Er was een hele mooie vrouw
ze heette Afrodite.
Ze werd geboren uit de zee,
althans dat zegt de mythe.

Voor wie van mooie vrouwen hield
viel heel wat te genieten:
ze had heel lang en golvend haar
en twee erg fraaie tieten.

Ze was van liefde de godin,
van schoon- en vruchtbaarheid.
Ze heeft ook zelf links en rechts
met god en mens gevrijd.

Van kuisheid had ze nooit gehoord
van trouw al evenmin.
Ze dacht alleen maar aan genot
daarvan was zij godin.

Ze gaf de vrouwen sex-appeal
en mannen kregen zin.
Ze doken liefst de hele dag
met hen de koffer in.

En zeker als het lente was,
dat feest van vruchtbaarheid,
dan was het voor het liefdesspel
de allerbeste tijd.

Dan gaf ze opdracht aan haar zoon:
ga jij maar pijlen schieten
en Eros schoot er flink op los
voor mama Afrodite.

En iedereen die werd geraakt
die wilde gaan genieten,
die dacht alleen nog maar aan sex,
althans dat zegt de mythe.

Je snapt natuurlijk wel dat ik
de man van toen benijd
dus wil ik met een tijdmachien
naar Afrodites tijd.

Hans Manders

Terug - Top


Botticelli’s Venus

Staand voor Botticelli’s Venus
op een poster weliswaar
raak ik andermaal betoverd
door het golven van haar haar.

Dromend staar ik naar haar borsten
blank en stevig, klein maar fijn
zouden het, zo denk ik even,
niet jouw borsten kunnen zijn?

Met haar dromerige ogen
en haar hoofd een tikje schuin
leidt ze mij weer in bekoring
en behoorlijk om de tuin.

Dromen immers die bedriegen
tonen nooit de werkelijkheid
hebben geen besef van heden
of verstrijken van de tijd.

Door de wind vooruit geblazen
komt zij op haar schelp eraan
maar ze is in al die eeuwen
nog geen spat vooruitgegaan.

Flora staat op haar te wachten
met haar rijkversierd gewaad,
Venus zal dit kleed nooit dragen
want ze blijft daar waar ze staat.

Maar voor mijn godin van liefde
en natuurlijk ook voor mij
blijft de tijd maar stevig blazen:
onze lente is voorbij.

Hans Manders

Terug - Top


Apollo en Daphne

                         Bij beeld van Bernini in Galleria Borghese

De mythe

De god, door Eros’ scherpste pijl geraakt,
was van verliefdheid bijna buiten zinnen.
Hij wilde nog slechts Daphne voor zich winnen,
de mooie nimf, lieftallig, ja volmaakt.

Helaas, ook zij was door een pijl geraakt,
als lood zo zwaar, waardoor zij diep van binnen
zo’n felle afkeer kreeg van al het minnen
dat zij voorgoed de liefde had verzaakt.

Ze vluchtte voor Apollo’s hevig smeken.
Hij ijlde rusteloos haar achterna
waarbij zijn voeten toch de snelste bleken.

Ze riep om hulp. Haar haar werd loof terstond,
haar voeten sloegen wortel in de grond.
Zo zag de god een boom voor zich weldra.

Het beeld

Een handeling gestold in harde steen,
dat was, zo kan men zien, Bernini’s streven.
Dit marmer, het kwam door zijn hand tot leven.
Hij voerde uit wat schier onmooglijk scheen.

Zijn beeld komt met de mythe overeen:
je ziet de nimf, echt in het nauw gedreven,
Apollo achterhaalde haar zo-even,
dan wordt ze boom bij armen, hoofd en teen.

Een foto was nog nooit zo levensecht,
op film kon nimmer worden vastgelegd
wat met dit werk Bernini heeft geklaard.

Hij die in het museum hen ziet staan
kan maar met één gevoel naar buiten gaan:
dit beeld is werk’lijk ongeëvenaard.

Het besef

Je zou met woorden ooit zo willen spelen
zoals Bernini met dit marmer deed.
Helaas, zijn beeld frustreert omdat je weet:
hoe je ook zwoegt, het lukt slechts zeer ten dele.

Kon jij van zijn talent een fractie stelen,
je zou wellicht ooit slagen als poëet,
was niet gedoemd met tranen, bloed en zweet
als derderangse dichter vals te kwelen.

Je dacht met woorden kun je alles zeggen,
je diepste zieleroersels openleggen,
totdat je voor het eerst dit beeld zag staan.

Je leek versteend en was totaal ontdaan.
Bernini liet je nederig beseffen:
geen woord zal ooit zo raak iets kunnen treffen.

Hans Manders

Terug - Top


Demeters dochter

“De onderwereld is voor jou,”
zo luidden Zeus zijn woorden.
Broer Hades die wat ouder was
die wist niet wat hij hoorde.

Zijn broer was evenwel de baas
of wel de oppergod,
dus schikte hij zich, sans rancune,
gewillig in zijn lot.

Zo werd hij koning ondergronds,
de heerser van de doden
en ieder mens werd vroeg of laat
daar voor zijn troon ontboden.

Hij had het in zijn schimmenrijk
zo best wel naar zijn zin,
toch baalde hij soms stevig want
hij had geen koningin.

Dus op een dag, het was mooi weer,
toen spleet opeens de aarde
en daar was Hades op een kar
getrokken door wat paarden.

Daar speelde op het bloeiend veld
de maagd Persephone.
Ze riep om hulp, vergeefs helaas,
want Hades nam haar mee.

Daardoor kreeg hij het in zijn rijk
nog beter naar zijn zin:
hij had veel macht en bovendien
een stuk als koningin.

Demeter, de godin van ‘t graan
en van de vruchtbaarheid,
was helemaal ontroostbaar want
ze was haar dochter kwijt.

Niets groeide meer, het land werd dor,
er dreigde hongersnood
en Zeus dacht: "Als ik nu niets doe
gaat iedereen straks dood."

Dus zond hij Hermes maar op pad,
de bode van de goden,
en zei: “Haal snel Persephone
weer uit het rijk der doden!”

En Hades wist: de wil van Zeus
die kon hij niet weerstaan;
hij liet met frisse tegenzin
Demeters dochter gaan.

De moeder was ontzettend blij
en alles bloeide weer,
maar was de zomer haast voorbij
ging dochter naar haar heer.

Zo werd haar leven ingedeeld
in steeds twee perioden:
in ’t voorjaar ging ze naar haar ma,
in ’t najaar naar de doden.

En sindsdien zitten mensen steeds
een half jaar in de kou.
Je kunt dus stellen dat ook dit
de schuld is van de vrouw.

Hans Manders

Terug - Top


De roof van Persephone

                         Bij beeld van Bernini in Galleria Borghese

't Is niet het golven van haar lange haren
En evenmin zijn woeste, ruige baard,
't Is niet haar lijf, voor hem begerenswaard
Waardoor ik altijd naar dit beeld blijf staren.

't Zijn niet zijn ogen en ook niet de hare,
't Is niet de hellehond, zo onvervaard.
Dat Hades, zo gespierd, zijn klusje klaart
Is niet waarom ik hier kom telkenjare.

Maar hoe zijn vingers in haar lichaam drukken
En hoe het marmer voor die vingers wijkt
Dat kan mij steeds als ik het zie verrukken.

Ik zie hoe hij, zijn schepper, hiernaar kijkt,
Zo trots op wat men dacht dat nooit kon lukken,
En weet: ik heb de kunst hiermee verrijkt.

Hans Manders

Terug - Top


Kijkend naar Laocoon

                         Bij beeld van Michelangelo in Vaticaanse Musea

Ik zie het lichaam van Laocoon:
Hoe hij zich wil bevrijden van de slangen
Maar, links de ene rechts de tweede zoon,
Voor altijd in het marmer is gevangen.

En dan dat hoofd, hoe wanhoop is verbeeld,
Van angst is hij volledig buiten zinnen.
Hier wordt, dat zie je, geen toneel gespeeld.
Hij weet: ik zal niet van Athene winnen.

In vijftienhonderdzes was men verrukt
Toen deze compositie werd gevonden.
Wat was het in de oudheid goed gelukt
Te tonen hoe het noodlot wordt gezonden!

De hedendaagse kijker voelt wel aan:
Dat ook bij hem het lot eens toe kan slaan.

Hans Manders

Terug - Top


Orpheus en Euridike

Orpheus

Zijn lier wist zelfs de stenen te beroeren.
Hij had een welhaast goddelijke stem;
eenieder wilde luisteren naar hem
en liet zich tot een soort extase voeren.

Toen kwam de dood zijn liefste vrouw ontvoeren;
hij ging naar ‘t rijk der schimmen met zijn lier
en zong: “Een diep verdriet dat bracht mij hier”,
wist Hades en diens vrouw zelfs te ontroeren:

“Omdat wij nimmer zoveel liefde zagen
mag zij met jou weer mee naar boven gaan.
Maar kijk niet om! Ze komt achter jou aan!”

Het pad was steil. Hoe stil was’t om hem heen
en dus begon onzekerheid te knagen.
Hij keek toch om, waarna zij weer verdween.

Zijn missie

Hij leek voor ‘t eerst de macht van dood te breken,
was nagenoeg gekomen bij de grens
zou doen wat nooit zou kunnen voor een mens,
als hij maar niet pardoes had omgekeken.

Het was zijn lier, zijn kunst, zijn hevig smeken,
de ongewone strekking van zijn wens,
zijn diepste liefde voor een medemens,
waardoor het even mooglijk had geleken.

Hij toonde ons hoe ver een mens kan komen,
mits hij zich door de liefde leiden laat
en zijn talenten vrijelijk laat stromen.

Zijn missie echter kon gewoon niet slagen,
want er is niemand die de dood verslaat:
hij blijft het eind van ieders aardse dagen.

Mijn missie

Toch laat ik mij door Orpheus inspireren;
hij is de gids voor elke kunstenaar
aan wie hij als, zeg maar, een zangleraar
de kunst die poëzie heet aan wil leren.

Vanwege Orpheus blijf ik het proberen
en zal ik altijd maar weer zoeken naar
de juiste woorden en de goede snaar
om een ultiem gedicht te componeren.

Met liefde als een trouwe reisgenoot
leidt Orpheus mij langs levens hinderlagen,
in voorspoed maar ook in geval van nood.

Ik weet dat ook mijn missie niet zal slagen,
maar toch kan ik het spookbeeld van de dood
door ‘t voorbeeld dat hij gaf nog steeds verjagen.

Euridike

Zij was beslist de schoonste der Najaden,
daarom koos Orpheus haar uit als zijn vrouw.
Dat hun geluk zo kort maar duren zou,
wie had dat ooit tevoren kunnen raden?

Een slangenbeet veroorzaakte zo’n schade;
ze stierf. Haar man was zo vervuld van rouw
dat hij als uiting van zijn huw’lijkstrouw
naar Hades ging, vol angst maar vastberaden.

Ze waren door hun liefde zo ontdaan,
vorst Hades en zijn vrouw Persephone,
dat zij weer met haar zanger mee mocht gaan.

Toch maakte zij in ‘t leven geen rentree,
want hij keek om; ze bleef gewoon als lijk daar.
Zo werd de vrouw voor altijd onbereikbaar.

Hans Manders

Terug - Top


Pygmalion

Hij had een hekel aan echt alle vrouwen,
van dat geslacht beviel er hem niet een.
Als meisjes lonkten zei hij krachtig: “Neen!”
Hij zwoer een eed: "Ik zal echt nimmer trouwen."

Hij had een hobby: dat was beeld te houwen.
Van ’s morgens vroeg tot ’s nachts een uur of een
bewerkte hij mooi blank ivoor hetgeen
een vrouw werd, haast te mooi om te aanschouwen.

Wat toen geschiedde laat zich bijna raden:
hij werd verliefd ja, op zijn eigen beeld.
Zij leek voor hem de ideale gade.

Hij heeft het beeld omarmd en zelfs gestreeld
en Venus gaf hem goddelijk genade:
ivoor werd huid, een vrouw, zeer rijk bedeeld.

Hans Manders

Terug - Top


Satiricon

Met Petronius Arbiter heb ik vaak gewandeld
of gezeten op een warm terras, waar thijm
tussen gebarsten stenen groeit.
We waren meer grieks dan romeins,
dronken retsina, spogen de olijvenpitten
over de rand van ’t dak, riepen naar mooie passanten
beneden op straat, en ik tutoyeerde hem natuurlijk,
hoewel hij de Meester bleef,
ook toen ik in jaren naar hem toegroeide.

Het leren bandje schaafde, werd vaal,
het zijden lintje verkleurde, brak, verdween,
de inhoud bleef goeddeels duister,
een romeinse droom, die nu al dertig jaar
in mij nawerkt, ik bedoel:
ik ben ook vaak met Encolpius en met Ascyltus
op pad geweest: Giton is mij vertrouwd
in goot en bed, Tryphena boog
zich dikwijls over mij, de cena Trimalchionis
leeft voor mij na in elke braspartij
en voor Priapos ligt een offersteentje in de tuin.
Dus heb ik nu Fellini’s fantasie
een paar maal meegeleefd. Encolpius, de slappe,
heb ’k niet herkend. Ascyltus,
de onvermoeibare, die wel: Giton
was een vergissing en Tryphena
zo mooi dat mijn Tryphena is verbleekt.

Maar wat ik heb gemist verdwaald
in dit bizar gekwetter tussen echte tover
en Hollywoodgelonk, is het geloof
in de aloude goden. In plaats van
’t erbarmelijk gerag op celluloid priesteressen
wou ik dit beeld: Ascyltus in de thermen
op zoek naar Giton. Ascyltus
is zijn kleren kwijt, hij wordt omringd
door een menigte, in de handen klappend
en hem eerbiedig bewonderend. Waarom?
Omdat hij, volgens Eumolpus, de dichter, die dit verhaalt
aan zijn benedenbuik zoiets geweldigs droeg
dat men de indruk kreeg dat heel het lichaam
van deze kerel enkel ’t handvat was van zijn geslacht.

Of, als na eindeloos gesukkel, smaad en slaag
en toverij Encolpius toch eindelijk
weer een erectie krijgt.
Hij danst dan niet als een halfgare knaap
wiens grootvader in Freud las jubelend de vlakte in,
nee, hij gaat naar dezelfde Eumolpus, de dichter,
pochend dat hij nog beter is voorzien
dan Protesilas, de Trojaanse held.
Hij licht, Mercurius lovend, zijn tuniek op
en Eumolpus hij schrok! Hij moest met beide handen
betasten deze kolossale gunst der goden
eer hij geloofde.

Ik miste ook de vogelaar, die op het schip
lijmstokken legde en zeevogels ving:
‘De zeebries droeg hun donzen veertjes weg
en ’t speelse schuim van de woelende golven
voerde de grotere veren in werveling mee’.

Tussen Priapos tastbaar en dit ijle vogeldons
wandelde ik vaak met Petronius Arbiter.
Het duurt nu, na dit filmbeeld, weer wel even
voor ’k hem ontmoet, maar Hiram Keiler,
de nieuwe Ascyltus waar ik wel in kan geloven,
Hiram Keiler zal, mogelijk, schaterend van het lachen,
schaterend van het lachen, mij bijstaan.

Hans Warren

Terug - Top


Penelope wacht

Ze zal hem terugzien (we weten het zeker).

Ze zal hem terugzien aan de achterkant van de zee.
Ze moest er twintig jaar voor roeien maar daar is hij dan.
Hij jaagt de wind uit zijn haar, schijnt zijn licht in haar ogen
tot het pijn doet.
We twijfelen er niet aan dat ze hem terug zal zien.

Ze zal hem terugzien in het Museum voor Goochelkunst.
Hij springt uit een doosje (geen spat veranderd), doemt op
in een golvende spiegel, verschijnt op een affiche, verdwijnt
achter een fluwelen gordijn, wenkt vanaf een speelkaart,
rolt uit een authentieke goocheldoos, vouwt zich op
tussen de rimpels van een suppoost.

Het staat vast dat ze hem terug zal zien.

Ze zal hem terugzien op historische filmbeelden: feloeka's op de Nijl.
Zij, als enige, merkt de hand van de filmer op,
herkent de schaduw van zijn galabia.

Ze zal hem terugzien op de dag dat de wereld vergaat.
Haar einde zal nabij zijn, maar een helikopter nadert
en er bungelt iemand onder.

Ze zal hem terugzien op de bodem van een droom,
op een feestje waarvoor ze niet was uitgenodigd,
bij de cursus 'Alleen verder: de draad weer oppakken',
op de dag die een Chinees koekje haar lucky day noemt,
in de bouwmarkt (met zijn nieuwe vrouw, zwanger),
in een opsporingbericht van de politie,
in een achterafsteegje in het havendistrict,
in de eeuwige schemer van de onderwereld,
op de bewolkte werkdag waarop ze eindelijk ontslag neemt en hij
zich voorstelt als haar nieuwe collega,
in een ander leven (hij: haar buurmeisje, zij: zijn buurjongen),
bij de artiesteningang van Theater Op Hoop Van Zegen,
op een eiland in de Stille Zuidzee met een cameraploeg in zijn nek,
op een plein met schele duiven,
onder de brug waar de naalden glinsteren.

Er is geen reden tot paniek: iedereen weet dat ze hem terugziet.

Ze zal hem terugzien als haar hak vast komt te zitten tussen de kasseien.
Aan de voet van een kerktoren stapt ze in glasscherven,
langzaam hinken haar gebeden weg.
Een onbekende godheid volgt het rode spoor.
"Kan ik u helpen?” vraagt de stem die ze niet vergeten is.

We biechten het op: we weten niet of ze hem terug zal zien.
We hebben onze twijfels.

Ze zal hem terugzien.
Ze zal een flessenscheepje vinden op een rommelmarkt.
Hij staat aan dek, heeft haar herkend en zij hem,
de fles rolt uit haar handen, breekt op de stoeptegels.
Een man klopt de eeuwen van zich af.

Ineke Riem

Terug - Top


Odysseus' terugkeer

 
I. De inscheping

                         "zij hebben eenmaal roekeloos der droomen noodweer getart,
                         en ingescheept op een ontredderd hart
                         zingend nar dit eiland zeegekozen."
                                                  A. Roland Holst

De dag trok achter sombergrijze schilden
vermoeid van horizon naar horizon
en brandde met een donkerroode zon
den schemer open. Even leek een mild en
vaag koperkleurig glanzen te beginnen
aan gevellijst en pannen. Maar het week.
Het was een vluchtig lachen, waar de tinnen
der hoogste huizen slechts in deelen konden.
Zij stonden als ontstelden, star en bleek,
nu zij der stad gedoofde straten vonden.

Een zoekt zijn weg langs grachten, over pleinen,
door nauwe gangen die als kreken zijn
waarin het kroos van veilheid en venijn
zich duister voortplant. Tusschen roode seinen
- de snelle wagens die hem achterhalen,
het bakenlicht der kroegen - drijft hij voort
tot waar de straten naar het water dalen.
Hij ziet, op 't bruggraniet vooroverleunend,
de smalle jachten slapen, boord aan boord
en hoort den wind in want en masten kreunen.

Dit is hem zeer vertrouwd: de ranke schepen
die in de avondbaaien rusten gaan;
het rustelooze water en de maan,
huiveringwekkend wit en vreemd geslepen;
de touwen zingend als gespannen snaren
boven de klankkast van het donker ruim
een voorzang van verrukking en gevaren
die op gedroomde eilandgroepen wonen,
achter getande klippen, in een tuin,
of aan het wilde schuimhart der cyclonen.

De nacht groeit aan tot duisternis en vage
vormen van boomen wuiven langs den stroom.
Gebukt achter een meerpaal loert de gnoom
der onrust naar den vreemdeling. Geslagen
in zachte banden vaan herinneringen
daalt hij naar waar een kleine witte boot
gemeerd ligt en de troostelooze dingen
bijeen zijn en de oeverlijn aantasten:
een grafheuvel van ankers, roestig schroot,
gebleekte knekels en vermolmde masten.

De smalle schimmen die zijn komst verwachten
voegen zich in de schaduw der kajuit;
de Haat, de Liefde, de Vergetelheid;
de Rust, met wie hij zelden overnachtte;
de Vrees, een vleermuis, hakend aan de spanten;
Doods lachen klokkend in de ankerkluis
Vaag, als van ver, in sombere varianten
het afscheidslied der dronken scheepsgezellen;
van wisselend getij en windgeruisch
de stemmen die het noodlotsuur voorspellen.

Hij heeft de wereld achter zich gelaten
als hij aan boord zich tot de luiken bukt.
Een trein roept raatlend langs het viaduct,
twee meeuwen pogen schel met hem te praten,
uit torens dwarrelen klanken naar zijn ooren.
- De wereld randt de droomen in ons aan
en tracht ons met blanketsels te bekoren -
Zijn hand trekt wijfelend de kajuitsdeur open,
maar als zijn geest nog wil te rade gaan
heeft de vergetelheid hem reeds beslopen.

Met elken stap omlaag brengen de schimmen
hem dwingender tot zijn verloren rijk.
De trap ten einde, binnen het bereik
van wat zich opent boven onze zinnen
- werelden die de wereld overleven,
landschap der zielen, landschap van den droom -
voelt hij het koortslood op zijn schedel wegen
en naar zijn oogen zakken. Als de lampen
walmend zijn opgegaan, hoort hij de gnoom
der rusteloosheid aan den roerstok tampen.

Hij schijnt omringd door wijde eenzaamheden
wanneer hij tast naar speigel en papier.
- Waar is de stad, de stroomende rivier:
waar zijn de oude beelden van het leven? -
"Ik weet het niet", schrijft hij, "ik voel mijn wezen
gevangen in een eindeloos gebied;
ik kan de jaren uit mijn oogen lezen
en moeiteloos tot eeuwen samenschrijven;
tot liederen van verrukking en verdriet
de woorden uit mijn hartstreek samendrijven.

De spiegel geeft mij rekenschap - De regen
strooomt wijd en grijs over het schiereiland.
Ik heb mijn wijkplaats achter mij verbrand;
ik heb geloopen tot de laatste wegen,
tot waar de liefde ons geen schoot meer opent,
slechts vrees mij als mijn schaduw achterhaalt.
Door leed en laagheid lijfelijk geslopen,
zoek ik aan werelds waanzin te ontkomen.
De noodlotsster heeft deze reis bepaald,
dit reizen door den archipel der droomen."

 
II. Het verbond der droomen

                         "I called the phantoms of a thousands hours
                         Each from his voiceless grave."
                                                  Shelley

"Wegzwervend door de uitgelezen sferen
vond ik een kustland donker van cypressen,
een smalle baai waarin ik eeuwen her
mijn vloot bij avondval had laten meren.
Planten als breede, kopergroene messen
woekerden langs de hellingen en ver
rookte de stompe top van den vulkaan;
asch dreef in breede wolken naar den einder
en waar de zee traag door de kreken deinde
zag ik den blinden Polyphemos staan.

Zocht ik niet eigen wroegingen te dooven
toen ik zijn netvlies leeg en duister maakte
en zijn spelonk te middernacht verliet?
Uit de gesmoorde kreten die hij slaakte
kwamen mijn klankgeworden angsten boven,
maar in het want trilde Aiolos' lied.
Ik moest den steven wenden naar de zee.
Hij hoorde 't water langs de boorden spelen
en stond, als op het Paascheiland de beelden,
verlaten en demonisch aan de ree.

Langs den gebarsten rand der eilandrijken
volgde mijn boot de barsche westenwinden
tot aan Aiaia's vlakke, zanden kust.
Ik waadde kniehoog door het grauwe slijk en
probeerde Kirke's tuinen weer te vinden,
der schemere priëelen koele rust;
de dalkom met het marmeren paleis,
de bron, de stille, watervlugge slaven;
maar 'k vond slechts, half onder het zand begraven,
geschonden kapiteelen, wereldgrijs.

Over het puin der Dorische fonteinen,
het bleeke knekelveld der tooverdieren
koos ik mijn weg naar 't peristylion.
De boomen bloeiden vreugdloos. Langs de lijnen
van een gebroken torso beefden mieren
als milliarden gitten in de zon.
Ik riep - en niemand die mijn stem verstond;
de echo rilde van onzekerheden.
Maar wat het hart ontving in het verleden
draagt het als vaste ballast met zich rond.

Zwaar als een zwerfsteen bleef het in mij wegen -
Hoorde ik niet hoe mijn herinneringen
met naakte voeten traden langs het pad?
Beschroomd en ingetogen als een regen
viel er het rinkelen van de enkelringen
tusschen bewegend eucalyptusblad.
En ik vond Kirke schrijdend aan mijn zij,
eenzelvig, van een wijd verdriet bevangen,
en ik ging zwijgend, in een wijd verlangen,
de cella der mysteriën voorbij.

Zij sprak tot mij als de Sibyllen spreken;
maar mij ontging den zin van haar symbolen;
slechts twintig woorden droeg ik mee aan boord:
"Der goden tempels wankelen en breken,
de geesten wijken naar de schaduwholen,
maar als het water stroomend blijft het woord."
De gnoom der onrust wiegde in het want
toen ik mijn vaartuig langs de klippen stuurde
en met een reeds onthrecht verlangen tuurde
naar 't wuiven van haar transparante hand.

Stormen slogen de al te broze resten
van wat mij nog aan teeders was gebleven
als onbeschermde oevergronden stuk.
Voortzeilend naar de uiterste gewesten
waar in den afgrond de gekwelden leven
zag ik de witte kaap van het geluk
het noodweer tarten als een kathedraal.
'Ruk nu het laatste drogbeeld uit uw oogen!'
De noodlotsvogels die mijn boot omvlogen
richtten mijn blik naar 't somber voorportaal.

Gevangen in de ondergrondsche stroomen,
de duistere wade van het tijdelooze,
vond ik den blinden Teiresias weer.
Terwijl aan bakboord grinnikende gnomen
op luiken en kajuit hun water loosden,
de scherpe dampkring van een zwavelmeer
verraderlijk bezit nam van mijn bloed,
voorzegde hij dat ik de stille daden
van 't hart verrichten zou en weer verraden
voor wat de geest uit zich bevrijden moet.

Dek en tuigage wemelend van gedrochten
die mij insloten, pijnigden en kwelden
voer ik de Styx af. Langs den oeverrand
vervloekten, vastgeklonken aan hun krochten,
de uitgestooten koningen en helden
der goden wetten en hun heilloos land.
Het licht verjoeg mijn gruwelijke last -
Ruim was de zee, ruimer de westenwind en
de hemel wolkeloos als van beminden
de blik; en Onrust rukte aan den mast.

Ik hoorde hoe verlangens verre vrouwen
mijn vaart met liederen te stuiten trachtten.
Wisten zij niet dat er een ander lied
voorzichtig preludeerde op de touwen?
Het zwol en geen Seirene was bij machte
den geest te hevelen uit zijn gebied.
Een warme golfstroom spoelde langs de kiel
toen ik - na hoeveel dagen stuurloos drijven? -
den zuidelijken archipel bereikte
waar wind wellustig in de zeilen viel.

Visschen ontmoette ik in gouden scholen
en gouden kudden grazend op de kusten;
tusschen de plooien van een heuvelland
vruchtboomen diep als droomenden verscholen.
Daar moest Ogygia op den einder rusten
met zijn lazuren grotten en het strand
waar mij Kalypso neergeworpen vond.
Zou ik opnieuw de jaargetijden weten
vluchtig als sneeuw, en jaar na jaar vergeten,
zwervend de streken van haar lichaam rond?

Over mijn hoofd ruischten de blauwe veeren
van wonderlijke vogels, het bewegen
van hagedissen door het oevergras.
Geruischloos poogde ik mijn boot te meren
in de lagune, toen de laatste veege
lichtstreep boven de zee verdwenen was;
loom boog de nacht zich over uit de kim.
Omringd door spotgebroed dat mij beloerde,
sloeg ik het pad dat naar de grotten voerde,
het koele brongebied der nimfen, in.

Haar grot was ledig, duister, maar van verre
klink mij muziek van spattend water tegen.
Zacht sloop ik nader - Bij den waterval
vond ik haar baden en de blauwe sterren
binnen haar oogen heimelijk bewegen.
Ik durfde mij niet roeren, tot de val
van los gesteente haar verstrakken deed.
Ik zag haar dijen trillen, de geheven
tepels als kleine offerdieren beven
en vluchten in de plooien van haar kleed.

Doch van haar vreezen bleef geen sintel over -
feller dan vreezen leefde het verlangen
naar de besloten daden in het bloed.
En op haar leger scheurde ik het loover
dat haar nog dekte en ik nam de spangen
weg van den peplos en de overvloed
van lichaams gaven werd opnieuw mijn deel.
Waren het jaren, hadden eeuwigheden
hun loop volbracht toen ik haar blikken meed en
haar schoot vergat, haar mond, haar smalle keel?

Een schoot is slechts een tijdelijk onderkomen,
een wijkplaats aan de grens van onze zinnen,
buiten de rechtsgebieden van den geest.
Reeds zocht mijn blik het land der dubbelstroomen
waar ik vergeten daden zou beginnen.
Voorbij den bleeken einder van haar leest
riep mij de Onrust als een nachtdier aan.
Bedroefd tot in mijn nieren, maar haar wezen
voor wind en ijler dampkringen ontrezen,
voer ik het vuurschip tegen van de maan.

De zee was kalm, de hemel blauw en blinkend
de atmosfeer, zóó blinkend dat verstolen
een donker voorgevoel in mij begon.
Ik wist opnieuw: de zachte westenwinden
zwellend tot stormen en de wilde scholen
grauw-witte golven aan den horizon
stuitend en brekend op het broze schip.
En toen ik tot het eiland was gekomen
sloegen de goden toe en onderstroomen
wierpen mij uit over de laatste klip.

Was dat het strand waar Nausicaä speelde
het balspel met de donkere slavinnen;
waar ik haar, uitgeput en haveloos,
om bijstand vroeg? - Met vorstelijker weelde
omgaf zij mij. Maar in het koele linnen,
dat zij met eigen handen voor mij koos,
voelde mijn huid zich treurig en misleid
als in een huis waar de gemeenzaamheden
zijn opgeheven, slechts de koele rede
verblijft bij gratie van haar eenzaamheid.

Terwijl mijn geest haar vond tusschen de zuilen
of zich in haar verdiepte op de sponde,
gevangen in het kuische tweegesprek;
verloor mijn hart zich in een somber druilen,
tellende zijn verrukkelijke zonden,
door 't wijde feestkleed nauwelijks bedekt.
Begreep zij niet dat tusschen geest en hart
de rusteloosheid als een ringworm woekert;
blind en begeerig nieuwe gangen zoekend
zelfs door het leven in den dood verstard?

Het uur was stil - Een grondelooze stilte
omvatte tuinen, tempels en paleis en
wat in ons beider namen lag bewaard.
Geuren alleen bewogen: zoete, zilte
van vrucht en zee, en om de parelgrijze
zuilen een geur van eeuwen. En de aard
ademde hoorbaar door haar dun gewas.
Ik voelde een vreemde evening beginnen -
De nacht schoof staalblauw door de wolkevinnen
en noodlots sterren rezen klaar als glas.

Weer wachtte mij ter ree met ranke vormen
het vaartuig. Maar een heimelijk verlangen
hield mij nog aan haar lichaamsgrenzen vast.
En eensklaps schuwde ik de holle stormen
die mij nog dreigden en de onheilszangen
en Onrusts bruut bevelen uit den mast.
In haar omhelzing zochten bloed en geest
de stille macht der Parcen te ontkomen,
doch onweerstaanbaar trokken mij de stroomen
weg van haar borsten, van haar rijpen leest.

Dit is de evening: een ijl verglijden
van daden, droomen, verre eeuwigheden,
zee, einder, sterren; en een donker land
vooruit oprijzend, niet meer te ontwijken.
De groote, trage stem van het verleden
achter mij sterft.
                            - Ik tast een vochtig strand,
wrakhout en wier waar men mij achterliet.
En wijder, grijzer stroomt de regen over
mijn volle oogen en de beelden dooven
en ik stroom over in een luid gebied."

 
III. Het luide rijk

                         "And now the white sails of our ships are furled.
                         And spent the lading of our argosy."
                                                  Oscar Wilde

Behoedzaam wijkt het donker uit de ronde
koperomrande poorten der kajuit.
Traag geeft de nacht zich aan den morgen uit.
De nachtrivier ligt reeds opnieuw geschonden
door kil, grijs licht. Langs de verweerde kaden
klinkt weer der wereld ratelend misbaar:
karren die uit de aken kisten laden,
het roepen van nog slaapdronken matrozen,
fabrieksirenes gillend naar elkaar,
sluizen die bruisende het water loozen.

Hij ziet den dag over de tafel sluipen,
de dingen tasten, inktpot en papier;
hij hoort den zwaren gang van de rivier,
kettingen rammelend door het kluisgat kruipen.
Plotseling vangen zijn vermoeide oogen
drie scherpe barsten in het spiegelvlak,
met aan de randen, uit elkaar gebogen,
grillige overdwarse splinterwegen.
Hoog in den linkerbovenhoek een wak
waarin het licht vaag zilver gaat bewegen.

"Als broze spiegels bersten onze droomen
binnen de grenzen van het luide rijk.
De heldere wel vertroebelt in het slijk;
de sluierbloemen dorren en de gnomen
vluchten grimassend naar hun warme holen.
De botte winden breken Kirke's staf.
De gouden kudden en de gouden scholen
siervisschen sterven, worden ingevroren.
Liefdes voldragen vruchten vallen af
en gaan in giftig grondwater verloren."

De morgen staat aan alle einders open
en groot, in duizend ruiten, rijst de zon
als hij de stad doorkruist. Op 't parkgazon
ziet hij van droom vervulde zwanen loopen,
lichtend lazuur lijkt hem het vijverwater,
een sluike vrouw de ruischende fontein.
Klinkt daar de droge hoefslag van een sater?
Binnen zijn wezen regenen de droomen
allengs opnieuw. "Ach nuttelooze pijn
op deze wegen en hun smalle zoomen,"
denkt hij, "ach waanzin van het luidst gebied.
Straks gaat het leven bij den dood te rade -
niets blijft dan van de diepste levensdaden
de weerglans in een beeld, een woord, een lied."

Bert Voeten

Terug - Top


Pyramus en Thisbe
Naar Achterberg

Long Distance (Thisbe spreekt)

Mijn trommelvliezen geven uit mijn oor
langs kronkels waar ik zelf mee kan bedenken
hoe zonderling de draden moeten zwenken
signalen aan mijn hersencellen door.

De dood heeft uw bestaan niet kunnen krenken.
Zou in de verste verte dan uw oor
niet openstaan voor hoor en wederhoor?
Ik wil u liever spreken dan gedenken.

Op alle lijnen wordt nu druk gekakeld.
Aanspreekbaarheden worden ingeschakeld.

Valkleppenkasten vallen door de mand.
Tussen ons beider wereld wijkt de wand.

Neem op, uw naam en nummer zijn gevonden.
En zeg mij niet: gij zijt verkeerd verbonden.

Kees Stip

Terug - Top


Pyramus en Thisbe
Naar Vondel

Pyramus of de onnoosele vermoording

(treurspel)

Personagien
Pyramus
Thisbe
Krithanias, vader van Pyramus
Bode
Gabriël, Michaël, Raphaël, Aartsengelen
Rey van Babbelsche joffers
Rey van Engelen
Stomme Dienaars

't Stuk speelt te Babbel of Babylon,
in Babyloniën, op 't huys van Krithanias.

Het eerste bedrijf

PYRAMUS. De maen gaet rooder op dan hy tevoren dee.
't Is nacht, en alles rust. De veughels en het vee,
Wat hair en pluymen heeft, zy slapen al te gader,
De ezel en de os, en oock mijn oude vader.
Doch zoo 't bekend hem was wat herrewaert my riep,
Een slapelooze slaap zou' t wezen dien hij sliep.
Wat listen hebbick al, wat laghen moeten leggen
Aen dit vergrijsde hoofd, dat staegh mij blyft ontseggen
Mijn eenigste verlangst. Wat stortte ick al gebeên:
Zijn harssens zyn verzand, en hooren naer geen reên.
Zo staet een oude Eick, wanneer de stormen gieren
En springen op hem af met drieën en met vieren
En schudden hem den pruyck, en breecken met gewelt
Al wat niet buighen wil en zich teweer noch stelt
En jaghen hoogh het schuym uit kreecken en uit kolcken:
Ten deert hem niet. Zoo hoog zijn hoofd steeckt in de wolken
Zoo diep heeft hy zijn pin in Orcus ryck gepoockt,
Daer Cerberus de hond zijn tanden mede stoockt.
Noch heden bad ick dat hij zijn consent mocht geven
Om Thisbe, mijn genoot, mijn lief, mijn lust, mijn leven
Te huwen naer 's Lands recht, en in het openbaar
Te voeren aen mijn zy naer 'tHouwelijckx autaer.
Haer moeder, eene weeuw, zou zoo 't hy toe my stonde
Verheugd zijn dat se zulck een bruigom had gevonden.
Voor zulleck eene bruid. Hij weyghert. Laet het zyn:
Die men den min ontsegt, die minnen clandestyn.
In desen muur van leem doet vingerbreed zich oope
Een toegang tot mijn troost, mijn hoofd, mijn hart, mijn hoope.
Hoe viel de liefde zwaer, indien zij in Cadzant
Of Berghen woonde, of Luyck, of aen den overkant!
De nabuurschap nochtans, die onze huizen beide
Onder één dak verbond, en tegeneen ze vleide
Biedt mij gelegenheid by nachttij door dit split
Te spreken met mijn schat, die aan de keerzy zit.
THISBE. Zijt ghy daer Pyramus, mijn licht, mijn lyf, mijn luste?
PYRAMUS. Mijn lief ick kus den muur. Ach dattick u toch kuste!
THISBE. Hoe wacht ick hier met smart op 't vaderlyck bescheid!
PYRAMUS. Zoo ghy zijn ja verwacht, verwacht de eeuwigheid.
THISBE. De eeuwigheid is meer dan mijn geduld zal duren.
PYRAMUS. Wie hem verbidden wil, die wil den nikker schuren.
THISBE. Wat reden was het die hem dus volharden deed?
PYRAMUS. Die eenen hond wil slaan, vint stocken by de vleet.
Ick ben te reuckeloos, en heb noch niet de jaeren.
THISBE. Dit is het woord van hen, die zelf noit jonc en waren.
Helaes wat ga ick aen. Hoc voel ick my zoo mat.
PYRAMUS. Wat schort u dan mijn lief?
THISBE. Ick heb een droom gehad.
Een somber nachtgezicht, en kan het niet vergeten.
Te middernacht verscheen my nevens 't bed gezeten
In d'arremstoel daer 's nachts myn ondergoed op leit
Het weezen van Katryn, de oude keuckenmeid,
In kleding en in schyn gelyck zij was in 't leven;
Ick zag het eierstruyf noch op haer soepjak kleven,
Haer aenschijn blonck van vet, en in de rechte hand
Hield zij een schootel op, gevuld tot aen den rand
Met vruchten, witter dan een hemd dat leit te bleecken,
Die werden plotzlyck rood Zy sprak: dit is het teecken,
En loste in nevel op. Het droombeeld was gevlucht.
Ick greep, maer greep in 't leegh, en roock de scherpe lucht
Van klare brandewyn, gemengd met anisette
Waermee zij voor de jicht haer strot plagh te benetten,
En was ontwaeckt. Hoe zwaer my dit op 't harte leit!
PYRAMUS. De droomen zyn bedrogh. Het is al eer gezeid.
My leit een zwaerigheit die zwaerder weeght dan droomen
Op den benaeuden maegh: hoe deesen pest 't ontkoomen
Die onontkoombaer schijnt? Mijn zoetelief, hoe zuur
Is my de tusschenkomst van desen naeren muur!
Dit aekeligh gedrocht, dat met zyn leeme wangen
Bereid staet zonder feil mijn kussen op te vangen
En 't deel te nemen dat aen u was toebedeelt.
Myn neus ziet blond en blaeu. Myn lippen krijgen eelt.
Hy laet zich als een bruid omarremen en pressen,
Voorwaer een taaie bruid! O Goden en Godessen
Aenschouwt hier Pyramus, den Christen naer den daed,
Die kust dien hij veracht, en koestert dien hy haet!
THISBE. Mijn lief, ten voeght u niet op dezen toon te spreecken.
PYRAMUS. Ick spreeck een lofsang uit zoo hem de moord magh steecken.
THISBE. Verschoon hem en bedenck, hy bracht ons tot elkaer.
PYRAMUS. Het minnen leert zichzelf, en hoeft geen middelaer.
Die my den kaeck bevuilt, hoe zal ick dien verschoonen?
Wie mint door eenen muur, die mint voor speck en boonen!
THISBE. Bedenck dat razery hier niet en uit magh reicken.
Bedaer, mijn lief, bedaer. Wy kunnen hem ontwijken
Die zellef niet en wyckt.
PYRAMUS. Wat geestigh woord is dit?
THISBE. Zwygh stil en luyster toe. Ick open u myn wit.
Ghy kent het wilge bosch by Babbels rycke veste
Gesproten uit den grond dien de rivier bemestte
Die Euphraet heet van ouds, een vet en vruchtbaar land
Daer 't stoflyck overschot van Ninus leit geplant,
Den vaderlandschen Helt waervan de dichters zingen,
Vermaert in straetoproer en scherremutselingen.
Zyn ziel schermutselt noch, maer 't sterfelycke been
Bleef achter in de klai, bedeckt met eenen steen.
Begeef u morgenvroeg, zoodra ter Oosterkimme
De zon zijn peerdenkar den hemel in doet klimmen
Naer dese pleck. Daer staet een moerbeieboom;
Daeronder zet u neer, en wacht totdat ick koom.
PYRAMUS. Ghy goden al te gaer, ach mooght ghe dit gehengen
En schenken ons de kracht kloeckmoedigh te volbrengen
Dit stuck vol van gevaer, lotswissel en geval.
THISBE. Het lot is wisselbaer. Alleen de muur staet pal.
Wat plotzelycke vrees komt u in ' t hart gerezen?
PYRAMUS. Ick vrees, mijn lief, om u.
THISBE. Ghy vreest met valsche vreezen.
PYRAMUS. Hoe wilt alleen ghy gaen naer 't eenzaam wilge woud
Waer slang en leeuwen beer, en tiger huys in houdt,
En wollevegebroed, die met beluste kaecken
Verslinden yeder mensch, en er pastai van maecken?
Oock loeren op den weg veel roovers en geboeft;
Ghy zijt een zwakke vrouw, die mannenhulp behoeft.
Ach laet ons samen gaen. Ick neem u in myn armen
En zal u tegen dit bloeddorstig vee bescharmen.
THISBE. Myn lief ick ga met u door nacht en duisternissen,
Ja, door het hellevier waer de verdoemden sissen,
Maer niet op lichten dagh door deze nette buurt
Waer yeder door 't gordyn or door de horren gluurt.
Zoo ghy het anders wilt, ghy kunt de moeite sparen.
PYRAMUS. Ick will zoo ghy het wilt. Ick will maer al te gaeren.
God Bal, de schutspatroon van Babbel zy geloofd
Die in dit cierelyck met goud omlokte hoofd
Een plan zoo vol beleids en kloeck beraeds deed brouwen.
THISBE. Waer ' t manvolck schimpt en tiert, daer handelen de vrouwen.
't Is tyd nu dat wy gaen naer onze beddekluis
Opdat de god des slaeps, de sloome Morrepheus,
Ons tot de morgen daeght in zyne armen stoove.
De nacht is kort genoegh. Vaerwel ick ga naer boove.
PYRAMUS. Myn lief ick blyf u tot den fellen dood getrouw,
En pars noch door den kier een kus tot afscheid. Au.

REY VAN BABBELSCHE JOFFERS.
O Babyloon, ghy stad zoo schoon,
Het lust ons te bezingen
Hoe droevigh is, en ongewis
Het lot der stervelingen
Die door een spleet, 't zy smal of breed
Hun graege tronies vringen.

Ghy vaderhart, zoo boos en zwart
Ay, wilt hun bee verhooren.
En is uw hoofd versuft, verdoofd,
De muren hebben ooren.
Het liefdevier door geenen kier
Zich dooven laet of smooren.

In d' eenzaemheid daer Ninus leit
Daer zalmen ons beleeren
Hoe leeme wand noch leeuwe tand
Vermagh de min te deeren.
Wat nu, wat nu? zei Pichegru;
Die kans gaet haest verkeeren.

Het laetste bedrijf

KRITHANIAS. De jeugd is vol vernuft en stoute snaeke streecken.
Hoe onverwacht is dit my gisteren gebleken
Toen Pyramus myn zoon, die oolycke schavuyt
Gezeurd had aen myn kop om Thisbe tot zyn bruid
't Ontfangen in myn huys, en schenken hun myn zegen.
Zoo hy al ouder was, 'k en had er niet op teghen,
Maer blaest men in den brand? Dit streven dient gestremd:
Die men de slip toesteeckt die nemen u het hemd.
Zoo docht ick op myn bed, doen' t schoot deur myn bedencken
Dat ick vergeten had den papegay te drenken,
Dit geestigh dier geroofd van Soerabaje's kust
Dat vloeckt gelyck een mensch en boere jongens lust.
Ick kom bedachtelijk uit 't ledekant gegleden
En strompel op den tast de trap af naer beneden
Noch huyverigh en koud uit mynen warmen dut.
Als ick hiernevens in de keucken water put
En grabbel naer den zak met papegaye nooten
Wat zie ick door de deur die hallef staat gesloten?
Hier in dit huysvertrek zit Pyramus, de schallek
En paait zyn zoetelief deur deuse muur van kallek.
Een kostelycke grap! Maer luyster wat zy voort
Beneden (wie heeft oit zoo schelmsch een plan gehoord?):
By Ninus op het graf vanmorgen nog te sammelen.
Hoe zullen van den lach zyn dorre ribben rammelen
Waerop zoo meenigh traen geschreid is en geschrouwd
Dat hy wel leggen moet als haring in het zout.
Wat troost zal hem dit zijn en onverhoopte lavenis
Voor 't eerst een vryend paer te zien na zyn begravenis!
Ick laetze maer begaen: men plaeght zichzelf het meest
Zoo men twee lieven plaeght: oock wij zijn jonc geweest.
Myn vaderlycke zorg heeft hen te lang beteugeld;
Men kort niet zonder straf een vogel het gevleugelt
Noch spant den beugh te veer; het ouderlyck gezagh
Breekt al te licht in twee, en knapt met eenen slag.
Zoo 't gaen al vry my stond, ick ging er zellef henen,
En zou op heeterdaed myn zegen hun verleenen.
De regels van de konst nochtans gedooghden niet
Dat andersins ick gingk, en u alleenen liet.
Dus zond ick als een spie by zonsopgang den bode
Naer d'afgesproke plek, die in het treurspel noode
Ontbreeckt, en die geparst door praetzucht of baer geld
Wat men niet zien en kan in woord en geste meldt.
Hy mocht weerom al zyn. De zongod met zyn rossen,
Gerezen op zyn baen, begiet de beemden, bosschen
En d'Euphraetstroom, den ring waerin d'aeloude stad
Een suickertaart gelyck, in goudpapier gevat
Die daer staet heerelyck en prachtig als geen ander.
BODE. Ei laes! het is te laet. Zy leggen by malkander.
KRITHANIAS. O zondig schellemstuck! O noit te boeten schand!
BODE. Myn heer ick bid u zwygh. Ghy raest uit misverstand.
KRITHANIAS. Wat misverstand is dat, wanneer twee jonge tellegen
In eerelooze lust en boos geneughte zwellegen
Op openbaar terrein, voor elleckeen te kyck
En leggen arm in arm?
BODE. Zy leggen lyck aan lyck.
KRITHANIAS. Wat leider ga ick aen? 't Wordt schemer voor myn oogen
'k Zie alles om my heen met duisternis omtogen
Gelyck wen God Jupyn, de wolkengrabbelaer
Zyn zwarte kudden roept, en dryft ze by elkaer
En schuyft ze voor het rad van Phoebus, en verdonkert
't Weeromgestuite licht dat in de slooten flonkert
En dempt van reder ding de vorremen, en stilt
Den wind die in het riet en struickgewassen drilt:
Het veldgediert zwyght stom, de veughels in het loover
En visschen in den vliet. Ei laes wat koomt my over!
O Goden houdt me vast. Ick sterf. Ick overlyd.
BODE. Zoo hoor myn boodschap eerst. Ten is geen stervens tyd.
Doen ick op uwen last vanmorgen was gekomen
Naer d' afgesproke plek, zoo zocht ick onder boomen
En struyken een verblijf, een steenworp van het graf
Dat ongezien ick zagh, en wachtte verders af.
Ick zit er nauwelyx, daer komt wat aengetreden,
Ten is geen mannentred, noch zyn het vrouwe schreden:
Een geele koningsleeuw sleupt hongerig en wild
Een os naer Ninus' zerk, dien hy ter plaetse vilt
En rauwelyck verslind. Meteen verschynt de joffer
En spiet in ' t rond. Zoo spiet het duyfken na den doffer
Of hy haest komen magh, de geit naer haeren bock.
Maer denck u dat eens in welck eenen schrik zy schrok
Doen zy een leeuw daer zagh in plaets van dien zy beidde!
Hy wend het harigh hoofd gramstorig naer op zyde
En streckt het lyf en brult met ysselijck gerucht
Daer zy versteend van staet en haestigh henen vlucht
Maer in het gaen haar doeck zich van den hals laet glippen.
De leeuw belekt het stuck met bloedbeloope lippen,
Hy sleurt het slinx en rechts, hy grimt, gramt, gromt en grauwt
En loopt in 't einde heen en toont zyn achterbout.
Nu treedt met lichten voet uit 't willege bosschaadje
Van wylen uwen zoon het edel personaadje;
Hy pypt een lustig lied, en huppelt op de maat.
Zoo hupt een bruidegom die bruiloft vieren gaet.
Een bitter bruiloftsfeest! Gelyck een nochter kallef .
Dat moedermelck verwacht, en proeft de spenenzallef
Zoo deist hy achteruit op 't aekeligh gezicht
Van Thisbe haren doeck die daar te wachten ligt.
Hy ziet hoe daer de leeuw beproefd heeft zynen kaeck op,
En kryscht een grooten krysch. Zoo kryschte vader Jakob
Doen hy den bonten rock van Joseph zagh verscheurd
Die door zyn broeders was in eenen put gebeurd.
Hy kerremt als een rund dat wentelt in het slachthuis,
En rukt dan onverhoed uit 't elpebeene schachthuis,
Met goud belegd, zyn zwaard, en viert in éénen haal
Een koude bruiloft met het uitgetrokken stael.
Zyn bloed spurt huizen hoog, en klatert allerwegen
In droppels op den grond, en schynt een roode regen
Of porpere fontein, ofwel een looden buis
Gelijk het Naso zegt, die worrept met gesuis
Zijn last ten hemel uit.
KRITHANIAS. O Laren, O Penaten,
Zoo yet gespaerd magh zyn, dan spaer my uw citaten.
BODE. Het is poëtenrecht, de staetsie van het woord
Te cieren met den tooi die anderen behoort.
Maar wilt ghy 't onvercierd, het is my al om 't even:
Kortom hy laet een snick, zyn zwaerd los en het leven.
KRITHANIAS. En ghy stond werkeloos en liet myn kind verbloên?
BODE. Myn Heer ick ben gehuurd om u verslagh te doen.
KRITHANIAS. O dienstbaar knechtendom! Hoe kost ick dit niet eerder,
Bedencken, dat een hond noch bode zullen veerder
Yet doen't en zy zijn baes of meester 't óp hem draegt!
BODE. Een waer en bondigh woord. In ' t kort, de jonge maeght,
Bekomen van haar schrick, keert weer en kryght een tweede
Die haer den blonden pruyck te berregh ryzen dede.
Zy stort zich op het lyck, en bidt, en smeeckt en dreigt,
Maer dit naer lycken aerd leit roereloos en zwyght.
Dan slaet ze d'oogen op naer de lazuure luchten
En ziet den moerbeiboom, waarvan de witte vruchten
Noch hangen van den moord met rooden dauw bedauwd,
En borst uit in een kreet die gallemt door het woud:
Ick kom, Katryn, ick kom! Ick onderken het teecken!
Wat doet de waanzin niet den mensch al wartaal spreken!
Zy trekt het zwaerd uit 't lyck, daer traegh noch bloed uit vliet
En stoot het in haer keurs, waer dit een toegang biedt.
Ziet roept zy hoe de straf hier vollegt op de zonde!
En zinkt op Ninus' graf, tot voedsel voor de honden.
KRITHANIAS. O Wraeckgodessen dry, nu ryt my van elkaer;
Ick draegh alleen de schuld. Hier staet de moordenaer.
Krab d' oogen uit myn kop en scheurt myn hart in stukken;
Ick wil my pluck voor pluck de haren laten rukken
Uyt desen frayen baerd, het pronkstuk myner kin.
Kom pluckt! Zy plucken niet. Die prooy is hun te min.
Dan zal ick zellef met myn schuldig bloed uitvegen
't Onnozel bloed. Men schaff' een dollek my, een deghen,
Een knots, een goedendag. Tsa dienaers, brengt myn zwaerd.
Zal ick als Aias doen, die plofte ruggewaert
In 't opgeplante stael, of als een Nero sterven
Die zich met slave hulp den gorregel deed kerven?
't Is alles even kwaed, en alles noch te goed.
Ghy zwaerd koom aen myn hart, en drink myn hartebloed.
RAPHAËL. Hier komen Gabriël en Michaël en Raphaël
Den hemel uitgezakt op eene houte tafel.
't Is bloeds genoegh gestort. Laat zakken nu dit zweerd
En stop het in de schee, dat ghy u niet bezeert.
KRITHANIAS. Zyt ghy dat Raphaël? Hoe koomt ghe dus gedrieën
Die quaamt alleenighlyck toen Gyzelbrecht most vlieën
En 't barnend Aemsterdam voor afbraeck achterliet?
MICHAËL. Ten steeckt den Hemelvoogd op een, twee Engels niet
Zoo 't helpen magh van hen den toelegh te beletten
Die kennen geen gebod noch goddelycke wetten
En tegen 't eige lyf verheffen d' eigen hand.
KRITHANIAS. Eén engel was genoegh die eerder was geland.
Waar dit onnoozel stel vermoord leit stuip te trekken
Wat baets magh 't hebben noch of ick myn leven rekke
Die onbedachten raads in bloed ze smoren deed?
GABRIËL. Het onbedacht en treft niet u, maar den poëet
Door 't reuckeloos gebruick van misverstane wetten
Die Aeristotel ons gezeid wordt voor te zetten.
De eenigheid van tyd, van handeling en plaets
Die dwongk u dezen booi te zenden buitengaets.
Hoe hadt ghy dit verloop, dien uitgang kunnen gissen?
Het viel zoo' t vallen moest. Dus reinigh uw gewisse.
Ghyzelf zyt vrij van schuld.
KRITHANIAS. Ghy hoont een bittren hoon,
De vryheid staetme dier, en kostme mynen zoon.
Ze kost myn dochterken, dat zoo zy leven mochten
Was met een hechten band aen hem en my vervlochten
Zoo zy noch leefdeden, ick was haest bestevaer.
Nu sta ick hier berooid, een kindloos weeuwenaêr.
RAPHAËL. Ten is geen lange sta dien ghy hier staen zult moeten.
Ghy zultze dra gezond en leevendigh begroeten.
Wy stygen hemelwaert. Stap op, op dit plankier.
Wat drie personen draegt, dat draegt er oock wel vier.

REY VAN ENGELEN. Nu gaet hy op ten hemel varen
Om hen die dierebaer hem waren
Te groeten in den Hemeltent,
Het lustpaleis des Hemelkonings,
Het vaderhuys dat vele wonings
En nochtans geene muren kent.

KRITHANIAS. O Bal, O Jupiter, O reine maeght Marye,
Ziet hoe als vader ick naer myne kinder glije
En zal ze kussen gaen als bruidegom en bruid.
Ghy bode doe uw plicht, en sluyt dit treurspel.
BODE. Uit.

Kees Stip

Terug - Top


Pyramus en Thisbe
Naar Gorter

Thisbe's tocht naar de voordeur

Nu hoor ik voeten van omhoog. Heel zacht
komt zij geslopen door het huis, waar nacht-
schemer vergaard staat rondom op de trappen.
Haar schreden zijn zoo zacht als poezestappen
wen op de daken katers bij het ros
licht van de maan vergaderen. Gehos
bonst hol over de nokken, maar op straat
sluipen de poezen of 't hun niet aangaat.
Of als een spieder uittrekt, in het donker
branden kampvuren, soms ziet men de vonk er
weerkaatsen in de wapenrusting en
de hellebaarden van de wachtposten.
Hij weet dat daar de dood is, maar vergist
zich niet, sluipt door, oog open, oor gespitst:
zoo sloop zij langs de vuren van geel koper
die traproeden brandden in den traplooper.
En telkens stond ze stil, het hoofd gewend
en luisterde, nauwelijks ademend.
De stilte scheen een tropisch oerwoud, zoo-
als op Sumatra zijn en Borneo,
waar in het rond geluiden als gehurkte
roofdieren zitten op de loer. Vaag snurkte
een slaper boven in een slaapvertrek.
Het leek gezaag, dat op een open plek
men hoort in dichter dennebosch, waar mannen
samen een boom doorzagen. In hun kannen
van blauw email hebben zij thee. Gelek
van zaagsel dwarrelt onder de zaagbek;
om beurten trekken zij en trekken niet.
Een spel lijkt dat voor wie van ver het ziet
als jongens spelen in het speelkwartier:
twee groepen trekken touw, er staat plezier
te blozen op hun wangen, nu eens wordt
de eene bijna tot de streep gesjord
en dan weer gaan de anderen terug
tot de verliezer loslaat. Op hun rug
rollen ze dan, de meester komt erbij
en stuurt ze weer naar binnen, blauw hun dij.
Zoo lijkt dat zagen, en als zagen leek
het snurken van den slaper, maar van streek
bracht haar dat niet, ze had nu de begane
grond al bereikt, en gleed geluidloos - zwanen
glijden op vijver zoo, neen, neen het was
of een prinses ging, als het morgen was,
van wit paleis de gouden poort ontsluiten
er waaien vlaggen en een prins staat buiten,
maar zij gaat onbewogen, niemand kan
haar hart zien kloppen onder het kleed van
chineesche zijde en brusselsch kant en tule -
zoo schreed mijn Thisbe door de vestibule
en schoof den grendel van het slot. Hoor hoor,
piepen stijgt op als van een vogelkoor
van jonge musschen in een groene den
die, zittend in het nest, wijd hun monden
opspalken in verlangen naar een versch
ontbijt van muggen en van meikevers.
De deur week open en een straat van licht
viel van de drempel op het ganggezicht.
Daar stond zij even. Zoo staat wel een steen
tusschen twee landen, één licht, donker een.
Toen had ik bij haar willen zijn, en met
geweld haar keeren, maar te laat was het.
Zooals de bloemen van de vorst, ijspegels,
aan dakgoot hangen, dooi maakt dof hun kegels,
droevig is dat, ze glijden weg, zoo gleed
zij door de voordeur, dicht ging die, haar kleed
ving uit het voorportaal nog schemer, en
zij liep het licht in om te sterreven.

Kees Stip

Terug - Top


Pyramus en Thisbe
Naar De la Fontaine / Jan Prins

Twee muizen (een fabel)

Twee muizen, zwaar verliefd van zinnen
werden door ouderlijk verbod
belet om openlijk te minnen.
Doch daar een speling van het lot
beschikt had dat zij buren waren,
lieten ze in schijn hun liefde varen,
en hebben in 't geheim zich tot
den tusschenmuur gewend, die op hun klagen
bereid blijkt, zelf van steen, een steentje bij te dragen.
Helaas, die diender dik van huid
biedt weliswaar hun stemgeluid
een doortocht, volzinnen en klanken
bereiken de overzijde, maar
degenen wie ze hun oorsprong danken
blijven gescheiden van elkaar.
Ach liefde liefde, reeds Leander
en Hero konden bij elkander
niet komen; naar den diepsten grond
van 't visschenrijk deedt gij ze zinken,
zodat zij na den Hellespont
den zwarten Styx nog moesten drinken.
Zoo gaat het hier: hun rendez-vous
helpt beiden naar den Hades toe.
Zij spreken af bij morgenkoude
elkaar te ontmoeten op een plek
waar niemand licht aan denken zoude
die geen fantast was of een gek:
een graf verkiezen zij, niet wetend dat
men binnenkort er voor hunzelven
nog eentje bij zal moeten delven.
De minnaar gaat het laatst op pad,
wat tot gevolg heeft dat de schoone
als eerste aan 't doel zich komt vertoonen,
of eigenlijk toch liever tweed;
een kat die carbonaden eet
heeft de primeur. Haar kaken, wijd gesperd
doen 't muisje ik weet niet wat wel duchten.
Zij laat haar vijandin, bij 't overhaaste vluchten,
een snorhaar achter als dessert.
De poes heeft, na met carbonade
haar buik te hebben volgeladen
meer uit beleefdheid het present gekeurd.
De rest is makkelijk te raden.
Een moord, zoo schijnt het, moet hier zijn gebeurd,
begaan door een die honger had.
en die tenslotte voor de raven
liet liggen wat hij zelf niet at.
De vrijer, die wat later op komt draven.
herkent de resten en beseft
dat het zijn liefje hier betreft,
en zonder noodeloos te schromen
heeft hij het leven zich benomen.
De jonkvrouw vindt het lijk, en zij
voegt er meteen het hare bij.
Twee dingen toont ons deze fabel: dat
men beter ergens anders afgesproken had,
en verder, dat een muizenleven
niet klakkeloos mag worden weggegeven.
't Is geen bezit, maar leen, slechts tijdelijk beheerd.
Het sterfelijke lijf werd door de hemelgoden
tot woonplaats van de onsterfelijke ziel geboden,
gelijk reeds Plaatoon ons in zijn Timaaios leert.

Kees Stip

Terug - Top


drie heldenzangen

 

    eerste zang

Zing mij o muze op houthoudend
naoorlogs papier het hexametrisch gerochel
der helden

tel mij de versvoeten de voetnoten de kunst
benen de onthande
rolstoelen in de boeken, kus mij
het dons van de bloedjonge weduwen, kook mij
het feestmaal van kindervlees, lik mij
tot de alziende blinde

schep mij de borden zo boordevol honger
opdat ik darmen mag spellen uit eetlust
en later in kunstdruk de zwartwitte waarheid
naar waarheid met technicolor mag kleuren

zing mij o muze de ovens die onder zeus’ blinddoek
de tinnen soldaten als vlees deden smelten en schenk mij
het bevende glaasje het waterdicht uurwerk de kracht
mij het oog uit te rukken dat zag
hoe de luizen als mensen verkoolden –

 

    tweede zang

Pezen en ijzeren botten verbrijzelde zonder erbarmen
hem de trefzekere dumdum, zodat ruglings hij neersloeg
ademloos licht happend / daar naderde reeds die hem velde,
borend de bajonet in de buik hem, en glanzend als slangen
warmden zijn darmen het zonlicht, en nacht steeg op uit zijn ogen.

    in de taal staat er
    je ligt aan een vredig water

    in de taal staat er
    je horloge blijft stilstaan en je ligt
    aan een vredig water

    in de taal staat er
    dat de taal ophield met noemen

    dat er iets naderde dat de taal
    nacht pleegt te noemen toen de taal
    nog van licht sprak

nooit had een krijgsman de geur van de aarde zo heerlijk gesnoven:
onbereikbaar voor staal, want gedekt door pallas maria,
liefde doorgloeide zijn handwerk, kunstenaar werd hij en minaar,
kussend haar mond met zijn anus, waadde door drek hij, en woorden
raakten onbespreekbaar, blakend als biefstuk, volledig verteerbaar

o hoe ontelbaar stegen de zielen als duiven ten hemel
smaaklijk gebraden voor hogere tafels en scheidden hun afval
af in het boek onder 't muzische oor van de stokblinde taalman -

 

    derde zang

Daags voor de vrede zond onze almachtige
vader majoor mij en zes anderen de dood
stille nacht in naar de zo goed
als verslagen vijand

zeven verkenners op de grens
van haast alles: oorlog vlees leven, lopend
door mist in een hinderlaag: ik alleen
bleef als door een wonder gespaard

zij werden ter plaatse begraven
onder hen mijn onafscheidelijke maat
van vier jaar loopgraven

een half jaar later, inmiddels voorjaar, ik studeerde
menskunde in de stad, dronk ale, vrat
biefstukken dames, kwam
zijn vader, zei: jij
leeft nog, jij
was zijn maat, jij
weet waar hij ligt begraven, dus help mij
hem opgraven, het is natuurlijk verboden, maar hij hoort
bij ons thuis, in de tuin

nu ja, wat doe je, ik deed het, ik groef
hem op met zijn vader, becijferde hem
aan zijn plaatje, hij hing
uit elkaar, een weke lauwwarme massa, mijn hand
schoot polsdiep in zijn lichaam, schrok
van het materiaal dat onzinnig
een gat waarmaakte

na de begrafenis, illegaal in zijn eigen aarde, zat
ik in hun huiskamer met moeder zuster vader, drinkend
een glaasje tranen, pratend
rond zijn jongensportret

ik vertelde: wij liepen gebukt samen, spraken
gedempt over beter en later, rookten
gezamenlijk een belga, roken te zamen
geen onraad / hij was
een dapper soldaat, gehoorzaam
maar niet zonder eigenwaarde, hij hield
van mozart wagner zijn land, luisterde
als zijn bomen ruisten / ik deed
zijn waarheid weinig geweld aan, verzweeg
alleen al dat onzegbare de luizen de hoeren en hoe
wij huishielden als slagers

ach, het was voorjaar, in de tuin
waar wij hem hadden begraven ruiste
de plataan, die boom die handen maakt, iets
volmaakts was er, iets af
gemaakts eindelijk, ook de maan
leek wel nieuw, en zijn vleselijke zuster hing
aan mijn lippen, zat einde april
in een krap lichaam, de ribes
stonk aards, en mijn hand raakte
haar borsten aan, mijn hand

raakte haar borsten aan en het was
dezelfde weke lauwwarme massa, dezelfde
weke lauwwarme massa, hetzelfde materiaal maar
hetzelfde, en het was
deze zelfde hand, deze

Gerrit Kouwenaar

Terug - Top


Aeneas

Altijd wil jij
weer die jongen zijn
die het land intrekt
en het land verkent
die zijn kindertijd
de rug toewendt
en zijn lot ontmoet
in vrouw en vriend
in vreemd gebied
en vreemd beroep -
jij blijft een hij
naar wie een ik
verwonderd kijkt.

Als jaren later
geboorte en dood
ineenvloeien tot
een punt van pijn
zal je misschien
dan durven zien
dat tussen begin
en einde in
de draad naar vrijheid
breekbaar strak
gespannen stond -
en dat jij hem brak.

Willy Spillebeen

Terug - Top


Antiek [Aeneas]

Wie slaapt vergeet zichzelf niet maar een ander
die hij ontwakend opneemt als een last,
Aeneas met zijn vader op de schouders,
een jongen die naar school gaat met zijn tas.

Jan Emmens

Terug - Top


Vanuit Hades

Creusa, jonge zuster in het vuur, hoe zag
je die mankepoot met je zoon in de nacht
van Troje's laatste uur vertrekken naar
zijn hemelse bestemming? Is het wel waar
dat jij gezegd hebt: 'Ga maar, mijn jongen?'
Of liegen dichters zoals de ouden zongen?

Alleen zendelingen ontkomen aan de brand
van een verwoeste stad. Nu ik aan de hand
van Homeros in deze onderwereld lees hoe
hij - vader op de nek, zoon als een hond
op sleeptouw - Troje verliet, vroeg moe-
gestreden held, begrijp ik wat hem bond.

Geen trouw en geen rouw. Vaders zijn goden.
En alle zonen worden uit de wieg ontboden
tot nieuw vaderschap: zij stichten de stad
van hun god - vader des vaderlands. En wat
rest zoogdieren die deze dorst vertrouwden?
Brandstapels zijn er slechts voor vrouwen.

Hans Berghuis

Terug - Top


Helene: eidolon

ik vlaag de vlechten van Helena los

in het verleden niet. maar aan dit razend strand
schrijdt zij verrukt en zal ik haar beminnen.
het dorp zal braden op de rooster van haar schoonheid
en afgunst schieten als een bliksem op een troon

haar ogen die de zee tot zelfmoord zouden leiden
— spaanders en wrakken deinen op haar zwarte zoom —
zuivren ‘t kristal vertroebeld door het beeld
van gruwel en van list dat smeult in ieder Troje

Helena ziet niet om en waarzegt niet
haar majesteit is trots en doodsverachting
in haar bevrijde handen schreeuwt de angst om hulp
de helderziende dag bedauwt haar rijpe borsten

Saint-Rémy

Terug - Top


Hector en Andromache

Naakt, nat van nachtzweet glinsterend als de zee,
Wit beeld van steen, bleek als Aphrodite.
Glinsterend star en stil in al haar pracht:
Zo is mijn liefste in de lentenacht.

Van woorden géén over haar lippen gaan,
Stamelend alleen kan men de taal verstaan,
Geheim en oud gekreun. gebed en klacht:
Zo is mijn liefste in ‘t onweer van de nacht.

Wit marmeren paarden aan het Griekse strand,
Zij maakt ze ruiter, maan en flank te schand,
Naakt, nat van nachtzweet glinsterend als de zee:
Zo was eens Hector met Andromache.

Ros appelbloesem van de borsten bloeit,
Duister het woud zingt nachtegaal vermoeid,
Maanverlicht hart onder de ribben zwelt:
Zo heb ik haar het oud verhaal verteld.

Dan als stortregen daalt de slaap ons neer,
Omhelsd zijn wij en weten het niet meer,
Verdronken onder zee, dood en verlicht
Ligt daar ons beeld en wacht nieuw morgenlicht.

J. W. F. Werumeus Buning

Terug - Top


[Civilis]

Toen liet zich ook de Bataaf
Niet meer kennen als een slaaf;
Neen, hij toonde hoe zijn ziel is:
Onder Claudius Civilis
Sloeg hij de geweldenaar
Zeventig is nu het jaar.
De Romeinse heerschappij
Was hierdoor nog niet voorbij;
Neen, zij duurde met elkaar,
Nog wel minstens honderd jaar.

Bertus Aafjes

Terug - Top


[Civilis]

Wien Neêrland's bloed door d'âren vloeit, van vreemde smetten,
En andr' infecties vrij, en die gedwee 's lands wetten,
Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; wiens borst
(Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst,
Die eere hem, die van de grooten kamp de ziel is:
Het hoofd der Batavieren, Claudius Civilis.
Van afkomst Batavier - Romein naar burgerrecht,
Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht.
Want daartoe was het al in Nero's tijd gekomen;
Gestadig was de onderdrukking toegenomen,
De bondschap was ontaard in bitt're slavernij ...
Toen trad Civilis op. De redding was nabij.

Charivarius

Terug - Top


Kleuterschool der poëzie

Ik weet wat alle meisjes moeten lezen
om nooit meer met een baby aan de borst
tekort te schieten voor de diepste dorst
van zelfs het meest onmenselijke wezen:

gedichten, die door moedermelk getorst
de zuigeling bereiken zodat deze
van alle aardse laagheidsdrang genezen
zich opricht als een arend naar zijn horst.

De neuzen nog niet schoon, maar door de strot
van elke kleuter spreekt een jonge god.
Cultuur springt uit de allereerste zinnen.

Een levend woord wil overal beginnen.
De grootste dichters op de kleinste lip:
Vergilius, Horatius, Kees Stip.

Kees Stip

Terug - Top


Kort begrip der Romeinsche historie

                         Neque haec non evenerunt

De Romeinsche Historie
Is een buitenkansjen voor iemand zonder memorie,
          Die vaak reeds vergeet,
          Eer hij 't nog half weet,
       Hoe Romulus eigentlijk heet.

       Dit laakbaar treurspel
    Eischt wijders een taai zenuwgestel,
    Of men voelt zich by de eerste bel
       Reeds niet al te wel,
    En, als 't scherm opgaat, totaal van zijn stel.
    Het tooneel verbeeldt namentlijk een duel, -
Of zoo gy wilt, het misdadig sneuvelen,
          Op zeven heuvelen,
          In een broedermoord,
    Van één hunner, die natuurlijk smoort -
    En dat wel aan de stadspoort -
    Tusschen een paar tweelingen
    Die het levenslicht te gelijk ontfingen
En eertijds geärmd naar dezelfde borst gingen,
En, schoon zy van honger dikwerf scheel keken,
          Echter frappant op malkaêr geleken,
De één vooral - sints, helaas! bezweken -
Die hier met zijn broeder den draak komt steken,
En, in gedachte, haasjenover speelt met den stads wal.
    "'t Geen UEd.," herneemt Romulus, "in alle geval,
             "Siamees ! - of zijt gij mal,
"En is uw respect voor my, als stads burgemeester, niemendal?
             "Geen tweemalen hervatten zal.
             "Sta dus maar even pal;
             "Zoo wy nu al
          "Het jachtroer in den grond verstonden,
          "Hadt gy er al "hagels" gaauw uw lijk in gevonden,
                "Maar, by gebrek aan brood,
                   "Ik wil zeggen lood,
          "Maak ik u, by deze, op mijn manier maar dood."
           Het eenig antwoord, dat Remus nu overschoot,
            Was, volgens Niebuhr, "sakkerloot,
             "Hoe afgedraaid snood!
             "Nu ben ik, net als Semiramis en Poot,
             "Insgelijks van mijn leven ontbloot,
             "In 's aardrijks scho....oot;
             "Maar een ezel sto..oo..o oot...."
          Ziedaar, zegt Niebuhr, wat in de geschiedenis
          Van dit merkwaardig antwoord voor handen is.

       En dit zijn nog maar de wittebroodsweken
Van een geschiedverhaal, dat de menschheid doet verbleeken,
       Of 't moeten menschen zijn in de maan,
Of onmenschen ! die geen hart in hun kalfsborst hooren slaan.
             Dit droevig sterfgeval
             Is nog niemendal
             By 't geen aanstonds volgen zal,
Waar Brutus namentlijk de onthoofde krullebollen
Van zijn ontslapen stamhouders voor zijn vadervoeten ziet rollen,
Daar hy aan hun kermen zich volstrekt niet stoort
En zich Oostindiesch doof houdt, ofschoon hy heel goed hoort;
Zoodanig heeft hy zijn gevoel van ouwen heer versmoord!
O ! bloedrood beul en vader ! wy kunnen u wel missen
In de Romeinsche en Algemeene geschiedenissen,
Ja, Consul-Generaal, van ontaarde memorie,
Wat my althands betreft, zelfs in de Natuurlijke Historie,
    Daar ontstaat een wapenstilstand in 't menschelijk bloed,
Als men onder 't lezen zulke gruwelen ontmoet:
    Het vaderhair stijgt een vader te bergen,
Of een vader moet kaal zijn, dus de natuur te zien tergen!
       Het ouderlijke hart krijgt kippetjensvel,
En vraagt : "Ben ik soms, by abuis, in 't wassenbeelden spel?"
          Dat komt er, helaas! van,
Als men denkt dat men buiten een koning kan.

             Het snood assassinaat
             Van Caesar in den raad,
             Dat dien onverlaat
Van een twééden Brutus alles behalve mooi staat,
          Maakt een gevoelig mensch óók kwaad,
          Dat ondankbaar verraad! -
             Doch de fiksche soldaat
             Nu dat zijn taptoe slaat,
En dat hy ziet dat hy 't hoekjen om gaat,
       Houdt zich byzonder cordaat.
       Terzijde zegt hy, half in zijn hoed:
       "Caesar, jongelief, hou je goed,
       "Julius, daar het toch zoo wezen moet,
       "Vooral geen hazenbloed."
Maar naauwlijks ziet hy Brutus, of hy uit -
Terwijl hy een traan inslikt en overluid
Voor de laatste maal zijn neus in zijn toga snuit -
    Dat onvergetelijke : "Tu quoqué!"
Als of hy zeggen wou : "Doe jy ook meê?
                "Wel foei, dat's al té!"
             Hierop steekt hy, net als Snoek,
             Zijn hoofd in zijn omslagdoek,
             En geeft, naar men in Rollin leest,
             Eigentlijk op die manier den geest,
       Hy kan nu met Rollin zeggen : "Ik ben er geweest."
    Maar had Caesar, in plaats van te sneven,
          Aan zijn gemalin gehoor gegeven,
    Dan kon Caesar nog van zijn renten leven!

             Op mijn woord! daar is
       In die weergaesche geschiedenis
       Niets dat niet hartverscheurend is.
       Behalve, evenwel, dat lieve meisjen,
'k Wil 't kwijt zijn of 't Lactantia was of Lijsjen,
          Maar ik voel dat ik bloos,
          Op den naam van die lenteroos,
Die een gespeend vader in prison aan de borst verkwikt,
          Tot de bejaarde zuigeling hikt
          In 't gulzig zuigen, en zich verslikt.
          Dit is een van de weinige oasissen,
Die een historisch reiziger verfrisschen
       In deze historische wildernissen,
En, zoo hy by geval van speenen iets weet,
Wou hy wél dat zy 't voor lastige zuigelingen nòg deed,
Vooral als er geen pap in huis is
En de bakker om 't hoekjen niet t'huis is.
Doch onder 't algemeen "moord" roepen en "brand",
Van dees Jobsbode, met zijn bebloede Staats-Courant
             In zijn afgekapte hand,
Is er toch één passage potsierlijk amusant,
En daar ik my altijd om dood heb gelachen:
Ik meen, als Cornelia, de moeder van de Grachen,
Die famielje, weet ge, daar de Keezen zoo op prachen,
Hare vieze snotknaapjens, in hun morsige kleêren
Die op school malkaer niets als kattekwaad leeren,
En 't gezag van den ondermeester reeds mineeren,
Aan een jufvrouw uit Campania, die by geval komt dejeuneeren,
             Voor juweeltjens aan wil smeeren!...
Als men niet wist wat een keezenfamielje was,
Zou men 't niet gelooven ofschoon men 't las;
    Doch keezen zijn honden, al willen zy 't niet weten,
    En dus natuurlijk van 't hondtjen gebeten.

             Aan den maagdenroof
             Was, naar ik geloof,
       Weinig of niets te doen;
Daar moet een juffrouw zijn in iedere famielje van fatsoen;
    En 't huislijk leven onder de Romeinen
          Had, al gaauw, zonder 't verschijnen
          Van eenige vrijsters en maagdelijnen
   (Uit de fraaie sexe, gelijk van zelf spreekt), moeten kwijnen.
   Doch dit, zoo als ik zei, is, naar ik geloof,
Het eenig excuus voor den zoogenaamden maagdenroof.
    Want 't was anders alles behalve comme il faut,
De buurt quasi op "twaalf blaadtjens en Lotto
          "En naderhand een spulletjen Domino
"Met een keteltjen Bisschop of een glaasjen Curaçao,
"En, tot slot, misschien, Patertjen langs den kant of zoo,
          "Familiaar" te inviteeren
          En - terwijl de Heeren
          Zich in 't lottospel amuseeren,
          Of, voor 't eerst, rooken probeeren
          Uit uw vreemde lange pijpen,
En 't Sabijnsche brein zich gek zitten te slijpen
Om die uitheemsche dubbele negens te begrijpen,
En met hun rug aandachtig naar 't "Patertjen" toe staan -
Dan de kat in den donker te knijpen,
En met de spinnende poesjens uit poeieren te gaan,
Dat stond u, qua Sabijn, toch ook niet aan?
't Was althans heel hatelijk voor de bloedverwanten,
Dat koekeloeren vooral van egaês en galanten.
   Doch de kuikentjens, naar Stuart beweert,
Waren er nog gaauw onder geresigneerd;
Wat is er, dat de jeugd, als ze wil, niet gaauw leert?
    Na dato was er om dezelfde maagdelijnen,
    Tusschen de hanen van de Sabijnen
          En de Romeinen,
    Die haast geen nagels meer hadden van spijt,
    Nog byna een bloedige strijd;
    Maar het werd nog te goeder tijd,
    En met veel tegenwoordigheid
Van geest, door de kippetjens bygeleid.
    De schoone sexe, zoo als Niebuhr zeit,
    Raakt de klus zoo zelden kwijt.

Daar is in de Romeinsche Historie veel,
Waar ik met Niebuhr over 't geheel
          Volkomen ja op zeg
En dat ik dus, net als hy, ter zijde leg;
Maar hy snoeit wel wat àl te veel weg:
Zijn laatste editie behelst, naar ik meen,
   Den band en den tijtel alleen.
Zoo dit het geval met onzen Wagenaar was,
Geloof ik, dat ik dat sprookjen nog eens las.

De Schoolmeester

                         Neque haec non evenerunt
                         Het is echt gebeurd

Terug - Top


Immateriële schade

                         bij de verschijning van het nieuwe Burgerlijk Wetboek

Medea heeft haar kinderen vermoord
om die verrader, Jason, diep te treffen.
Daarmede was de rekening vereffend.
Om Glaukè werd zijn liefste bloed gesmoord.

De tijd schreed vijfentwintig eeuwen voort.
Elke actie is verjaard. Maar wij beseffen
dat zich hier niettemin twee regels treffen,
wier samenhang moet worden opgespoord.

Had Jason kunnen vorderen op grond
van 6.1.9.11 lid 1 sub a,
of sluit artikel 12 die actie uit?

Een knap jurist die deze regels duidt.
Geen wetshistorie helpt, noch logica.
Maar goed dat 't nieuw BW nog niet bestond.

A.S. Hartman

Terug - Top


De zee

Wie schrijft, schrijv' in den geest van deze zee
of schrijve niet; hier ligt het maansteenrif
dat stand houdt als de vloed ons overvalt
en de cultuur gelijk Atlantis zinkt;
hier alleen scheert de wiekslag van het licht
de kim van het drievoudig continent
dat aan ons lied den blanken weerschijn schenkt
van zacht ivoor en koolzwart ebbenhout,
en in den dronk den geur der rozen mengt
met de extasen van den wingerdrank,
hier golft de nacht van 't dionysisch schip
dat van de Zuilen naar den Hellespont
en van Damascus naar den Etna zwiert.
hier de fontein die naar het zenith sprong
en regenbogen naar de kusten wierp
van de moskee, de tempel en het kruis.
hier heeft het hart de hoge stem gehoord
waardoor Odysseus zich bekoren liet
en 't woord dat Solon te Athene sprak;
en in de branding dezer kusten brak
de trots van Rome en van Babylon.

Zolang de europese wereld leeft
en, bloedend, droomt den roekelozen droom
waarin het kruishout als een wijnstok rankt,
ruist hier de bron, zweeft boven déze zee
het lichten van den creatieven geest.

H. Marsman

Terug - Top


Poseidoon

De stormwind giert een reuzensymfonie;
Het grauwe zwerk dekt d'aard; als woeste scharen
Van krijgers rollen donderend de baren
Op 't maatgeluid dier woeste melodie.

Poseidoon toornt en zweept de golven. Zie,
Titanisch lacht hij bij de doodsgevaren
De schepeling bedreigend. Schatten garen
In 't diepe zeerijk wil hij. Wat men bie',

Niets, niets is hem genoeg. Hij wil vernielen
En heersen waar hem duizend offers vielen
Ten prooi. - Ik stond aan 't strand en staard' in 't rond.

En 'k meend' - een reuzig bekken schuim t'aanschouwen,
Waaruit Poseidoon met hoog opgestroopte mouwen
De baard inzeepte van het wereldrond.

P.A.M. Boele van Hensbroek

Terug - Top


Thalassa!

De nacht was in de eikebossen
Tussen de heuv'len klaar en koel;
En statig stapten onze rossen
Naar 't oosten en 't verlangde doel.

Toen woei een windje in onze oren
Een vreemd gemurmel, ver en veeg ...
En briesend sprong mijn ros naar voren,
In onbevolen draf en steeg,

En stond ter kruine. Onbewogen,
Onder de koperrode maan,
Aanschouwden onze ontroerde ogen,
Onmetelijk, de Oceaan!

Geerten Gossaert

Terug - Top


Paestum

De zuilen zijn vluchtig verguld.
een oeroud zwijgen heeft zich opgericht
uit de getijden der vergankelijkheid.
en onberoerd staat dit verweerd geweld
boven de wirwar en het gekrioel
der mierennesten, en het zichzelf
verdelgend menselijk gewoel.
geen bloem, geen schaduw zijn gebleven
gelijk zij waren op den eersten dag
en elken nacht een ander firmament
vol nieuwe sterren, boven het onveranderd regiment,
den gouden trouw der zuilen;
onaangedaan, en onaandoenlijk voor het huilen
van de hartstocht en haar hoog getij.
dertig eeuwen dreven in een regen voorbij.

H. Marsman

Terug - Top


Kortstondig

"Alleen de atomen en de leegte zijn onsterfelijk,"
zei Lucretius. Wat ons bindt, is dat wij
zullen worden afgebroken tot op de atomen.

Wat ons bindt, is vluchtig te zijn en elkaar te beminnen,
meer te voelen voor ons gedeelde sterfelijke weten
van elkaars sterfelijk wezen, dan voor die

verdomde atomen. Dood is te klein
en te groot, maar leven is sterker, bestaat
in de kortstondige kracht van het zwakke,

in de bijzondere toevalligheid
van de stoffelijke samenkomst, in vreugde
die alle atomen te boven gaat.

Anneke Brassinga

Terug - Top


Circe

Daarnevens bromt het woelig bal. Hier, in de gangen,
hier zingt en brast men woest. Een weiflend gaslicht daalt
met spookrig weemlen op der drinkers paarse wangen
en speelt in 't gulden nat dat in de bekers kraalt.

Daar rijst zij op, de forsche en zwierge leest omvangen
door rood fluweel, waarin het blank der borsten praalt,
het wezen door een nimb' van helsche pracht omstraald,
den wulpschgeplooiden mond vol bandelooze zangen.

Eens gaf een vrouw aan 't menschdom 't leven. Slechts de dood
huist in haar flanken. O! een áfgrond is haar schoot,
een afgrond die verzwelgt goud, liefde, heil en leven.

Daar rijst de Circè op, wijl in haar oog een vonk
der helle gloeit en, in een spotlach, 't glas geheven,
roept zij, met heesche stem: ‘Der Liefde deze dronk!’

Prosper van Langendonck

Terug - Top


Caesar

Julius Caesar zit in zijn zwembroek bij de kerstboom. En hij denkt:
Hier klopt iets niet. Ten eerste: wat moet ik in 46 voor Christus met
een kerstboom? En ten tweede: waarom hebben we in december van
die tropische temperaturen? Zou er iets mis zijn met de kalender?

Dus Julius Caesar roept er een adviseur bij. Hij zegt: "Ook gij Brutus,
hebt vast wel iets gemerkt van die vervelende toestanden. Een jaar heeft
twaalf maanden, een maand heeft dertig dagen. Dat zijn driehonderd-
zestig dagen precies per jaar. En toch klopt er iets niet! En Brutus zegt:
"Kijk...

De aarde draait als een gek, da's bekend
En vooral om haar eigen as, als het ware
En dat doet ze binnen vierentwintig uur
Dus binnen die afzienbare tijd draait de tent
Zeg maar twaalf uur 's nachts en ook, da's het rare
Overdag en voor een even lange duur
Dat is één

In de tweede plaats draait de maan om de aarde
Dus de aarde gaat al draaiend om haar as, en de maan
Maakt een min of meer omtrekkende figuur
Dat gaat iets minder snel dan het vorige maar de
Vaste regelmaat van net geen dertig dagen per baan
Is op zich alweer een wonder der natuur
Is dat een beetje duidelijk achterin?

Ten derde, want we zijn pas halverwege
Heeft de aarde met die maan en zo een eigen baan gekregen
Om de zon, in precies een jaar
En dat zijn driehonderdvijfenzestig komma vijfentwintig
Van die vierentwintig uren bij elkaar
Driehonderdvijfenzestig komma vijfentwintig
Van die vierentwintig uren bij elkaar"

En Caesar zegt: "Ho!
Komma vijfentwintig?
Hoezo, komma vijfentwintig?

Een fatsoenlijke kalender werkt alleen met hele dagen
Hele dagen dus en niet zo af en toe een ietsiepietsie
Toen ik ooit eens bij de Rubicon de vijand heb verslagen
Was het ook niet veni vidi en een heel klein beetje vici

En dus"
Riep Caesar prikkelbaar:
"Ontwikkel maar
Een schrikkeljaar"

Frank van Pamelen

Terug - Top


't Latijnsche school

Latijnsche school, Latijnsche poort!
Gezegend en gezellig oord,
    O wereld vol illuzie!
Vol lust en Grieksch en lief en leed,
O wereld, die ik nooit vergeet,
    Vol vriendschap en vol ruzie!

O zoete bluf van ’t eerst Latijn,
O heerljkheid de tolk te zijn
    Cornelii Nepotis!
Te voelen, als men verzen schrijft,
Dat men altoos een bengel blijft,
    En dat de Rektor groot is!

O lieve standjes voor de poort!
Mooi-meisjes in haar vreë gestoord,
    Die langs den Singel kuierden;
Waar onvermoeid, om klokke twee,
Nos patriae deliciae
    Nog een kwartiertje luierden!

We waren toen zoo prettig slecht;
(Zij ’t met een diepen zucht gezegd!)
    Wij gaven om geen pensa!
Wij plaagden, wat zich plagen liet,
En waren banjaarts op ’t gebied
    Van τύπτω en van mensa!

Ons hoofd, ons hart was vol en dol,
Wij speelden nog geen menschenrol,
    Wij waren vrome knapen!
Vol levenslust en levensmoed,
Met Paris’ grillen, Ajax’ bloed,
    En – niet voor ’t Grieksch geschapen.

We zochten van Corinna’s Guit
De ondeugendste elegietjes uit;
    Zijn lied was onze harem!
Wij schreven dikwijls u ter eer,
Een duizend verzen min of meer,
    Amice puellarum!

Trots al de classicissimos
En Bake en Reitz en hos en quos,
    Epitome’s et talia!
Wat was ik jolig, wijs en jong,
Eer ik naar hooger wijsheid dong
    En promoveerde – ad alia!

Nu kruipt of wandelt elk zijn gang,
En kent zijn wereld – zijn belang;
    Nu leven we „in disputis.”
De goede dagen zijn geweest,
En uitgespeeld het korte feest
    Amoenae juventutis!

Sinds werd het leven politiek,
Moraal, kritiek en polemiek!
    Maar, – spijt de fraaie vormen –
’t Is alles leugen, kunst of kool – –
Ik wou weer naar ’t latijnsche school
    Katheders gaan bestormen!

P.A. de Génestet

Terug - Top


Ariadne, de draden van de nacht

In deze ene nacht dromen de vrouwen
van verraad, geven zich over aan de daad
die langgeleden verten openlaat en sluit.

Ze spinnen de dunne draad die dichters
en ontrouwe minnaars horen in hun slaap,
een ijl gefluit dat door de bomen gaat.

De vrouwen staan tastend in het donker op,
struikelen over sokken, stinkende asbakken
en hurken aan de rand van hun droom.

Ze vinden hun weg naar de veranda,
maanlicht schijnt op de mandarijntjes,
de eerste verzen in het opengeslagen schrift.

Als een vloeiing gaat hun spinsel
in het onvoltooid gedicht, zonder
dat de schrijver er weet van heeft.

Hilde Keteleer

Terug - Top


Oedipus

Alleen als ik het tegendeel bewijs
zie ik het standpunt dat ik heb verlaten:
ik ben het voetstuk waarop U verrijst.

Alleen verpletterd mag ik blijven staan,
alleen gestraft wilt U mij tolereren.

Alleen in angsten kan ik met U communiëren.
Alleen in woede kan ik U verstaan.

Jan Emmens

Terug - Top


Romeins

Praatjes verkopen op een antiek
en halfuitgevallen vloermozaïek
motors starten tussen de brokken
van het verleden (een god geeft de geest),
in het heden leven en in de verte
een oude romp zien, een stenen stumperd,
een groene, roestende kop.

Jan Emmens

Terug - Top


O Rakel

O heilige Apollo, neem het woord:
Voorziet Gij onafwendbare problemen
Wanneer men in Athene van mij hoort?
O Socrates, sprak deze onverstoord
Daar zoudt ge best vergif op kunnen nemen.

Frank van Pamelen

Terug - Top


Venus van Milo

Het schrijnt mij van mijn hart tot in mijn d
Ze is zo koud, en toch zo lief, zo licht
En haar gebrek vervult mij met erb
Och, kon ik haar slechts troosten en verw
Al was het met een incompleet gedicht.

Drs. P

Terug - Top


[Argos]

                         in memoriam P. van Delft

Op een hond zijn kop stak:
Argos, dezelfde als toen;
ik niet meer lijkend.
op dezelfde van toen.

Of je nou op Cyprus
en in Pafos
of in Panormos

(bent). Het heengaan;
de vernedering;
de terugkeer.

Een uitgerolde bal:
zo wil ik liggen.

Onsterfelijken zijn sterfelijk;
sterfelijken zijn onsterfelijk;
de magneetsteen is bezield;
vuur eet alles.

Hans Faverey

                         Analyse Paul Claes

Terug - Top


Wreed is de verte

We dragen geen jas want de wind weeft de voering
om onze huid, gabardine van verlatenheid valt
ons om de schouders. Thuiskomen is niet langer
de maat der dingen, een huis biedt geen beschutting.

Als wegen lopen onze levenslijnen uiteen,
en wegen ook brachten me naar je toe,
en weer bij je vandaan, het late licht
in mijn ogen. Wreed is de verte, want zij
lokt en roept: in mij duizelt de afgrond,
ik heb geen weerwoord voor het donker.
De herinnering vraagt. Je bent er niet.

Men zegt dat Orpheus uit liefde achterom keek,
en Eurydice doodde. Men heeft een dode niet lief,
verweerde zich de zanger. En hij weende
op bergen en heuvels. Haar gezicht in het verleden
was als lichtschijnsel, zang en de vroege morgen.

Kester Freriks

Terug - Top


Lof der dichtkunst

't Was nacht als ieder mensch het zoete rusten smaakte:
My dacht toen in den droom, dat ik den berg genaakte,
Die 't schoonst verblijf is van Apollo's zustrenrij;
'k Liep langs een welig veld, van koude en hitte vrij,
Met myrten rijk beplant en bloeiende laurieren,
Waarmeê de Musen zich in hare feesten sieren;
Geen bloem was daar verwelkt, geen boom van groen beroofd.
Hier hief de populier, ginds de eikenboom het hoofd,
Dat 't helder hemelblaauw vermetel scheen te tergen.
Doch van mijn' zwakke lier kan ik 't verhaal niet vergen
Van alles wat mijn oog bewonderde in dien oord.
Ik zag er wat ooit ziel en zinnen heeft bekoord.
Maar naauwlijks was ik dus tot Pindus voet gekomen,
Of 'k voelde me onverwacht door Zefirs opgenomen:
'k Snelde in een oogenblik en lucht en wolken door,
‘En niets dan vrolijkheid in mijnen tempel ziet.
Dus blijft verdienste nooit van 't billijk loon verstoken.’

Na dat Apol tot my dees woorden had gesproken,
Verdween en koor en berg voor mijn verwonderd oog.
Zoo ook, als aan de kim de schittrende Irisboog
In volle sieraad op het schoonst begint te prijken,
Ziet men haar duizendtal van kleuren ras bezwijken.

Auroor vertoonde nu haar lieflijk morgenrood,
Terwijl zy voor de Zon de hemelpoort ontsloot,
En daar geen donkre wolk haar glans ons kwam ontrooven,
Scheen zy een' heldren dag aan d'aarde te beloven.
Toen wekte me uit den slaap der vooglen zoet geluid;
Toen riep ik, door mijn droom verrukt, dees woorden uit:

De schoone poëzy zal altijd glansrijk pralen,
Zoo lang de gulden Zon haar luisterrijke stralen
Zal schieten, en de mensch van edel kunstgevoel
Verrukt zal blaken. Gy, die ver van stadsgewoel,
Wanneer aan 's hemels trans de sterren prachtig blinken,
Apolloos heilig nat in eenzaamheid gaat drinken,
Uw naam sterft nooit, o neen, zelfs als de wreede tijd
Den zwarten sluijer op uw lichaam heeft gespreid.
Homeer veracht den nijd van driemaal duizend jaren,
Gelijk een vaste rots in 't midden van de baren
De kruin ver uitsteekt en haar ijdle woede tart.

De dichtkunst wekt den moed of streelt 't gevoelig hart.
Tyrtaeus kon den Griek in oorlogsvuur ontsteken.
Hy zong en geen gevaar deed den Spartaan verbleeken:
Doch als Homerus in zijn goddelijk gedicht
Toont, hoe Andromache met haar onnoozel wicht
Haar lieven Hector van het slagveld poogt te weeren,
Hoe ze om het denkbeeld treurt, dat hy nooit weêr zal keeren,
Wie dan gevoelt zich niet op 't tederst aangedaan?
Wien rolt langs 't aangezicht dan niet een zachte traan?

O wonderlijke kracht van dichterlijke tonen!
Het volk, dat zonder wet in bosschen plagt te wonen,
Bewogen door het zoet van Orpheus lier en zang,
Vereent zich op zijn raad voor 't algemeen belang.
Van daar verhaalde men, dat tijgers, boomen, steenen
Hem volgden, om het oor aan zijne stem te leenen.
Mijn geestdrift sleept my weg... Ik zie hem zelv' daar staan!
Omsingeld van het volk, dat luistrend aangedaan,
Met open oog en mond hem 't nut van 't zamenleven
Hoort zingen, en gedwee zich laat de wetten geven.
Een man dus door natuur met rijk vernuft begaafd
Heeft door welluidend dicht den woesten mensch beschaafd.

De dichter schildert ons wat andren slechts verhalen.
Als Maro en Homeer het bloedig strijden malen,
Zie 'k vonken springen uit het bliksemende zwaard:
Ik hoor 't geschreeuw van hen die neêrgestort ter aard'
Den overwinnaar om het leven ned'rig smeeken;
Ik hoor het moordend staal en helm en harnas breken.

Mijn Zangnimf, 't is genoeg. Onmachtig is mijn toon,
Het nut der poëzy en haar verrukkend schoon
En onweerstaanbre kracht in sierlijk dicht te zingen.
Laat hen, die Phebus mint, naar dezen lauwer dingen:
Ik trek uit mijne lier geen liefelijk geluid,
En druk mijn warm gevoel in zwakke verzen uit.

Isaäc Da Costa

Terug - Top


[Lotophagen en Cyclopen]

De Lotophagen vinden de Cyclopen
Zeer onvolledig met hun eenzaam oog
Midden in 't voorhoofd, kenmerk van omhoog,
Dat men dit volk voorzichtig moet ontloopen.

Zij eten zoeten honig en zij hopen,
Dat heel de menscheheid, die zchzelf bedroog
Uit jagersdrift, eerlang van pijl en boog
Afstand zal doen om broederschap te koopen.

Maar de Cyclopen brullen van pleizier
Over de onnoozelheid der Lotophagen,
Die groentezwelgers van een kwijnziek ras.

Gezond bij schapenvleesch en gerstenbier
Vergeten zij met ijzersterke magen,
Wat zwelgzucht oorzaak van den oorlog was.

Anton van Duinkerken

Terug - Top


Zoals een man

Zoals een man bij 't ondergaan der zon
Luidkeels 't Wien Neerlands bloed begint te zingen -
Hij zou ook liever zwijgen als hij kon,
Maar 't hartevier drijft hem met duizend klingen -

Hij spert de gorgel en op bronzen zwingen
Wieken de klanken naar de horizon,
Terwijl de knopen hem van 't vest afspringen.
(Zo zwelt de borst bij zulk een bariton),

Zo heb ook ik eenmaal op een prille avend,
Mij aan de schoonheid van een schutsluis lavend,
De machtige drang gevoeld van 's harten grond,

En het, willozer dan een maartse kater,
Woest uitgedaverd over 't doodstil water,
Extatisch als een Mexicaanse hond.

Cees Buddingh'

Terug - Top


Troje

Er was een grote stilte. In de tijd
tussen het tweede Troje en het derde
Troje. In het dichtsbijgelegen dorp
vierde men de bruiloften fluisterend.
Langskomende schepen hielden op met
roeien en wachtten tot de golven hen
van de al tweemaal verbrande kust
zouden wegduwen als vanzelf.

Nachoem Wijnberg

Terug - Top


Heenreis van de Argo

De sprekende kielbalk ondersteunde
de mannen. Waarschuwde zeegedrochten.
Praaide, als de ziener zweeg, een voor
spellende albatros. Zij, haar ram vrij getild

van het boegschuim, liet zich gespannen
gaan, haar recht het mysterie inziende
ogen gesperd de neerstroom kiezend, willoze
blakte (als ze een slijmerige stinkende blubber

uit het holle van het schip moesten schrapen).
Haar slagvaardigheid die die van de Slaande Rotsen
overtrof ondersteunde de roeiers bij het halen
en in hun godsbliksemse lachpartijen.

De sodomieten gingen aan land, om
water of voor Aphrodite, haalden zich
de woede van Herakles op de hals,
lieten een ankersteen achter.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Herinnering van Hippomenes

Ik herinner me van toen in Kalydon
de handkus waarmee me voor zo groot
geschenk dankte de jagerin, ik meen
de net als ik moedernaakte Atalante

de Arrogante, die drie goudappel
ballen om-en-om opgooiend alsof
ze haar niet uit handen gingen:
bij de keerpaal aan het begin

der schaduwloos harde loopbaan;
hoe op de aanroep der scheidsen ze
ze afgaf aan een witbaard en aantrad
naast me, de hinde. Herinner, o ja,

me het moordlustbezield scheldwoord
paardelul, haar sputum toen ik na
zeven ronden voor de derde keer
haar in de rug liep. Herinner me

waarachtig hoe ik nog die avond
onder het afdak van de Boskybele
waar passanten tussen de afgedankte
votief standbeelden gekakt hadden

haar te grazen nam en verlaagde
tot vlinderpletsel, zoals het door
de Chimere met de bijl van een
houthakker der goddin gewild was.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Opbranding van Phaëton

De kunst was om geen moment verslappend -
eerst de lange oprit naar het zenith
dan de barre neergang naar Okeanos -
ze van meet af aan kort te houden

en al opzijgaand voegde de meester toe
zijn straling temperend Daar heb ik
Tethys horen gillen jochie. De figurant
werd weggerukt door dat enthousiasme

van hem dat de drie volbloeden meteen
van de gewende sintelbaan afwijkend alle
zwenkruimte behoevend aan een heet hemels
lichaam een wiel schampend overvleugelden.

Op zijn terras ving de duisternisloze
de lopers op. Spande herin. Hing achterover
aan een hand, met de andere ze striemend
tot dat steigerend de gaping overbruggen.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Pan aan de Ladon

Toen hij haar greep had hij
een handvol moerasrietstalen
die hij in zijn eenzaamheid
spelend naar de lippen bracht.

Dat was zeer zeker gedaan
uit hittige devotie maar er
sprak meteen de wind in mee
door de rietbuizen heen.

Die wees hem hoe dan ook
de ijdele monodie. Zo zullen
jij en ik tweespraak houden
zei de charmeur gecharmeerd

van de schuchtere spraak
de halfhese lispeling
bijna het spraakgebrek
hem Syrinx uitleverend.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Schaduw van de Argo

Nieuw onberijmd zeilavontuur

 

Uit de diepte riepen wij, Schepenredder.
tot u want de zee raakte de afgrond, viel, ons
tot in verstandsverduistering toe, daaraan ten
prooi. En het weerlichtte als in de angstdroom
die het honderdmaal voorvertoond had en de val
sneed, een mes schuim, de stem van onze mond af

en onze ogen zagen het in geen spittershart
opgekomen door de bah-aeonen in het pleroma
beheerd duizendjarig slijkfundament opkomen, aan
de wand waarvan wij mysten van de holgebogen
gegorde planken door de zwartpaardevleugzee ge
schoven op de vloeiglasschuinte opwaarts werden

geheven. En de golf kreeg de toenemende ziel
van een pijlvogel die alles stelt op het nieuw
werelduurrecord en ons bezopenen bovenhielp aan
de oppervlakte der randzee, een jutbaarheid vrijwel
ons scheepje, retour van een van die rooftochten
om een gegoudverfde ramsvacht of iets dergelijks

en tot de hemel tilde ons, dat ons hart vrij
hing in onze ribbekast, het hoogste massief &
zijn kalmte. En ik verzong namens de schepelingen
geuniversaliseerde sterreske dankwoorden aan, na
eerst om de aarde, u Apollo, want u hoorde ons
stem vormloos roepen en de zee lag als melk

en wij hingen als welpen aan haar tepel.

 

Er viel, ons tot schadeloosstelling
scheen het, een luwte zoals wij nooit
meegemaakt hadden, die meteen alle jonge
hens overboord springen deed en, na uren
lang voor drijvend lijk spelen in het glad
stroomloze, van de plek van watertrappen

weer aan dek klimmen. En oude pikbroeken
visten van de reling om de tijd te doden
op albacoren die er waren of bestudeerden
bij de van het zeeveld opgeschepte purperen
parasolkwal in een houten emmer het, kon het
zijn, toekomstvoorspellend doodssteekspel.

Nee, geen sargassosurrogaat was het waarin
wij terechtgekomen waren. Inktvisschelpen,
door de matrozen steevast 'zeeschuim' genoemd,
en tromba's, de zeegrotgeurige boomstammen, de
infusoriebloeivelden kenden wij. Deze breedtes
waren, op wat vishaak of puts optrok na, schoon.

Namen derhalve, eer de dag heet werd en nadien,
de rumoerroeispanen ter hand. Roeiden het schip
voort, het zeil hangend als een vod in de knoop
van de tochtloosheid, de mannen dempend hun glas
harde stemmen dat ze minder onherroepbaar klonken
in de allengs om ons groeiende aleatorische leegte

waarvan de acoustiek hun grollen als premonities teruggaf

 

Over het onbezeilbare riemden wij voort
in zo'n winddoodheid dat ons hart hamerde
en het zweet brak ons uit alle poriën onzer
op een schaamlap na naakte lichamen en stak
ons in de ogen. En, ah, aan onze oorschelpen
strijkend tegen de vleug in van ons lange haar

kwam boven verwachting uit het oneindige ons
achterop (in de figuur van een van urenver
te spelen beginnende bruinvis een subtiele
frisheid van geest meebrengend, van een door
een triton van de handpalm weggeblazen wenk
brauwhaartje voor de zeegoddin) een asempje

wind aan onze verhitte ruggen. En de bries
zette achter ons door. Legde via het zeil
dat bolschrok in de lijken onze kinkhoorn
een nieuwe koers op die met de voormalige ver
scheen te stroken. Liepen als voor de jager
de antilope voor de milde gestage dwang uit

een weidse zeilage belovend de weeldemijlen
lievende halve wilden die op hun schorre wijs
een van die op elke zee onzalige liederen over
vrouwen van welk allooi ook aanhieven terwijl het
schip van de ravitaillerende passaat gestuwd werd
richting, voorbij een versnelling, een waterval.

Vlogen, de onbruikbare helmhouten vastgezet, daarheen.

 

Voorbij het gezichtsbedrog van de barrage
verstiet de wind ons maar nam een stroom
god het over en zo' n snelheid maakte die
dat het grootzeil baksloeg. IJlings reefden
we dit, voelende het eiken schip diep aan
getrokken worden door meeslepende energie

die ons ontvoerde naar een dominie waarin
wij nooit inzage te zullen krijgen gedacht
hadden, als het vuile naijleffect van een
geëclipseerde luchtspiegeling proberend te
zien in de gapende objectloosheid voor ons
een als eens mans hand doch uitgroeiend groen

wolkje: weerkaatsing van wat een groot eiland
moest wezen, maakten zich maats sterk, reeds
niets minder daardoor aangezogen wordend dan
het onderschepte schip door de getijstroom -
allerogen in de helle hemelvangwijdte zagen
zonder toneelkijker de klip intreden, zijn

honderden vademen hoge vuurtorenvormige
halmloze guanosteilte en ik zag in dat we
in de val waren gelopen, in aanmerking nemend
de verwachting waarmee we het impassibele
zelf opriepen, tevoorschijn hielpen, de luide
stilte van voordat de wind opging nu ten volle

ons met een nieuwe ruimte en tijd opschepend.

 

We namen nog het zeil in, de zee loopvlak
zonder rimpel, elk een roerloosheidszucht
onder de leden, vertraagd acterend. Benul
teveel volume te hebben en iets leeghulzig
zwevends tevens, dat elke kop hogelijk ont
hief. Na lang op elkaars lip een van elkaar

afgewendzijn genietend, elk uitsluitend bij
zich helderder horend-en-ziend dan ooit. En
achter de groenemelkglobe vandaan komend, en
nabij, de parousie der weergaloze archiwereld
beroemde drie-ene engelin, met haar poten
in steile routine de rotsrand aangrijpend

het nobelgevleugeld vogelenigma, ons voor
zien hebbend en nu met de sterreogen in haar
vrouwenhoofd op ons neerkijkend, roekeloze
schoonheid van keel de eerste halve noten
regulerend, de sprekende stemgesten zoekend
vlak vóór de cantilene ter ere der voyageurs,

van zich uitkringend in de omringend azuren
klanksfeer een fosforaureool dat haar, door
de audiovisuele media van die wereld vrijelijk
ontvangbaar, van fata morgana-verschijnselen
ver hield, alle varensgezellen de mond gaapopen
aan haar verre lippen, ik homo amper nog mij

ervan bewust dat we zogoed als vermisten waren.

 

Een hoogmoedswaanzin door onverhoeds
bereiken van iedere droombare bestemming
drong zich van de buitenste duisterte-ring
van hun bevatten aan de bemanningsleden op
en restileerde hen tot schoolkinderen ter zee
den hoge ankers, harten, littekens toekerend

indachtig de gedane poëzie. Dus ons genoten
van het Vlies dat we ons tot veeleeuwige gunst
ontvreemd hadden viel, in deze harpige ether on
afgescheiden van de labiele en voorzeker die
rap stabiliserend, ten deel dit onverwerpelijk
eerbewijs dat ik, aangedreven door de andere

eros, doorproefde als dreigendst zelfverlies
van zich naar de ziel uitleverenden aan gene,
welker bronkeelopwelling uit veneratie voor zulke
viriele glorie onze harten aanzingend, versterkt
door de steilwand en van rijzen en dalen onzer
trance ongebroken, uit de immensiteit aan ons

overgeschonken werd en wij beseften man voor man
dat dit, wat voor ons corpus de lichte dood wel zou
te betekenen hebben, was waarom de feeën gefluisterd
hadden bij onze geboorte van een halve vrouw ooit
aan wier inpalmcanto wij ter voorsteven gekomen van
een schip vast in glas gevat vòòr op het proscenium

van Concertzaal de Zeven Zeeën het oor zouden lenen en zo.

 

Op de rots staand, de azuurogen ziende mij
en ieder afzonderlijk aan, van haar dolkveder
borst uitgaand de emotionerende fluorescentie,
zette zij in, 'kom bij mij, heroën onderweg
van ergens naar altijd. Jullie roemrijke
hardheid venereren met mijn mond wil ik'.

En de beduivelden, onjoelende, staken aan
stoots tot hulde aan haar de handen omhoog
en in een bloed jaloezie reikten hun messen
nog hoger wel en ze sneden zich en brachten
zich rozetten toe voor die voorzong 'ik ben
centrum en circumferentie, het orgasme der

orgasmen bereik je bij mij, na nooit bij de
hiërodulen van Porto Venere op de klip voor
hun kapel. Die nemen je geld, Sindbad, krabben
je ogen uit. Ik kom tegemoet aan alle spasmen,
aan elk sadomasochisme waarnaar je gehaakt hebt
en ik ben gratis en wat is de zee naast mijn melk?'

En ze vielen op hun twee knieën toen zij doorging
'word bij mij rein van je serenissime moer, die
madonna die niet wil omdat ze geen preute heeft.
Ik wil jullie ichor'. 'En hem vreet ik en schijt
ik uit ter ophoging van deze krijtrots, haar homo
minstreel, die schreeuwlelijk' hitste hen, ik stil

tegenover haar staan blijvend, de hemelkervende op.

 

Streng ik de boeg van de galei aanhoudend
voltrok zich de breuk met al het volk ogen
blikkelijk. Vielen van me vandaan het schip
af. Gingen verstrooid lichtelijk rietgewijs
overboord terneer, zonder perikel hun voeten
het getranssubstantieerd zeevlak betredend:

op elk punt dragende hen die zee; ook zijn wit
schuimige wolfsheid, de gevelouteerde ligtroggen
(van ingevangen organismen, stellae, bebloesemd)
gefixeerd; de theofore lichtbellen opborrelende
in het gepolijst bergkristal van de door de zang
stilgelegde onvervuld gekromd staande golfwil.

Trad in haar weg een hemelse wolk, die hun diepe
afdaling over het schijngladde naar de rots aan
de overkant aan mijn blik onttrok en de hagelstorm
van de zang kort totaal voor mij dempte, zij het
hoogstwaarschijnelijk niet voor hen. En die klank
dood beklemde me disproportioneel moet ik erkennen.

En de wolk verdampte door haar lichtovermacht en er
was vergroot nog haar stem weer en ik zag de mannen
ook vergroot nabij als honkverloren geitenherders
over het holgebogen massieve spiegelwak omhoog naar
de kalkpilaar de anodos volbrengend naar de series
sneeuwschitterende zangnoten klimmen en Als ik zijn,

zei een vleugelreiking, is de ommezijde van de zang.

 

'Voor de pagina's van geen boek bestemd,
aan de ridders van geen Tafelronde, niet
de beklimmers van de Himalaya opgedragen
dit lied, dat de onbarende folie der nooit
gebaarde uitstrooit. Voor jou, varensman,
mijn de millennia overstijgende luidkeelse

passie je tot brandspiegel die je zee voor
je ogen verteerd heeft en ook de Thracische
Attis opbrengt tot prijs van mijn vrij gegeven
heroieke amour', dit met toenemend vermogen
staccato gebracht en als een dier hoeredeunen
van alle wereldhavens me in de oren kinkend.

Hemelen deed in welluidendheid de repliek
van het doodsvolk voor haar onder, uitgaand
van hen richting het zangspectrum een gebulk
van geïnitieerden in hun rituele intoxicatie,
door haar klauwen verscheurd haar tot offer
vlees te dienen hun de enige bloedbegeerte.

Apollo is het die de keel glans geeft; en
van de boog Apollo's pijl was ik die het lied
uitdreef met mijn volle ene dwingroep namens
de kielbalk van het schip: de mannen, hernieuwd
schepelingen, vallend uit de helheid ten hemel
bodem zinkend mij toe. En omdat ook haar stem viel

herhaalde ik de roep niet, elk horend de naklinking.

 

Zò was de Argo ontroerd geworden
bij zijn tewaterlating, een sidrend
ortbestierd paard, zijn flanken bijl
slags de elasticiteit der verplaatste
kubiekte bevoelend, zijn heenloop
behalend temidden der toestormingen

van het hartschokkend geëxcludeerd
geweeste. En na de draaikolk, de oor
verdoving, had de equipage, zeevast
gesjorde super-elite, het gehorig
schip in bedwang, de stagen strak
staan. En in de mijn stem groetstoots

dragende celeste regio hief ik mijn
slag zang aan tegen haar verflauwend
incantatieve randverschijnselen in
en de regenboogfragmentatie die mij,
haar pauwoogpronkingen als pluis de
ether injagend, toch pijnigde nog:

een interende wegslinkende klankschip
breuk, de chiffres elkaar omsingelend
ter uitroeiing. En al zingende overzong
ik het, zong het terug, weg, doorzong het zo
dat het refrein elke riem meedwong, en van
de lichtrots stoof een ruiende kip op. En ik

zong mij, op die wijze, ons de zee wijd open.

 

Ons sceepje, scherp gebrast,
ging door de wind, wij zingend
als hadden we de gouden aioon
hervonden. Ook al komt de tijd
van de Vliesroof nooit nog eens,
we zijn onder zeil in de wereld

en er is werk aan de winkel, zie
het komt alles terug, de tactvol
gedeelde bete en dronk, de zilte
eterniteit ons, uitvaagsel, voor,
de visvangst uit honger, de buien
van overmoed en de bevangenheid

want we voeren voortgevoerd onder
nieuwe hemelen door, onherinnerde
constellaties, ik op de voorplecht,
de barbaar van mijn keus geleund
aan mijn schouder, twee meisjes.
Hem zong ik op de visionaire vaart

naar voren, in trouwe, honderd
liederen voor en een paai humde zo
mee. Van hen hoorde ik deze niewe
frasering afin mijn spelevaren
tijdens hun actie, geritmeerd die
op zijn voorwerelds helleens door

dienovereenkomstig harde lyriek.

 

Ultiem aan stuurboord verschenen
die groene stapelwolkspiegelingen
die archipelagoi prefigureerden,
de Sporaden daarbij, Anaphe ook dat
we eerden met de grapnaam Ameland,
het evenwel altoos dragende houdend,

aangespoord door de sirene in ons
tot slechts de volledige zee, afziend
voor een doel zonder eind van de idee
van terugkeer, alle mariene avonturij
tot lijfspaspoort op die trek bij ons
gebundeld door die profetes die wist

dat de verteltijd zijn greep verder
op ons verloor naarmate we de omvang
toelieten ons te overweldigen precies
zoals we het ons altijd gewild hadden,
na de beproeving de witte wijn, ons na
het transoceanische en het toonbeeldige

de epopreia der volheid, een al onder
doorstraalder albast gaande tot in de
amberhemel van de Witte Walvis, gehe
sen wij onze vlag die met de kleuren
der Argo dekt de zeemansilluminatie,
En de zee zal niet meer zijn.

En wat er zal zijn zal zijn.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Potspel met Liploze

Toeziend voogdes op visite in de tijd toen hij
reeëmergetertje nog op de rug van Cheiron optrad
drukte hem sterk op het hart dat hij de waanzin van
wege de boegbeeldige stervelinge niet zou overleven.
De Pythondoder heeft de pest aan je, mijn kind.

Maar de van daarginds gedroste klaplopende ziener
Kalchas bazuinde rond dat Troja nooit kon afgebrand
worden tot de grond zonder hem. Kwam hij niet bikkel
hard uit het vuur waarin voogdes hem als boreling had
heen en weer gehaald aan zijn hiel? Voogdes, ze liet

hem mooi in meisjeskleren onderduiken bij Lycomedes
wiens dochters hij bij het ravotten onder zich hield zo
dat Deidameia weldra met jong liep. Ongeïmponeerd liep
hij op met Odysseus, vocht tien jaar overzee die veer
tien dagen leken, verbouwde Lyrnessos en Lesbos nogal.

Toen profeteerde voogdes dat het eind kwam zodra hij
de steile rekening om zijn Patroklos vereffend had
met de fors door de Schitteraar gesupporteerde Hektor.
Meer springkracht achter zijn knieschijven dan ooit
joeg hij die beer dus drie keer heel Ilion rond

eer hij hem dooddeed voor de ogen van de complete
sibbe op de muur, incluis de steelse neussierprinses
Polyxena naar wie hij grif ontvlamd zijn prikker
opstak tot een moordopsteker voor het salonpronkstuk
de leffe held van het potspel van Hellas, Paris.

Zelfs Kalchas prognosticeerde de katastrofe al, riep
dat de god allengs steekzuchtig als een geïrriteerde
gulp wespen alle aanwezige kracht in de katapulten
de gevederde pijlen bundelde tegen hem. Wist die veel.
Het was oogst. Hij liep door het graan en maaide ze

tot het schaft was en hij tijd had zijn bestofte
voetbeschermers los te maken, tijd een boogschot
uit de hoop de beschreeuwbare afstand tot het
knielend evenbeeld van de Liploze te overijlen.
Toen vielen om zijn hielpijn de krekels stil,

hij een neerliggende schaduw van wie hij geweest was zich
beklagend bij de voogdes. Wat een sublieme partij poker
speelden we, mijn zonsverstotende moedwil tegen
Zijn stralenschieting. Maar wat een rotstreek is dit
de stijl van een god en ik won altijd alles.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Spelende Artemis

O je rugwendingen, je terugwendingen naar
ons, je aanstormende voorbijgang je linkerhand
reikend naar de pijlkoker in de halswedloop
met alle wild gedierte maar met jouw hartsvoorkeur
voor mannelijke edelherten, het je belastend

beschermvrouwschap van alle zuigdiergeboorten,
helderziend- en helderhorendheid van hindernissen
en tegen alle melkveeweiden in je gemzensteilte en
deze jouw joyeuze middagpauze aan de aldoor bedekt
ruisende wel van je zwembassin in de naturele

luxevallei bij Orchomenos: op het oevermos wel
tevree je tien hangorige superhonden, Pan's kado
kop op de voorpoten, en jij zomaar zo zorgeloos
het Kyklopenkunststuk, de zilverboog. stug als
die van je broer, afgeven, de pijlkoker

gevuld met dwarrelpijlen van je broers soort
afleggen, waarvoor een Okeanide nee Amnisische
riviernimf verder zorgt, want daar zijn ze voor
en voor de honden en voor de sandalen die ze je
omgespen en voor het omgorden van je saffraan

kleurig kniekleed met rode franje onderaan ...
Je gestrenge maagdheid. En een schudding van je
garf gerstehaar, dat dan een die het ongebonden draagt
opbindt. De geknoopte netten waren nat geweest
van het bloed die ochtend. De zijn instinct na

volgende beroepsjager vond de speelplaats per
ongeluk, toefde er, pas in het licht tredend
op het albastgegil der hypersensitieven hem om
singelend. Ze speelde, de kampioene omringd
van haar minderen, met afkerige hand hem

enig water toe dat zijn voorhoofd betrof,
zingzangzeggende 'vertel door dat je me
naakt zag als je kan.' Het siergeweihert
beving Aktaion. Ze floot - de hare roerloos
alert - zijn meute, Vijftig keer Kretenzische

kracht en Spartaanse snelheid verscheuren het
voor haar ogen en ze handklapt of ze van pappa's
knie sprong, gooit naar de horizon de lach op
die alle hemelgewesten en jachtvolken inpalmt,
alle windhonden aan haar voeten liggend.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Anemoon van de Libanon

De Cyprische, voluitgaand, waagde sinds
ze het mirregemanierd incest jong, opgekweekt
bij de bronmeisjes, afgepakt had van de
wondergerstebaarlijk-gebenedijde goddes
zich al verder van huis; wou alleen nog

bij dat troeteldier zijn, die gentielste
Syriër naast wie ze, het kleed op tot de knie,
als jagerin debuteerde, zij op de Libanon
nota bene honden aanvurend, feilloos
vliedende haas en hert schietend

in zijn plaats; maar hij - pover schutter
én ijdel, ze stuurde zijn pijlen bij -
speculeerde, bespeurde ze, op een scherper
prikkel. 'De houwers van een ever zijn
vlug als de bliksem, babe' incipeerde ze;

'stel je voor dat een leeuw, grr, je
verscheurde' gruwde ze schier vleselijk
in hun zoel ligdal aan de karpervijver
met hun lune de miel. 'Wat zou je doen?'
murmureerde hij, een bloemblaadje

met de lippen bebijtend, roekeloos
tot stervens verstrooid. De acute 'de
wisseltruc van Apollo toepassen, stuk.
Uit je pulp liet ik een heel erg
windgevoelig hartzeer in bloemvorm

om je opkomen. Dat je genoeg, mm? Ik
moet nu gaan. Hemelse oproep, zoetste
fluweelanemoon.' De zwanewagen schoot
weg richting Paphos of wie weet, toch steil.
Hij zag om zijn boog om: de speurhonden

jankend in de bosrand eisten ongenadige
achtervolging. Het bovenmate bezield zwijn
had zijn leger verlaten. In trefvrees gooide
hij overschaduwd de jachtspeer, een riet uit
gerukt en gekraakt door een kaaktanging.

Rende en werd neergelopen, huilde omhoog
de lichtsporige aan. Ze keerde halfweg
de wagen nog, kon niet, moest omlaag
zien hoe de witte tand van de ever
de lies overtrof van Adonis.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Lakedaimonische discuswerper

In Hyakinthos van Amyklai (om wie
hij Delphi Delphi liet, die hij lied
loos en zonder zijn boog omwierf aan
de Eurotas zowel als in Sparta, voor
wie hij, de grote broer van Artemis

jachtnetten herstelde, wiens meute hij
in bedwang hield wanneer ze, zijn arm
licht op H's schouder, langs de ruigere
bergrichels liepen) kwam mijn god zich
tegen, een kopvechter de spiegel.

Om de keuzejongen te tonen wie hij wel
was en in zo'n steil plezier hief hij
in de lichte oefenwedstrijd waartoe ze
op de luwe grasmat tussen twee gebergren in
zich met olijfolie ingewreven hadden

die diskos, balanceerde hem, boog zich
en slingerde van zijn plek voortkomend
hem zo hoog dat een stel cumuli geplet
raakte, de schijf terugkerend ter aarde
als een effectvolle planetoïde.

De tengere tantaliserend bloed
sterfelijke Spartaan gunde zich
geen tijd. Liep hard. Greep het neer
komend werpwiel maar het stuiterde
nog hevig hemels van de grond hoog

en sloeg hem de slaap in. De
Deliër werd even wit als zijn
slachtoffer; uitte zich na wanhoops
pogingen het bloeden te stelpen,
na mond-op-mondbeademing, scherp;

mijn onkreukbare god 'ik knecht
van de Moirai' zwoer 'als ik nu
melodiseer zal het voor jou klinken.'
Sprookte voort uit het bloed van
de discuswerper onuitwisselijk in

het gras een purperder purper dan
van Tyrus, de vorm van de lelie
maar met op de kelkbladen
het door Phoibos Apolloon
zelf ingeschreven ai.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Orpheus bij de Kikonen en elders

1

Zijn moeder had een mooie stem en van een
in de jongen geïnteresseerd souverein voyageur
kreeg hij het voorgespannen koehoornig instrument.
Hij leerde zich in geen tijd de akkoorden.

Helle muziek was dat meteen. Maar zij
woog niet op tegen wat hij zong en musiceerde
voor zich en voor alle Kikonen (rauwe halfnaakte
zooi dansspringers die ze waren voor wie hij

musiceerde, zichverzingend) op de helle snaren
toen hij verbitterd werd nadat zijn nimf
het wilgemeisje in de graswei op een reptiel
trapte dat haar dodelijk in de hiel

beet. Die toonladders verliepen of hij
haar op haar weggang door de lage wereld
naar haar alzo povere kemenade daar ver
gezelde, in een adolescentenaandacht

met haar vereend, een elegie en een schaduw.
En de ogen van een blinde die helle sneeuw
ziet kreeg hij toen die muzikale gedachte van rondom
hem aanwoei: hij, zijn lied hem tot schild,

in spelenden lijve de antimaterie, ai mij,
de Erebos ingaan; met zijn magiekst lamento
cantabile de veerman, de driekoppig
loslopende helhond op het overzand

alsmede de gifharige ongesatureerd bloedgierig
zoemende Erinyen tot buiten bewustzijn rakens
vertederen en zo voort de hartloze drie rechtzitters
met een palindroomparodie op hun voertaal verlokken

hem door te laten en dan in het antraciet-
geborchte ter audiëntie van de onverkwikkelijke
machthebber en het van hem gevangen wuft
kranskroneginnetje Persephone naast hem

door louter zingen gedaan krijgen dat hij
uit de tenebraehof de wilg, ene Eurydike
meekreeg terug: zij, haar rug, verstoffelijkend
naarmate ze steil omhoog dichter het daglicht

benaderden; hij, zijn zingen, het schild achter haar.

2

Herweef haar lot. Een alzo hoge ode en een alzo
ootmoedig mijne majesteit gewijde bede had hij
nooit gehoord liet de kapdrager met de tweetand
op de ebbenhouttroon het toegenegen vorstinnetje

op het voetebankje terugzeggen na haar, zijn parkiet
liefkozend een gekromde briljantvinger te hebben
voorgehouden; 'uw verzoek is ingewilligd' mocht zij
met een gevoelvolle gerstebaar in de verre keel

trillers opsturen aan de superbe Thracische
lyricus, 'alleen: uw lief, de nieuwelinge, hindert nog
haar kwetsuur, ga de slechtlopende dus voor en kijk
nooit om.' De doorstraalde albastdode kwam gaan voetje

voor voetje maar de boezem ademend en met wimper
bewegingen zich de hypnose van de ogen wissend, bij
kennis; liet met zeer sobere glimlach van hem zich
meetronen doorheen de aandrang van de bloedloze

massa's die naar hen de handen uitstaken, met de
vingertoppen naar de zoom trachtend van haar
simpele peplos te midden van het weer opgangkomend
helrumoer (de Danaïden hadden de emmers hervat,

Ixion' s rad was met gedruis herovergegaan tot
rotatie) de geringe doden hem en haar kushanden
toewerpend, applauswater verstort in een marmer
fonteinschaal. Op het oplopend pad, immer door

de stapstilte, twee kinderen na elkaar en zij
monstruositeiten tussen de cipressehagen vrezend
liepen ze voort op de scherpe smalle route
en in de holle weg waar hij zijn aria haar hief

tot toorts om in dit zieldodend Thebe der
tichelstenen zonder luchtstroom, op de wrede
wenteltraptreden haar voeten lichte voortgang
te verlenen. De eerste zonnepriem evenwel beproefde

hem, deed hem in een bekommernis om haar en om zijn
liefde omzien. Op weinig passen volgde ze, lipzeggend
dat ze niet verder zijn kon en een half verijdeld vaarwel,
hij klankloos naar haar de armen als verlengende

maar ze gleed af, viel weg, te ruggelings het vorige toe.

3

Na de cante hondo zet de troubadour
zijn musica nova in, het hooglied van
de aan geen ontsterving onderhevige
exclusieve amor tot de efebe zingt hij

als eerste in Hellas - superster
van zijn lier begeleid de wereld
door gaand - voor Chaonische eiken,
Phaëton's zusters, de cipres, de pijn

op de sprookjesplaats. de orchiswei
voorbij alle wijnland. Van hun top
punt in de perspex middagklaarte
op hem neerziend heeft de horde

opgehitste Kikonische kooimeiden
het recital gevolgd, heeft er een
'ballen afsnijden' gejodeld, een
in de bries het haar opgegooid.

In een alzo vals concours
omstrijden het melos helsschrille
Phrygische fluiten, rinkinkende
tamboerijnen, manisch geschrei

om het uit dat strottehoofd ten
hemel schreiende te overstemmen.
Tot hun instrumenten rood zien,
de thyrsi, keistenen, rieken,

kaphouwelen inhakken op het
hoofd, het hoofd van ene Osip
Amandelboomstam alsof hij niet
Apollo's lier zich verdedigde,

en, nog zijn getergdst, zijn zich op
hemelendst tremolo in de arena niets,
de stem afbreekt. Ze scheurden zijn
klanklichaam in stukken als een kleed

en verdeden ze naar de vier windstreken.
Het hoofd gooiden ze hoog op, het viel
in het stroommidden van de zoetvloeiende
Hebros met de lage oevers beurtzingend hoofd

in zegetocht zingend zich een rivier in zee.

4

Dit hoofd moet op zijn gezang geloofd worden.
Er was geen overbrenger bij toen het luide al
voorzingend op het strand van Lesbos voorbij
Methymna aanspoelde, purpergroene champagne-

schuimbellen uit haarwier en ringbaard aldoor
klokzeepblaassel om dit hoofd zich ophopend hoofd
dat dolfijnfamilies tussen twee golftoppen aanroepen,
waarheen de einden van de regio, de eilanden

dergenen in zee en de kinderen der Hyperboreeërs
hun kinkhoorns gekeerd houden. De naar de profetie
goudbekkende Lemnische slang die dat alzo wrak oks
hoofd wou in zich innemen en van graniet werd? Een ver

dichtsel en een verplichte figuur dat de lier
van mijn leven, op voorspraak van de zingster
die mij zoet hield op schoot, aan de hemel gezet
is, een twinkeling naar het hart van leeuwenvangers.

Dit echter lokte mijn genius uit. Dat, toen
de hoorndolle wijntreedsters van hun arbeid
in de wijn roodvoetig terugkeerden, hun god
als een blad aan zijn wingerd omsloeg, hun

god furieus descenderend in de vegetatieve
natuur van die favorieten, zijn clitoris
bespeelsters, van onder uit de biotoop trok
aan hun tenen, tientallen meters hun tenen

uit rok. Van schrik bepisten ze zich, ziend
dat ze hun parelmoerteennagels misten, ziend
schors hun mooie benen opwaarts bekruipen.
Bosduivebeschetenen van de Folies Bergères.

Toen ze probeerden in arremoei elk voor
zich op hun dijen te slaan sloeg elk op
de bast van een eik. Hun armen: eiketakken.
Wortelvoeten. Bekkens van eiken, eikebuiken,

borsteiken! Hei houthalers. afhakken, omzagen dat
stokdove stemmeloze woud, er kachelhout van maken, je
bij je houtkachel warmen, brood bakken, vlees braden
op louter hout, ja er tot je behoud een oerdegelijke god

uit houwen want eikehout is eikehout jouwt het hoofd.

Jacques Hamelink

Terug - Top


Aan de Scamander

De Roodblonde met de meisjesoorring spieste
de op hem vlammende Amazone onder Ilions muur
bij hun eerste treffen aan haar paard vast
en sleurde haar uit het zadel aan haar haar.

Toen achterhaalde hem ten uiterste die amor
van verwilderden, ontgespte hij haar en zijn
pantser en lag met haar in het vuil en besmeerde
zich publiekelijk met haar bloed en likte het.

En laag scandeerden de Myrmidonen daar
'voor de honden die vagina met tanden'
en apesmoel Thersites dorst het tijgerhart
toevoegen 'gore necrofiel, molshoopneuker'

en kerfde de starre quene de ogen uit en zijn
neef Diomedes sleepte het kreng aan de voeten
naar de Skamandros, en ook zulke
doodsmelkbedieningen, verkrachtingen

speelden ze als schooljongens
op een boerenhof in hun grote vakantie
met een air van gepantserdheid
door niks en nooit riep Moeder.

Jacques Hamelink

Terug - Top


[Archilochos]

                          Έν δορὶ μέν μοι μᾶζα μεμαγμένη ἐν δορὶ δ'οἰνος
                          Ἰσμαρικός, πίνω δ'ἐν δορὶ κεκλιμένος
  (Άρχίλοχος)

Hoe klonk de fluit bij wat omving,
die éne, aan geruchten,
de paria, de edeling,
die streed of spottend vluchtte?

Die scheerde met de horden mee
- hoe hecht door hen omsloten? -
laag langs de landbesterde zee
gedoken in hun boten.

Hoe klonk de fluit bij 't korte lied
in nachtwacht, driest doordronken,
herhaald, herhaald, gehoord of niet
als zij bij 't wachtvuurvonken,

't hoofd zinkend, ruig de baardenring
omhoog, mond zuigend, vangend,
het zwevend, dwaze speelgoedding
met loze poten hangend:

de wijnzak slingerden van één
naar d'ander, of omtwistten
en was hij niet trots op de been
of rondom zwijnen gristen?

Kon hij alleen zich stellen met
zijn barser vers, te tuchten
de dolle, blinde wereldwet
doch zonder die te vluchten?

Of was die van het verst verschiet
nog één als die voor Troje,
die lust alleen als buit geniet;
door lust niet te verstrooien.

L. Th. Lehmann

                          Έν δορὶ μέν μοι μᾶζα μεμαγμένη ἐν δορὶ δ'οἰνος
                          Ἰσμαρικός, πίνω δ'ἐν δορὶ κεκλιμένος
                          In mijn lans is brood gemengd, in mijn lans wijn
                          uit Ismarus. Ik drink leunend op mijn lans.

Terug - Top


[Theokritos]

                          οὐ θέμις, ὠ ποιμήν, τὸ μεσαμβρινόν οὐ θέμις ἅμμιν
                          συρίσδεν. τόν Πᾶνα δεδοίκαμες.
  (Θεόκριτος)

Wat hoorde gij, Theokritos,
welks weerklank ons betovert?
Was op Sicilië of Kos
een veld zo mild betoverd,

dat zoetgevooisde herders daar
stem wekten bij u binnen,
dierbaard're nog, als zeiden maar
uw gier'ge, moede zinnen.

Hoe vingers vaardig slingerden
gekruiste syrinxbanden.
Op wallen, murw bewingerden
zij zaten, de guirlanden

van tonen in hun paarlen spoed
probeerden, en herkenden
wat nymphen, steels belust, de voet
deed naar de woudrand wenden.

Hoe maagden loom in 't middaguur
het ver gepijp vernamen,
vergetend voor dit sijp'lend vuur
het huis, vanwaar ze kwamen.

En hoe de wind de bomen boog,
ze Pan's fluittongen maakte,
een slaap zwaar lot hen overvloog,
dat klauwde waar 't ontwaakte.

Gij wist uw herders waren ruig
wreed, stinkend, en zij spuwden,
na 't glorierijke fluitgejuich
dat zoele winden luwden.

L. Th. Lehmann

                          οὐ θέμις, ὠ ποιμήν, τὸ μεσαμβρινόν οὐ θέμις ἅμμιν
                          συρίσδεν. τόν Πᾶνα δεδοίκαμες.
                          Ongehoord is het, herder, dat we 's middags op de fluit
                          spelen. Ik heb teveel eerbied voor Pan.

Terug - Top


Fragmenten van een telegonie

I PROOlMION

O muze van Eugammon van Cyrene
vertel mij, als eens hem, over de man
die nimmer van de zeeën is verdwenen
en nooit zal, zolang iemand een ding van
hout, staal of plastic stuwkracht zal verlenen
door 't water, of alleen maar lezen kan,
want minnen na het moorden aan de wal
begrijpt men dat hem daar niet binden zal.

Wij kennen niet wie woonde tussen velden
van silphion, het uitgestorven kruid,
en zee, op zijn manier teweer zich stelde,
met Griekse pen, papyrus, lier en fluit,
met speer en schild van muren of te velde
tegen de rovers en belagers uit
zuidelijk land; Lybische wagenmenners,
of zee, ook Grieken, komende als kenners.

Maar hoe Homerisch hier ook de barbaar
stormliep op wielen achter dolle paarden,
zoals hij zich ver weg, in de hoggar
heeft afgebeeld, de verte kon niet aarden
in vlakten, voor de Homeried die daar
binnen stadsmuren 't woordambacht bewaarde
. De zee, nabij, vond hem niet in gebreke,
hij liet de oude varensheld weer spreken.

II HET LAATSTE VERTREK VAN ODYSSEUS

Om naar die vreemde volken toe te gaan,
voor wie de mast, het staand en lopend want,
de roeiriem en het zout zelfs niet bestaan,
moest ik van lthaka naar 't vasteland
en dus de hand aan schoot en riemen slaan,
zoals voor elke reis. Naar d' overkant
had 'k makkers die in leeftijd meer verschilden
van mij, dan die uit Troie keren wilden.

Zij waren meer aan huis en wal gebonden,
en ook natuurlijk in bevarenheid
minder dan zij waren en ik ben. Onder
de korte reis had ik voldoende tijd
om dingen waarvan zij wat leren konden
te zeggen, voelde mij met hen bereid,
in plaats naar land ver buitengaats te varen
en om op zee te blijven weer voor jaren.

Ik hunkerde hun dat bevel te geven,
de jongens waren van het goede soort
zoals op lthaka altijd wel leven;
nog wat onhandig, maar een week aan boord
had uit hun handen 't boerenwerk verdreven
en 'k had van doden stemmen weer gehoord,
maar ik wist dat voor mijn bestwil de goden
spraken van land, land, land in hun geboden.

Een zeeman zou zo vaak lang slapen willen,
zonder een oor te spitsen heel de nacht;
voor wisseling van wind, voor harder trillen
van spanten, voor een zwaarder golvenkracht,
maar zijn al zijn wensen vervuld en stil en
de reparaties aan zijn huis volbracht,
dan zou 'n sirene, die daar door kon dringen,
over de zee, niet over thuis meer zingen.

Het was verstandig wat de goden vroegen,
dus bleef ik rechtuit naar het land toe gaan,
de jongens landden zeer tot mijn genoegen
en brachten hof'lijk uit het ruim vandaan
mijn reisgoed, dat zij ook het land opdroegen,
wel het voornaamste was: een roeiriem aan
het greepeind tot staflengte afgezaagd
en wat een reiziger gewoonlijk draagt.

III DE RIVIERGOD

Ik keek zo weinig om als ik maar kon
en volgde d' Acheloos naar het noorden,
gemakk'lijk door het dal en toen de zon
ging zakken was het al achter de boorden
van 't Akarnaans gebergte, dat begon
links van mij op te rijzen, voor mij stoorden
geen mensen en geen steden nog mijn gang,
ik was bereid tot lopen, dagenlang.

Eerlijk gezegd, om in een huis te slapen
begeerde ik de eerste nacht nog niet,
ik schaamde mij nog voor mijn vreemde wapen
en zag zovele vragen in 't verschiet.
Het doel was wel dat elk mij aan zou gapen,
elk iets vroeg die mij zag of binnenliet,
maar waarom waar mijn taal nog werd begrepen,
wie spreekt er Grieks als hij niet weet van schepen?

Zo liet ik heel de zon getroost verzinken
en liet het groene water langs mij gaan,
nam zelfs geen tijd voor eten of voor drinken.
De mist drong langs de wilgen en de maan
kwam op en deed de eerste toppen blinken
van 't land waar het eens heeft kunnen bestaan
dat helden niet om buit of steden vroegen,
maar achter een wild everzwijn aanjoegen.

De nevel uit het water opgekomen
liet mij de grond alleen nog zien vlakbij,
verder alleen het lover van de bomen
en de nu geheel zwarte bergenrij,
toen was het mij alsof ik liep te dromen;
een knotwilg vond ik plotseling recht voor mij.
Ik wilde 't pad hervinden, hem ontwijken,
maar zag twee grote ogen naar mij kijken.

De wilg deed ook een pas, ging tegenover
mij staan en ik zag, op zijn brede hoofd
stonden twee hoorns als takken zonder lover,
een mond was er als in het hout gekloofd,
wat leek een raf'lig kleed van groen, hing over
zijn lichaam, voeten had de mist geroofd.
De bleke vrees beving mij, hoewel deze
gestalte toch alleen een god kon wezen.

Ik wilde vruchtloos vluchten, maar vernam
een zware stem van één, die mijn naam kende:
'Odysseus, vrees niet, ik ken u en kwam
aan land voor u de veelbevaren' en de
nu uitgeruste, die weer last opnam,
en voordat gij u weer naar huis zult wenden,
zult gij opnieuw de veelbeproefde heten,
maar kom nu als mijn gast drinken en eten.'

Ik zei: 'Gij weet wie ik ben als een oude
gastvriend of buur, die men op reis ontmoet.
Ik ken u niet, meen u te moeten houden
voor een god die meer vriendlijks voor mij doet
dan stervelingen zich ooit toevertrouwden
te vragen.' Hij antwoordde: 'Gij hebt goed
geraden, maar wie Hades' huis betrad
vindt naar mijn woning een gemakk'lijk pad.'

Zoals aan een glooiend strand zwemmers gaan
te water, zo liep hij de nevel in,
ik dacht dat hij zijn armen uit zou slaan
wanneer de nevel raakte aan zijn kin,
maar hij liep door, ik volgde, kon steeds staan,
voor mij was 't donker of ik aan 't begin
was van een gang, hij nam mijn hand, een pad,
goed effen, liep ik langs en werd niet nat.

Toen stond hij stil en klapte in zijn handen;
de dienaressen brachten fakkels aan,
die voor ons, in de grond, kwamen te branden.
Bij dat licht zag ik mij in 't midden staan
van 'n grote ronde zaal waarvan de wanden
uit groen gesteente schenen te bestaan.
Twee zetels stonden er, zeer fraai bekleed,
op één waarvan de god mij zitten deed.

Men zette schragen van het beste eiken
en legd' er gladde bladen overheen,
een gouden mengvat kwam ernaast te prijken.
Ik zag, de wanden waren niet van steen,
want vissen kwamen er soms achter kijken,
aangelokt door het licht, soms sloeg er één
een vin of staart door, maar toch zonder dat
een druppel in de kamer werd gespat.

De dienaressen brachten spijzen binnen,
voornaamlijk vis, maar ook vlees, fruit en brood.
Zij wasten en zij droogden met fijn linnen
mijn handen, terwijl één de wijn uitgoot,
en de riviergod liet het maal beginnen,
met graagte at ik van wat hij mij bood.
Toen al dit goede ons verzadiging
gebracht had, was hij 't die 't gesprek aanving.

Wat gast en gastheer steeds te zeggen plegen
blijv' achterweeg, goden zaagt gij tevoren,
al zijn die snel als vogels opgestegen;
een oud gebruik, waaraan 'k mij nooit wou storen
al kwam ook Heracles tot vechten tegen
mij, brak mijn linker- en mijn rechterhoren,
want een onsterflijke heeft tijd van leven
waarin hem wat hij kwijtraakt wordt hergeven.

Gij denkt nu van het water weg te trekken,
voorbij mijn bronnen naar het noorden toe,
gij zult veel volkeren voor u ontdekken
van wie nog weinig Grieken weten hoe
zij leven en zij spreken, en verwekken
nieuwsgierigheid naar u, maar als gij moe
zult zijn van al het reizen en het land,
weet elk nog wat die staf is in uw hand.

Van ver, over droge bergschouders heen,
of plotsling voor de voet, in vlakten, kan
men inhammen, meren en stromen zien,
hoe klein ook, ja op 't donker water van
grotten, waar tot gordijn en zuil de steen
door 'n god gewrongen schijnt, zal u een man
het piepen van de dollen laten horen
soms zelfs ook staande, met 't gelaat naar voren.

Maar waar het water staat tot bovenaan
zijn er meer dan stervelingen geloven,
ja, zelfs voor goden duurt het lang te gaan
door sponzig slijk, door gangen en door kloven,
en om voor mij ook verre broeders aan
te spreken, hoef ik ook niet even boven
aarde te gaan, zelfs als z' in zee uitstromen
waar gij zelfs niet met riem of zeil zoudt komen.

De bleke schrik beving mij bij zijn woorden,
ik zei tot hem: 'Het is niet iedereen
der sterf'lijken, die ooit zo duidelijk hoorde
een raad uit godenmond, voorwaar, ik meen;
't is goed dat ik dit weet over het noorden,
meer zal ik verder denken nog; waarheen?
Als 'k terugkeer zal ik u met offers prijzen,
met velen na mij, die dit land bereizen.'

'De gastheer', sprak hij, 'is 't die geven moet.
Ik had u kostb're giften toegedacht,
maar slecht schikt zulks een reiziger te voet,
aanvaardt dus slechts een bed voor deze nacht,
na spijs en drank is ook het slapen zoet,
ik wou dat gij hier maanden had verbracht,
maar wie slechts reist om thuis zijn rust te vinden,
vindt waar hij 't kortst verwijlt de beste vrienden.'

Op vele plaatsen heb ik al gelegen
tot slaap, in bladeren en voor de poort
bij anderen, in 't tochtig afdak tegen
de hofmuur, bij mij thuis in 't bed, geschoord
door een levende boom, maar 't goed geregen
bed waar 'k door dienaressen heen gevoerd
werd nu, stond in een stilte die zo diep
ik nooit op aarde vond waar ik ooit sliep.

De dag die volgde werd in deze zaal
verkondigd door een groene dageraad.
Ik zag mijn gastheer voor de laatste maal,
wij spraken weinig, hij gaf mij geen raad,
ik at zijn overvloedig ochtendmaal,
een gast, die wacht tot gastheer groetend staat.
Ik ging weer door de stroom over de grond
totdat ik droog tussen de wilgen stond.

L. Th. Lehmann

Terug - Top


Odysseus

I. DE ZENDING VAN TELEMACHUS
      1. De Godenvergadering (I, 22-96)
      2. Mentes (I, 102-444)
      3. Mentor (IIl)
      4. Nestor (III)
      5. Menelaus (IV, 1-618)
      6. Het komplot (IV. 625-675)
      7. Penelope (675-847)

II. DE BEVRIJDING VAN ODYSSEUS
      1. Calypso (V, 57-281)
      2. Ino Leucothea (V, 282-493)
      3. Nausicaä (VI)
      4. Alcinoüs (VII, VIII)

III. DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS
      1. De Ciconen (IX, 16-62)
      2. De Lotophagen (IX, 80-100)
      3. Polyphemus (IX, 105-542)
      4. Aeolus (X, 1-80)
      5. De Laestrygonen (X, 81-135)
      6. Circe (X, 135-573)
      7. Tiresias (XI, 51-204)
      8. De Sirenen (XII, 8-16; 143-201)
      9. Scylla en Charybdis (XII, 234-260)
      10. De heilige kudden van Helios (XII, 260-453)

IV. DE TERUGKEER VAN ODYSSEUS
      1. De overtocht (XIII, 1-125)
      2. De wraak van Poseidon (XIII, 125-184)
      3. Godin en gunsteling (XIII, 187-440)
      4. Eumaeus (XIV, 1-528)
      5. Het vertrek van Telemachus (XV, 4-178)
      6. De aankomst In Ithaca (XV, 193-282; 495-557)
      7. Het verhaal van Eumaeus (XV, 300-492)
      8. Odysseus ontmoet Telemachus (XVI, 4-311)
      9. De boodschap van Eumaeus (XVI, 338-406)
      10. Penelope spreekt tot de vrijers (XVI, 409-451)
      11. Eumaeus in zijn hut terug (XVI, 452-481)
      12. De thuiskomst van Telemachus (XVII, 5-166)
      13. De thuiskomst van Odysseus (XVII, 185-328)
      14. Odysseus bij de vrijers (XVII, 360-493)
      15. Telemachus niest (XVII, 507-589)
      16. Het bedelaarsgevecht (XVIII, 1-121)
      17. De wapens van den wand (XIX, 1-50)
      18. Het voetbad (XIX, 104-505)
      19. De droom van Penelope (XIX, 508-605; XX, 1-5)
      20. De boog van Odysseus (XX, 147-363; XXI, 58-186)
      21. De slachting (XXI, 188-245; 312-355; 393-XXII, 477)
      22. De herkenning (XXII 480-495; XXIII, 1-241)
      23. Laërtes (XXIV, 204-347)
      24. Slot

Voorwoord van de schrijver

Namenregister

I. DE ZENDING VAN TELEMACHUS

1. DE GODENVERGADERING
      De goden zaten in d'aloude statie-zaal,
      Versierd met al de pracht en heerlijkheid en praal,
Die pasten bij den staat der hooge hemelheeren,
Door Zeus ontboden, om met hem te confereeren.
      Toen allen zwegen, nam de Dondergod het woord,
      En sprak met waardigheid, maar min of meer verstoord:
"Is 't niet verwonderlijk, dat 't menschdom steeds zijn rampen,
En al den tegenspoed, waarmee het heeft te kampen,
      Aan ons, de goden, wijt? Zijn wij daarvan de schuld?
      Welneen, de menschen zelf. Nu ben ik weer vervuld,
Met wat Aegisthus deed. Gij weet, wat hij gedaan heeft,
Hij weet, dat hij een schandelijken moord begaan heeft
      Op Agamemnon, uit begeerte naar diens vrouw,
      Hoewel hij wist, hoe slecht hem dat bekomen zou.
Ik had hem namelijk door Hermes laten weten,
Dat Agamemnon's zoon die daad niet zou vergeten,
      Maar zinnen zou op wraak. Vergeefs. Hij pleegt den moord,
      En zet zijn schuldig spel met Clytaemnestra voort.
Haar zoon, Orestes, heeft de gruweldaad gewroken,
En 't overspelig paar kloekmoedig doodgestoken.
      Nu vraag ik, goden, u, dat gij mij 't antwoord geeft,
      Aan wie die mensch zijn ongeluk te wijten heeft."
Toen stond Athene op. "'k Behoef u niet te zeggen,
Dat ik me bij die straf volkomen neer kan leggen,"
      Zoo sprak zij. "Ja, Aegisthus heeft zijn lot verdiend.
      Maar laat mij nu een woordje spreken voor mijn vriend,
Odysseus, die onschuldig grievend leed moet dragen.
Calypso houdt hem vast. Hij doet maar niets dan klagen
      En smeeken naar zijn vrouw en kind terug te gaan,
      En u verhindert dat. Wat heeft hij toch misdaan?"
"Maar kind," zei vader Zeus, "wat ben je ongeduldig!
Ik ben het met je eens. Ik vind hem niet zoo schuldig.
      Zijn straf komt niet van mij. Poseidon is de god,
      Die hem gedoemd heeft tot zijn deerniswaardig lot.
Hij heeft zich door die straf slechts op den man gewroken,
Die Polypheem, zijn zoon, het oog had uitgestoken;
      Daarom drijft hem de zeegod rond van strand tot strand,
      En houdt hem verre van zijn volk en vaderland."
"Bij Troje placht hij u met offers t'overstelpen,"
Voegd' hem Athene toe. "Welnu, ik zal hem helpen.
      Zijn d'andren ook gezind ten gunste van den held?
      Ja? Goed. Dan komt hij vrij. Dat is dus vastgesteld,"
Vervolgde Zeus, "Poseidon is hier niet aanwezig,
Een Aethiopisch offerfeestmaal houdt hem bezig,
      Maar hoort hij, dat wij allen voor Odysseus zijn,
      Dan zal hij wel wat water mengen in zijn wijn."
Een hartelijk applaus weerklonk van alle zijden.
"Dat u besloten hebt, Odysseus te bevrijden,
      Stemt mij tot dankbaarheid," hernam de krijgsgodin,
      "Nu stel ik verder voor: we maken een begin,
Door Hermes op de nimf Calypso af te sturen,
Om haar te zeggen, dat het uit is met haar kuren, .
      En dat z' Odysseus kalm naar huis moet laten gaan.
      Ik kondig dan zijn zoon, Telemachus, vast aan:
Je vader is op komst. Laat dus den moed niet zinken;
En al die vrijers, die je vaders goed verdrinken,
      Tot schande van zijn vrouw, die zet je uit je huis."
      "Ja, ja, dat is je toevertrouwd, mijn kind," zei Zeus.
"En verder," ging zij voort, "zal ik zijn geestkracht sterken;
Ik ben van plan om op zijn eergevoel te werken,
      Ik maak, dat hij naar Pylos en naar Sparta reist
      Op onderzoek, en zoo zijn goeden wil bewijst."
Daar dit den bijval vond der godlijke genooten,
Werd de bijeenkomst door den Donderaar gesloten.

2. MENTES
      Athene draalde niet, maar zweefde neer, en ging
      Naar Ithaca, 't gebied van haar beschermeling.
Zij had zich zwaar vermomd, als man van hoogen leeftijd;
Ik vraag hem onderdak, zoo peinsde zij, en, geeft hij 't,
      Natuurlijk doet hij dat, dan help ik hem terecht,
      Zoo als ik dat in de vergaadring heb gezegd.
En toen zij dan de lange wandeling volbracht had,
En voor de woning stond, vond zij, wat ze verwacht had,
      De vrijers aan de fuif. Ze hadden dol plezier,
      En maakten, op Odysseus' kosten, goede sier.
Telemachus zat boos te midden van de gasten,
Die, ongeïnviteerd, zijn vaders goed verbrasten.
      " Wees welkom, vreemdeling," zoo sprak de jonge man,
      "Zit aan, en zeg mij, waar ik u mee dienen kan."
Zij zette zich, en zei: "Ik heb in vroeger jaren
Je vader goed gekend. Wat is hem wedervaren?
      Vertel eens wat. Het is wel veel veranderd hier!"
      "We kunnen moeilijk spreken onder dit getier,"
Was 't antwoord, "laat ons liever deze zaal verlaten;
Ik zou met u graag rustig over vader praten."
      Ze gingen dus, maar nauwlijks waren z' in de gang, .
      Of daar weerklonk een luid maar wonderzoet gezang,
Een lied, door Phemius, den ouden bard, gezongen,
"Daar wordt mijn vaders zanger daaglijks toe gedwongen,"
      Verklaarde hij, en bracht haar naar een zijvertrek,
      Geschikter voor een kalm en degelijk gesprek.
Athene, die zich als vorst Mentes voorgesteld had,
Sprak, toen de knaap haar alles, wat z' al wist, verteld had:
      "Dat is een droef verhaal. Maar, jonge man, hou moed.
      Je vader leeft, en komt terug. Versta me goed,
Ik ben geen ziener, maar ik heb een stem vernomen,
Dat, als jij medewerkt, mijn vriend terug zal komen.
      Verjaag die schuimersbent. Je kunt dat niet alleen?
      Roep morgen dan de volksvergadering bijeen;
Daar doe je je beklag. Je luistert naar het oordeel
Der wijzen uit het volk, en doet daarmee je voordeel.
      Voorts moet je naar den ouden, wijzen Nestor gaan;
      Je vraagt hem wat hij weet, en heb je dat gedaan,
Dan moet je je tot koning Menelaus richten,
Die, voorzoover hij kan, je nader in zal lichten.
      Gedraag je als een man, doortastend en kordaat."
      "Ik dank u," zei Telemachus, "Ik volg uw raad."
Verzonken in gedachten staard' hij voor zich henen,
En toen hij opkeek, was de oude man verdwenen.
      Dit wonder trof hem zeer, en 't flitste door zijn geest:
      Zou deze goede vriend een godheid zijn geweest?
Hij voelde hoe bemoedigend haar woord gewerkt had,
En in zijn weifeling zijn wankle ziel gesterkt had.
      Tot dusver moeders kind, dat weinig mag en kan,
      Was hij ineens gerijpt van knaap tot mondig man.
Hij scheen zich in een gloed van dapperheid te voelen,
Van overmoed misschien, en wenschte dien te koelen.
      De zanger Phemius zong thans een zang, gewijd
      Aan 't droevig onderwerp van den Trojaanschen strijd;
Toen kwam Penelope neerslachtig naar beneden,
En sprak den dichter toe om hem te overreden
      Niet daarmee door te gaan. Zij sprak: "O staak dit lied.
      Het doet mij zeer. Zing door, maar zing van Troje niet."
Nu trad Telemachus, totnogtoe zoo bescheiden,
Tot haar verwondering krachtdadig tusschenbeiden.
      Hij las haar vriendelijk, maar zeer beslist de les:
      "Verwijt hem niet. Het nieuwste lied heeft 't meest succes.
Laat toch den zanger wat de ziel hem zegt bezingen.
Niet hij is schuldig - Zeus, die vrij zijn zegeningen
      Of rampen tot ons zendt. En 't leed trof niet alleen
      Odysseus; d'andren ook. Dus, moeder, ga nu heen,
En blijf bij 't weefgetouw. Dat is de plaats voor vrouwen.
U moet aan mij, als man, de leiding toevertrouwen."
      Penelope keek op, verbaasd van dezen toon,
      Maar zwichtte, zonder veel te zeggen, voor haar zoon.
Bekommerd om Odysseus en haar jongen beide,
Ging z' in gepeins terug naar haar vertrek, en schreide.
      Telemachus bleef bij de vrijers in de zaal;
      Hij riep hun luide toe, in onbeschroomde taal,
Dat hij een volksvergaadring wenschte te beleggen,
En eindigde met hun zijn woning te ontzeggen.
      Schoon door Antinoüs en anderen gehoond,
      Hij had zijn vasten wil tot handelen getoond.
De vrijers bleven tot het einde van den avond,
      Zich volop aan Odysseus' zoete dranken lavend,
Maar hij had d'eerste schrede op het pad gezet,
Dat hem Athene wees. Hij ging getroost naar bed,
      En Euricleia, de getrouwste der getrouwen,
      Ging mede, om zijn kleeren netjes op te vouwen.
Telemachus was moe, maar 't slapen slaagde slecht:
Hij dacht teveel aan wat Athene had gezegd.

3. MENTOR
Telemachus staat op. Hij kleedt zich en hij haast zich
Naar 't marktplein, met twee dartle jonge honden naast zich;
      En wie hem zoo zag gaan, met opgewekten pas,
      Verbaasde zich hoe knap de knaap geworden was.
Maar de vergadering, denzelfden dag gehouden,
Waarop de moeder en de zoon hun hope bouwden,
      Had weinig resultaat. "Zijn moeder is de schuld,
      Zij!" riep Antinoüs. "Hoe tart zij ons geduld.
Had zij niet vast beloofd, haar hand te zullen geven
Aan een van ons, zoodra ze 't laken had geweven,
      Dat eens als lijkwa voor Laërtes dienen zou?
      Dat zei ze. Maar wat deed de sluw geslepen vrouw?
Ze toond' ons overdag, hoe hard z' er wel aan werkte,
Maar wat gebeurd' er 's nachts, als geen van ons het merkte?
      Dan trok ze 't dag-werk uit, bij toortslicht, draad voor draad;
      Zoo hield de slimme feeks ons drie jaar aan de praat.
En nimmer zouden wij erachter zijn gekomen,
Had een van ons het niet van zijn vriendin vernomen,
      Die bij haar diende, haar bespiedde in den nacht,
      En ons den uitleg van het raadsel overbracht."
Wij zullen geen verslag van al 't gezegde geven,
De zitting werd na veel gekibbel opgeheven,
      En 't eind van 't lied was dit: de vrijers, stout en sterk,
      Volhardden straffeloos in hun strafwaardig werk.
Telemachus, die nu begreep wie hem gesteund had,
Toen niemand anders zich om moeders lot bekreund had,
      Ging naar de kust, wiesch zich de hand' in 't zilte sop,
      En zond zijn smeekgebeden naar Athene op.
Juist toen hij zich tot wederkeer naar huis bereidde,
Stond zij, vermomd als d' oude Mentor, aan zijn zijde,
      Beloofde hem een schip, en bood hem tevens aan
      Als vaderlijke vriend met hem op reis te gaan.
Telemachus was zeer verbaasd; maar opgetogen
Nam hij het aanbod aan, en dankte diep bewogen.
      Doch aan Penelope vertelde hij het niet;
      Hij dacht: wat moet ik doen, als zij het mij verbiedt?
En dat verwacht ik. Neen. 'k Zal Eurycleia vragen
Mijn moeder in te lichten over veertien dagen.
      Die goede, trouwe meid, en Medon, onze knecht,
      Die zullen zwijgen, als mijn vaders zoon 't hun zegt.
De brave vrouw bezorgd' hem proviand en kleeren,
Opdat de jongen onderweg niets zou ontberen;
      De zakken werden in de stilte van den nacht
      Door 't scheepsvolk ongemerkt aan boord van 't schip gebracht.
Telemachus vertrekt. Zijn weifling is verwonnen.
Men slaat de kabels los. De zending is begonnen.

4. NESTOR
      Voorspoedig werd de reis volbracht bij kalme zee,
      En weldra lag de boot voor Pylos aan de ree.
Ze stapten snel aan wal. "Nu niet verlegen wezen,"
Zei Mentor, "j'hebt van koning Nestor niets te vreezen,
      Dus je vertelt hem alles van je moeder's leed,
      En vraagt hem, of hij ook iets van je vader weet."
"Ja," zei Telemachus, "maar 'k ben zoo onervaren,
Hoe spreekt een knaap als ik met iemand van die jaren?"
      "Zeg, wat je hart je ingeeft, jongen," was 't bescheid,
      "En dan - ik denk dat jou een hoogre macht geleidt ..."
d'Ontvangst bij Nestor was hoogst hoffelijk en hartlijk,
En, was ook d'oorzaak van de komst der gasten smartlijk,
      Ze vielen in een feest, een offerplechtigheid,
      Die aan den god der zee, Poseidon, was gewijd.
Een zoon van Nestor bood hun plaatsen in hun midden;
Hij noodigt Mentor uit, te plengen en te bidden,
      Toen gaf hij hem een vollen gouden beker wijn,
      Terwijl hij vriendlijk sprak: "U zult wel d'oudste zijn,
En daarom dien ik dit het eerst aan u te vragen."
Athene dacht: die jongen weet zich te gedragen,
      En bad aldus: "Poseidon, aard-omvattend god,
      Geef Nestor en zijn zoons een gunstig levenslot,
Doe d'andre Pyliërs van uw genade blijken,
En laat Telemachus zijn edel doel bereiken."
      De oude vorst sprak graag, en na een hartig maal,
      Deed hij den vriendenkring het boeiende verhaal
Van wat hij had beleefd na zijn vertrek van Troje.
Telemachus, dat spreekt, waardeerde wel het mooie
      Van deze voordracht zeer, maar 't was een tegenval:
      Van vaders lot vertelde Nestor niemendal.
Hij had ook inderdaad nog niets van hem vernomen,
En dacht waarschijnlijk wel, dat hij was omgekomen,J
      Maar zei dit niet ronduit. Wel gaf hij te verstaan,
      Dat wat Orestes voor zijn vader had gedaan,
Een daad was, waar die zich met recht op kon beroemen.
"Moog' u het nageslacht alzoo met eere noemen,"
      Besloot de grijze vorst, en onze vriend verstond
      Van dezen wensch wellicht den waren ondergrond.
Nadat er zoo nog 't een en ander was besproken,
Scheen 't tijdstip voor de zoete nachtrust aangebroken.
      Daar hoorde men opeens een ruischend wiekgerucht:
      Een trotsche adelaar steeg statig in de lucht,
En Mentor was op 't zelfde oogenblik verdwenen;
Nu wist Telemachus: dat was alweer Athene.
      De jongen stond verstomd en raakte van zijn stuk,
      Maar Nestor greep zijn hand, en wenschte hem geluk.
"Wat?" sprak hij, "schrik je nu, in plaats je te verblijden?
'k Zou liever dankbaar zijn, dat goden je geleiden."
      Door dit opwekkend woord herstelde zich de knaap,
      Ging welgemoed naar bed, en viel terstond in slaap.
Hij had verzocht hem in den morgen vroeg te wekken,
Om tijdig naar den vorst van Sparta te vertrekken,
      Naar Menelaus, op Athene's wijzen raad.
      Een vurig span staat klaar, en 't uur van scheiden slaat.
Pisistratus, een zoon van Nestor, zou hem brengen,
En om het afscheid niet onnoodig te verlengen,
      Drijft hij de muilen aan. Zij draafden heel den dag,
      Totdat de zonne zonk, en d'aard in duister lag.
Zij vonden bij een vriend een veilig onderkomen,
En 's morgens werd met moed de tocht weer ondernomen
      Langs graanveld, bosch en beemd. De reis werd niet gestoord,
      En spoedig stonden zij voor Menelaus' poort.

5. MENELAUS
Men was er juist een dubbel bruiloftsfeest aan 't vieren;
De koning had de tafel prachtig doen versieren,
      Daar treedt Telemachus dan met zijn jongen vriend
      De feestzaal in, door Eteoneus aangediend.
Zij werden door den koning hartelijk ontvangen,
"Je zal wel, denk ik, naar een stevig maal verlangen,"
      Sprak Menelaus gul, "en naar een beker wijn.
      Tast toe. We hooren straks wel, wie je ouders zijn."
Telemachus keek rond. Hij zag zoo'n weidsche weelde,
Als zelden nog het oog van stervelingen streelde.
      "Pisistratus, heb j' ooit zoo iets gezien, zoo'n pracht?
      Zoo moet de zaal van Zeus er uitzien," zei hij zacht.
Maar Menelaus, die zijn woorden half verstaan had,
Verteld' hun aanstonds waar hij al dat moois vandaan had:
      Van Troje. En zoo sprak hij nog een tijdje door.
      Er kwam in zijn verhaal veel van Odysseus voor,
"Wel is mijn eedle vriend," zoo sprak hij, "te beklagen,
Die ver van vrouw en kind zijn droevig lot moet dragen!"
      Bij die verzuchting uit het trouwe vriendenhart
      Werd d'arme jongen overmeesterd door zijn smart,
En borst in tranen uit. Zoo had hij zich verraden
Bij 't luistren naar 't verhaal van vaders heldendaden,
      Tenminste Helena, de koningin, zei zacht:
      "Zeg, weet je, wat ik al zooeven heb gedacht?
Wat lijkt die eene jongen op Odysseus. Sprekend."
"O dan begrijp ik wat die droefenis beteekent,"
      Hernam de vorst geroerd. "Ja, nu herken ik hem.
      Hij heeft dezelfde oogen, houding, hoofd en stem;
Dit is Telemachus. Dit zijn Odysseus' voeten,
Zijn handen - dat ik zoo zijn jongen moest ontmoeten!
      Maar waarom heb je dat niet dadelijk verklaard? I
      Dan had ik je dat droevige verhaal bespaard."
Hij weende, d'oude vorst. Dit werkte zoo aansteeklijk,
Dat al die helden, in den regel niet zoo weeklijk,
      Zijn voorbeeld volgden, en een brakke tranenvloed
      Verluchting bracht aan aller overkropt gemoed.
Maar Helena, die al dat ween en en dat treuren
Niet langer aan kon zien, besloot hen op te beuren;
      Zij goot een vroolijk-makend wondermedicijn,
      Toen niemand er naar keek, in elken beker wijn.
Daardoor geraakte, na dien toestand van beklemming,
De vriendenkring weer in een opgewekter stemming,
      En Menelaus, die nu graag vertellen wou,
      Hoe slim Odysseus was, zei, kijkend naar zijn vrouw:
"Herinner je je nog, toen wij verborgen zaten
In 't houten paard? We mochten geen van allen praten,
      Maar jij, door 'k weet niet welken demon aangespoord,
      Had bijna door een list, het heele plan verstoord.
Je klopte 't op zijn buik, je noemde onze namen,
En vroeg ons vriendlijk of we niet naar buiten kwamen;
      Je deed de stemmen zelfs van d'andre vrouwen na,
      En 't werd een algemeen gefluister van: ik ga!
Alleen Odysseus had het dadelijk begrepen,
En gaf ons te verstaan, met teekens en met knepen,
      Geen kik te geven. Goed. We zwegen allen. Maar
      Daar gaan, o schrik! Anticles' lippen van elkaar!
En 't was jouw vader, jongen, die ons toen gered heeft,
Die 't roekelooze plan van dezen dwaas belet heeft;
      Hij legt zijn zware hand Anticles op den mond,
      Zoodat mijn vrouw 't gemummel hoorde noch verstond,
En na die oogenblikken van intense spanning
Verliet zij 't houten paard, tot vreugd van de bemanning.
      Maar kom, vertel me nu met openhartigheid:
      Wat heeft je eigenlijk tot dezen stap geleid?"
Toen schetste hem de knaap, hoe ongenoode gasten
Zijn eigen erfdeel en zijn moeders goed verbrasten,
      En dongen naar haar hand. "Nu voeld' ik 't als mijn plicht
      Tot u te gaan, o vorst, om raad en om bericht,"
Vervolgde hij. "Mijn vader - is hij omgekomen?"
"Ik heb op reis van Proteus," zei de vorst, "vernomen:
      De nimf Calypso houdt hem vast op haar gebied,
      Maar verdere bijzonderheden weet ik niet.
Jij kunt daar niets aan doen. 'k Zou hier nu maar wat blijven.
Je zult den tijd best met Pisistratus verdrijven.
      Je geest is overspannen, jongen. Je bent moe."
      Telemachus dacht na, en eindlijk gaf hij toe.
"Nu zal 'k je," sprak de vorst, "een mooi cadeautje geven:
Dit zilvren mengvat, door Hephaestus zelf gedreven,
      Met gouden rand. Het is een kostbaar stuk. Ziehier.
      Geen dank, mijn jonge vriend. Ik geef het met plezier."
Hij bleef dus met zijn vriend Pisistratus logeeren;
Er was geen noodzaak nu direkt terug te keeren.
      Hij had zijn plicht gedaan. Zijn zending was volbracht.
      Hier kon hij werken aan de vorming van zijn kracht.
Wij laten thans den knaap in Sparta's vruchtbre dreven,
Om in den geest naar Ithaca terug te zweven.

6. HET KOMPLOT
      De slempers brasten door, en sleten dag aan dag
      Met spies- en discussport, gezang en drinkgelag.
Doch 's jongelings vertrek was niet geheim gebleven:
Noëmon, die zijn eigen vaartuig had gegeven,
      Had kort daarna de toedracht van de zaak vermeld;
      De minnaars hoorden het, verwonderd en ontsteld.
"Wel zag 'k Telemachus niet daaglijks meer verschijnen,
Maar 'k meende dat hij op het land was, bij zijn zwijnen,"
      Zoo sprak Antinoüs, "wie had dat ooit gedacht!
      Ik had hem heusch tot zooiets niet in staat geacht.
Maar zeg, hoe is de jongen aan je schip gekomen,
Heb jij 't gegeven? Of heeft hij 't je afgenomen?"
      " Welnee, ik gaf het graag," zei d' ander goedgezind,
      "Men weigert zoo'n verzoek niet aan een koningskind.
Maar een ding kan ik nog maar altijd niet verklaren:
'k Zag Mentor op het dek; die 's met hem weggevaren,
      En d' andren morgen zie ik Mentor hier op straat!"
      Dit ernstig, vreemd geval werd lang en breed bepraat,
En op een avond, toen de beker lustig rond ging,
En 't nieuws omtrent Telemachus van mond tot mond ging,
      Nam, na een forsche teug, Antinoüs het woord.
      "Gij hebt," zoo sprak hij, "van het drieste plan gehoord;
Gij weet waarom de knaap die reis heeft ondernomen.
Nu dreigt ons groot gevaar. Dat moeten wij voorkomen.
      Ik rust een vaartuig uit. Wie gaat er met mij mee?
      Wij sleur' hem van zijn schip, en storten hem in zee."
Dat woord sloeg in, en lang nog bleven zij tezamen
In haat, door angst gebaard, zijn ondergang beramen.

7. PENELOPE
      Penelope vernam voor 't eerst van zijn vertrek
      Door Medon, den heraut, in 't volgende gesprek.
Waar is Telemachus, waar is mijn zoon gebleven?
Hij heeft zich op een lange, verre reis begeven.
      Uit eigen wil, of had een god het vastgesteld?
      Ik weet het niet. Dat heeft mijn meester niet vermeld.
Verzoekt hij dan den dood? Verklaar zijn opzet nader.
Hij reist op onderzoek naar nieuws omtrent zijn vader.
      En weten zij, de vrijers, van zijn plannen af?
      Zij weten z' en zij zinnen op een wreede straf.
Wat meen je met een straf? Wees duidlijk in je woorden.
Zij gaan hem achterna, en willen hem vermoorden.
      Wie leerde je dit onrustbarende verhaal?
      Ik heb hun woorden afgeluisterd in de zaal.
Penelope was diep door dit bericht verslagen,
"Hoe zal ik zonder steun zulk zielelijden dragen?"
      Zoo riep zij weenend uit, door tranen schier verblind,
      "Eerst nam mij 't lot mijn man, en nu mijn eenig kind.
O, Eurycleia, waarom heb je dat verzwegen!"
"Ik had," zei d'oude vrouw, "het streng bevel gekregen,
      Te zwijgen tot hij veertien dagen weg zou zijn;
      Maar 'k heb hem goed verzorgd met kleeren, spijs en wijn."
"Ik roep Laërtes hier!" - "Als ik u iets mag raden,"
Zei d'oude, "doe dat niet. Gaat u nu rustig baden,
      En richt dan tot Atheen ootmoedig uw gebed;
      Ik ben er zeker van, dat zij de jongen redt."
Penelope, de waarde van dit woord beseffend,
Ging, baadde zich en toen, den blik ten hemel heffend,
      Bad zij Athene lang en vurig voor haar kind.
      En de godin, der smeekling' even welgezind
Als hem voor wien zij bad, had het besluit genomen
Door een verschijning haar te sterken in haar droomen,
      Iphthima's beeltenis. "Penelope, schep moed,"
      Zei 't droombeeld bij haar bed, "je jongen heeft het goed.
Hij doet zijn plicht. De goden zullen hem beschermen.
Athene zelve zal zich over hem ontfermen;
      Zij begeleidt hem op zijn tocht van kust tot kust."
      Toen sliep Penelope, gelaten en gerust.

Intusschen was het schip der minnaars uitgevaren
Naar Asteris, een eiland, waar zij veilig waren
      Voor stormgevaar. Daar waren zij aan land gegaan,
      En lagen op de loer, om straks hun slag te slaan.

II. DE BEVRIJDING VAN ODYSSEUS

1. CALYPSO
De hemelsche heraut was na 't besluit der goden
Vertrokken om te doen wat Zeus hem had geboden.
      Hij vond de schoongelokte dochter van den god,
      Van Atlas den Titaan, zacht zingend in haar grot.
Het was er wonderschoon. Een trossenrijke wingerd
Hing sierlijk om den ingang van de grot geslingerd;
      Zoo lieflijk was dit oord van boom' en bloem' en beek,
      Dat zelfs de god er met bewondering naar keek.
Odysseus was niet thuis. Hij lag aan 't strand te staren,
Met heimwee in het hart, naar 't wilde spel der baren.
      "Zoo, Hermes," zei de nimf, "hoe gaat het? Welkom hier.
      In lange niet geweest. Wien dank ik het plezier
Van j'onverwacht bezoek? Wat is je opgedragen?"
"Dit," klonk het antwoord snel, "mijn vader laat je vragen
      Odysseus af te staan. Het is de wil van Zeus,
      Dat hij terug zal keeren naar zijn eigen huis."
Daar barst Calypso uit: "Wat moet ik nu beginnen!
Mag geen van ons dan ooit een sterveling beminnen?
      Ik houd van hem. Heb ik hem niet gekleed, gevoed,
      En door mijn trouwe zorg voor ondergang behoed,
Toen Zeus hem en de zijnen schipbreuk had doen lijden?
Ik ben aan hem gehecht. Ik kan niet van hem scheiden;
      Ik heb hem zelfs d'onsterflijkheid, door mij, beloofd."
      "Calypso, volg mijn raad, en zet hem uit je hoofd;
Je zult verstandig doen, j'er maar bij neer te leggen:
Je weet wat Zeus beveelt. Meer heb ik niet te zeggen,"
      Zei Hermes, nam zijn staf, en liet de nimf alleen.
      De liefderijke vrouw snelt naar Odysseus heen;
"Odysseus," zegt ze zacht, en zet zich naast hem neder,
"Ik heb gewichtig nieuws. je krijgt je vrijheid weder;
      Tijg dadelijk aan 't werk, en bouw een stevig vlot,
      Bereid j' op 't afscheid voor van mij en van mijn grot.
Ik zal je zeilen, proviand en kleeren geven,
En wensch j' een goede reis en een gelukkig leven."
      Hij stond verstomd, maar zei: "Hoe graag 'k je land verliet,
      Dit klinkt me vrij verdacht, en ik geloof je niet,
Tenzij je zweert, dat mij geen ramp zal overkomen:
Wie heeft ooit op een vlot zoo'n zeereis ondernomen p'
      Z'had met geen woord gerept van wie haar had bezocht.
      Haar liefde kende hij - vandaar zijn achterdocht.
"Argwanend ben j' en slim," sprak zij, terwijl ze'm streelde,
En een bekoorlijk lachje om haar lippen speelde,
      "Welnu, ik zweer je bij der Styx geduchten naam,
      Dat ik geen plannen voor je ondergang beraam.
Geloof mijn eerlijk woord, en wees niet achterdochtig,
Ik ben niet liefdeloos, niet valsch en niet hardvochtig ..."
      Zij gingen in de grot. De maaltijd stond gereed,
      En na den afloop gaf zij uiting aan haar leed:
"O, wil je waarlijk niets meer van Calypso weten,
En word ik voor een broze sterveling vergeten?
      Ja, als je het begeert, dan zul j' in vrede gaan,
      Maar hoor, ik bied je toch 't onsterflijk leven aan,
Zou je dan werklijk niet hier kunnen blijven wonen,
En mijn aanhanklijkheid met wedermin beloonen?
      Ben ik niet heel wat schooner dan Penelope?"
      "Dat ben je zeker, maar ik ben met haar tevree;
Ik heb," was 't wederwoord, "geen vuriger begeeren
Dan naar mijn eigen huis en haard terug te keeren."
      Calypso schikte zich gelaten in haar lot,
      En in vijf dagen stond Odysseus op zijn vlot.
Zij had hem ruim voorzien van drank en etenswaren,
En gaf een goeden wind om veilig voor te varen.
      Odysseus stak in zee, de stuurriem in de hand,
      En na drie weken doemde vaag Phaeakenland.

2. INO LEUCOTHEA
Poseidon, juist van 't offerfeest teruggekomen,
Had onzen held van ver op 't houtvlot waargenomen.
      "De goden hebben mijn afwezigheid misbruikt
      Ten gunste van dien schurk. Zoo wordt mijn macht gefnuikt.
Zij willen mijn geslepen tegenstander sterken,
Welnu, ik ben er weer. Dat zal Odysseus merken,"
      Zoo spreekt hij, en hij zwiept de zee geweldig op.
      Het vlot vergaat. Odysseus stort in 't schuimend sop.
Hij klampt zich aan een plank, en vecht voor 't veege leven.
Toen dook Leucothea, door medelij gedreven,
      Van 't wilde water op. Zij zette zich op 't wrak,
      Wierp hem haar zilverlichten sluier toe, en sprak:
"Ontkleed u ijlings. Wind dit weefsel om uw leden,
Dan zult gij ongeschonden Scheria betreden.
      Zwem veilig verder, en, bereikt gij straks de ree,
      Werp dan den sluier die u droeg, terug in zee."
Twee dagen zwom hij door tot hij de kust genaakte,
Na zwaren strijd, waarbij Athene hem bewaakte.
      Hij werpt den sluier weer in zee, naar Ino's woord,
      En sleept zich moeizaam naar een dicht olijfbosch voort.
Daar legt hij 't loome lijf, en dekt zich toe met blaren.
Gelijk de eenling, die den vuurgloed wil bewaren,
      En ver van menschen woont, de kooi met asch bedekt,
      Wat zonder buurmans hulp een blijvend vuur verstrekt,
Zoo dekt Odysseus 't lijf, van loovergroen omwonden;
Dan nadert hem de Slaap, door de godin gezonden.

3. NAUSICAÄ
      Intusschen had Athene weer een plan bedacht,
      En daalde neder in de stilte van den nacht.
Terwijl Odysseus dus, met afgematte leden,
In slaap verzonken ligt, wendt de godin haar schreden
      Naar vorst Alcinoüs' gebied, naar Scheria,
      En zet zich aan de sponde van Nausicaä,
Zijn schoone telg, vermomd als een van haar vriendinnen.
Het meisje slaapt gerust. "Het schoot me laatst te binnen,"
      Begon Athene, "wordt het niet een beetje tijd,
      Dat jij wat aandacht aan je garderobe wijdt?
Je moeder vult je kast met kostelijke kleeren,
Als rechtgeaarde dochter moet je dat waardeeren,
      En is je uitzet wel zoo goed verzorgd, zoo rein
      Als die naar vaders en naar moeders wensch moest zijn?
Jij kunt je zeker zonder hoovaardij beschouwen
Als een der uitverkoren jonge edelvrouwen,
      En stel nu, dat een jonkman je ten huwlijk vraagt,
      Is 't dan niet van belang, wat j' op de bruiloft draagt?
Je dient dan toch als dame voor den dag te komen
Wanneer het zoo ver is. Er zijn geschikte stroomen
      En plassen in de buurt. Je kleeren zijn besmeurd;
      Dat mag niet. Geef ze morgen vroeg een flinke beurt."
Nausicaä ontwaakt. Ze gaat haar vader vragen
Of ze de wasch mag doen. "En krijg ik paard en wagen,
      Want 't is een eindje weg," zoo vleit Nausicaä,
      Maar rept niet van haar droom. Alcinoüs zegt: "Ja,
Maar waarom moet dat nu zoo plotseling gebeuren?"
"U zult het zeker, vader, wel met mij betreuren:
      De kleeren van de broers zien er onooglijk uit,
      Daar vraag ik het u om," zoo loog de looze guit.
De koning hield zich dom, hoewel hij heel goed voelde,
Wat ze niet zei, maar wat ze eigenlijk bedoelde,
      En sprak: "Goed kind. Maak jij gerust de wasch aan kant,
      Zeg, dat de knecht de paarden voor den wagen spant."
Zoo reed Nausicaä vol ijver naar de plassen,
Om met de meisjes saam het vuile goed te wasschen.
      De waschplaats was op korten afstand van het bosch,
      Waarin Odysseus lag te slapen op het mos.
Het werk is klaar. Nu stelt, om zich niet te vervelen,
Een van de meisjes voor een beetje bal te spelen.
      Daar werd een tijdje aangenaam mee doorgebracht,
      Maar toen Nausicaä er ernstig over dacht
Naar huis te gaan, en nog een laatste bal wou gooie',
Herinnerde Athene zich den held van Troje:
      Ik zorg dat ik dit landlijk feestje wat verleng,
      Zoo peinsde zij, en hem en haar tezamen breng.
Dus mist de bal haar doel, en komt terecht in 't water;
Daar klinkt van 't vrouwenkoor een luid en lang geschater,
      Waardoor de held ontwaakt. Hij weet niet waar hij ligt,
      Springt op, kijkt rond verbaasd, verschijnt, 't was geen gezicht,
In 't primitieve pak van twijgen, mos en bladeren.
Hij ziet de meisjesschaar. Hij durft haast niet te naderen.
      Hij neemt een loovertak, en als een ruige leeuw
      Treedt hij vooruit. De meisjes, onder luid geschreeuw,
Slaan ijlings op de vlucht. De koningsdochter echter
Staat rustig, onvervaard voor Troje's koensten vechter.
      Odysseus spreekt het meisj' in hoofsche vleitaal aan:
      "Is 't mij vergund mijn oogen tot u op te slaan,
O wonderschoone maagd? Hoe moet ik tot u spreken,
U als godin of stervling om uw bijstand smeeken?
      Is 't wellicht Artemis, wier aanschijn ik aanschouw?
      Want waarlijk gij gelijkt in leest en lichaamsbouw
Het meest op die godin. Maar zijt gij een der menschen,
Hoe menig jonkman zal u tot zijn gade wenschen!
      Welzalig wie u wint. Vorstin, heb medelij,
      Wijs mij den weg, en schaf mij voedsel en kleedij."
"U is," was 't antwoord, "in het land van de Phaeaken.
Ik ben des konings kind, en 'k zou mijn plicht verzaken,
      Als ik u zonder spijs en kleed van hier liet gaan."
      Vervolgens tot de schaar, met vorstelijk vermaan:
"Foei, schaamt gij u niet, u dusdanig te misdragen?
Dit is een vreemdeling, die onderdak komt vragen,
      Gedenkt het woord der wet: de gasten zijn van Zeus!
      Wees welkom vreemdeling als vriend in vaders huis,
Zoek uit dien korf de kleeren, die u 't beste passen,
Ze hooren aan mijn broers. Ik heb ze juist gewasschen."
      Odysseus baadde zich en trok de kleeren aan,
      En toen Nausicaä hem bij den vliet zag staan,
Thans door Atheen met jeugd en schoonheid overtogen,
Blonk er een glans van hoop en blijdschap in haar oogen.
      Zou hij, zoo zei ze zacht, in maagdelijken schroom,
      Zou hij de minnaar zijn, de minnaar van mijn droom?
Maar allerminst geneigd tot dwepende gepeinzen,
En zonder zich den eisch der werklijkheid t' ontveinzen,
      Riep zij hem naderbij, en ging eenvoudig voort:
      "Ik noodig u dus uit, zooals gij hebt gehoord,
Maar tot mijn groote spijt kan ik u moeilijk vragen
Om met mij mee naar huis te rijden in mijn wagen;
      Een meisje van mijn leeftijd met een vreemden man,
      U weet wel hoe dat gaat, daar komen praatjes van.
Volg dus den wagen maar. Ik zal wat zachtjes rijden,
En alle wegen, waar het druk is, strikt vermijden.
      Maar als wij komen aan Athene's heilig woud,
      Gaat u daarin, en wacht. U rekt uw oponthoud
Zoo lang, tot ik, na ruwe schatting, ruim genomen,
Aan ons paleis, niet ver van daar, ben aangekomen.
      Dan stapt u op, en informeert waar vader woont,
      Hij heet Alcinoüs. Is u de weg getoond,
En klopt u aan, dan wordt u dalijk ingelaten.
Eerst moet u met Arete, zoo heet moeder, praten;
      'k Weet zeker, dat zij u met vriendlijkheid ontvangt,
      En alles geven zal, waarnaar uw hart verlangt.
Is zij u welgezind, dan kunt u vast vertrouwen,
Dat ieder u hier graag als gastvriend zal beschouwen.
      U vindt haar bij den haard, waar zij aan 't werk zal zijn,
      Mijn vader troont ernaast, en drinkt zijn beker wijn."
Odysseus deed wat de prinses had aanbevolen,
En hield zich vol verwachting in het bosch verscholen.
      Daar bad hij, vurig, in het haar gewijde woud,
      Athene Fonkeloog om bijstand en behoud.
Maar zij verscheen nog niet onmidlijk op zijn wenken,
Uit vrees haar oom, den zeegod, in zijn eer te krenken.

4. ALCINOÜS
      Nadat hij zoo een tijd in 't woud gezeten had,
      Stond onze zwerver op, en stapte naar de stad.
Atheen omringde hem, als altijd, met haar zorgen,
En hield hem door een wolk voor 't straatpubliek verborgen.
      Een waterdraagster wees hem vriendelijk den weg,
      Dat was Athene weer - onnoodig, dat ik 't zeg.
In 't schitterend paleis des konings aangekomen,
Werd hij als gast met groote gulheid opgenomen.
      Arete keek, terwijl hij met den koning sprak,
      Naar zijn kleedij, en dacht: me dunkt, ik ken dat pak,
En op de vraag, wie hem die kleeren had gegeven,
Vertelde hij in 't kort wat boven is beschreven.
      "Op èèn punt echter heeft zij u tekort gedaan,
      Zij had u moeten vragen met haar mee te gaan,"
Zei vorst Alcinoüs. "U kunt haar niets verwijten.
Zij vroeg 't. Ik weigerde, hoezeer 't mij ook mocht spijten.
      Een meisje van haar leeftijd met een vreemden man,
      Dacht ik zoo bij mezelf, daar komen praatjes van";
Zoo redde haar Odysseus met een hoofsche leugen.
"Nu," sprak Alcinoüs, "het zou mij zeer verheugen,
      Als iemand zoo als u de hand vroeg van mijn kind."
      Natuurlijk bleek Odysseus daartoe niet gezind,
En deelde onbeschroomd zijn gullen gastheer mede,
Wat zijn bedoeling was. Hij kwam hier met een bede
      Om hulp. Hij vroeg een schip, zeewaardig en bemand,
      Dat hem terug zou voeren naar zijn vaderland.
't Phaeakenvolk nu was inzonderheid ervaren
In zeevaartkunst en door geen ander t' evenaren,
      De vorst verklaarde zich dan ook terstond bereid,
      En riep den dag daarna het volk van wijd en zijd
Op ter vergadering. Men kiest er de bemanning
Ten dienste van den gast. Vervolgens ter ontspanning,
      En ter versterking van den broederlijken geest,
      Biedt de goedgeefsche vorst zijn gast een schitrend feest.
Daar deed men dan den blinden dichter-zanger zingen,
Hij wekte bij Odysseus bitr' erinneringen,
      Want roerde hij niet veel, schoon onopzetlijk, aan
      Van wat Odysseus zelf gezien had en gedaan?
Hij zong in zijn gedicht, hoe, ach zoo kort geleden,
Odysseus en Achilles fel elkaar bestreden
      Aan 't weeldrig godenmaal, en hoe die droeve strijd,
      't Begin van 't onheil, Agamemnon had verblijd.
Odysseus trekt zijn kleed voor zijn betraande oogen,
Opdat de andren niet zijn droefheid merken mogen.
      Alleen de gastheer, in de goedheid van zijn hart,
      Bespeurt zijn leed. Hij zint op leniging dier smart,
En zegt: "Ik nood u thans, mijn vrienden en mijn zonen,
Den vreemdeling uw kunst in spel en strijd te toonen."
      Aldus geschiedt. 't Gezelschap tijgt naar 't strijdperk heen
      Voor wedloop, worstelstrijd en 't werpen met den steen.
Nu vraagt Laodamus, een zoon, den gast minachtend
Zijn krachten te beproeven, weinig goeds verwachtend.
      Hij en Euryalus, vermaard door manlijk schoon,
      Presteerden veel, maar misten soms den juisten toon.
"Och," zei Odysseus, "waarom vraag je me te kampen?
Ik voel me te gedrukt, gebogen door mijn rampen.
      Niet voor een wedstrijd, voor ontspanning of vertier,
      Maar om je vader hulp te vragen, kwam ik hier."
Toen zei Euryalus, die neiging had tot smalen:
"U hebt gelijk. Met sport kunt u geen winst behalen,
      En voor een eedlen kamp gevoelt u blijkbaar niets:
      U is waarschijnlijk schipper, koopman, of zooiets."
"De goden," was 't bescheid, "verdeelen de geschenken,
Waarmede zij de menschen plegen te bedenken,
      Zoo, dat dezelfde zelden alle gaven heeft:
      De een is mooi gebouwd, de ander is beleefd."
Dit was voor 't zoontje iets om in zijn zak te steken,
"Maar 'k speel," vervolgt de gast, en zonder meer te spreken,
      Neemt hij den steen en logenstraft 's mans hoovaardij:
      Hij werpt de zware schijf het doelpunt ver voorbij.
Alcinoüs, die liefst gekibbel wil vermijden,
Stelt een vertooning voor, om d'aandacht af te leiden,
      Met luchtige muziek en gracelijken dans.
      Demodocus, de bard, treedt weder op. Maar thans
Is d' inhoud van zijn lied niet somber, maar verheugend,
In opgewekten toon, zelfs min of meer ondeugend:
      Hoe Aphrodite met haar minnaar Ares vrijt,
      En hoe Hephaestus hun een dwaas figuur bereidt,
Doordat hij 't koozend paartj' in 't kunstig netwerk meerde,
En al de goden op het schouwspel inviteerde.
      Het slot van 't lied was dat een algemeen gelach
      Rees uit den godenkring, die de vertooning zag,
Toen men van Hermnes de verzuchting had vernomen:
"Ik wou wel, dat die schande mij was overkomen!"
      Het volgend nummer toont den gast iets wonderschoons,
      Een werp-dans, uitgevoerd door 's konings eigen zoons.
De eene wierp den bal met buigende beweging,
De ander, op 't moment, dat 't werptuig naar benee ging,
      Sprong op, zoo hoog hij kon, deed snel een zwaai in 't rond,
      En ving den bal, nog met de voeten van den grond.
Met wissel-pas en koor-dans wordt het feest besloten.
"Ik heb," verklaart de gast, "nog zelden zoo genoten;
      't Phaeaaksche volk blijkt met de danskunst wel vertrouwd,
      En 'k heb dit staaltje met bewondering aanschouwd."
"Kom," zei Alcinoüs, "me dunkt, de jongelieden
Behooren nu den gast excuses aan te bieden."
      Toen voelde zich het tweetal zeer terecht beschaamd,
      Het deed, wat een jongmensch in zoo'n geval betaamt,
En vroeg vergiffenis. Zelfs gaf toen een der knapen,
Euryalus, den gast zijn eigen kostbaar wapen.
      Odysseus nam het aan, als boete voor de schuld,
      En zei: "Ik hoop dat je dit zwaard nooit missen zult."
Nadat de bard weer 't oor gestreeld had met zijn zangen,
Begon 't gezelschap naar den maaltijd te verlangen.
      Wie is die sterke man, wiens naam nog niemand weet?
      Zoo fluistert men, en maakt zich voor den disch gereed.
Odysseus neemt een bad. Warm water was een weelde,
Die hij niet had gesmaakt sinds hij het leven deelde
      Met Atlas' telg. Op 't punt van d' eetzaal in te gaan,
      Zag hij Nausicaä nabij den deurpost staan.
Zij sprak: "Als u de goden den terugkeer schenken,
Zal u dan nog eens aan wie u gered heeft, denken?"
      Meer zei zij niet. Haar vriendlijk woord ontroerde hem.
      "Ja," zei Odysseus zacht, met warmte in zijn stem,
"Ja, dat beloof ik. Welke god zou mij vergeven,
Als 'k u vergeten kon, de redster van mijn leven?"
      Na deze woorden ging hij naar de weidsche zaal,
      Waar men hem wachtte voor het vorstlijk eeremaal.
Toen heel 't gezelschap aan den feestdisch was gezeten,
De gastvriend door den koning welkom was geheeten,
      En d'oude bard alweer een lied gezongen had,
      Dat meenge traan den gast naar 't oog gedrongen had,
Vroeg hem Alcinoüs zijn naam en stand te zeggen,
En openhartig zijn verleden bloot te leggen.
      Thans, onder ademlooze stilte van 't gehoor,
      Droeg deze 't epos van zijn lotgevallen voor.

III. DE ZWERFTOCHTEN VAN ODYSSEUS

1. DE CICONEN
Ik noem u naam en land, niet slechts op uw verlangen,
Maar in de hoop u eens als gastvriend te ontvangen.
      Odysseus is mijn naam. Ik ben Laërtes' zoon,
      Van Ithaca, het land, waar ik als heerscher troon.
Dit rotsig eiland moog' den vreemdling niet bekoren,
De liefde voor zijn land is ieder aangeboren,
      En schoon Calypso mij 't onsterflijk leven bood,
      Schoon Circe mij met list in Eros' kluistren sloot,
Standvastig bleef mijn wensch om, moe van strijd en zwerven,
Op mijn geboortegrond te leven en te sterven.
      Na Troje's val had ik mijn trotsche vloot bemand;
      De winden dreven ons naar der Ciconen land.
Hier was mijn eerste werk hun hoofdstad te verdelgen.
De buit ligt op het strand. De manschap slaat aan 't zwelgen,
      Zijn kracht en moed verslapt: de wijngeest stijgt en werkt.
      De vijand komt, door buur en bondgenoot versterkt;
Wij worden na een fellen strijd naar zee gedreven,
Maar zes van ieder schip bekochten 't met hun leven.

2. DE LOTOPHAOEN
      Maleia was omzeild. Wij speurden weder land,
      Toen 't stormweer ons bestak. We dreven ver van 't strand.
'k Voorzag een nieuwe ramp; maar zie, na negen dagen
Dreef ons de wind naar 't wondre land der Lotophagen,
      Waar 't volk van bloemen leeft. Maar wordt een gast verleid
      Tot zulk een maal, dan raakt hij zijn geheugen kwijt.
Ik zond twee mannen uit. Men liet ze bloemen eten,
En in een oogenblik was schip en dienst vergeten.
      Zij dachten niet meer aan hun taak als afgezant,
      Maar lagen lui en loom te soezen op het strand.
Ik moest hen met geweld naar 't schip terug doen voeren,
En liet ze met een touw vast aan de roeibank snoeren.

3. POLYPHEMUS
      Droefgeestig zeilden wij naar andre streken voort,
      En naderden het wild en onherbergzaam oord
Van 't woest Cyclopenvolk, geweldig, zwaar van schonken;
Zij eeren recht noch wet, en wonen in spelonken,
      Elk voor zichzelf, en zonder omgang met elkaar.
      Rauw vleesch en melkgerecht is veelal 't voedsel daar;
Wel strekt hun 't wrange sap der wilde druif tot laving,
Maar teeltkunst kent men niet, noch landbouw, noch beschaving.
      Wij kwamen bij een eiland, niet ver van de kust;
      Het was stikdonkre nacht. Daar gingen wij ter rust.
Des morgens landden wij; er viel genoeg te jagen,
Zoo vulden wij met smaak de hongerige magen,
      En sliepen 's nachts op 't strand. "Nu gaat mijn schip alleen,"
      Zoo sprak ik d'andren dag, "naar gindsche streken heen."
Ik stak dus over met mijn eigen scheepsgezellen,
Om daar een onderzoek ter plaatse in te stellen.
      Een twaalftal mannen volgde mij op mijn gebod;
      Wij vonden een bewoonde, maar verlaten grot.
Als had ik voorgevoeld wat ons zou overkomen,
Had ik een leeren zak met druifnat meegenomen,
      Zoo sterk, dat d'inhoud, twintig malen aangelengd
      Met water, nog den drinker in bedwelming brengt.
De woestaard was in 't veld, om 't vee te laten grazen.
Wij traden in de grot. Een aantal zware kazen,
      Op horden neergelegd in rijken overvloed,
      Lokt' onzen lust, en dus wij deden ons tegoed.
Het monster was inmiddels van het veld gekomen;
Hij torste op den rug een dichten bos van boomen,
      En smeet ze op den grond, dreef al de schapen aan,
      De grot in, maar de bokken liet hij buiten staan.
Toen sloot hij d'ingang met een steen, te zwaar te dragen
Zelfs voor een twee-en-twintig-voudig grooten wagen.
      Nu melkt hij schaap en geit, ontsteekt een vuur van 't hout,
      Bespeurt ons, grijpt twee mannen, en mijn bloed wordt koud
Als ik er nog aan denk, smakt met zijn reuzen-handen
Mijn gillende gezellen tegen een der wanden,
      En toen zij half verbrijzeld bloedden op den grond,
      Sneed hij ze stuk en stak de brokken in zijn mond.
Nadat hij groote nappen melk had opgedronken,
Viel hij in slaap, en lag als een orkaan te ronken,
      En 'k had hem zeker met mijn slagzwaard omgebracht,
      Als 'k niet nog juist op tijd aan 't rotsblok had gedacht;
Wij konden immers nooit die grotdeur openstooten,
En zouden voor den hongerdood zijn ingesloten,
      Als ik den eenige, die kracht genoeg bezat
      Voor ons bevrijdingswerk, zijn kracht ontnomen had.
Er zat niets op, dan van den nood een deugd te maken;
Dat deden wij dan ook, en bleven angstig waken.
      Toen 't ochtend was geworden, stond hij geeuwend op,
      Stak gulzig nog twee mannen in zijn gragen krop,
En ging, de schapen voor zich drijvende, naar buiten,
Maar hij verzuimde niet, den ingang goed te sluiten.
      Nu had ik in de stilte van dien bangen nacht
      Een, naar 't mij voorkwam, zeer uitvoerbaar plan bedacht.
Ik vond een zwaren boom, ontdaan van al zijn takken,
Liet daar, aan 't dunne eind, een scherpe punt aan hakken,
      Geslepen glad als goud. Die boom, gelijk een rots
      Zoo hard en zwaar, had de Cycloop bestemd voor knods.
Dit werktuig liet ik naar een donkren uithoek trekken,
En met een laag van verschen schapenmest bedekken.
      Des avonds kwam hij weer, met heel zijn kudde vee,
      En nam nu ook de bokken en de rammen mee,
En toen hij weer twee mannen tot zich had genomen,
Achtt' ik het oogenblik voor handelen gekomen.
      Ik ging deemoedig met den wijnzak voor hem staan,
      En bood hem hoofsch een nap met dezen feestdrank aan.
"Het smaakt als nektar," smakte hij, en bleef aan 't drinken,
Totdat ik hem beneveld op den grond zag zinken.
      "Hoe heet je?" vroeg hij met een hakkelende stem;
      "Mijn naam is Niemand," zei ik duidlijk en met klem.
"Goed," hikt hij, "je tractatie zal ik niet vergeten:
'k Beloof je, dat ik Niemand 't laatste op zal eten."
      Hij viel in zwijm, en fluks beduidde ik mijn maats
      Den zwaren knods te sleuren van zijn duistre plaats.
Nu werd op mijn bevel de punt in 't vuur gestoken,
Dat smeulde onder d'asch, maar zonder zwaar te rooken.
      Wij hieven met vereende kracht den balk omhoog,
      En dreven 't gloeiend eind, diep duwend, in zijn oog.
Ik draaide 't vuurge hout, gelijk de timmerlieden
De drilboor wentelen. De damp schoot uit door 't zieden
      Van appel, klier en lid. Zijn brouw zelfs is geschroeid
      Door't helwit heete hout, dat in de holte gloeit.
Scherp sissend gutst het bloed uit d'oogkas neer in stroomen;
Met luid gegil ontwaakt hij uit zijn dronken droomen.
      Wij stuiven weg. Hij werpt het wapen op den grond,
      En rent half dol van pijn en woede wild in 't rond.
Van alle kanten snellen reuzen, op het hooren
Van zijn getier. "Wat heb je onzen slaap te storen?"
      Zoo riepen zij gebelgd. "Wat is er aan de hand?
      Heb je een ongeluk? Wat is het, moord?" "Neen, brand!"
Riep hij, en zij: "Je liegt; we zien het nergens rooken."
"Mijn oog," was 't antwoord, "is door Niemand uitgestoken!"
      "Dat is gelukkig. Maar," ging d'andre spreker door,
      "Als niemand je wat doet, waar brul je dan zoo voor?"
De buren, die hem nu als stapelgek beschouwden,
Vertrokken, en ik kon mijn lachen haast niet houden.
      Luid kermend kroop hij rond, met tastend handgebaar,
      Maar wij ontsnapten zonder moeite aan 't gevaar.
Het monster viel in slaap. 'k Behoef u niet te zeggen,
Dat ik den nacht besteedd' om ampel t' overleggen,
      Hoe list het winnen zou van domheid en geweld.
      De morgenstond brak aan. Mijn plan was vastgesteld.
Nu zette hij de rotsdeur op een kiertje open,
En plaatste zich ervoor, dat niemand weg zou loopen.
      De schapen bleven, maar de rammen liet hij uit,
      De eerste voor de melk: ons dacht hij tot besluit
Te eten voor ontbijt. Nu ging op mijn verlangen
Elk onzer aan den buik van een der rammen hangen;
      Hij tastte ieder beest zorgvuldig op den rug,
      En, was daar niets, dan liet hij 't uit, en vliegensvlug
Stoof, van 't gewicht ontlast, zoo'n kroesbuik naar de weiden;
Dan stond de ruiter op, en bleef mij kalm verbeiden.
      Ik was de laatst' aan wien de beurt van vluchten kwam,
      En hing aan 't buikhaar van zijn uitverkoren ram.
Hij tastte 'm op zijn rug, als d'anderen tevoren,
Maar ik had deze teedre toespraak aan te hooren:
      "Lief dier, die steeds zoo trotsch aan 't hoofd der kudden gaat,
      Moet jij de laatste zijn, die 't warme nest verlaat?
Hoe komt dat nu, mijn beest? Is dat uit medelijden?
Omdat je van je armen meester niet kan scheiden?
      Jij kan niet spreken. Je natuur belet je dit,
      Maar anders zei je zeker wel, waar Niemand zit."
Toen liet hij 't woldier los, en bleef op Niemand schelden.
Zoo waren wij gered. Wij juichten, en wij snelden
      Naar 't schip. Zoodra de reus mijn krijgslist had ontdekt,
      Ging hij naar 't strand. Toen werd mijn overmoed gewekt.
"Wie zoek je?" riep ik. "Niemand. 'k Laat hem niet ontkomen,"
Zoo brult hij, "niemand heeft mij, aauw, mijn oog ontnomen!"
      "Neen. Dat heb ik gedaan. Ik, die Odysseus heet,
      Van Ithaca," zei ik. "'t Is goed, dat ik het weet,"
Riep Polypheem verwoed, "ik zal mijn vader smeeken,
Je ruimschoots te betalen voor je schurkestreken!"
      Hij wierp een rotsblok in de richting van mijn kiel,
      Dat 't schip haast kantlen deed, toen 't naast den steven viel,
En 'k hoorde hem de bede tot Poseidon richten:
"Ach vader, wil uw zoon met deze gunst verplichten,
      Dat gij Odysseus verre houdt van hof en haard,
      Of, wordt hem dit door 't wisselvallig lot bespaard,
Geef, dat hij keere, met verlies van al zijn vrinden,
Op vreemden bodem, en zijn huis in nood moog' vinden."
      Toen wierp hij weer een blok. De golven, huizenhoog,
      Onttrokken voor een wijl het monster aan ons oog.
Toen hij weer zichtbaar werd, kon ik me niet weerhouen,
Den wreeden gulzigaard tot afscheid toe te snauwen:
      "Je vader is een machtig god op zijn gebied,
      Maar jou je oog terugbezorgen kan hij niet!"

4. AEOLUS
Toen kwamen wij aan 't rijk, waar Aeolus, de koning,
Ons hoffelijk ontving in zijn gastvrije woning,
      Waar d'eendracht het gezin zoo 'hartlijk samenhoudt,
      Dat al de broers met al de zusters zijn getrouwd.
Zeus heeft hem het beheer der winden opgedragen,
Die waaien hard of zacht, al naar zijn welbehagen,
      En toen ik na een maand van mijn terugtocht sprak,
      Gaf hij mij al de wilde winden in een zak.
Vol dank vertrok ik van mijn welgezinden gastheer;
Van stormen, dacht ik, heb ik in 't vervolg geen last meer.
      Ik nam den zak, met zilvren koord gebonden, mee,
      En blij te moede stak ik met mijn maats in zee.
Een zachte zephir dreef ons door de gladde baren,
Reeds kon ik vaag de kust van Ithaca ontwaren,
      En meestal hield ik zelf de schoten in de hand.
      Maar in dit zware werk door sluimer overmand,
Sliep ik een oogenblik. Mijn zwakke schepelingen
Vermochten niet hun dorst naar schatten te bedwingen,
      Vergaderden afgunstig mokkend op het dek,
      En hielden, naar ik later hoorde, dit gesprek:
"Hij wordt alom geëerd. Men roemt zijn heldendaden.
Hij keert terug, met Troje's schatten overladen,
      En hebben wij niet 't zelfde leed als hij doorstaan?
      Maar hij laat ons met leege handen huiswaarts gaan.
Nu heeft hij weer dien zak van Aeolus gekregen,"
Zei nummer een. Een ander riep: "Wat is er tegen
      Te kijken, waar die bolle buidel zoo van zwelt?"
      Men opent hem. Verschrikt, en wreed teleurgesteld,
Bespeuren zij geen schat, maar hooren alle winden,
Die onder luid geloei hun vrijheid wedervinden.
      De storm steekt op. De bries, van den verkeerden kant,
      Drijft ons in vaart terug naar 't pas verlaten land.
Mijn geest was diep geschokt, vervuld van weifelingen,
Of ik mij dooden zou, door overboord te springen,
      Of lijdzaam verder gaan. Ik hulde m' in mijn kleed,
      En legde m' op het dek, verslagen door mijn leed.
We waren weer aan wal. Met twee van mijn gezellen
Ging ik naar Aeolus, om alles te vertellen.
      De koning zei verbaasd: "Zeg, wat beteekent dàt?
      Ik dacht dat jij al lang weer op je eiland zat.
Heb ik je dan geen zachte zephir meegegeven?"
'k Beschreef hem 't schelmstuk, dat het scheepsvolk had bedreven
      En vroeg vergiffenis. Maar Aeolus zei kwaad:
      "Maak dat je wegkomt, godvergeten onverlaat I
Ik ben wel dwaas geweest, dat ik j' heb opgenomen;
Ruk in, en heb het hart niet, ooit terug te komen 1"
      Wij zeilden zuchtend weg, het volk van rouw vervuld,
      Dat alles was bedorven door zijn eigen schuld.

5. DE LAESTRYGONEN
De straf kwam al te snel, door 't volk der Laestrygonen,
Die in Telepylus, de stad van Lamos, wonen.
      Ik stopte met mijn vloot nabij het steile strand,
      En zond twee man met een heraut naar 't binnenland.
Zij volgden, door een deerne ingelicht, de paden,
Bereden door vehikels, hoog met hout beladen,
      En gingen naar 't paleis. Daar, als een berg zoo groot,
      Verscheen de koningin. Zij schrokken zich haast dood.
Zij ging haar man, die op de markt liep rond te dwalen,
Antiphates genaamd, terwijl zij wachtten, halen.
      De reuzen-koning kwam, pakt' een der mannen beet,
      En voordat d' andren wisten wat de woestling deed,
Had d'arme maat zijn weg naar 's konings maag gevonden,
Gekauwd en doorgeslikt, om kort te gaan, verslonden.
      Zijn makkers vloden, sneller dan een bliksemschicht,
      En brachten mij perplex 't ontstellende bericht.
Antiphates' gebrul dreef nu van alle kanten
Naar zee een dichte drom van gruwzame giganten.
      Een bui van brokken rots stortt' op de schepen neer,
      En 't volgend oogenblik bestond mijn vloot niet meer.
Mijn schip slechts bleef gespaard, en 'k zag, van schrik bezeten,
Hoe al de drenkelingen werden opgegeten.
      In doodsangst roeiden wij van daar met man en macht,
      En zegenden de zee, die ons bevrijding bracht.

6. CIRCE
Wij voeren verder en bereikten 't eiland Aea,
Van Circe, telg van Helios, den zoon van Thea,
      Wier krachtig zanggeluid geen wedergade vond,
      En die daarbij de kunst van tooveren verstond.
Maar toen 'k de keur van 't volk op kondschap uit wou sturen,
Begonnen zij, gedachtig aan de avonturen
      Bij Polyphemus en Antiphates doorstaan,
      Luidkeels te jammeren, en niemand dorst te gaan.
Rechtvaardiglijk beval ik dus erom te loten;
Eurylochus met twee en twintig reisgenooten,
      Aldus beschikte 't lot, vertrok naar 't binnenland;
      Wij andren bleven angstig wachten op het strand.
Zij vonden Circe's huis bewaakt door dichte drommen
Van leeuw' en wolven, wier gezicht hen deed verstommen.
      Maar dezen, vroeger mensch, gedroegen zich bedaard,
      En drongen op hen aan met kwispelenden staart,
Als honden, die 't gezin, na 't vullen van de magen,
Al kwispelstaartend om een beentje komen vragen.
      Zij hoorden het gezang der wevende godin,
      En riepen. Circe kwam, en zei: "Komt er maar in."
Alleen Eurylochus, die 't zaakje niet vertrouwde,
Bleef buiten wachten, wat hem later niet berouwde.
      Zij werden goed onthaald en kregen mede-wijn,
      Die heerlijk smaakte, maar vervalscht was met venijn;
Een tooverstokslag deed hun menschlijkheid verdwijnen,
En heel de gastenschaar veranderde in zwijnen,
      Behalve in den geest. Na dezen toovertoer
      Sloot Circe z' in een kot, en gaf ze varkensvoer.
Eurylochus, bezorgd, waar zijn gezellen bleven,
Kwam zeer ontdaan terug, om mij bericht te geven.
      Maar toen ik zelf wou gaan, bezwoer hij: "Doe het niet!"
      Ik zei: "Blijf jij maar hier. Ik ga. Mijn plicht gebiedt."
Dicht bij 't paleis werd ik door Hermes aangesproken,
Die zich in het gewaad eens jonkmans had gestoken,
      En vol verwondering vernam ik uit zijn mond
      Wat er gebeurd was, dus wat mij te wachten stond.
"Maar," sprak hij, "neem dit tegengif. Dit moet je mengen
In al de dranken, die haar maagden komen brengen,
      En, tracht zij je te raken met haar tooverstaf,
      Dan storm je onvervaard en dreigend op haar af.
Als zij dan schrikt, en tracht je vleiend aan te halen,
Dan geef je toe, maar laat haar voor die gunst betalen
      Door de vervulling van je redelijken wensch,
      Dat z' al je makkers eerst herschept van zwijn tot mensch."
Toen Hermes mij de zaak met klaarheid uitgelegd had,
Verdween hij, en ik deed wat mij de god gezegd had.
      Nu werkend op haar angst, dan op haar teer gevoel,
      Naar Hermes' wijzen raad, bereikte ik mijn doel.
Mijn makkers werden in een ommezien herschapen
Van vieze varkens in gezonde, struische knapen,
      Nog knapper dan voorheen. Voorts gaf z' een daavrend feest,
      En 't deel der mannen, dat haar vroeger had gevreesd,
En angstig wachtt' op 't strand, ging 'k op haar voorstel halen
Voor 't luisterrijk festijn in een der eerezalen.
      Wij bleven daar een jaar. Toen spoorde men mij aan,
      Als Circe 't toestond, naar mijn land terug te gaan.
Ik vroeg het de godin. Zij maakte geen bezwaren,
Als ik beloofde eerst naar Hades' poort te varen;
      Zij eischte dat ik daar Tiresias bezocht,
      Die mij beduiden zou den afstand en den tocht.
Mijn makkers wilden van die doodenreis niet hooren,
Maar ik verkoos mij niet aan hun protest te storen;
      Wij maakten ons dan ook voor het vertrek gereed.
      Helaas was toen alweer de schare niet compleet:
Elpenor, nog een knaap, de jongste van ons allen,
Was ons door eigen onbedachtzaamheid ontvallen.
      Hij was noch moedig, noch bijzonder sterk van geest,
      En toen hij bij een maal onmatig was geweest,
Begaf hij zich benauwd, en met onvaste stappen,
Naar 't platte dak, om daar wat frissche lucht te happen.
      Hij zonk in slaap, vergat ontwaakt de trap, en viel ...
      De aarde droeg zijn lijk, de Hades nam zijn ziel.
Onopgemerkt, voordat wij ons aan boord bevonden,
Had Circe daar een schaap en hamel vastgebonden.
      Zij gaf ons bovendien een gunstig koeltje mee,
      En weldra voer mijn vaartuig weer in volle zee.

7. TIRESIAS
Bij 't sombre schimmenrijk van Hades aangekomen,
Heb ik er menig woord van wreede smart vernomen.
      Elpenor zag ik 't eerst. Hij klaagde zijn verdriet,
      Dat ik zijn lijk daarginder onbegraven liet,
Voorspelde, dat ik weer zou keeren naar die stranden,
En smeekte, dat ik zijn gebeente zou verbranden:
      "Sticht dan een grafterp voor mij, arme, bij de kust,
      Opdat de nazaat wete, waar mijn assche rust.
Steek daar mijn riem in d'aard. Die moog als zinrijk teeken
Van mijn bestaan te midden van mijn makkers spreken."
      Ik zegd' hem alles toe, maar keek onrustig rond,
      Of ik Tiresias niet bij de schimmen vond.
Mijn moeder was er wel, maar ik wou van te voren
De godspraak van den ouden wijzen ziener hooren.
      Daar kwam hij dan, den gouden scepter in de hand;
      "Gij wilt," zoo sprak hij, "wederkeeren naar uw land?
Weet dan, dat u Poseidon hevig zal bestrijden,
Om 't leed, dat Polyphemus door uw daad moet lijden.
      Nochtans, vertrouw, dat gij behouden wederkeert,
      Zoo gij de kudde van den Zonnegod niet deert.
Maar mochten d'uwen wagen 't godlijk vee te schenden,
Dan zal hen Zeus voor eeuwig naar de Hades zenden,
      Terwijl gij zelf, gered, maar boetend voor uw schuld,
      Eerst na een zwaren tocht uw land bereiken zult.
Daar zult gij uw paleis vol drieste minnaars vinden,
Die gij verdelgen zult met hulp van welgezinden.
      En als gij deze taak manmoedig hebt volbracht,
      Beheerscht g' uw land, waar u een vredig einde wacht."
Zoo sprak Tiresias, en was terstond verdwenen.
Vervolgens is mijn moeder weer voor mij verschenen;
      Zij vroeg mij, of ik reeds mijn vrouw, Penelope,
      Gezien had, na mijn dolen over land en zee.
"Neen," zei ik, "'k was gedoemd, de wereld rond te zwerven,
Maar zeg mij, moeder, wat was d'oorzaak van uw sterven?"
      Zij sprak: "Mij trof geen pijl, geen ziekte brak mijn kracht,
      Slechts d'angst voor u, mijn kind, heeft mij den dood gebracht."
Veel andre schimmen nog, van ver vervlogen tijden,
Vertrouwden mij hun lot, hun leven en hun lijden.
      Ontroerd bereikte 'k 't schip. De kabel werd gelicht,
      En spoedig was de kust van Circe's rijk in 't zicht.

8. DE SIRENEN
Nog nauwelijks geland, beval ik zonder dralen
Het doode lichaam van Elpenor op te halen.
      Wij brandden 't bij de kust, en 't simple monument,
      Een zuil met 's jonkmans riem, stond weldra overend.
De schoone Circe kwam ons bij de boot begroeten,
Verheugd, haar vriendenkring behouden te ontmoeten.
      Zij bracht ons zoeten wijn en spijzen in een mand,
      En wij verkwikten ons met Circe aan het strand.
Toen wij dus duchtig door haar zorg verzadigd waren,
Gaf zij mij wijzen raad ten aanzien der gevaren,
      Die ons bedreigden bij 't vervolgen van de reis;
      Toen zei zij ons vaarwel, en toog naar haar paleis.
Wij werden door een goeden wind vooruit gedreven,
Een bries, die Circe ons ten afscheid had gegeven.
      Thans sprak ik 't scheepsvolk toe, door Circe ingelicht:
      "Straks komt het eiland der Sirenen in 't gezicht;
Zij zingen zacht, verleidlijk zoet voor mannenooren,
Maar wie de dwaasheid heeft haar zangen aan te hooren,
      Wordt onweerstaanbaar aangetrokken door haar kracht,
      En dan meedoogenloos ten ondergang gebracht.
Zij zingen, zittend in haar bloemenrijke velden;
De beenderen der in den dood gedreven helden,
      Van wie niet een de zoete tonen kon weerstaan,
      Bedekken d'aard, het vel verdord, het vleesch vergaan.
Om u dus tegen die verleiding te verweren,
Beveel ik je, met was je ooren dicht te smeren.
      Ik doe dat niet. Maar, mannen, bindt mij aan den mast
      Met sterke touwen, en zoo stevig mooglijk, vast."
Men deed wat ik beval. Daar hoor 'k de vrouwen zingen,
Zoo vleiend, dat 'k mij zelven niet meer kan bedwingen;
      Mijn ziel is tegen zoo veel zaligs niet bestand.
      Ik smacht, en poog mij los te rukken uit mijn band.
Ik roep. Vergeefs, mijn mannen hooren geen geluiden.
Dan tracht ik mijn bevel door wenken te beduiden.
      Eurylochus schiet toe, maar let niet op mijn last,
      En snoert het touw nog strakker dan tevoren vast,
Tot w' eindlijk, ver van daar, de lokstem zijn ontweken,
En hij 't verantwoord acht, mijn boeien te verbreken.
      Nu snijdt hij met zijn zwaard mijn knellend bindsel door,
      En 't scheepsvolk plukt verheugd de wasprop uit het oor.

9. SCYLLA EN CHARYBDIS
Nauw waren wij ontsnapt aan 't lokken der Sirenen,
Toen erger dreigingen ten horizont verschenen.
      Twee klippen worden thans aan 't spiedend oog vertoond,
      Waarin het schriklijkst paar van menschverderfsters woont;
De wolken, die in herfst- noch zomertijd verdwijnen,
Beletten er de zon de toppen te beschijnen.
      Scylla, in d'eerste, slokt met haar zesdublen kop,
      Driedubbeltandig elk, een zestal mannen op,
Die zij, fel loerend, grist. Gelijk de visscher hengelt,
Totdat het argloos dier, den haak door 't lichaam, bengelt
      En spartelt in de lucht, grijpt haar zesduble klauw
      Elk zestal dat zich waagt in 't doodbereidend nauw.
Charybdis, in de tweede, pleegt door gulzig zwelgen
En spuwen, driemaal daags, de schepen te verdelgen
      In 't wilde golfgewoel, dat kolkt met woest geklots,
      En z' in de diepte trekt, of stuk slaat op de rots.
Dit alles wist ik nu door Circe's goede zorgen,
Zij had terecht mij geen dier gruwelen verborgen.
      Ik was dus voorbereid, en sprak mijn mannen toe,
      Met klem verklarend, wat zij moesten doen, en hoe.
Van Scylla repte 'k niet, opdat zij, bij 't vermijden
Van d'een, hun aandacht niet ook d'ander zouden wijden,
      En dat zij niet, bij 't varen langs Charybdis' klip,
      Uit angst voor Scylla, vloden onder in het schip.
Minachtend Circe's raad, vertoonde 'k mij gewapend
Op 't dek, toen 't schip in 't nauw, gelijk een afgrond gapend,
      Charybdis was ontsnapt. Een rauw geblaf weerklonk,
      En Scylla had zes man gesleurd voor haar spelonk,
Waar zij terstond, ik zal den aanblik nooit vergeten,
De jammerende mannen gulzig op ging eten.

10. DE HEILIGE KUDDEN VAN HELIOS
      Nog treurend om der makkers hartaangrijpend lot,
      Bereikten wij het eiland van den Zonnegod,
Thrinacria, waar 't vee, gehoed door bei zijn kindren,
Uit schaap en rund bestaand, vermeerdren noch vermindren,
      Maar veilig grazen kan. En wee, wie 't feit bestond,
      Dat hij een van de zevenhonderd beesten schond.
Nu hadden mij Tiresias en Circe beiden
Gewaarschuwd, toch vooral dit eiland te vermijden,
      En ik besloot dan ook, hier niet aan wal te gaan.
      Toen zei Eurylochus, ten hoogste onvoldaan:
"Ja, jij bent ijzersterk, jij kunt het wel verdragen,
Maar wij zijn afgemat na al die zware dagen.
      We liggen hier vlak bij een mooie, groene kust,
      Gun ons nu ook eens een verzetje en wat rust.
De storm komt meestal 's nachts; nu stel: we krijgen noodweer,
Dan hebb' we morgenochtend heelemaal geen boot meer."
      De andren sloten zich bij deze woorden aan,
      Toen heb ik, schoon schoorvoetend, maar hun zin gedaan,
En had ik ooit gedacht, dat 'k daar Omhoog bemind was,
Toen voeld' ik toch, dat mij een god niet goed gezind was.
      Ik zei: "Wat helpt het me, of ik erover tob?
      Ik kan alleen niet tegen jullie allen op,
Dus al verzett' ik me, dan zou 't me toch niet baten.
Alleen bezweer ik je het vee met rust te laten;
      Je eet maar op wat Circe ons bij 't weggaan gaf,
      En van de schapen en de runders blijf je af."
We gingen dus aan land, Maar toen 't begon te stormen,
Was ik genoodzaakt weer een ander plan te vormen;
      Ik liet mijn vaartuig trekken naar een diepen grot,
      En wachtte af. Maar ik herhaalde mijn verbod.
De proviand raakt' op, Er viel niet veel te jagen,
De mannen liepen rond met hongerige magen.
      Ik ging het eiland in, wiesch mij de handen schoon,
      En zond gebeden op tot alle hemelgoon,
Of wellicht een van hen zich mijner zou ontfermen,
Mij steunen en mij tegen verder leed beschermen.
      Maar toen ik na 't gebed in slaap viel op de wei,
      Verzamelde Eurylochus het volk, en zei:
"Mijn vrienden, ik stel voor, wat van dat vee te slachten;
Wat dunkt je erger: hier den hongerdood te wachten,
      Of om te komen door een storm in volle zee?
      Mij lijkt het eerste lot het ergste van de twee.
Ik weet wat, om de schuld der zonde te verlichten,
Dat is: op Ithaca een tempel op te richten,
      Aan Helios gewijd, gebouwd op grooten voet,
      Dan wordt daardoor rojaal de runderroof vergoed."
'k Ontwaak na korten tijd. Een braadlucht waait mij tegen,
En 'k zie, men heeft gewaagd de gruweldaad te plegen!
      De huiden kropen rond; de stukken vleesch, verhit,
      Bewogen zich van zelf, en loeiden aan het spit.
Wat hielp het of ik schold? De wandaad was bedreven.
Maar Phaëtusa zag haar zuster zonwaart zweven:
      Lampetia. Die doet haar vader snel verslag,
      Van 't misdrijf, dat zij met haar eigen oogen zag.
Verwoed ijlt Helios naar Zeus, om te bespreken,
Hoe hij dat schelmstuk op de schenners denkt te wreken.
      "Wanneer je niet direkt tot strenge straf besluit,"
      Zei Helios beslist, "doe ik het zonlicht uit."
"Neen, neen," zei vader Zeus, "dat wil ik liefst vermijden,
En ik beloof je: 'k zal ze schipbreuk laten lijden."
      Dit hoord' ik later door Calypso's ware woord;
      Die had het weer van Herrnes, Zeus' zoon, zelf gehoord.
Ik stak bezorgd in zee bij 't eerste ochtendgloren,
En weldra was het eiland uit het oog verloren.
      Nu zond ons Zeus den storm, die mast en planken brak,
      En in een oogenblik was 't schoone schip een wrak,
Nu hoog, dan laag geslierd, een speelbal van de golven.
En al de mannen, diep in 't wilde nat bedolven,
      Ontvingen zoo van Zeus de lang voorspelde straf:
      Zij vonden ver van 't vaderland een roemloos graf.
Ik klemde m' aan het wrak, en werd in vrees en beven
Naar Scylla en Charybdis' nauw teruggedreven.
      Charybdis had den muil al open voor het wrak;
      Een boom stond op de klip; ik greep een dikken tak,
Hing als een vleermuis hoog, het wrak werd neergezogen,
Maar na geruimen tijd door 't monster opgespogen.
      Toen liet ik los; ik viel op 't wrak, en zou, o schrik,
      Door Scylla zijn gepakt, maar op dat oogenblik
Omringde Zeus mij met zijn vaderlijke zorgen,
En hield mij voor den blik van 't wangedrocht verborgen.
      Zoo dreef ik weer in zee. 't Was op den tienden dag
      Dat ik Ogygia, Calypso's eiland zag.
De zangrijke godin, bekoorlijk schoon van haren,
Bood mij gastvrijheid aan. Daar bleef ik zeven jaren.
      Hoe 't verder met mij ging, heb ik al meegedeeld.
      Dus eindig ik, want tweemaal één verhaal verveelt.

IV. DE TERUGKEER VAN ODYSSEUS

1. DE OVERTOCHT
Zoo luidde zijn verhaal. Het duister was gevallen,
En overmeesterd door vervoering zwegen allen,
      Totdat de gastheer sprak: "Odysseus, ik neem aan,
      Dat gij geen tweede keer zoo'n zwerftocht zult doorstaan;
Wij zullen u nu elk een schaal en drievoet geven,
Vergoed door vrije lasten, van het volk geheven."
      Dit woord vond bijval, en zoo eindigde het feest,
      Dat even leerzaam als vermaaklijk was geweest.
Men ging naar huis, ter rust. Maar vroeg al in den morgen
Bezocht de vorst het schip om alles te bezorgen.
      En toen dan 't vaartuig in gereedheid was gebracht,
      Werd afgesproken, dat bij 't vallen van den nacht
Odysseus in het vlugge veerschip zou vertrekken.
Een zachte bedding was gelegd op een der dekken,
      Opdat hij in de zoete weelde van de rust
      Vervoerd zou worden naar de vaderlandsche kust.
Wat viel die dag hem lang. Hoe traag de uren gingen!
Er was alweer een feest; weer moest de zanger zingen,
      Maar trots de zorgen van den gastheer en zijn vrouw,
      Odysseus keek maar of de zon niet dalen wou.
Gelijk de landman, die door 't ploegen van den akker
Zich allengs meer vermoeid en loomer voelt en zwakker,
      En reikhalst naar het maal dat in zijn hut hem wacht,
      Zoo hunkerde de held naar 't naadren van den nacht.
Maar eindlijk was dan toch het oogenblik gekomen;
Nadat Odysseus hartlijk afscheid had genomen
      Met een specialen heildronk op de koningin,
      Verliet hij hoogst voldaan het vorstelijk gezin.
Aan boord was alles klaar. Zijn goed was ingeladen,
Zijn sponde was gespreid met wel doorweven waden.
      Hij legt zich neer, slaapt in, door matheid overmand,
      En 't scheepsvolk neemt vol vuur de slanke spaan ter hand.
Gelijk een vierspan, door den zweepslag aangedreven,
Zoo ijlde 't vaartuig voort en hief den achtersteven;
      De havik, dien in vlucht geen vogel evenaart,
      Doorklieft het luchtruim niet in toomeloozer vaart.
En hij, die twintig lange jaren had geleden,
Zoo ver gezworven had en zoo veel strijd gestreden,
      Vergat voor korten tijd zijn rampen, leed en nood
      In d'armen van den Slaap, den broeder van den Dood.
Men wierp den ankersteen, bij 't eerste morgendagen;
Odysseus werd in slaap zacht naar het strand gedragen.
      Het goed werd bij een boom gelegd niet ver van daar,
      Onzichtbaar van den weg, en veilig voor gevaar.

2. DE WRAAK VAN POSEIDON
Poseidon, die 't Phaeakenschip terug zag keeren,
Begaf zich boos naar Zeus om luid te protesteeren.
      "Dat hij gered werd gaf ik, schoon onwillig, toe,"
      Zoo sprak hij, "nu, hij is teruggekeerd. Maar hoe?
Met vorsteneer vervoerd, beladen met geschenken.
Nu vraag ik je: wat moet de wereld daarvan denken?
      Is dan mijn eer bij good' en menschen niets meer waard?"
      "Welzeker," zeide Zeus, "maar broeder blijf bedaard;
Natuurlijk moet je van je aanzien niets verliezen.
Ik laat je verder vrij. Dus handel naar verkiezen."
      "'k Verbrijzel 't schip, 'k sluit met een rots de haven af,
      Ik -" "Neen," zei Zeus, "dan weet ik nog een beetre straf:
Versteen het vaartuig voor de oogen der Phaeaken,
Dat zal, geloof maar vrij, nog veel meer indruk maken."
      Poseidon volgt dien raad. Alcinoüs aanschouwt
      Hoe 't schip versteent, waarna hij deze toespraak houdt:
"Zoo was het mij voorspeld. Laat ons voorgoed vermijden
Een sterfelijken gast naar huis te doen geleiden.
      Gaat. Bidt Poseidon: 'Hoed ons, god, voor verdre straf,
      En sluit niet met een berg den haveningang af.'"

3. GODIN EN GUNSTELING
Odysseus midlerwijl ontwakend uit zijn droomen
Kijkt rond, bespeurt het strand, de rotsen en de boomen,
      Maar hij herkent helaas zijn eigen eiland niet;
      Het is alsof hij alles door een nevel ziet:
Athene had hem in een mist gehuld gehouden.
Opdat de burgers hem nog niet herkennen zouden.
      De zwerver, ongerust, doorzoekt zijn kostbre kist.
      Gelukkig. Van zijn schatten wordt nog niets vermist.
Dan dwaalt hij aarzelend langs d'onbekende wegen,
En zie, daar komt hij plots een rijzig jonkman tegen.
      Hij vraagt hem angstig over land en burgers na,
      "Wel," zegt de jonge man, "u 's hier op Ithaca."
Odysseus trilt van vreugd, maar wil zijn naam niet zeggen,
En om de herkomst van zijn schatten uit te leggen,
      Verzint hij een verhaal, en liegt van woord tot woord,
      Dat hij van Creta komt, verdwaald is, enzoovoort.
Toen keek de jonge man hem glundrend recht in d'oogen,
En zei: "Mijn vriend, dit is van a tot z gelogen,"
      Dan, plots veranderd in een wonderschoone vrouw:
      "Dacht jij, dat ik, Athene, dat gelooven zou?
Herken je mij dan niet? Mij, die je steeds beschermde,
Die zich ook over gindschen knaap, je zoon, ontfermde?"
      En, met een zweem van trots en blijdschap in haar blik:
      "Jij bent een listig man, maar listiger ben ik."
"Hoe kon ik u herkennen, slimste der godinnen,
Die telkens weer een ander mom weet te verzinnen?
      Ik ben wel dankbaar, maar wat moest ik niet doorstaan!"
      "Goed, maar ik redde je. Ik kon niet verder gaan,
Want wat Poseidon je terecht verwijt, vergeet je;
Hij is mijn eigen oom van vaders zij, dat weet je.
      'k Wensch geen familietwist. Dus 'k moest hem wat ontzien.
      Maar kijk eens rond. Herken je nu je land misschien?"
Zoo sprekend schuift zij zacht den sluier van zijn oogen.
Ja, nu herkent hij het. Verrukt en opgetogen
      Dankt hij de Nimfen voor de wending in zijn lot.
      Toen bergden zij de schatten in een diepe grot,
En gingen zitten in de schaduw van de boomen.
Athene zei: "Ik ben opzettelijk gekomen
      Om je zooveel ik kan te steunen met mijn raad;
      Ik zal je zeggen hoe 't nu verder met je gaat."
Vervolgens trachtte zij hem duidelijk te maken
Wat hij moest doen om tot zijn einddoel te geraken:
      Zij zou hem straks verandren in een bedelaar;
      Zoo zou hij dan verschijnen bij de vrijerschaar.
Ook voor zijn vrouw en zoon moest hij zijn aard verhelen,
En korten tijd de rol van ouden schooier spelen.
      "Nu," sprak ze, "ga ik naar je zoon, wijs hem terecht,
      En breng hem hier" - "Waarom hem niet direkt gezegd
Wat hij te doen had?" riep Odysseus opgewonden.
"Ik heb hem," was 't bescheid, "de wereld ingezonden
      Omdat die jongen ook eens wat presteeren moet.
      Wees maar gerust. Bij Menelaus heeft hij 't goed.
De minnaars liggen weliswaar op hem te loeren,
Maar ik zal zorgen, dat ze nooit hun plan volvoeren."
      Vervolgens toovert zij den vorst tot bedelaar;
      Zoo gingen zij, godin en gunstling, van elkaar.

4. EUMAEUS
Vooreerst moest nu de held, naar 't godlijk woord, verschijnen
In zijn vermomming bij den hoeder van zijn zwijnen.
      Eumaeus heette hij, zijn uitverkoren knecht,
      Arbeidzaam, schoon bejaard, en aan zijn heer gehecht.
Hij zat in 't zonnetje zijn schoenen te verstellen;
Gedachten aan zijn meester schenen hem te kwellen,
      Want somber stond zijn blik. Daar klinkt een luid geblaf,
      Zie, al zijn honden vliegen op een vreemdling af,
En deze zou verscheurd zijn door zijn eigen honden,
Als niet zijn schranderheid een kunstgreep had gevonden:
      Hij zet zich op den grond, hij werpt zijn staf op d'aard,
      En plotsling zijn de wilde blaffers doodbedaard.
Eumaeus treft hen met een regenbui van steenen,
En jankend stuift de troep naar alle kanten henen.
      "Dat had niet veel gescheeld," zei d'oude tot den held,
      "Dan had 'k nog zelfverwijt bij al mijn leed geteld,
Mijn droefheid om mijn meester, die mij is ontnomen.
Maar wilt u niet - mijn hut is schamel - binnenkomen?"
      Odysseus dankt' Eumaeus voor zijn vriendlijkheid,
      En weldra had hem d'oude 'n simpel maal bereid.
Hij bleef maar over zijn vermisten meester praten:
Nu moest hij werken voor een bende onverlaten,
      Zijn meester had hem wel een kalmen ouden dag
      In eigen stulp bezorgd, zoo zuchtte hij, "maar ach,
Die kans is nu voorbij. Hij zal niet wederkomen.
Zijn zoon, die een ontdekkingstocht heeft ondernomen,
      Laat de bedroefde vrouw Penelope alleen.
      Laërtes woont op 't land. Waar moet dat met ons heen?
Ook kan mij 't lot van hem, den jongen, zoo bezwaren:
De wraakzucht van de vrijers dreigt hem met gevaren."
      "Eumaeus," zei de beedlaar, "luister naar mijn woord:
      'k Heb veel gezworven, veel gezien en veel gehoord,
En ik verzeker u, uw heer zal wederkeeren."
"Dat zeggen z' allemaal, dan krijgen z' een pak kleeren,"
      Was 't antwoord, "en geschenken van Penelope."
      "Als ik gelogen heb, werp me gerust in zee,"
Hernam de gast beslist, "maar mocht hij wederkeeren,
Dan geeft u me daarna als loon een mooi pak kleeren."
      "Kom, laten we maar tot wat anders overgaan,"
      Zei zuchtend d'oude man, "waar kom je zelf vandaan?"
Toen is Odysseus weer met zoo'n verhaal begonnen,
Dat zeldzaam boeiend was - van a tot z verzonnen.
      Eumaeus gaf hem nu uit dankbaarheid een kleed,
      "Maar enkel voor vanavond," zei hij, "want je weet,
Ik leef, je ziet het zelf, armoedig en bekrompen,
Dus morgen kruip je weer in j' eigen oude lompen."
      Odysseus kreeg een bed met schapenvacht beschut,
      Maar d'oude hoeder, onvermoeid, verliet de hut,
En ging weer naar de zwijnen, die zijn zorgen vroegen.
Odysseus merkte op, met innerlijk genoegen,
      Hoe trouw de oude man nog voor hem bezig was,
      Terwijl hij meende dat zijn heer afwezig was.

5. HET VERTREK VAN TELEMACHUS
Te Sparta lagen twee vermoeide koningsknapen
In 't statig slaapvertrek. De eene ligt te slapen,
      De ander waakt. De eene is Pisistratus,
      Maar hij die waakt en peinst, is prins Telemachus.
Nu komt Athene om den jongen op te wekken:
"Je moet je nutteloos verblijf niet langer rekken.
      Je thuiskomst is gewenscht. Weet, dat Eurymachus
      Je moeder met geschenken overlaadt, en dus -
Je bent nog jong, en hebt zoo geen verstand van vrouwen,
Maar leer van mij, je kunt z' op dat punt niet vertrouwen.
      Laërtes en haar broeders moedigen het aan,
      't Is dus je dure plicht direkt naar huis te gaan.
Bij 't eiland Asteris moet j' op je tellen passen:
Daar liggen er een paar, die op je thuiskomst vlassen ...
      Zeil dag en nacht, en zonder ooit te stoppen, door;
      Je krijgt een goeden wind, daar zorgen wij wel voor.
Op Ithaca geland, stuur je de schepelingen
In 't vaartuig naar de stad. Je moet je maar bedwingen,
      Bedenk, je wordt toch niet bij moeder thuis verwacht.
      Eerst ga je naar Eumaeus, waar je overnacht,
Dan zeg je hem zich tot Penelope te richten,
Om haar tersluiks omtrent je thuiskomst in te lichten."
      Telemachus stond op, en sprak den koning aan,
      Om hem te vragen, of hij nu naar huis mocht gaan.
De oude koning had een frisschen kijk op 't leven,
En aarzelt niet, verlof tot zijn vertrek te geven.
      " Welzeker," zei hij, "als je gaan wilt, ga gerust.
      Ik vind, een gast moet doen en laten wat hem lust;
Ook in de vriendschap moet men d'uitersten vermijden:
Gebrek en overmaat. De weg ligt tusschen beiden.
      Mijn leus is: laat je huis voor gasten open staan,
      Maar houd geen mensch terug, die liever weg wil gaan."
Bij 't mengvat, dat de koning hem al had gegeven,
Voegt Helena een kleed, met eigen hand geweven.
      "Ik schenk j' als souvenir," zoo sprak zij, "dit gewaad;
      'k Bestem het voor je bruid, wanneer je trouwen gaat.
J'hebt zeker nog geen plans, en 't duurt misschien nog jaren,
Vraag moeder dus of zij het voor je wil bewaren."
      De jongens worden naar het vurig span gebracht,
      Dat bij de hooge poort al traplend op hen wacht.
"Wanneer je," zegt de vorst, "straks Nestor mocht ontmoeten,
Vergeet dan niet, hem hartelijk van ons te groeten."
      Een arend met een tamme gans in d'ijzren klauw
      Snelt rechts voorbij het span. Wat dat beduiden zou?
"Dat is," zei Helena, "gewis een godlijk teeken,
Dat straks je vader slagen zal zijn hoon te wreken."

6. DE AANKOMST IN ITHACA
      In Pylos aangekomen, zei Telemachus:
      "Ik ga niet met je mee." "Neen," zei Pisistratus,
"Mijn vader zou je zeker te logeeren yragen,
En zoo, uit pure vriendlijkheid, je reis vertragen."
      Ze gingen dus uiteen. Het schip lag aan de ree,
      Toen kwam er onverwacht een nieuwe makker mee.
't Was Theoclymenus. "Ik heb een moord bedreven,"
Zoo sprak hij, "mijn vervolgers staan mij naar het leven.
      Ik smeek u, neem mij mee. Ik ben een wichelaar.
      Breng mij waarheen u wilt, maar red mij van 't gevaar."
De jongen was bereid den vluchtling te gerieven,
En weldra zag men 't schip het zilte sop doorklieven.
      Na korten tijd ontscheept men zich op Ithaca.
      "Wat raadt u me? Dat ik nu naar uw moeder ga?"
Vroeg Theoclymenus. "O neen, daar ben ik tegen,"
Was 't antwoord, "want daar komt u zeker ongelegen.
      Ga naar Eurymachus. Dat is een machtig man,
      Die u op 't oogenblik het beste helpen kan.
Hij acht mijn moeder hoog, en wenscht met haar te trouwen,
Maar of 't hem lukken zal, dat zal er nog om houen."
      Een havik met een duif in d'opgesperden poot
      Vloog langs hen, en de veeren vielen naast de boot.
De wichlaar haastte zich dit teeken te verklaren:
"De god zal voor uw vorstenhuis den troon bewaren!"
      Nu vaart het volk, zooals bepaald was, naar de stad;
      Telemachus gaat naar Eumaeus op het pad.
Indachtig Pallas' woord stapt hij standvastig verder,
En richt zijn schreden naar het hutje van den herder.

7. HET VERHAAL VAN EUMAEUS
      Odysseus nu had na 't verstrijken van den nacht
      Den dag tevreden bij zijn dienaar doorgebracht.
Maar om zijn hartlijkheid op zwaarder proef te stellen,
Besloot hij hem geveinsde plannen te vertellen:
      "Ik ben je hier tot last. Wat dunkt je van het plan
      Om weg te gaan en werk te zoeken waar ik kan?
De minnaars zijn, zooals je zegt, voorname lieden,
Als ik me daar nu eens als huisknecht aan ging bieden;
      'k Kan tafeldienen, schuren, zorgen voor den haard,
      Ik ben als knecht mijn kost in ieder opzicht waard."
De zwijnenhoeder had Odysseus onder 't spreken
Half medelijdend, half verwijtend aangekeken.
      "Neen," zei hij, "oude man, dat raad ik je niet aan.
      Jij knecht bij zulke lui? Dat krijg je nooit gedaan.
Die wenschen bij den disch robuste jonge knapen,
Met zwier gekleed, de blonde lokken om de slapen,
      Maar niet een ouden krommen bedelaar als jij.
      Hier ben je welkom, grijzaard. Blijf gerust bij mij."
Odysseus kon zijn vreugde nauwelijks verhelen.
Toen vroeg hij hem iets van zichzelven mee te deelen.
      "Ik," sprak de zwijnenhoeder, "ben een koningszoon.
      Er leefd' aan vaders hof een jonkvrouw sluw en schoon;
Een drom Phoeniciërs, geland met koopvaartbooten
Bij onze havenstad, had een verbond gesloten,
      Door wuft vermaak verknocht aan deze slechte vrouw,
      Dat zij mij voor hun boozen handel rooven zou.
Eens, toen mijn huisgenooten vol bewondring keken
Naar d'uitgestalde waar, gaf een der bend' een teeken;
      De vrouw sloop naar de voorzaal, stal zoo veel zij kon,
      En lokte mij uit huis bij 't dalen van de zon.
Ik volgde argeloos. Zij bracht mij naar de reede.
Het schip lag klaar. De bende nam ons ijlings mede.
      Maar nog geen zeven dagen waren w' onder zeil,
      Toen Artemis de vrouw in 't hart trof met een pijl.
Zij plofte in den kuil, bespat van gore vochten,
Toen wierp men 't lijk van boord tot aas der zeegedrochten.
      Tenslotte kwamen wij in Ithaca terecht,
      Waar mij Laërtes van de roovers kocht als knecht."
"Natuurlijk," zei Odysseus, "ben je te beklagen,
Maar toch, me dunkt, je lot is niet zoo zwaar te dragen:
      Jij kreeg een goeien heer, licht werk, een ruim bestaan,
      Terwijl ik zwervende de wereld door moest gaan."

8. ODYSSEUS ONTMOET TELEMACHUS
Daar zien ze plotseling de honden vroolijk springend,
Maar blijkbaar door instinkt geleid geblaf bedwingend,
      En als van vreugd vervuld al kwisplend met den staart,
      Den weg op rennen in een ongetemde vaart.
Eumaeus vraagt: "Wat zou dat nu beduiden moeten?"
"Wel," zegt de gast gevat, "ze gaan een vriend begroeten:
      De beesten zijn geprikkeld, maar zij blaffen niet.
      Ik hoor een voetstap, Kijk eens of je iemand ziet."
Telemachus verschijnt. Eumaeus sluit den jongen
Aan 't hart, terwijl de tranen hem in d'oogen sprongen;
      Odysseus ziet ontroerd hoeveel hij van hem houdt.
      "Wel," vraagt Telemachus, "is moeder al getrouwd?"
Dan hoort hij hoe het ten paleize toegegaan is,
En ziet Odysseus, die eerbiedig opgestaan is.
      "Blijf zitten, vreemdeling, ik vind mijn plaatsje wel,"
      Zegt hupsch Telemachus, "geef mij dat schapenvel,
Eumaeus. Dat zit best. En heb je al vernomen
Uit welke streken deze gastvriend is gekomen?"
      Eumaeus zegt hem wat hij gistren had gehoord,
      Dat hij van Creta komt, verdwaald is, enzoovoort,
"Nu moet je," zegt de knaap, "mijn moeder in gaan lichten,
En haar mijn goede aankomst in 't geheim berichten,"
      Eumaeus gaat. De knaap is met den gast alleen,
      Nu vluchten plotseling de honden jankend heen:
Geen haat, als bij hemzelf; geen vreugd, als bij zijn jongen,
Zij schijnen van een zeker angstgevoel doordrongen ...
      Terwijl Odysseus snel dat teeken overdenkt,
      Ziet hij daar op den weg een jonkvrouw, die hem wenkt.
Hij gaat naar buiten. "Laat je schijnvertooning varen,"
Voegt hem Athene toe. "Je moet je openbaren.
      Maak nu Telemachus op alles voorbereid,
      Ik," zegt de krijgsgodin, "ik hunker naar den strijd."
Een tikje met haar staf maakt hem van schun tot koning,
Zij gaat en hij betreedt als vorst de schaamle woning;
      Zijn zoon, van schrik verstomd, begrijpt niet wat hij ziet.
      "Ik ben je vader," zegt Odysseus, "vrees mij niet."
Zoo sprekend sluit hij den ontroerden knaap in d'armen,
En voelt een teedren gloed zijn vaderhart verwarmen,
      Den lezer blijve 't lange tweegesprek bespaard,
      Waarin de vader alles aan den zoon verklaart.
Odysseus spoort hem aan met hem vereend te strijden,
"Maar," zegt Telemachus, "wij zijn maar met ons beiden,
      En zij?" - "Mijn zoon," was 't antwoord, "wie zal ons verslaan,
      Als Zeus zelf en Athene ons terzijde staan?
Zij zal mij straks daarginds voortdurend bijstand schenken,
Als ik den beedlaar speel. Let jij dan op mijn wenken,
      En houd je in, zoodra je zulk een teeken ziet.
      Maar dit blijft onder ons, verraad je vader niet,
Bewaar 't geheim voor dienaars, vrijers, zwijnenhoeder,
Je mag er zelfs niet over spreken met je moeder."
      "Mijn vader," zei Telemachus, "vertrouw uw zoon,
      En wacht totdat ik u mijn moed door daden toon."

9. DE BOODSCHAP VAN EUMAEUS
Het heugelijk bericht door d'ouden man gegeven,
Was voor de sluwe vrijers geen geheim gebleven.
      "De schelm ontsnapt!" zoo riep Eurymachus verwoed,
      "Wie had dat ooit gedacht? Laat ons met grooten spoed
Bemannen een galei, geschikt om zonder dralen,
De anderen van Asteris terug te halen."
      "Neen," lacht' Amphinomus, "het schip hoeft niet te gaan.
      Je voorstel komt te laat. Daar komen zij al aan."
Het schip was inderdaad zoo juist terug gekomen,
En nauwlijks hadden de belagers 't nieuws vernomen,
      Of de verschrikte minnaars schoolden bij elkaar,
      Om midlen te beramen tegen het gevaar.
Antinoüs stelt voor, den jongen te vermoorden,
Amphinomus, ontstemd door deze wreede woorden,
      Dee 't voorstel eerst den wil der goden na te gaan
      En dan te handelen. Dat voorstel nam men aan.

10. PENELOPE SPREEKT TOT DE VRIJERS
Penelope vernam door Medon van de plannen,
En zij besloot een woord te spreken tot de mannen.
      Zij plaatst zich bij den deurpost van de groote zaal,
      Waar weer de minnaars zwolgen aan hun kostlijk maal.
"Antinoüs," zoo riep zij uit, "je moest je schamen
Om zulk een godvergeten moordplan te beramen!
      Is dat je dank voor wat Odysseus destijds deed,
      Toen j' eigen vader dezen drempel overschreed,
Als vluchtend smeekling, om mijn man om hulp te vragen,
En deze zijn vervolgers glansrijk heeft verslagen?"
      "Neen," sprak Eurymachus, de groote huichelaar,
      "Penelope, ik zweer: je zoon dreigt geen gevaar.
Odysseus, die mij lekre hapjes gaf te eten,
Als 'k op zijn knieën zat - hoe zou ik dat vergeten!
      Hij heeft mij altijd als zijn eigen zoon bemind,
      Die liefde schenk ik thans terug aan vaders kind;
Odysseus' vriendschap zal ik aan zijn zoon vergoeden,
En dezen dierbren knaap voor elk gevaar behoeden."
      Penelope vertrok, bekommerd in haar hart,
      En zocht in stil geween verluchting van haar smart.

11. EUMAEUS IN ZIJN HUT TERUG
Eumaeus komt terug. 't Is tegen tijd van slapen,
Odysseus, door Atheen tot bedelaar herschapen,
      Hoort met zijn zoon hoe hij zijn boodschap heeft gedaan.
      "En 't schip der vrijers, die mij naar het leven staan,"
Vroeg hem Telemachus, "is dat terug gekomen?"
De zwijnenhoeder zei: "Dat heb ik niet vernomen;
      Wel heb ik in de haven een galei gezien,
      En, dacht ik bij mezelf, daar heb je z' al misschien.
Maar zeker weet ik 't niet." Glimlachend keek de jongen
Zijn vader aan die zweeg, door wijs beleid bedwongen.
      Toen, na een hartig maal van brood en varkenskop,
      Zocht elk van hen vermoeid zijn schaamle leger op.
Daar leggen zij zich neer. De rusttijd is gekomen,
En koning, prins en slaaf bereiken 't land der droomen.

12. DE THUISKOMST VAN TELEMACHUS
      Telemachus vertrok vroegtijdig naar de stad,
      Nadat hij eerst Eumaeus opgedragen had,
Ook derwaarts met den ouden bedelaar te tijgen,
Waar deze denklijk wel een bete broods zou krijgen.
      "U hebt gelijk," zei de gewaande bedelaar,
      "Ik heb veel minder kans op gaven hier dan daar."
Telemachus verliet den herder en den koning,
En weldra stond hij voor zijn ouderlijke woning.
      De goede Eurycleia kreeg hem 't eerst in 't oog;
      "Mijn jongen!" riep ze, toen hij haar in d'armen vloog,
"Mijn lievling is terug!" en kust' hem op de wangen,
"Ga gauw naar moeder, vent; die zal naar je verlangen!"
      Daar komt Penelope. Zij drukt hem aan haar hart,
      En dooft met moedervreugd haar echtelijke smart.
"En," vraagt zij, "leeft hij nog, of is hij omgekomen?"
"Ik heb van Menelaus," zegt hij, "dit vernomen:
      De nimf Calypso houdt hem vast op haar gebied,
      Maar verdere bijzonderheden wist hij niet."
Doch Theociymenus, toevallig ten paleize,
Verneemt dit, en hij vult het aan op deze wijze:
      "Ik weet wel meer, vorstin. Ik heb uw zoon verzeld,
      En bij de landing werd zijn vaders lot voorspeld."
Hierop beschreef hij haar het teeken van de veeren,
"Dit zegt mij," sprak hij, "dat de vorst terug zal keeren."
      Penelope geloofde dat het was geschied,
      Maar dat ze zijn verklaring aannam, zei ze niet.

13. DE THUISKOMST VAN ODYSSEUS
"Ja," zei Eumaeus, "'k heb je gister aangeraden
Het landelijk verblijf bij mij niet te versmaden,
      Maar als mijn meester zegt: je brengt hem naar de stad,
      Eumaeus, 't is mijn wensch - dan doet Eumaeus dat."
"Goed," zei de beedlaar, "kun je m' ook een knuppel leenen?
De weg is glad, en 'k sta niet stevig op mijn beenen."
      Eumaeus vond een stok, en zei: "Hier is je staf.
      Vooruit." Zoo stromplen zij de steile paden af.
Zij troffen 't slecht. Daar komen zij op een der wegen
Melanthius, den boozen geitenhoeder, tegen.
      Hij hoont den bedelaar, hij scheldt hem uit, hij schopt ...
      Odysseus, die zijn woede nauwelijks verkropt,
Bedwingt zich niettemin. Dat schoppen en dat schelden,
Zoo zegt hij in zichzelf, dat zal ik je vergelden.
      Melanthius ijlt hun vooruit naar het paleis,
      Om zich te goed te doen aan 's beedlaars drank en spijs,
Toen eindelijk Odysseus zijn paleis aanschouwde,
Riep hij ontroerd: "Dat moet het zijn, mijn brave oude!
      Hoe sierlijk loopt de lijst, die 't grootsch gebouw omspant!"
      Hij keek Eumaeus aan, en drukte hem de hand.
"Let op hoe vast van bouw de onderscheiden stukken,
Als waren z' een geheel, zich aan elkander drukkenj
      De voorhof sluit zich aan, zoo, dat hij 't huis versterkt,
      En kijk, hoe kunstig is die vleugeldeur bewerkt!"
Nu staan zij in den hof. Eumaeus gaat naar binnen.
Daar brast de buitersbent, gelaafd naar lijf en zinnen
      Door spijzen, drank en zang. Odysseus, die het hoort,
      Staat eenzaam in gepeinzen buiten bij de poort.
Neen. Eenzaam niet. Daar ligt verlaten en vergeten
Zijn oude trouwe hond, vermagerd en versleten.
      Hij snuft en hij herkent. Hij strijkt zijn ooren neer.
      Zijn half-verlamde staart gaat zachtjes heen en weer.
Die goeie Argus. Zie, hij tracht zich op te richten,
Maar heeft de kracht niet meer; verstijfd zijn zijn gewrichten.
      Hij kijkt zijn meester aan. Van blijdschap trilt zijn poot ...
      Een zachte zucht - heel zacht. En toen was Argus dood.

14. ODYSSEUS BIJ DE VRIJERS
Nu dreef Atheen hem naar de wreede rotgezellen,
Om hun gezindheid op een laatste proef te stellen,
      Dat wellicht aan een enklen 't doodslot wierd bespaard;
      Maar niemand bleek het voorrecht van vergeving waard.
"Wie is die schooier," schreeuwt men, "die ons hier komt storen?"
Toen drong Melanthius zich hatelijk naar voren:
      "Ik zag hem met Eumaeus, al van morgen vroeg!"
      Antinoüs riep: "Beedlaars hebb' we hier genoeg,
Zeg, wat bezielt jou, nog zoo'n schraalhans hier te halen?"
Eumaeus sprak: "Het past u weinig zoo te smalen,
      Maar ga gerust uw gang. Ik trek het mij niet aan
      Zoolang mij de vorstin en hij terzijde staan,
Telemachus, mijn heer." - "Verspil toch niet je woorden,"
Verwijt de laatste 'm zacht. Toen luid, dat allen 't hoorden:
      "Uw zorg, Antinoüs, uw zorg voor moeders goed
      Is tamelijk verdacht, daar u niets anders doet,
Dan elken dag daar volop van te profiteeren."
Hij luistert niet, maar schreeuwt: "Je moet maar niet probeeren
      Of jij iets van mij krijgt, vervloekte bedelman!"
      Waarop Odysseus zei: "Wordt u daar armer van?
't Is toch uw eigen goed niet, waar u van zoudt geven?"
Toen greep de ander, door zijn dolle drift gedreven,
      Een schemel, en nu gansch van zelfbedwang beroofd,
      Werpt hij het meubel wild Odysseus naar het hoofd,
Met zulk een kracht, dat, had het werptuig doel getroffen,
Men d'ouden beedlaar dood ter aarde had zien ploffen.
      Maar 't raakt zijn schouder slechts. Onwrikbaar als een rots
      Bleef de getrofne staan, en sprak: "De wrake gods
Zal u voor deze laffe euveldaad verderven:
Moog gij, Antinoüs, vóór uw verloving sterven!"
      Telemachus zag 't met verbeten woede aan -
      Zijn mond ontvlood geen woord, zijn oog ontsprong geen traan.

15. TELEMACHUS NIEST
Penelope had van des vreemdlings komst vernomen,
En liet op hoop van nieuws Eumaeus bij zich komen.
      "Zou hij," zoo vroeg zij hem, "iets weten van mijn man?"
      "Ja," was het antwoord, "ja, daar weet hij zeker van.
Hij is bij mij geweest drie dagen en drie nachten,
En ik verzeker u, u kunt wat moois verwachten.
      Wat hij vertellen kan! Het duurt je nooit te lang,
      't Is haast nog boeiender dan Phemius' gezang.
Hij zegt dat hij van Creta komt en hier gestrand is,
Hij kent Odysseus goed en denkt dat die in 't land is,
      Of binnenkort hier komt. Hij brengt van overzee,
      Voorspelt de vreemdeling, een stapel schatten mee."
"Ach," zucht zij, "zal ik dan van hem de waarheid leeren,
En zal Odysseus straks als wreker wederkeeren?"
      Hatsjiessa! klonk het plotsling luid door het gebouw;
      Een glimlach krult den mond der zwaarbeproefde vrouw,
"Dat is Telemachus!" roept z'uit. "Het is een teeken:
De wreker nadert. Ga. Ik wil den vreemdling spreken."
      Eumaeus bracht de boodschap aan den bedelaar;
      Odysseus was onmidlijk met zijn antwoord klaar:
"Eumaeus, ik word hier mishandeld en beleedigd,
En niemand is er die mij bijstaat en verdedigt,
      Ja zelfs Telemachus neemt er genoegen mee,
      Eumaeus, ik ben bang. Zeg dat Penelope.
Zeg, dat ik wacht totdat de minnaars 't huis verlaten,
Want dat ik voor dien tijd niet vrijuit durf te praten."
      Eumaeus komt terug, alleen. "Waar is de gast?"
      Vraagt zij teleurgesteld. "Hij komt vanavond vast,"
Was 't antwoord, "hij wil 't voor de minnaars nu niet wagen,"
En hij vertelde hoe de troep zich had misdragen.
      Zij was geschokt toen zij van 's beedlaars lot vernam,
      Maar zei, ze zou geduldig wachten tot hij kwam.

16. HET BEDELAARS-GEVECHT
Intusschen kreeg Odysseus na 't aanhoudend hoonen
Een ongezochte kans zijn leeuwenmoed te toonen.
      Een beedlaar van beroep, die Irus was genaamd,
      Zeer zwaar van bouw, maar zwak, door zwelgzucht slecht befaamd
Kwam als gewoonlijk weer bij d' Ithacaansche eedlen,
En zag met ergernis een concurrent in 't beedlen.
      "Eruit!" snauwt hij Odysseus toe, "met dat gespuis!"
      En tracht hem weg te dringen uit zijn eigen huis.
"Och waarom," zei Odysseus, "zouden wij gaan strijden?
Ik hinder je toch niet? Er is genoeg voor beiden.
      Ik zoek met jou geen twist. 'k Ben oud. Maar 'k ben niet laf,
      En als ik word getart, dan bijt ik van mij af."
Maar Irus houdt niet op met schelden en met kijven;
"Ik luister naar geen leuterpraat van ouwe wijven,
      Eruit, jij schooier, of ik kwak je op den grond,
      En sla je al je laatste tanden uit je mond."
Antinoüs, die lachend dit geval aanschouwde,
Begon ze op te hitsen: "Pak hem aan, jij oude!
      Toe, Irus, sla d'r op! En wie van jullie wint,
      Die krijgt van mij het beste brokje dat ik vind."
"Het past een grijzaard," sprak Odysseus, "niet, te strijden.
Maar goed. Ik laat me door mijn leege maag verleiden.
      Ik neem den tweestrijd aan, al is mijn rug gekromd,
      Als 't eerlijk gaat, en niemand tusschenbeiden komt.
"Neen, dat beloven wij," zoo klonk het, en men zweert het,
En ook Telemachus als gastheer garandeert het.
      Odysseus legt zijn lompen af om toe te slaan,
      En vol bewondring zien zij 't forsche lichaam aan,
Snel door Atheen verjongd, en, straks zoo nietig lijkend,
Thans in den glans der mannelijke schoonheid prijkend.
      Ik sla hem, dacht Odysseus, niet volkomen dood,
      Maar nagenoeg. Want is mijn zegepraal te groot,
Dan loop ik groot gevaar vermoedens te verwekken,
En niemand mag de waarheid voor den tijd ontdekken.
      De uitslag was zooals de lezer heeft verwacht,
      En als de held zijn laatsten klink heeft toegebracht,
Sleurt hij den sloeber met den blik eens overwinnaars
Naar buiten, onder luid gejubel van de minnaars.
      Antinoüs bracht hem een brok van 't vetste zwijn,
      En van Amphinomus kreeg hij een pokel wijn.

17. DE WAPENS VAN DEN WAND
Nu was het tijd te werken aan de voorbereiding
Voor morgen, voor den dag van kamp en van kastijding.
      De maaltijd was voorbij, de minnaars gingen heen,
      En onze held bleef met Telemachus alleen.
"Breng al de wapens," sprak hij, "die den wand bedekken,
Onopgemerkt naar een der hoogere vertrekken;
      En vraagt men morgen soms, waarom je 't hebt gedaan,
      Dan zeg je, dat ze hier zoo door den rook beslaan,
En ook - dat zal misschien nog sterker indruk maken -
Opdat men niet in de verleiding zou geraken
      Bij twist een zwaard of dolk te rukken van den wand,
      Om dien te slechten met het wapen in de hand."
Telemachus roept Eurycleia. "Al de vrouwen,"
Zoo spreekt hij, "moet je van de zaal verwijderd houen;
      'k Neem die beslagen wapens van de wanden weg,
      En wensch alleen te zijn. Dus doe wat ik je zeg."
"Maar kind, dan heb je niemand om je bij te lichten,"
Zucht d'oude, "en moet jij dat werk alleen verrichten?"
      "Ik word geholpen," zegt hij, "door Eumaeus' vriend;
      Licht, dat hij door wat werk zijn middagmaal verdient."
De twee gaan aan den gang. En nu geschiedt een wonder:
De wanden fel verlicht, van boven en van onder!
      "Hé," zei Telemachus, "waar komt dat licht vandaan?"
      Hij zag Athene niet bij een der zuilen staan:
Zij droeg een luchter, die een hellen glans verspreidde.
Odysseus, die haar zag, berispte hem en zeide:
      "Vraag niets. Bewaar dit in je hart. Vertrouw den god,
      Die zich bekommert om der menschenkindren lot.
Ga jij nu maar naar bed. Ik moet je moeder spreken."
Telemachus, vervuld van 't lichtend wonderteeken,
      En door het sjouwen met de wapens afgemat,
      Vond in zijn bed de rust die hij zoo noodig had.

18. HET VOETBAD
Penelope kwam laat in d'avond naar beneden,
En vroeg den beedlaar, toen zij binnen was getreden:
      "Hoe heet u, vreemdeling? Hebt u mijn man gekend?"
      Toen deed hij een verhaal, weer van begin tot end
Verzonnen. Ja. Hij kend' Odysseus van zijn reizen.
"Ja," zei Penelope, "maar kunt u dat bewijzen?
      Beschrijf de kleeren die Odysseus destijds droeg."
      Hij deed het, en 't kwam uit. "Dit is bewijs genoeg,"
Sprak zij gerustgesteld. "En 'k durf erop te zweren,"
Hernam de vreemdeling, "dat hij terug zal keeren."
      Hoewel zij hierin nog geen vast vertrouwen had,
      Bood zij den gast uit dank een bed aan en een bad.
Toen kwam een dienares om hem het bad te geven;
"Neen, meisje," zei de man, "dat zal je niet beleven.
      Geen van de werksters zal mij raken aan den voet;
      Als een bejaarde vrouw het doen kan, vin' 'k het goed."
"Juist," sprak Penelope, "u schijnt me zeer verstandig.
Laat Eurycleia 't doen. Die 's oud, maar nog heel handig.
      Ze heeft het bij haar meester ook zoo vaak gedaan
      Nu zullen ook zijn voeten niet zoo vlug meer gaan!
Och, Eurycleia kan hem nog maar nooit vergeten:
Odysseus heeft als kind bij haar op schoot gezeten."
      "Wat lijkt die man," zei Eurycleia "op mijn heer!"
      "Ja moeder," zei de gast, "dat zeggen ze wel meer,
Dat heb je goed gezien." Zou d'oude vrouw nog weten,
Dat hij als jongen door dien ever werd gebeten?
      't Lidteeken zat er nog. Verbeel' je, dat ze 't ziet,
      Dacht hij. 't Was op zijn voet. En - 't merk ontsnapt haar niet!
Zijn been ontvalt haar hand en doet het bekken kantlen.
Het water stroomt. Zij kan haar blijdschap niet bemantlen.
      "Mijn lieve jongen!" zegt ze, streelt hem in 't gezicht,
      En roept: "Pene - !" "Sst!" sist Odysseus, "mondje dicht!
Wanneer je me verraadt, dan zal je 't duur betalen!"
Van vreugde weenend gaat z' een ander voetbad halen.

19. DE DROOM VAN PENELOPE
      Penelope had niets van dit gesprek gehoord,
      En zette 't onderhoud na 't bad nog even voort.
Zij sprak hem van haar zorgvol en verdrietig leven,
Nu zou zij zich dan in den tweeden echt begeven,
      Telemachus behoefde thans haar hulp niet meer,
      "Hij is gerijpt tot man, en voelt zich aller heer;
Een fier besef van kracht is in zijn ziel gevaren,
Maar," zoo vervolgde zij, "kunt u mij dit verklaren?:
      'k Heb twintig ganzen hier. Nu zag ik dezen nacht
      In droom een adelaar van ongemeene kracht,
Die haar de nekken brak. Snel was hij weer verdwenen.
De vrouwen vingen aan te jamren en te weeneni
      Zij drongen om mij heen, verslagen en verstoord,
      Omdat die adelaar mijn ganzen had vermoord.
Maar deze kwam terug. Hij sprak met groote klaarheid
En menschelijke stem: 'Dit is geen waan, maar waarheid.
      Die ganzen zijn de vrijers, Ik, uw echtgenoot,
      Kwam van mijn zwerftocht weer, en zend hen in den dood.'
'k Ontwaak, sta op en daar, voor mijn verbaasde blikken,
Staan al de ganzen frisch aan 't morgenvoer te pikken.
      Zie, d'elpen poort laat waan, de hoornen waarheid door;
      Kwam deze droom door 't hoorn, of liep hij langs 't ivoor?"
Odysseus zei: "Vorstin, hier valt niets uit te leggen,
Geen beeld kan zijn bedoeling duidelijker zeggen:
      Odysseus komt terug. Ziehier uw droom geduid."
      Maar zij gelooft hem niet, en zegt hem haar besluit:
Zij zal den dag daarop den krachtigste der mannen,
Die er in slagen zal Odysseus' boog te spannen,
      En dan den pijl jaagt door twaalf ringen op een rij,
      Verkiezen als gemaal. Odysseus valt haar bij.
Zij gaat. Odysseus legt zich in 't portaal te slapen
Op zachte huiden van zijn rundren en zijn schapen.
      Toen daalde van de trap Eurynome, alleen,
      En legde over hem vol zorg een mantel heen.

20. DE BOOG VAN OOYSSEUS
De dag breekt aan, en Eurycleia maant de meiden
Zich ijverig en snel aan 't schoonmaakwerk te wijden.
      Zij zwermen in de zaal met emmer, teil en trap,
      En tijgen aan den slag met spons en zeemelap.
Nadat Melanthius den gast opnieuw gehoond had,
Nadat Eumaeus weer zijn hartlijkheid getoond had,
      Ontmoet Odysseus nog een trouwen dienaar-vriend,
      Philoetius. Die had hem jaren lang gediend.
De brave man begon hem vriendlijk toe te spreken.
"O als Odysseus wederkwam om zich te wreken,"
      Zoo sprak hij, en hij gaf hem hartelijk de hand,
      "Dan diend' ik hen niet meer, maar koos mijn meesters kant."
Odysseus, zeer verheugd een helper te ontdekken,
Besloot hem in 't complot des avonds te betrekken.
      De minnaars stroomen in. Men zet zich aan 't ontbijt,
      En allen tergen weer den beedlaar als om strijd.
Schoon Theoclymenes gods dreigement laat hooren,
Zij blijken zich aan zijn voorspelling niet te storen.
      Hij sprak: "Ik zie de zaal van schimmen overvuld,
      Den wand met bloed bevlekt, in schemering gehuld."
"Stuur," spot Eurymachus, "dien dwazen onruststichter,
Wien 't hier te donker is, naar buiten. Daar is 't lichter."
      Thans daalt Penelope van haar vertrekken af,
      En brengt den boog, verzeld van haar slavinnen-staf.
Zij roept ten wedstrijd op, en zegt: "Ik kies den minnaar,
Die dezen eedlen kamp verlaat als overwinnaar."
      Haar zoon plaatst de geringde bijlen op een rij,
      En d'eerste die den boog in handen neemt, is hij.
't Was driemaal tevergeefsch. Maar bij zijn vierde pogen
Zou 't zeker zijn gelukt. Daar ziet hij recht in d'oogen
      Zijns vaders, die hem uit de verte gadeslaat,
      En vangt zijn blik. Een wenk weerhoudt hem van de daad.
Hij leest een streng bevel: Telemachus, niet weder!
En zuchtend legt hij 't wapen voor de vrijers neder.
      Nu vangt de wedstrijd van de mededingers aan;
      Wie wint? Wie hunner zal het stoute stuk bestaan?
Zij trachten 't stugge tuig bij 't haardvuur te verwarmen,
Maar 't blijft onbuigbaar, zelfs voor hun gespierde armen,

21. DE SLACHTING
      Eumaeus en Philoetius gaan samen weg,
      Nu is het zaak, dat ik dien twee getrouwen zeg,
Wie 't is, dien zij met vriendlijkheden overstelpen,
Bedenkt Odysseus snel, Zijn zij bereid te helpen,
      Dan is het pleit beslist, Hij volgt hen op den voet,
      En als hij hun de groote openbaring doet,
Zijn beiden te ontroerd hun blijdschap uit te spreken,
"Hoort," zegt Odysseus, "hoe ik op je bijstand reken,"
      Hij zette 't plan uiteen, en eindigde aldus:
      "Ziehier uw taak, Eumaeus en Philoetius,
'k Heb met mijn zoon het werk der straf op mij genomen,
Gij hebt te zorgen, dat geen vijand kan ontkomen.
      Eumaeus, jij geeft mij het wapen in de hand,
      Philoetius, jij sluit de poort met byblisch band,
Verzekert ook de deuren van 't verblijf der vrouwen,"
"Begrepen," klinkt het vast, "u kunt op ons vertrouwen."
      Nu komen zij terug, een tijdje na elkaar;
      Eumaeus geeft het wapen aan den bedelaar,
Maar als de minnaars zich met hoongelach verzetten,
Zegt de vorstin: "En waarom zou men 't hem beletten?
      Indien door hem het wonder van den dag geschiedt,
      Wat deert dat u dan nog? Hem trouw ik zeker niet,"
Nu spreekt Telemachus met klimmend zelfvertrouwen:
"Ga, moeder, naar 't getouw. Dat is de plaats voor vrouwen,
      Ik ben de heer die hier in eigen huis regeert,
      En ik beveel dat deze man den boog hanteert,"
Zij gaat, De gast begint het wapen te betasten,
Of hij ook scheuren voelt, oneffenheid of kwasten,
      En heft het langzaam op. Een zware donderslag,
      Dien Zeus hem zendt, verkondt dat hij niet aarzlen mag.
Hij spant, schiet af en doet, tot schrik der rotgezellen,
Den flits door alle twaalf de ringen sissend snellen.
      Dan klinkt zijn sterke stem luid boven het gejoel:
      "Voor dezen tweeden pijl kies ik een ander doel,
Dat nooit nog iemand trof." Hij spant het wapen weder,
En schiet Antinoüs, die juist een teug nam, neder.
      De gouden beker tuimelt verre van zijn hand,
      De pijl, diep in zijn keel, schiet uit aan d'andren kant.
De vorst vervolgt zijn werk. Wild rent men langs de wanden,
Maar vindt de wapens niet, en keert met leege handen.
      De minnaars stoven rond als rundren in de wei
      Voor d'angel van de brems in 't zoele lentgetij.
Gelijk de gier de vooglen drijft naar 't net der jagers,
Zoo dreef hen in den dood het zwaard van hun belagers.
      Telemachus vecht mee, en moordt met mannenmoed,
      Totdat de bende ligt te baden in het bloed.
Melanthius zou nog een strenger straf ontvangen,
Hij was aan een der zolderbinten opgehangen;
      Geen snelle pijl was 't hier, die 's booswichts oogen sloot,
      Hij stierf in helsche pijn een wreeden folterdood.

22. DE HERKENNING
De zaal, gereinigd van het vuil en van de dooden,
Is weer in rust, en Eurycleia wordt ontboden.
      "Begeef u," zegt Odysseus, "naar Penelope,
      En deel haar 't bloedig einde van den wedstrijd mee."
Het oudje trippelt opgetogen langs de trappen,
Om 't heuglijk nieuws aan haar gebiedster te verklappen.
      Haar vreugde kent geen perk, zij giert het uit van pret,
      Vergeet haar ouderdom, en slipt op elken tred.
Penelope lag ver van waar de stemmen klonken,
Van geen tumult bewust in diepen slaap verzonken.
      "Penelope, sta op!" zoo juicht de trouwe meid,
      "Odysseus is terug! 't Is nu geen slapenstijd.
De minnaars die hier jaren lang uw goed verslonden,
Die heeft hij een voor een de Hades ingezonden!"
      "Misleid een ander," is het antwoord, "als 't je lust,
      Niet mij. 'k Heb sinds hij ging nog nooit zoo goed gerust."
"Geloof me, lieve kind. Hij kwam om zich te wreken.
De jongen wist het ook, maar mocht er niet van spreken:
      Voordat ik hier verschijn als heer van mijn gebied,
      Had vader hem gezegd, vertel je 't moeder niet."
Penelope stond op met tranen in haar oogen,
Sloeg d'armen om haar heen, en snikte diep bewogen:
      "O moedertje, ik kan het niet gelooven, neen;
      Heeft hij die gansche troep verslagen, hij alleen?
Als zij gevallen zijn, dan was dat 't werk der goden;
Hij is of in 't vreemde land, of in het rijk der dooden."
      "Neen, kind. Herinner je je 't voetbad laatst misschien?
      Nu. Toen heb ik het aan zijn evermerk gezien,
Maar hij zei: mondje dicht! En 'k mocht er niets van zeggen."
"Goed, goed. Dan vraag 'k mijn zoon, of hij 't mij uit wil leggen."
      Zij gaat, en zet zich weiflend bij Odysseus neer;
      Al heeft hij thans zijn vroegren vorm en kleeding weer,
Hij tracht vergeefs haar wanklen geest tot zich te richten.
Telemachus dringt aan. Ten slotte moet zij zwichten.
      Maar, zegt zij, "Eurycleia, zorg dat 's heeren bed
      Vanavond in een andre kamer wordt gezet."
Odysseus kan zijn vreugde nauwlijks onderdrukken,
En zegt: "Probeer het niet. Het zou je niet gelukken;
      Het voetstuk van het bed blijft staan zooals het stond,
      Onwrikbaar vastgehecht, geworteld in den grond."
Dit was een diep geheim, dat slechts zij beiden kenden,
En dat z' als proef met list had weten aan te wenden.
      "Mijn schroom was ongegrond en mijn vermoeden valsch!"
      Verklaarde zij verheugd en vloog hem om zijn hals.
Zoo welkom als de kust den zwemmer op de baren,
Na schipbreuk nauw ontsnapt aan velerlei gevaren,
      Die 't strand betreedt, van vreugd en dankbaarheid bezield,
      Zoo welkom was de man, dien zij omstrengeld hield.

23. LAËRTES
Nu rest mij nog de daad van kinderplicht te boeken,
Dat onze held zijn ouden vader ging bezoeken,
      Al d'eersten dag. Laërtes woonde op het land,
      Alleen, beroofd van goed, van glorie, rang en stand.
Alleen. Zijn zoon had roem in 't verre land verworven -
Zijn gade was uit angst en onberoemd gestorven.
      Odysseus nam dus afscheid van Penelope;
      Zijn zoon en twee getrouwe dienaars gingen mee,
En 't viertal toog op reis. "Ga jullie drieën binnen,"
Zei hij voor 't huis, "ik zal een onderhoud verzinnen
      Voor vader. Zie je 'm niet? Hij werkt daar in zijn tuin."
      Laërtes stond gebukt, 't kalotje op den kruin,
Gehuld in koeienvel en grof gehechte lappen,
De schoffel in de hand, zijn tuintje op te knappen.
      Odysseus wachtte 'n wijl, het hart vervuld van rouw,
      Niet wetend wat hij tot zijn vader zeggen zou.
Toen ging hij naar hem toe. Hij sprak hem van zijn jongen,
Totdat den ouden man de traan' in d'oogen sprongen.
      Toen bracht Odysseus zijn vertelling niet ten end,
      Maar stokte middenin en maakte zich bekend.
Laërtes kon zijn woorden eerst nog niet gelooven,
Hij wilde wel, maar telkens kwam de twijfel boven;
      Zelfs toen Odysseus hem zijn voet bekijken liet
      En wees op 't evermerk, vertrouwde hij het niet.
Nu noemt zijn zoon - herinring uit zijn kinderleven -
De namen van de boomen, hem als knaap gegeven.
      Dit breekt zijn weifeling. Geweken is zijn smart,
      En spraakloos koestert hij Odysseus aan zijn hart.

24. SLOT
Ik zal de blijdschap van Laërtes niet beschrijven,
"Nu moet je met je vieren hier ten eten blijven,"
      Klonk 't hartelijk en gul. Gezellig was het maal,
      Verlevendigd door menig wonderlijk verhaal,
Dat zoon en kleinzoon beiden om de beurten deden
Van de door hen beleefde wederwaardigheden.
      Eumaeus en Philoetius vernamen veel
      Dat zij niet kenden, daar alleen het laatste deel
Door hen was meebeleefd. - Maar, lacie, voor men scheidde,
Bemerkten zij met schrik, dat nieuwe kamp hen beidde.
      Eupeithes, van zijn zoon Antinoüs beroofd,
      Had oproer aangestookt, en met hemzelf aan 't hoofd
Kwam de verstoorde troep den vorst voldoening vragen.
Vergeefs. Er volgt een strijd. De bende wordt verslagen.
      Eupeithes sneuvelde. De rest vlood naar de stad.
      Toen trad Athene op - de strijd werd niet hervat;
Zij deelt haar wensch aan vorst en onderdanen mede,
En 't einde was een Algemeen Verbond van Vrede.

Voorwoord van de schrijver

De waardeering die mijn "Socrates", vooral van klassieke zijde, ten deel gevallen Is, heeft mij zeer getroffen; zij heeft mij aangespoord tot deze tweede poging om een wereldberoemd maar weinig gelezen verhaal bevattelijker vorm te verleenen.
Vele critici verlangen poezie van mij, en zijn dan boos als ik die niet lever; maar daar doe ik nu eenmaal niet in. Ook hier dus geen poezie.
Dit is, in berijmd proza, het verhaal van de gebeurtenissen, die Homerus in de Odyssee bezingt.
De talrijke herhalingen, uitweidingen, beschrijvingen en bijzonderheden van bijkomstige personen, van huisraad, kleeding, wapens, in het kort al wat niet noodlg Is tot juist begrip van den loop der voorvallen, heb ik weggelaten; maar ik heb den draad niet verbroken en getracht een zuiver en nauwkeurig relaas te geven van Odysseus' lotgevallen.
Geen poging heb ik gedaan tot grapjes of andere bijvoegingen. Mocht hier of daar een glimlach gewekt worden, dan is die te danken aan Homerus, niet aan mij. Want Homerus is grappig. Of zit er geen humor in de beroemde list van Penelope (II, 94), in het gebed van Athene tot Poseidon (III, 55), in den naam "Niemand" (IX, 366 en vooral IX, 408, 410), in Polyphemus' sentimenteele toespraak tot den ram, terwijl Odysseus er onder aan hangt (IX, 447), in Odysseus' verhaal tot Athene (XIII,256), en in Penelope's bevel het bed te verzetten (XXIII, 177)?
Ik kan bijna iederen regel verantwoorden met verwijzing naar Homerus. Deskundigen zullen het erkennen, anderen gelieven het aan te nemen, dat ook verdacht hedendaagsch klinkende opmerkingen als die omtrent het succes der nieuwste liedjes, authentiek zijn. In Timmerman's letterlijke vertaling luiden Telemachus' woorden aldus:
"Maar moeder, waarom verwijt gij 't hem toch, als onze aanhankelijke zanger zoo ons verkwikt als zijn geest het hem ingeeft? Het zijn niet de dichters: zij zijn niet schuldig, maar Zeus is het, die aan menschen - gerst is hun voedsel - aan iedereen geeft, zooals hij het wil geven. Wraak het in hem niet als hij van den rampspoed der Grieken wil zingen. Dat gezang juichen de menschen het meeste toe, dat aan de hoorders 't nieuwst in de ooren klinkt. 't Is niet Odysseus alleen, wiens terugkeersdag is verloren ginder in Troje, maar ook vele anderen gingen ten gronde. Ga nu maar liever naar binnen, uw eigen handwerk bezorgen, weven er wol en laat uw slavinnen het weefgetouw langs gaan; 't spreken komt toe aan de mannen, aan mij vooral: ik ben hier meester." (I, 346-360).
Met opzet geef ik de geheele passage, omdat hierdoor mijn werkwijze goed gekenschetst wordt.
Wat den eenvoud van mijn taal betreft, die lijkt mij niet slechts verdedigbaar, maar vereischt. De Odyssee is geen heldendicht zooals de Ilias, maar - behoudens enkele bloedige tafereelen - een huiselijk-landelijke vertelling van grazende runderen, trappelende paarden, kwispelstaartende honden, knorrende zwijnen, snaterende ganzen; van oude dienstmaagden, die "kind-lief" tegen mevrouw zeggen en den zoon des hui zes, van een verre reis terug, omhelzen; van wevende huismoeders en linnen wasschende dochters; een verhaal, waarin de goden met elkaar en met de stervelingen praten als gezellige menschen. Als Hermes bij Calypso op bezoek komt, ontvangt zij hem met dezelfde visite-opmerkingen die wij nog gebruiken, "in lange niet geweest, enz." Coomhert (De Dolinghe van Ulysse) vertaalt deze passage aldus: "Waarom komdy hier Mercuri, dat doet mij weten; ghy quaemt hier niet in iange dagen." En wat de smaragd-oogige godin Pallas Athene tegen den in listen bedrevenen Odysseus zegt, als deze haar bij den goddeiijken neus tracht te nemen, komt zoowat neer op "asjemenou!'
Ziehier: "Athene streelde hem glimlachend de hand en zei: Wie 't van jou in streken winnen wil, moet wel een zeldzame slimmerd en leugenaar zijn, ondeugd! Zal je 't dan nooit afleeren? Laten we mekaar maar niets wijs maken - we zijn aan mekaar gewaagd; jij bent de pienterste onder de menschen, en mij noemen ze de knapste en geslepenste onder de goden." (XIII, 287 vv.) Voor zulk een vertelling past geen hoogdravende stijl. Ik hoorde uit den mond dier menschen en goden, die voor mij onder 't werk zijn gaan leven, geen andere zinnen dan die ik ze laat zeggen.
Ik merk op, dat men woorden als koning, vorstin, prins, paleis niet al te letterlijk moet lezen. Odysseus was een landedelman, Telemachus de landjonker, die, als 't zoo te pas kwam, logeerde in de hut van den zwijnenhoeder, waar hij als kind in huis was (XVI, 44) en de barones, Penelope, wist precies hoeveel ganzen ze had - twintig (XIX, 536); de jonker keek zijn oogen uit toen hij in het mooie huis van Menelaus kwam - thuis was hij niet veel gewend (IV, 71).
Het is hier niet de plaats om over de schoonheden van de Odyssee uit te weiden, maar ik wil alleen de aandacht vestigen op de meesterlijke teekening der honden om de schilderij te versterken: opgewektheid (II, 11), vijandigheid (XIV, 29), vriendschap (XVI, 4), angst (XVI, 162), trouw (XVII, 300 vv.).
Ik heb dit Rijm geschreven voor allen die hun heugenis aan dit boeiendste aller oud-Grieksche verhalen wat willen opfrisschen, maar ook voor scholieren, die den inhoud moeten kennen, welke hun hier op wellicht niet ongevallige wijze wordt voorgedragen. Te hunnen behoeve heb ik in den index de verwerkte regels vermeld.
Mij past een woord van dank aan den heer R. v. d. Velde, litt. hum. docts te Haarlem, die het MS heeft nagezien, en mij met tal van nuttige wenken verplicht heeft.

Namenregister

Alcinoüs, koning der Phaeaken
Amphinomus, vrijer van Penelope
Antinoüs, vrijer van Penelope
Aphrodite, vrouw van Hephaestus, godin der liefde
Ares, krijgsgod
Arete, vrouw van Alcinoüs
Artemis, godin der jacht, wier pijlen plotselingen dood brengen
Athene, uitverkoren dochter van Zeus, godin van den oorlog en van de wetenschap, schutsgodin van Odysseus, Penelope en Telemachus
Circe, dochter van Helios, toovenares
Euryalus, zoon van Alcinoüs
Eurycleia, dienstmaagd, eerst bij Laërtes, later bij Odysseus
Eurylochus, bloedverwant van Odysseus, voornaamste zijner tochtgenooten
Eurynome, oude dienstmaagd van Penelope
Helios, zonnegod
Hephaestus, god van het vuur, smid
Hermes, zoon van Zeus, bode
Ino, vroeger sterveling, vrouw van Athamas; toen deze in waanzin hun zoon gedood had, sprong zij in zee en werd tot zeenimf gemaakt onder den naam van Leucothea
Iphthima, zuster van Penelope
Laërtes, vader van Odysseus
Lampetia, dochter van Helios, hoedster zijner kudden
Laodamas, zoon van Alcinoüs
Leucothea, zie Ino
Maleia, voorgebergte in Laconië, berucht door stormen
Nausicaä, dochter van Alcinoüs
Odysseus, zoon van Laërtes, koning van Ithaca, strijder bij Troje
Pallas, bijnaam van Athene
Penelope, vrouw van Odysseus
Phaëtusa, dochter van Helios, hoedster zijner kudden
Pisistratus, zoon van Nestor
Poseidon, broeder van Zeus, beheerscher der zee
Proteus, zeegod
Scheria, het eiland der Phaeaken
Telemachus, zoon van Odysseus
Tiresias, blinde ziener uit Thebe
Zeus, oppergod, donder- en bliksemverwekker

Charivarius

Terug - Top


[Pygmalion]

Dit lichaam, een standbeeld gewekt
door je vingers, opent zich eindelijk
op de plaats waar ieder mens vertrekt -
rond mijn sokkel herbegint de tijd.

Dit is dan je huid die past als een huis,
met ramen van oudere kamers dan dood,
de luiken geopend, de deuren bekruist,
het dak een teder lentewoord.

Vergeet hoe je heette toen je mij hiew
uit het vlammende lood van oktober -
ontwaken is smelten en doven, het nieuwe
verval van wie opziet, de tover
aanvaardend van zachtere tongen
dan spraak weet op te eisen.

Dit lichaam is begonnen.
Hier eindigt het zwijgen.

Laura van der Galiën

Terug - Top


Troilus 2 [2van2]

Zij gaat van hand tot hand,
mijn Cressida, precies
als tijdens onze nacht
toen ik niet haar
maar honderd mannen zag
mijzelf niet los kon scheuren
van moeten willen
dat ik om het even was.

Ik wil weten
wie zij met haar dichtgeknepen ogen zag,
of wat ik gaf voor haar ook echt
van mij afkomstig was.
Ik ben verliefd op wat ik vrees.

Ik was de man niet die haar had,
ik was de mannen die zij zag,
ik wil de mannen zijn met wie zij slaapt,
de kluwen mannen in de holte
van het paard wachtend op het breken
van de poort, het rollen langzaam
onze stegen in, niet man zijn
maar een vrouw wil ik en weten
wie ik ben als zij mij hebben allemaal.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Troilus 1 [1van2]

Eén nacht was Cressida van mij.
Ik niet van haar. Zij gaf zo mee,
mijn Cressida, ik geloofde niet
dat ik haar eerste was, laat staan
haar enige. Troje is een kas,
een overdekt moeras, dichtgegroeid,
het is kort dag, altijd maar weer,
en wie zijn lief verlaat moet
rechtstreeks naar de slag.
Wij schrijven trouwbeloften in condens,
en keren we, bij toeval, terug,
met alles nog compleet,
dan is het glas weer dichtgezweet,
geen mens die zegt: ik ben,
jij bent, van jou, van mij.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Achaemenides

Homerus noemt mij niet. Alles meegemaakt,
belegeren, hexameters, het paard van hout,
de Odyssee tot op de helft. Daar viel ik
als een speld de hooiberg van het epos uit.
Ik zag mijn vrienden hollen naar de schepen
(na de balk gedreven door het reuzenoog)
en hoorde ver weg roepen: 'Niemand ben ik,
niemand heeft jou dit gedaan.' Ik raakte
zoek, en werd daarmee het zelfportret van hem
die ons had naverteld. Geen verscheiden
zo totaal als in het wit van geen verhaal.

Eeuwen later: stippen aan de horizon.
De zeilen van een nieuw gedicht.
Aeneas pikt mij op. Boek Drie. Ik krijg
mijn naam. Daar moet ik het mee doen,
en met die vreemde lidwoordloze taal.
Herboren roei ik mee, de regels op.

Versvoet zijn we, nooit de hele zin,
we zijn zolang de tocht ons hebben kan.
Groter denkt geen dichter iemands lot.

En toch en toch: zonder iemand versleten
voor niemand verwaterde de strakste plot.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Klytaimnestra tot Zeus

Misschien ziet u dit kleine paleis in de heuvels
de muren eromheen noemen wij cyclopisch.
Misschien ziet u ook mij, een stip op de stenen
die zwijgen in de fijne regen net als de bergen
de leeuwen aan de poort de wachters op het dak.
Alles zwijgt hier al jaren, het wacht, droomt
van leven, mannen. Ziet u de weg naar zee, daar
zullen ze wellicht vandaan komen, u weet dat -
niet ik, onkundige onder uw grijze hemel
in uw onbeweeglijke wereld, pratend tegen u.

Het is hier herfst, gestadig het kalme dorren
het is hier winter, elke dag levenloze stilstand.
Alleen mijn verlangen - het past niet het is
te groot, gevaarlijk, mijn armen willen omhelzen
het bloed wil stromen, ik leef toch nog of
ben ik al dood, als het landschap als marmer
in lege heuvels. O help mij hou mij vast -
als u mij niet ziet Zeus, dan niemand.

Marjoleine de Vos

Terug - Top


Dido, na het vertrek van Aeneas [4van4]

Ik zoek een gevolg van deze mijn oorzaak
ik zie er geen. De zomer is spoorloos -
warme pruimen lui in hun bomen, kussen
zoet als tomaten, vissen in zee spartelend
als sperma. Zijn ogen zagen mijn hart
de toekomst spoelde ons lachend aan land.
's Nachts zochten zijn handen mijn huid
steeds weer barstte de maan van volheid
kromp dan, en verdween.

De weg van mijn verwachting was lang, ik ging hem
traag tot stilstand in de schaduw, tot uitzicht terug
naar beneden waar uit de haven de schepen gleden
naar een andere kust, als vogels naar een andere zomer.

Waarvoor ik bedoeld was weet ik niet, geen vraag
past op mijn anrwoord. Het is najaar, de grond is hard
een kastanje verschrompelt in mijn zak. Meer niet.

Marjoleine de Vos

Terug - Top


Dido [3van4]

Of klinkt er soms geen woord
hoort hij niets dan golven, denkt hij
zich weg, onaanraakbaar of voelt hij
mijn hand, ik ken hem toch of
is de schelp van zijn oren gesloten
dit is toch zacht zijn hals
of is er niemand en zwijg ik.

Was hij het wel die als aangespoeld
zo weerloos in mijn armen
steeds nader zijn woorden stuurde
hij die zich vervlocht, vervloeide
met wie vergroeide ik, was hij het?

Ontfermt zich dan niets
ruist de hemel zijn stilte
maar ik schreeuw toch
mijn stem kaatst op de steen:
luister, ga niet -
als jij het bent.

Marjoleine de Vos

Terug - Top


Aeneas [2van4]

Wat zal ik zeggen je wilt niet horen
dat wij geteld zijn tot het einde
dat de boom zich ontwortelt
de druppel zich splitst
je verdampt in mijn arm, ik zoek je
over zee, in dromen die van mij zijn
zoals jij.

Hoe de deken ons kende, het gras ons wiegde
hoe de hemel van ver naar ons lachte
hoe wij nu scheuren tot stof verwaaien.
Ach hoe je hand, die ik niet voel
hoe je stem, die ik niet hoor, je woorden
zingen van hoe de dag, die ik niet ken
en dat jij het bent al deze klanken
al deze jaren, jij, al deze golven.

Laat mij de reis niet voltooien, hoor mij
roepen dat ik terugkeer.

Marjoleine de Vos

Terug - Top


Dido, c'est moi [1van4]

's Nachts droomde ze dat hij haar achterna zat
dat ze rondzwierf alleen, dat ze rende maar niet
vooruitkwam, al tweeduizend jaar geleden
droom ik dat ook elke nacht. Huist er één mens
in ieders hoofd of hart of hebben wij
nog steeds diezelfde oude zielen van toen
waarin de droomfabriek haar onverslijtbare
films afspeelt: altijd weer vliegen maar nooit
hoger dan een meter, op een muur staan dus
vallen peilloos van schommel of balkon
aan het strand rukt de zee op, in het water
huist een monster. Ook dat droomde Dido
als ze niet dwaalde over het plein van Carthago
zoals ik, naakt tussen mensen in prachtige toga's.

Marjoleine de Vos

             In haar dromen jaagt Aeneas wild achter haar aan.
             Vergilius: Aeneis, boek 4

Terug - Top


Attisch zwartfigurig

Wij kleine zwarte mannen met puntige paarse baarden,
angstig rondom onze vazen lopend met knieën van brandhout,

weten veel meer van Hellenendom
dan een dromende Duitse drom

uit de vijf en twintigste eeuw na onze geboorte.

Wij weten dat alles gebeuren kan,
al kunnen wij Gorgonen, mino- en centauren doden,
tyran zijn en bang zijn.

Dat doen wij: vloeiende verf gewekt tot star en hoekig leven,
tot onze vazen breken.

L. Th. Lehmann

Terug - Top


Bij het zien van vitrines vol terra sigillata

Nooit lagen klaar
voor het gebruik
bord, kom en kruik
dicht op elkaar

onder glasramen,
als hier hun scherven
die mensen derven
en toch eens kwamen

van lange banken,
waar slaven bukten
eindeloos drukten
blaad'ren en ranken,

bacchanten, dwaze
Heraklespoppen,
eierlijst, knoppen,
oorloze hazen,

in de kleilaag;
zover men kan
zien in 't stof van
't museum traag

erop vergruizend,
lakrood bijna,
en somtijds, ja,
eenmaal op duizend;

moeilijk gevrij;
allebei staan!
'k Zou liever gaan
liggen erbij.

Het is niet fijn
bij het bezingen
dat alle dingen
zijn als ze zijn.

Voorgoed verdwenen
grijpende handen,
lippen aan randen.
Die hun te lenen

is wel wat hach'lijk
want du moment
dat men het kan,
is men belach'lijk.

L. Th. Lehmann

Terug - Top


Anchises

Wat mannen dromen werd geheel gegeven
aan mij, in één teug, waartoe nog mijn zoon,
al werd hij boven alle anderen schoon.
Hij roept, heb ik een drang nog voort te leven?

Ik weet, haar schaduw is mij bijgebleven,
zij leidde hem, een overbodig loon
voor mij, zo niet een zwakke hoon:
dit leven is, als ik je voor blijf zweven.

Ik wil haar deze ene niet ontroven,
al is zij voor de eeuwigheid voldaan.

Hoe kan ik deze ene doen geloven,
dat met haar mij verliet de laatste waan.

Hoe kom ik deze moeheid ooit te boven,
als zij en hij mij dwingen op te staan.

L. Th. Lehmann

Terug - Top


Pygmalion

Het marmerstof in zweet of tranenvocht
liet evenzeer zijn spoor op mijn natuur
als al de jaren dat ik naar haar zocht.
Ik ben zeer grijs en voor dit avontuur

misschien te oud, maar toen ik haar herkende
in 't marmer, viel de beitel uit mijn hand;
mijn lippen prevelden het langgewende
gebed dat in mijn verre jeugd mij stand

deed houden bij het werk, in jaren wachten.
Ik zag het ademloos, zij kwam mij toe.
De roes der eerste ongekende nachten
weerde de rekenschap, maar ik ben moe.

Soms denk ik dat dit alles een visioen is:
een kindse grijsaard knielend voor een steen,
of twijfel of zij met haar lot verzoend is.
Is zij nog van de plicht van vlees en been

zo onbewust als 't beeld, of lijdt als vrouw
gekoppeld aan een grijsaard zij? Het eerste
hoop ik voor haar, maar mij rest slechts berouw,
hoe hoop'loos als slechts zo zij mij beheerste.

Ik werk niet meer, ik durf niet, zie nog al te
vertrouwd in mijn oud huis de blokken staan.
Ik vrees mijn duidelijke droomgestalten,
te levend zien zij mij uit marmer aan.

L. Th. Lehmann

Terug - Top


Ja, Catullus, nog altijd hetzelfde liedje

er is veel veranderd sinds
de dagen van Catullus
57 v. Chr. is tenslotte lang geleden
maar de wijn smaakt nog hetzelfde
schouders en billen kunnen even mooi zijn
en ik denk niet aan de landing op de maan
bij een orgasme als een roos
die razendsnel opent

Jaap Harten

Terug - Top


De Odyssee

Inleiding/Voorbericht
Hier is lectuur voor u
Vol met verschijnselen
En dramatiek

Prachtige staaltjes van
Ongeloofwaardigheid
Onder deskundigen
Heet dat epiek

 

Was u in 't buitenland?
Slechte verbindingen?
En de verzorging
Niet steeds als verwacht?

Lees dan oplettend dit
Surrealistische
Reisverslag
Ooit door Homeros bedacht

 

Drs. P

                         de rest van de ollekebollekes staat in: 'De Odyssee van Drs. P.', Amsterdam tweeduizendtwee.

Terug - Top


Medea II

Medea, bezeten van een Griekse held en dief
van het gouden ramsvel; Medea hals over kop
vluchtend met haar minnaar van Kolchis naar
de overkant van deze zee. Is daar veiligheid,
is er een haven voor hem én voor haar vlies?
Hoe traag is Argo, snelste schip op elke zee,
tegen de westenwind? - 'Jason, de zonnevloot
van mijn vader komt dichterbij. Leg de zweep
over de roeiers, jaag Argo voort. Jij verliest
met het Gulden Vlies ook mij. Jason, hij haalt
ons in. Sla de riemen harder. Er is geen grens
tussen mijn vadersjacht en ons tenzij de dood.' -
Medea, op bevel van de Griekse held, grijpt haar
kleine halfbroer bij de zwarte krullen. Het mes
van wellust scheidt de kop van de jongensromp.
De koningsjager kan gaan vissen naar zijn zoon:
een spoor van gesneden leden fleurt mijl na mijl
de grauwheid op van deze wrede zee.
                                                          Medea vlucht
met haar minnaar en komt (dolk tussen de tanden)
in Tomi aan. Daarom heet de stad Afgesneden Heil.

Hans Berghuis

                         uit: 'Een winter in Tomi', 1987.

Terug - Top


Sisyphus

sloven
te
uitstoven
mete
loopkoolgeloven
ikeenaan
niks;zulkweerboven
voormetochna
weerHem,erhaar
ievanmoeteen
gaatstijlenop
daargeenhaast,ik
Vooruit,iserBen
Hetwasvan!
Bij Zeus!ikgek
-er
Verrekword
Ik
Wee mij!
 
Etc.

Drs. P

Terug - Top


Dorp in Zuid-Holland

Elk woord gezegd hier was al veel.
In doods gemompel: torentijd,
de namen van de wielerkoers
of 'hoi' tegen een leuke meid.

's Zaterdagsavonds tentmuziek.
Dan sloot het dorp de wereld af.
Fietsers verstarden tot publiek.
Dichter und Bauer, waarom niet.

Straat langs het water. Kritisch punt.
Wat kwam na de muziek tot stand?
Kijk zonder handen op de fiets,
en brommend met een buddyseat

de Kreek rond, over Kaai en Heul,
een hels kabaal het halve dorp -
maar iemand die ook vleugels kreeg,
die kwam niet ver. Die drijft er nog.

Ad Zuiderent

                         uit: 'Op de hoogte van Icarus', 1993.

Terug - Top


medusa

in haar schaduwtheeater
zijn wij haar schaduwen
wij kunnen tot zulk een zwarte macht
geraken dat zij verblindt
in het licht dat achter ons laait

ook de dampkring en de reislust
staan niet aan haar zijde
maar geloof mij ioos mij
is het niet gegeven te stikken in een opbloei

hoe vaak al ben ik gevaren
in mijn darling wijn en waar
ben ik niet geklommen tussen de koningen
loodzwaar in mijn hese hartstreek
(naar verluid hij verluit
fluisterden de st st
strengen)
maar naar dat wij steeds reven
dat wat ons te kort is

                         [volgende pagina, achterzijde van de vorige]

bijv. ons lichaam achter haar spie-
raam

Lucebert

Terug - Top


Daedalus en Icarus, een boer

Vleugelslagen -
geen vogel te bekennen

boven het trekkende water
boven de wolken

de boer hoort
niet ziet
niets

wat was
komt niet terug

‘een geluidje, mijn zoon,
een rimpeling in het stromende
water - slechts
hoe de tijd beweegt hoe
alles zijn plaats vindt’

en de boer - hij ploegt
voort

-vleugelslag.

Ron Elshout

Terug - Top


Orpheus nu

De stilte is de stilte van het plein
in de nevel, zo ver en zo dichtbij.
Een jongen kust een meisje, zij
draagt een strakke spijkerbroek. Mijn

en dijn, dus niets zeggen nu, niet
kijken, het zwijgen bewaren, wachten
op winter. In dit ondoorzichtig gebied
ontbreekt niets, alles te verwachten

nog. Wacht de man in de boot. Wellicht
vriest hij vast. Aarzelende stappen
lossen langzaam op in flarden mist.

Dan komt de gondel alsnog in zicht;
nelle voeten schieten langs de trappen.
Redden ze het? De boot gemist?

Ron Elshout

Terug - Top


[Sappho]

Ik benijd de sterveling, die
altijd maar naast je mag

slapen! Als je me ‘s nachts onverhoeds
bezoekt, de gedachte

aan je, je ziel me bespringt
vormt hitte me een gloed

tussen dijen en hart en breekt
het krachtige liefdeszweet

mij alzijds uit
trek ik beurtelings bleek weg of schiet

het vuur in mijn wangen
- ik sterf -

ik ken het verlangen
als geen ander

zoiets kan mij nu alleen
overkomen, Sappho, omdat ik hier

zoveel weken al in
eenzaamheid woon, ver

van haar en van iedereen weg
op jouw breedtegraad

in Europa, maar de vervulling
ken ik net als jij

natuurliijk ook.

Elly de Waard

Terug - Top


Argivische inscriptie

Boustrophedon is het schrift, ossekerelingsgewijze
in de zwarte steen gegrift,
als de voren van een span
ploegende ossen, die een man
maant met donkere roep te maken
de ommezwaai, als zij geraken
zwoegende aan de akkerrand
- oerschrift, eeuwen eender ploegschrift -,
Boustrophedon, welke hand
heeft de tekenen ingedreven,
donker opgaand, stremmend even
en verlangzaamd aan de rand?

Ida Gerhardt

Terug - Top


Metamorfose

ik heb niet de hoop verloren
maar de humor
ik heb de hoop verloren

en nu van de vogel
van de dode mus
heb ik een olifant gemaakt
één logge van onmacht

en de dag is zand door de vingers
en zand in mijn haar zijn alle letterloze woorden

en nu weer van de vogel
die door een steppe stampt
hoewel hij thuishoort in de jungle
om bomen uit te rukken
door een steppe stampt
waar het gras geen verwilderd Brits gazon is
maar kort en ongeïnspireerd
met zwarte bodemvlekken
en zonder einde

een soort van negerlied
voor mijn vogel die à la Naso
een leren huid kreeg
de Achilleshuid der kwetsbaarheid

Remco Campert

Terug - Top


De poel [Narcissus]

Een reiziger, bestoft, bezweet,
belandde bij een poel,
en reeds had hij zich half ontkleed
- hem lokte ’t water koel -
toen hij met felle schrik doorzag:
dit is een poel van zonden!
Zijn kleren zwaaiend als een vlag,
- een veldheer na gewonnen slag
verdween hij, ongeschonden.

Maurits Mok

Terug - Top


[Arminius, Varus, Teutenburgerwoud]

Woorden doen wonderen
Hermann (Arminius)
Werd de legioenen
Van Varus gewaar

Teut niet, o burgers, de
Urbodenständige
Deutschtumsverwirklichung
Is in gevaar!

Drs. P

Terug - Top


[Circusvoorstelling]

Dagelijks voorstelling!
Wreedheden! Bloedbaden!
Roofdieren! Christenen!
Actie! mimiek!

Ware juweeltjes van
Liefhebberijtoneel
Voor het geachte
Romeinse publiek!

Drs. P

Terug - Top


Archaïsche grafsteen

In het verscholen thijmdal,
domein der honingbijen,
de dodensteen, de stèlè.
'Metoon wijdt deze grafsteen
aan zijn verkoren Aktè,
de moeder zijner zonen,
die stierf, oud twintig jaren.
Zij heeft het brood gebakken,
zij heeft de wol gesponnen,
het huis in stand gehouden.'
De wind beweegt, de bijen
zoemen de stilte stiller;
zij arbeiden, zij fluisteren:
'het huis in stand gehouden,
het huis in stand gehouden.'

Ida Gerhardt

Terug - Top


't Heerlijk heitje

'k Kocht 'n quinarius van Augustus met kleine kop
en achterop 'n engel met trofee, 'n juweel
van zeven millimeter zilver, onder de klop
van de hamer als gloednieuw vandaan, veel

zinsverrukkender dan de biljetten die 'k betaalde.
Dat halve dup schonk meer als 'n bestofte fles
Château Rothschild of krat champagne, en straalde
stil als 'n briljante kunsthistorieles
van stempelsnijders en orerende senatoren.

Zuiver was 't zilver, 'n antiek bazuintje klonk.
Octavio stond 'r, met grote messen gladgeschoren
in eeuwige jeugd op te lachen, en de lamp blonk
op 'n aanblik van twintig stoffigoude eeuwen.
Daarop begon 't legionairs te sneeuwen
en bezweette 'k herboren -

Hans R. Vlek

Terug - Top


Muntstuk met uil

De ronde bolle ogen onbeweeglijk,
de spitse bek gesloten bijna innig,
de veren vol nog van een suizend vliegen
onder de zilvermist van de olijven.

Een kleine munt die in mijn handpalm ademt.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Archeologisch

Alleen de afdruk van zijn voeten in het marmer
bewijst dat hij daar rechtop schrijdend heeft gestaan,
fossiel waaruit het kunstig beeld natuurgetrouw
kan rijzen. Zo ontslagen van zijn voetstuk,
vergooid, vernietigd is dit beeld dat het zijn zolen
spreken laat: ik ben, geweest, afwezig ben ik voor altijd.

T. van Deel

Terug - Top


Exekias

Navigare necesse, pante rhei,
de wijngod vult het hele schip op schaal;
zijn houding werd gekozen om haar taal:
hoe loom ligt hij, goedgunstig stroomt het tij,
achterover; het lokkend druivenmaal,
zwaar aan de mast, maakt zorgeloos en blij;
navigare necesse, panta rhei,
het heidendom belijdt zijn eigen graal,
na zoveel eeuwen opgedoken, vrij,
vol met figuren dartelend opzij,
simpel met dood en queeste aan de haal,
toont het genietend, jeugdig en fataal:
navigare necesse, pante rhei.

                          (nav Exekias, schotel, 6de eeuw v. Chr.)

Koos Geerds

Terug - Top


Kylix van Exekias

Dionysos' boot moet zinken
voordat iemand kan drinken.

Bij het zakken van de drank
zag men eerst de wingerdrank

en de drinker was verrast,
dat die voortkwam uit de mast.

Pas bij de laatste slok
dook de god tevreden op.

Hoe vaak heeft hij in zijn verleden
zo'n wijnstorm uitgereden,

soms te zien, soms bedolven,
als op of tussen golven?

Te zelden misschien,
zijn zee brak niet.

L.Th. Lehmann

Terug - Top


[Plato]

Wie kan Plato's Symposion nog
Lezen, waar vrouwen voor het gesprek
Worden weggestuurd en als hoogste
Liefde die tussen mannen wordt
Aangeprezen? Welke vrouw met
Zelfrespect? Alles moet opnieuw
Geschreven! Mijn vriend, die zijn
Manchetten met paperclipsen knoopt,
Het liefst die van zijn rok, hem wees
Ik erop dat de hoogst georganiseerde

Samenlevingen van dieren de
Gefeminiseerde zijn en hij
Schrok. Maar ons discours - over de
Wrok - was luchtig en geleerd en wij
Dineerden. Spoedig zag men ons op
De dansvloer, in een foxtrot, hij
Volgde en ik leidde. O het was
Een plezier, alles moest op zijn
Kop en ook zo blijven, daar
Stonden wij inmiddels op.

Elly de Waard

Terug - Top


De sestertius van Faustina Junior

Het kapsel van Annia Galeria Faustina
is uiterst elegant, lokken opgebonden in 'n knotje.
Elke morgen stond ze voor 'r bronzen spiegeltje
en kamde het keurig in 'n wrong.

In 145 trouwde ze Marcus Aurelius, die
zich met volle baard gelauwerd steeds liet munten.
Maar zij mocht ook op de sestertius, een flinke
duit waarvoor een plebsmeid plat ging.

Maar daarvan had Annia Galeria geen weet,
duifjes en druifjes verorberend deelde zij de
keizerlijke sponde en zag heur kapsel aldus
bekend in heel het grote rijk en maakte mode.

Een elegant hoofdje voor 'n weekendje gladiatoren,
een charmante glimlach voor 'n ontmande slaaf.

Hans R. Vlek

Terug - Top


Socrates' doodsoratie

'Denken is Anaximander
en Thales' woord lengen
met de wijn der wetenschap,
'n ander denken zal nooit zijn.

Dolle kervel in m'n wijn, o dwazen!
Weet dat míj het marmer wacht
en ondanks al úw wijn ik
er eeuwiger zal zijn.

Waar u de sik van Charon wacht
en Lethe's loomheid, Lethe's spinrag-
dracht, wacht mij de nacht
der tijden die ik rustig overzie:

dáár kruipt de koelte
naar mijn linkerknie, dáár
huilt de haan voorbarig, dáár
kruipt olympossneeuw ter

rechter: o sympathieke beul,
giet dolkervel, dat namaakheul,
door 'n trechter en roep
Phidias' zoon op je stoep!'

Hans R. Vlek

Terug - Top


Orpheus descending

Als hij z'n hand te luisteren legt
op de warme buizen in haar buik,
hoort hij de trein al komen.

Een doffe donder in de diepte dat
aanzwelt tot geraas.

En het moment is dáár

Als het felverlichte voertuig uit
het zwarte gat gespoten komt,
en hij zichzelve ziet.

Gekleed in teder lila achter één
der duizend ramen.

'Mind the doors please! Mind the
doors!'

J.A. Deelder

Terug - Top


Orpheus in de Efteling

Wij kennen in Nederland
een pretparkkabouter

die in een glazen boom
spinet speelt en alle

aanwezige paddestoelen
vult met dromerige klanken

Natuurlijk, als overal, is ook daar
het geluid van opwindend metaal:

een naderende bob
die alles overstemt -

Maar een kind dat jong genoeg is,
legt zijn oor te luister

en hoort dan veel later,
in het ruisen van de wind

nog het ijle
spel van snaren

Job Degenaar

Terug - Top


Geschiedenis

Toen wij in de slag bij Thermopylae vochten,
(aan mijn zijde: Ajax, Castor en Polux,

en Odysseus, de sluwe held, die in de kerstnacht
den Gybrecht van Aemstel schreef)

droeg mijn boezemvriend Socrates een geheel
nieuwe creatie van House of England.

Vooral de lange revers van het jasje en
de korte kuitbroek met strik vielen op.

Ik vond het al zo gek: 'Man', zei ik, 'je zit
toch heus in de verkeerde film.

Ga naar: Zeven gelukkige dagen met Connie,
die Duitsers betalen nog beter ook.'

Zijn droeve filosofengezicht vertoonde één
ogenblik grote blijdschap. Toen echter zuchtte hij:

'De geschiedenis is onverbiddelijk. Ik, Socrates,
heb nu eenmaal bij Thermopylae gevochten.

Wat gebeurd is, is gebeurd.'

Riekus Waskowsky

Terug - Top


Orpheus

Een man die in het donker ontwaakt en niet weet waar hij is
en zijn armen langzaam beweegt zonder iets te raken
en opstaat en zijn handen voor zich uit strekt
en een aantal stappen doet en niets aanraakt
en misselijk is van angst dat hij verrot is en opgesloten
in deze lucht en uit elkaar zal vallen als hij de lucht verlaat

met elke keer dat hij opgaf verloor hij een leven
dat in omgekeerde volgorde afliep en eindigde toen
hij haar opgaf en zo treurt hij niet alleen om haar
zachtheid en aanraking en pogingen om hem te troosten

het is donker sinds een half uur
hij wil geen licht en geen muziek
hij wil zijn handen uitstrekken naar haar toe
zodat zijn vingers weten dat zij blijft proberen.

Nachoem Wijnberg

Terug - Top


Orfeus

Had Orfeus niet Eurydice gedood
Door zelf te hunkren naar haar levende ogen,
Voor eeuwig had hij haar in ’t licht gevoerd.

Nu stond hij wenend waar zich de afgrond sloot
En had voorgoed zich aan zijn arm onttogen
Wie hij zo vast zich dacht aan ’t hart gesnoerd.

Nu bleef zijn hunkren als een open wond
En ’t lied van nederwaarts gericht verlangen
Zwaar en verzadigd als een boom die treurt,

Terwijl die Andre opnieuw de cirkling bond
Waaruit alleen de opvaart van zijn gezangen
Haar – voor hoe kort, helaas! – had losgescheurd.

Albert Verwey

Terug - Top


Nero

                          Aan H. Marsman

De laatste driften van de drieste keizer
besprongen laaiend de verloren stad.
En Nero, ouder plotseling en grijzer
steeg zingend langs het duistersteile pad.

En op de top, in 't waaien van zijn mantel,
aanschouwde hij de weergaloze brand.
'Ik, die paleizen in een vuurpoel kantel -'
maar sidderend viel zijn gestrekte hand.

Zijn sombre trots zou boven Romes vlammen
nimmer de brand der sterren kunnen doven.
Hij voelde 't ijlend bloed langzaam verlammen
en sloeg de blinde mantel voor zijn ogen.

Anthonie Donker

Terug - Top


Brand van Rome

Men ziet hem aarz'len tusschen twee gebaren,
Terwijl hij 't kijkglas bliks'mend houdt gericht
Op de avond'lijke stad, waar lupanaren
Reeds vlammen voor de brand is gesticht.

En ook het hof erkent als wreede plicht
Voor hij één word zingt zóó verrukt te staren
Alsof de strofen van zijn vuurgedicht
Te feilloss vluchtten voor de harpenaren.

Nog aarzelt hij. Uit het vermetel vuur
Deed zijn gebaar koortsige vonken springen.
Maar als in 't vaalomwalmde laat're uur

Brandstichters naad'ren, hovelingen dringen
Tot voor zijn blik, dan vindt men hem bestuurd
Door histrionen en hun handenwringen.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De as van Nero

Zeer breedgenekt staat Nero op z'n as, nog van
vóór de brand, Claudius' adoptiefzoon die eigenlijk
Domitius Phenobarbus heette en de wijste uit zijn
rijk, Seneca, verbande naar Sardinië.

Kunst en sport stonden bij de wreedaard voorop, 'n
soort Goering die zich zelfs lierspelend achterop
z'n geld liet beelden. Paulus betaalde met
deze munt wellicht zijn schippers, maar op

de achterkant prijkt de tempel van Ianus, de
tweekoppige god van de deur uit het rijke room-
se pantheon. Nero, misschien had ie wat gezelligs,
meesterlijk omstrikt het laurier zijn krullend haar.

In de buidel zijner beulen hoorde Petrus deze
as rammelen als de gamelan des doods.

Hans R. Vlek

Terug - Top


[Nero]

Nero is keizer, met laurier getooid.
Omdat hij brood verdeelt en munten strooit
viert Rome feest. Je buldert van het lachen
om christendwazen voor de leeuw gegooid.

Martin Veltman

Terug - Top


[Charon]

Voordat ik afreis, Charon, heel licht, handbagage,
de boedel opgedeeld, de leeftocht weggedaan,
gun mij een laatste blik als zwermen ganzen
in V-formatie naar het zuiden gaan.

Hugo Pos

Terug - Top


Artemis

Volg als vanouds het geblaf
    van de teef die lokt in het lover:
span in die schaamte je pees
    vreemd als de tak van mijn hert.

Paul Claes

Terug - Top


Artemis

Door stromend water en door vuur
gereinigd jagen wij, Artemis,
en de ever of beer, we doden hem pas
als zijn ziel bereid is, met snelle pijlen.
De koppen hangen we aan je boom
als wijgeschenk, de schenkels branden
bestreken met vet op je altaar.
En in tijden van oorlog, van uiterst gevaar,
offeren we je onze mooiste dochter,
onze sterkste zoon. We doden hen pas
als hun ziel bereid is, met scherpe bijlen.
Als hun as van de brandstapels opwaait,
Artemis, zend ons de storm voor de overwinning.

Hans Warren

Terug - Top


Endymion

Zijn witte leden waren zacht gezonken
In donk're bloemen, vol en dicht ontsproten;
Hij sliep, maar zijn ogen bleven ongesloten,
Die in dien nacht als held're starren blonken.

En heel den nacht zat naast hem, dromens-dronken,
De God des slaaps, 't zwart rijs en donk're loten
Nog wuivend, waar de droppen zacht van vloten,
Doch in dier ogen schoonheid weggezonken.

En met het dagen van de ontwaakte zon
Dan wijkt hij traag als een onwillig kind,
Nog omziend naar dien wonderschonen knaap;

Ruist door het bosje: 'Ontwaak, Endymion!'

Albert Verwey

Terug - Top


Endymion

Een jonge god was je, en ook een vlegel.
Een statenmaker uit de laagste klasse.
Je tikte, luidkeels lachend, kleine tegels
De straat in, tussen andere wildebrassen.
Weerbarstig als een kei. Je zei niet veel.
Je roeping was jongleren met kasseien.
Je wereld draaide om je pikhouweel.
Je was dicht bij de aarde met je dijen.
Altijd dicht bij. Je rook naar verse grond.
Eens welt de aarde langzaam uit je mond,
Kruipen de wormen door je holle schedel.
De knekelman speelt lachend op zijn vedel.

Gerrit Komrij

Terug - Top


Bij Plato's Phaedrus

Crux in de tekst. - Ik faalde als tolk.
Een zoon van Schoklands poldervolk,
die steevast, uren voor òns uur,
bij dauw zijn vaders koeien molk,
vond een brillante conjectuur:
de strakke woorden schoten vuur.
Het opgetogen koor ving aan
een roffel op de bank te slaan.

En het wàs of wij daarginds hem zagen,
bij de Ilissus in het gras;
die Eroos in het hart bleef dragen,
die wist wat een efebe was,
en nooit één veder zou ontwijden
van wie de vleugels tracht te spreiden.
Die zelf onaangerand ontkwam
toen hij de bittere scheerling nam.

Ida Gerhardt

Terug - Top


[Plato]

Gij zult den goddelijken Platoon zien,
Hoe hij in volheid van zijn rijpe jeugd
Zich van de dichtkunst en Melpomen
Wendt tot Oerania en Kalliope,
Die oudre Moezen die zich meest verstaan
Op diepe wijsheids goddelijke reên.

Dan toonen we in doorzichtig mimenspel
Hoe hij een hoorder wordt van Sokrates,
Beluisterend diens dagelijksch gesprek,
En hoe hij zijn heeten dorst naar kennis laaft
De murwe honing in diens schamper woord.

En later hoe hij na zijn meesters dood
Uit de' eigen drang op verre reizen trekt,
en hoe hij in Aigyptos wordt gewijd
In Isis' heilige mysteriën.
Dan ziet gij hem aan Dionysios' hof
In 't zee-omstroomd Sikelia, waar zijn deugd
Van stoute oprechtheid enkel wint den toorn
Van Syrakoeses vorst en slavernij.

En eindlijk keert hij als volwassen man
Naar 't oud Athene, en in de' olijvenhof,
De Akademeia, onderwijst voortaan
Zijn sterke geest tot laten ouderdom
Aan 't reeds vernieuwde jongere geslacht
De blijde wijsheid die nu nog verkwikt
Den geest van al wie naar die diepe bron
Den weg vindt en haar heelend water put.

P.C. Boutens

Terug - Top


Vergilius

Vergilius te lezen, Liefste! is dwalen
Door hooge en staatge galerijen, lang
Zich strekkend, waar dan, plotsling, stil en bang
Te voorschijn schietend uit verborgen zalen,

Een bleek gelaat komt harmonieus verhalen,
Met stem uitbarstend soms in vreemd gezang,
Van hoogheid en van leed, of door een gang,
Een lange gang, een klacht ging honderd malen.

Vergilius te lezen, Liefste! is zoet ...
Te luistren naar die schim uit ver verleden,
Die heeft, als wij, gedroomd, gehoopt, geleden

Wijl op zijn hart-streek nog een druppel bloed,
Fonklend door de eeuwen heen, robijn hoog-heerlijk,
Tuigt, dat hij heeft gevoeld grootmachtig-teerlijk.

Willem Kloos

Terug - Top


Achilles

Avondlijk Ilion. De zee,
nabijer nog Achilles' graf,
een meer dan duizend jaren oude bult
met puin en ristelende asfodillen.
Apolloniius beval ons te gaan slapen
op 't schip; hij zelf zou waken
daar op de heuvel van Achilles.
Ook ik ontried het hem. Geducht nog was
de held in zijn verschijningen. Heel Ilion
vreesde na duizend jaren zelfs zijn schild
en woeste helmbos.
Doch twijfel vrat mij aan, de avond was
zeer vredig en de bult zeer dor in 't laatste
metalen licht. Achilles zo lang dood.
Achilles zo lang dood. En elke ademtocht
op deze plaats toch huiverend van hem vervuld
. We liepen door de schemering naar 't schip
en Apolloniius beklom alleen de tumulus.
Later ging ik, rillend van vrees
voor die talloze schimmen, voelbaar in
de zwarte zeewind. Onder 't brandend zwerk
lag Apollonius, rondom zijn slapend hoofd
een schijnsel. In zijn droom
riep hij Achilles' naam.

Hans Warren

Terug - Top


Endymion

Dichter, tolk van mijn pathetische gedachten,
regenmaker, nog eenmaal!
    De woorden komen langzaam,
    mijn god, wat schijnt de maan
    vol liefde, dronkenschap en doodslag!
Mijn beminde, als zij dronken is,
laat zij winden, Pindarus!
Theocritus! geen rustige vallei of lustprieel
maar slijk in de ellendige delta!
ach wel vaak denk ik ach-
ter de wolken ...
    ... ligt de geile maan op de loer,
    waak, slaper, ren, slaper, ren!
U raadt achtervolging uit achterdocht.
    Hoe dan? spreek, ik ben uw vraagbaak van smaak,
    ik dicht u woorden toe.
Ik verdraag haar.
    Misschien is zo de liefde zoet,
    slaap, Endymion mijn!

J.P. Guépin

Terug - Top


Kouros van Milos

Hij loopt - is dat zijn laatste stap
al eeuwen uitgesteld? Beschroomd,
verbaasd ook, met een glimp van pijn,
ziet hij van wie hij heeft gedroomd,
de broer, de vriend, die in een schoot
ooit achterbleef, zijn ogen, mond,
en ziet hem levensgroot.
Een valstrik waar hij niet intrapt?
En durft, nu hij er eindelijk is, niet blij te zijn
met wie als beeld altijd in hem bestond.

Maar heel zijn lichaam glimlacht om de dood.

C.O. Jellema

Terug - Top


Corintische Kore

In krullenstrengen vanonder 't diadeem, op 't blanke
voorhoofd als van zilvermarmren dodenwal,
valt 't tot steen bestemde haar op 't zachtranke
buigen tussen schouders en hals in wronge waterval

langs ongekleurd atlantisch diep amandelogen
naar wat recht en vrouw en zwoegen ooit zal worden,
boven bedekte borsten die geen kindren zogen
starend over Hermes' drukke havenhorden.

En in 'n glimlach dieper als van La Gioconda
troont ze op 'r geplooide chitonrok als zuilenkelk
boven ooit polychrome tenen, waarop in 't ronde

flitsend fotograven gaan, front en profil elk
vastgelegd voor de belezen, snelverwende geest
waarvan 'r koningskop verstild de aren leest.

Hans R. Vlek

Terug - Top


Cerveteri - Villa Giulia Rome: het echtpaar

Houden haar vingers vogels vast, sieraden
of offerschaaltjes in doorschijnend glas,
zijn rechterhand een groen juweel van jade?

De lange zomer die hun leven was
liet op het gaaf gelaat de glimlach duren
begonnen op een buitenbed van gras.

Reikt hij de haarkam aan voor haar coiffure
en geeft zij hem de trouwring van agaat
met spiegelingen op de kamermuren?

Zij liggen in een ingetogen staat
van zaligheid en zichtbaar welbehagen
nog in de kleren van hun levensdagen.

Herhaalt zij met bewegelijke handen
momenten van geluk, en blijft zijn arm
intussen om haar hals, nabij en warm?

Tezamen ingescheept en onder zeil
om op een verdere oever te belanden
voor eeuwen slaap en onverliesbaar heil.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Elginmarble

O archaïsche boogschutter met je
marmerogen in 'n ongekende staar en
gigaantische helmpluim van hard paardehaar,
blikkend over al wat denken richt -

Je onbekend gehelmd gezicht - oh
ziel vergaan tot bloemen en wat adem -
je spieren steen en goddelijk gebikt
door 'n scherpzichtig eeuwig anoniem
dat metafoort in harde materialen: sublieme
scheenbeschermers door 'n geest gesneden,
jij, strijder van alle afgestorven talen
die vrolijk knikken in 'n menselijk heden

dat, véél sneller dan de zenopijl,
in 'n beangstigend spookachtig terwijl,
z'n ogen neertelt voor je keiharde sandalen -

Hans R. Vlek

Terug - Top


Achteraan in de klas

'Hier ben ik dan in dit land der Thebanen'
schreeuwde hij, 1.65 m hoog en meester
over vijfentwintig hoofden, waaronder één
de pest aan zijn tongpunt had,
waar weerom het woord vader op lag.

Achteraan in de klas met vlagen van waanzin in het kruis
en ver uit Azië weg: Kadmos en Pentheus,
in de gedaante van een mes.
Het mes waarmee ik later stak.
Niet uit vijandschap, maar in vol vertrouwen
dat film leven was.

Op enen berg bad ik niet. Ik rolder er af
en pijpte onder de lendendoek het lied
van De Heer die de borsten van Marilyn Monroe had.

Eddy van Vliet

Terug - Top


De Græcus

die met schooltas taalde naar geheim
met rugzak en achttien
verlicht van retsina en klimmen in de zon
met zijn gloednieuwe groothoeklens scherp zag
de mens is een droom van de zon
wie moet doen moet doen wat de geest raakt op drift
dat is een gave elan maakt zinnen gespitst
en een man mag zijn scherpte niet verzanden

die nu met loepjesoogjes oude passie decodeert en
- half geheugen met een voile van zware commentaren
danst sneeuwbal in de spiegelzaal (hysteron hult
parenthetisch proteron in periphrastische palillogia) -
augmenteert in een code van punten en cursieven
ieder wassend wellicht wordt een noot in getrokken
door een bewijslast van millennia

het aroma van grieks is bittere koffie met sigaretten
ophoesten in lamplicht niks
fel oranje neuken in de zwarte zon
schrijf daar dan over potsierlijke græcus! het is tijd
voor je trugrede van dat alles verwatert
als zon voor de sneeuw dat gaven graven waren
en dat een man zijn zwaard begraaft in het zand
ga scheppen want wat kun je meer anders zeggen?

Ilja Leonard Pfeijffer

Terug - Top


Latijn

In een duister woud, zeker,
en het midden al jaren voorbij,
hoefde ik geen volkstaal
meer uit te vinden.

Niets wat ik had te zeggen
kon daarin nog klinken,
mijn woorden waren weer
latijn geworden, onleesbaar, gesloten.

Dichter, klerk, geheime diaken
van de kleinste gemeente,
de afkerige sekte van verhulde beduiding,
gewend naar zichzelf,

een gnosis van gemaskerde zinnen
in een steeds onherkenbaarder schrift.

Cees Nooteboom

Terug - Top


Odyssee

Een grijze landweg, waar de meidoornhagen
weerskanten het cordon gesloten houden,
geeft aan uw wederkeer de welvertrouwde
begrenzing van een eeuwenoude sage.

Zwerver buiten de woede en wet der goden,
door hoger noodlot veilig en verguisd,
tussen Syrenenzang en klacht der doden
voert u een grijze landweg weder thuis.

Laat Troje walmend achter u verbranden,
reeds bot een nieuwe lente op de stam;
en uit de damp der versgeploegde landen
verrijst de morgen als een milde vlam.

Boven het glanzend bolwerk van de einder
drijven de stapelwolken van uw land ...
O Ithaka, uw stille ruimten zijn de
vertrekken van het vaderhuis verwant!

En dan herkent ge: 't filigraan der bomen
langs de rivier, breed als een binnenzee ...
En in het hart, dat jachtgebied der dromen,
de hoornschal van een naam: Pelenope!

H.J. van Tienhoven

Terug - Top


Kouros van Anavysos

Denk aan Athene en het ene uur
toen hij daar stond in zon uit hoge ramen.
Vergeet hem niet. Soldaten vechten samen.
En wordt het donker, denk dan aan dit vuur.

Word rustig oud. Zijn wet zal niet vergaan.
In marmer ademt hij en hij zal leven,
en deze woorden aan hem meegegeven"
rouw bij zijn grafbeeld, hij is heengegaan,

Kroisos, want Ares richtte hem te gronde,
hij vocht zich in de eerste linies dood -
zij verven met hun bloed zijn lente rood,
uit jeugd gebeeldhouwd, sterk en zonder zonde.

F.L. Bastet

Terug - Top


Augustinermuseum

- 'Waarom is dit beeld
Een borst afgeslagen?'

- 'Om Hem te behagen
Die borsten bedeelt!'

Anton van Duinkerken

Terug - Top


Aan den Hermes van Praxiteles

Zooals een man na jaren wedervindt
Oudteêre relikie, zijn jonge beeld:
Onder den blonden val van vlossen weeld'
Dat zuiver oog dat God in moeder mint, -

Zoo door het floers der eeuwen, dat haar blindt,
En 't wee der wereld, dat haar u verheelt,
Zoovaak glimp van geluk den schemer deelt,
Groet ziel van ver u, als die man dat kind:

O ziel, o glans die 't oogeblank gelaat
Omvloeit zooals den eedlen steen zijn schijn,
Ondeelbaar als de geur is om de bloem,

Hoe reê vergat mijn ziel den ijdlen roem
Van 't luide leven om uw stillen staat,
Uw waterklare wijs van niet-te-zijn.

P.C. Boutens

Terug - Top


Hermes van Praxiteles

                          Aan Dr. J.A. der Mouw

    Hier klopt het marmer met een levensslag,
Pulseert de scheppingsdaad in pracht van bloei,
Waar overweld'gend rijst in hoogen groei
    Het heerlijk godenlijf met mild gezag.

    Wat toch het dwepend oog bepeinzen mag?
Waarhenen stroomt het rustige gevloei
Van de' ernstig-zachten godenblik? Wat boei
    Omsluit zijn zinnen in dien kalmen lach?

    En aldoor strekt het kind de handjes uit,
Met open mondje, gretig en belust,
    Te grijpen trachtend wat de god het biedt.

    Maar immer vrucht'loos streeft het naar zijn buit,
En wekt den god niet uit zijn mijmer-rust,
    Wiens heil'ge droom in vage verten ziet...

Edward B. Koster

Terug - Top


Hermes

Eens, Hermes Kriophoros, werd ik
als mooiste efebe van mijn vaderstad,
Tanagra, gekozen om op je feest
de ram te dragen op mijn schouders,
de hele stadsmuur om; ik was je, Hermes,
je vulde mij met kracht en goddelijk besef.
Een leven lang heb ik, alomaanwezige,
de herme voor mijn deur geëerd, zijn lid
gezalfd, zijn armstompen omhangen
met bonte kleren, geur van offervlees
gebracht en wijn geplengd. Ook heb ik nooit verzuimd
als ik over grenzen trok een steen te leggen
op je heilige stapels. Nu ben ik aan mijn grens,
god van de schemering, mijn laatste avond valt.
Verhevenen, wil mij nu aanzien. 'k Heb geen vrees.
Raak mij aan met je kerykeion, Hermes,
wees een vriend voor de nacht als een god,
wees een god voor de nacht als een vriend,
vul mij voorgoed met kracht en goddelijk besef
'want ik verlang naar de oevers van de Acheron,
de altijd vochtige, ruisend van riet.'

Hans Warren

Terug - Top


Athene zegt Odysseus waar hij is

Pas toen zij hem de haven
had gewezen, de grot van de Naiaden,
wist hij, zo lang verdwenen,
waar hij was.

Van al die moedervormen
in de wijde zee
was dit de laatste
en de enige.

Nevelomhangen,
ochtendbevangen,
stil in een sluier van licht.

Het duizelende licht
van thuis en terugkeer.

Het duizendvoudig lichten
van Ithaka.

Cees Nooteboom

Terug - Top


Odysseus

Je hebt mij o de droom ontvoerd; daar dreven
de zangen voor mij uit. Sindsdien geloven
mijn oren wat verlokkingen beloven
in wat je stem, Calypso, zingt te geven.

Geen macht ter wereld kan mij meer beroven
van stromen en rivieren meegegeven
en elke dag ben ik de visser even
die eeuwig vangt, het ogenblik te boven.

Zij heeft zijn lichaam dansend lief gekregen,
van zwaarte ontdaan en in de vonkenregen
haar huid gevoeld, nog met zijn huid verlegen

de voet getild, de knie weer toegenegen;
toen is de omhelzing aan de dans ontstegen:
de grot vervloeid in golven allerwegen.

Piet-Hein Houben

Terug - Top


Diana

Er dwarrelen wat snippers van misschien
magnetisch op de sferen van begin.
Zacht sneeuwt verleiding. In een ommezien
behoort het landschap aan de jachtgoding.

De drijfjacht wacht. Zij heeft vooruitgezien,
het spoor verkend om straks de vangst te vieren.
Weids in de veren die de vogel sieren,
houdt zij nochtans haar schuilplaats anoniem.

Zij kent het spel, de spanning van misschien;
knoopt strikken die eerst langzaam zegevieren
boven de prenten van de wilde dieren.
Zij heet Diana en je kan het zien.

Piet-Hein Houben

Terug - Top


Een zeebries [Odysseus]

Een zeebries trilt. Schaars morgenrood verzacht
de schemering. Het ruiselt in de blaren.
De wind verkilt de grot van warmte zwaar en
fluistert nog aan de oorschelp van de nacht.

De losse dos van zwevend wilde haren
aan schouders blanker dan de schapenvacht
beweegt. Daar snerpt de wind: het scheepgaan
wacht, op dit getij valt stroomvrij uit te varen.

Vanuit een dieper dal waait bekoring aan.
Odysseus ziet de zeilen in haar ogen
aanzwellend als haar boezem, zacht bewogen,

en voelt hoe zij hem voor geen kus laat gaan.
Voor 't spiegelend eiland, van de zee bezeten
zijn zij ineengevlijd het schip vergeten.

Piet-Hein Houben

Terug - Top


Odysseus

Wiegel die bal van geluk
      en werp zijn wuivende schaduw
lang als een bloeiende palm
      over je schipbreukeling.

Paul Claes

Terug - Top


Via Appia

Dit is de weg der heilge martelaren,
de via sacra van den heldendood.
Gods heilgeheim doorlichtte hen zóó rood
Dat zij straks Zijn gewijde kaarsen waren.

In nachten grondloos hel en welig koel
Hieven de zwarte pijnen hun contouren.
De veile keizer met zijn purpren hoeren
Maakten den tuin van lauwe geuren zoel.

Over verwrongen opgezet gelaat,
Langs glazige oogen, gloeiend hofgewaad,
Sloeg ros de vlam der levende flambouwen.

En door de donkre via Appia
Slopen de drommen, die de keizer dra
Als speelgoed van zijn wellust zou beschouwen.

Willem de Mérode

Terug - Top


Verschiet in Rome

Ruïnes? Ik weet ze in mijn leven al.
Een weids terrein vol brokken, zelf gemaakt,
uit eigen grond gestampt. Maar avondgloed
te Rome, zachtvurige zonsravage regenboogbekroond

laat door geen glorieus verwoest bestaan
zich evenaren. Ik aanzie die wondere
ondergang, besef hoe mijne evenmin fataal
en keer op keer als voor het eerst zal zijn.

Anneke Brassinga

Terug - Top


A funny thing happened [Rome]

Onlangs in Rome
(on my way to the forum romanum)
ontmoette ik een hollandse humorist
maar lachen moest ik pas
toen hij weer weg was.

Remco Campert

Terug - Top


En [Rome]

En, langs het atrium der Vestalinnen
en op de Via Appia Antica gaan
en onder Titus- en Augustusbogen
en voor de David van Bernini staan,

en uit het Pantheon de mussen horen,
en in de buurt de kuil der katten zien,
en door de parken van Maecenas lopen,
en naar de graven der Horatii,

en zitten in de kerk van San Clemente,
en bij de echo's van een springfontein,
en luisteren naar de blinkende Najaden,
en in een kloostertuin gelukkig zijn,

en door Rome zonder tijd bewegen,
en als een pelgrim in de warme nacht,
en in de kokers van het Colosseum kijken.
En leven in een staat van overmacht.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Ares en Aphrodite

Ik word gekweld door twee goden:
door deze grote
god van de oorlog
die zwelgt in de hemel,
die zielen knevelt,
de tanden zet
in het lichaam de aarde -
en dan die andere
kleinere
tyran van het bed,
de godin van de liefde
die lang van stuk
drijft in de spiegel,
hijgt in het water
en liegt geluk.

Maar ik, tussen hemel en zee,
tussen liefde en haat in het nauw,
tussen die dood en die vrouw
arme verdrukte aarde
met mijn steden en dorpen,
mijn onbeholpen
arbeid en verdriet,
mijn eerbied voor kinderen,
ik ben de mindere,
ik vind de vrede niet.

Ik word gekweld door twee goden
en hun geweld.
Ik word bij de doden geteld.

Van der Graft

Terug - Top


Anadyomene

Gedichten, zoals men weet, worden geboren
uit schuim en vertonen hun hoge schoonheid
het liefst boven het ontvankelijke water
waarin ze met gemak hun diepte bespiegelen.
De begeerde godin verschijnt altijd ongekleed
en in volmaakte vormen zomaar onder ons, ze
verenigt zich met de haar omringende wereld
en beeldt die uit in heldere raadsels van de taal.

T. van Deel

Terug - Top


Anadyomene

Zo mooi, zoals haar naakte
Lichaam door de branding springt,
De borsten hoog, de armen
In het verlengde van haar rug
Geheven. Ik zie onder haar
Huid als nooit ontwikkelde
Vleugels die zich willen uit-
Slaan haar schouderbladen zich
Driftig bewegen. Een on-
Verminkte Venus is zij,

Levend uit het gemarmerd
Schuim herrezen. Ah, lieflijk
Zoals haar zachtheid de
Gespierde golven weerstaat! Haar
Handen houdt ze voor de holten
Met het stugge haar. Voor haar
Knielen de rotsen, rustend
Tegen elkaar en bieden ze
De door een meester geslepen
Vormen van hun ruggen

Aan. Voor hun sculptuur had
De polijster van het getij zijn
Eeuwen nodig, maar de natuur
Heeft haar volmaakt gemaakt
In nog geen eenendertig jaar.

Elly de Waard

Terug - Top


De beloofde zee

En heb het lef niet te beweren
dat ik niets heb meegemaakt,
en jij geleefd, meneer Polutropos,
dat jij de man van ondervinding bent,
en ik Penelopeetje Roermeniet,

zo zijn we niet getrouwd, oh nee.
Met elke rukwind door mijn populier
heb ik jouw touwen laten kreunen,
met elk strijklicht over mijn getouw
heb ik jouw stuurmansfrons betast,

en met jouw oogopslag ben ik
langs elke sterrennacht gegleden
die hautain en marmerzwart boven
ons terras verrees, en dan werd ik
jouw achterhoofd genesteld op

een eiland en ik staarde uit het zand
de sterren in en op mijn hand lag nog
een hand van sowieso een koningin
die met haar achterhoofd al evenzeer
genesteld lag, en dat dan tussen de vleugels

van jouw ademende ribben in, en ook
door haar keek ik omhoog en voelde hoe
jouw vinger zich haar wenkbrauw eigen maakte,
o, ik dacht jou verder in dan jij jezelf,
bezeilde meer dromen dan jij landen, reizend

de ontwortelde reis mijn stilstand in
en jij was die ik schaduwde en niemand
bond mij aan een mast, ook niet toen jij
uitzinnig werd van vrouwenstemmen achter
het geruis, en sterven kon van willen sterven

in een polyfoon genot - ik werd die stemmen
ook gewaar, Odysseus doof, ook, ook,
ze klonken binnenoors, ik was Sirene
en Odysseus en Penelope inene en ik wist
van alledrie: er is aan hun bevreemding

geen limiet, aan vreemde willen zijn
voor vreemde ogen, hypothetisch,
een beloofde zee waarin wie weet één
paviljoen één parasol één koele hand
van iemand die ons even ver bereizen wil

en daarom wacht, wacht, wacht...

Willem Jan Otten

Terug - Top


[Pompeji]

Er gaat een legende, dat toen de stad
Pompeï onder lava werd bedolven
'n Romeins soldaat staande zou zijn gestorven
terwijl hij wacht hiled: niemand anders had

hem afgelost, niemand bevolen, dat
hij zijn post moest verlaten: ieder vluchtte
voor het vuur, d'aardschokken, de weerlichtluchten
hij bleef, wetende dat men hem vergat.

Hij bleef: hij had een vaste eed gezworen
dat hij trouw zou wezen tot de dood:
geen feit was hem denkbaar, dat die eed brak.

- Waarom vindt de toekomst, die nu verloren
gaat, ons niet even manlijk, even groot
maar haast allen voor zulk een trouw te zwak?

Garmt Stuiveling

Terug - Top


De geboorte van Aphrodite

Het regende die ondag zonder maan en zonder zon
een grote motregen van zand, en zo werd dan die
baaierd wat gelaagder: hemel en aarde

Als een oesterschelp dwingen hun kinderen in het ingewand.
'is dat uw zegen, dwingeland?' een zwaard kerft bloed,
de triomfantelijke dag dempt het kermen van een vader.

Fabrieksvuil op vuilgroen water, takken,
dode beesten en meer, schuim baart schoonheid,
duiven verliezen vliegend iedere band met de realiteit.

Anadyómene! aarzelloos is de wind die voorbijloopt,
in de verte blaast en jongeling voorzichtig op een blokfluit;
'ontmanning', dacht ik zittend in een jungle van ellende,

'Bomen spreken alleen de waarheid in de winter zonder bladeren.'
een engel echter vroeg: 'is het vergeet maar weer meneer gewenst?' -
ik heb haar kleren uitgetrokken en verraderlijk verbrand.

J.P. Guépin

Terug - Top


Aphrodite

Hoe uit de diepte van de zeeën opgeperst
je bent, Aphrodite Urania, hoe bij die baring
de brede vroedvrouwen in dunne chitons
je bijstonden, hoe je gelaat nog nat
en ingekeerd het eerste licht ontving,
dat alles heeft mijn vriend Anchises
in smijdig marmer van het eiland Paros
kunstig gebeiteld. En mijn makker Makron
schilderde op een schotel hoe je
met Hera en Athene toeschrijdt op
tronende Paris; maar Makron, ik ken hem,
omringde je door beeldschone eroten,
vier niet onschuldige gevleugelde efeben.
Op Kypros heb ik mij ontscheept, en op Kythera
om je te dienen; liefde, zee en hemel
zijn toch je rijk, niet waar, en ook de aarde
als bij je lichte tred het kruid ontspringt.
Vaak, op een zwaan, zag ik je stijgen,
Aphrodite Urania; een edele eros
fluisterde mij dan verheven verzen in.
Vaker, op een bok, zie ik je rijden,
o Epitragia, smeek ik om je eroten,
liefst alle vier gelijk, die mij bedelven
onder een tent van vleugels en genot.

Hans Warren

Terug - Top


Venus in de strandstoel

Verfijnd en slijmerig, een oester,
zo zit zij in haar schulp: de stoel.
En waait de wind ook woest en woester,
zij blijft verweekt in haar gevoel
als zakt zij dieper in een dode zee:

Venus, miskend teruggekeerd
in 't schuim. Haar parels neemt zij mee.

F.L. Bastet

Terug - Top


Het legendarische Troje

Bloedwarme coca cola. Adamo
gilt uit een tent. Een grammofoon speelt paren.
De stenen kunnen barsten : grijze haren
van zoveel zon, en altijd nog die vlo.

Desondanks Schliemann en het stomme paard.
Twee heren klimmen witbestoven uit
hun eend. Nemen de stad van noord naar zuid.
(Kodak). De slome wachters spelen kaart.

De muren dus. De vlakte, de rivieren
en ginds de Griekse schepen, ga maar na.
De grote brand ... ik denk aan ijskoud bier en
de louche Helena van ARH.

F.L. Bastet

                          ARH = Adriaan Roland Holst, dichter, 1888-1976

Terug - Top


Pompeji

Hij wou nog roepen
'Ik ruik gà ...'

Maar te laat

Ze vonden hem terug
onder 8 meter as

De eruptie daarop
werd niemand verrast

Toen was er geen gas

Wat anno 1944 niet
verwonderlijk was

J.A. Deelder

Terug - Top


De bijen

                          Purpureosque metunt flores et flumina libant   (Vergilius)

De donk're bijen brommen om de korven
waar bij de schuur de oude linde staat, -
ik denk aan de arbeid in de korf geborgen,
het langzaam groeien van de honingraat.

En wéér op deze plek - als zóveel dagen -
bestormt mij plotseling een overvloed
van beelden, zó in lichtglans toegedragen,
dat overstelpt ik de ogen sluiten moet.

Uren - terwijl de zoekende gedachten
zich allengs tot verbinding schikken gaan, -
de dag verstrijkt, het zwermen der bevrachte
gonzende dieren houdt gestadig aan.

Tot de avond invalt en ik neergebogen
mij dankend op de rijke dag bezin;
doordringend komt een zoemen langs gevlogen,
een late bij keert nog ter korve in.

Ida Gerhardt

                          Purpureosque metunt flores et flumina libant
                          Ze oogsten de purperen bloemen en raken de rivieren aan

Terug - Top


Orfeus

In winters jaargetijde,
wanneer uilen waken op de stadspoort,
het paard in de stal hinnikt
en onraad voorvoelt, keerde terug,
Orfeus, naar de boot van de onderwereld.
Geaarzeld had hij, in te gaan,
vermurwd door de goddelozen barbaren
die spotten met de eeuwigheid
en meestal deze ontkenden. Eéns
had hij gewaakt aan de drempel van de ruimte.
Waar toe dit leven, dat geen koers meer volgt?
Het rondgaan tussen de werkelijkheid
van de assen dag, de anderen
te zien leven
bij vleugelloos licht in een vergrootglas
van tijd? Wat aan te voeren, daden of woorden,
wanneer, steeds heviger, de sterrenruimte
binnentreedt in het ademveld?
                                                 Met vuur
Van geboorte en meer en meer onrust
Maakte hij zich op voor de reis.
Hij zag de weg in de ochtendschemer:
achter zich de aarde, met plant en dier,
ontworteld van zijn oude bestemming,
vóor hem: een bel en een boot,
sterk hout dat hem over het water zal dragen.
Drie hondenkoppen bewaken de overkant.
Hij gaat er binnen in teken en taal.

Jaap Harten

Terug - Top


[Orfeus]

Moest Orfeus niet
afdalen tot waar geen woord meer
ertoe deed? Tot waar de
naam 'Euridice' leeg was,

een leeg mandje, dobberend
op de doodsrivier.

Dus moet iemand
die dichter wil zijn
zo ver gaan?

Tot waar hij allen is,
toonbeeld van reddeloos
leven en sterven,
tot daar moet hij gaan.

Orfeus Messias.

Huub Oosterhuis

Terug - Top


Niet omzien, Orpheus

Niet omzien, Orpheus. Uithouden, verdragen.
Hoog is de prijs die gij bewust betaalt:
Eurudike, pas achterhaald,
Moet gij nog telkens wagen.

Niet instorten. Niet toegeven aan dromen.
(Hoe is de warmte van haar kleine hand?
Hoe hangen, ginds over het land,
De reuken in de bomen?

Hoe zijn de steden waar men diep kan schuilen
Onder rumoer en dwaasheid en verval?)
Wat baat het?: daar, lijk, overal,
Hoort gij de honden huilen.

Indien genoeg aan kracht u werd gegeven,
Weersta getroost, volhard en overspan:
De mens die niet vertwijflen kan,
Moet ook niet leven.

H. Hensen

Terug - Top


Georgica

                          labor improbus

Ik ben een tuinman. niets dan dat,
met aarde en met mest bespat;
ik buig mij neer, ik richt mij op,
ik klem de schoffel en de schop.

Ik wied, ik volg mijn diepste wet
als ik de naakte zaailing zet;
ik richt mij op, ik buig mij neer,
een tuinman ben ik en niets meer.

Ga ik met donker stram naar huis
de pijn spaart schouderblad noch kruis
ik waak nog als ik rusten mag
Mijn land, mijn land; het is kort dag

Delft straks uw spa voor mij de wig
vergeet waar ik geborgen lig.
Voorbij mijn moeite, nood en pijn
moet er een tuin van sterren zijn.

Ida Gerhardt

                          labor improbus = koppig werk

Terug - Top


Paestum

Zeewind door oleanders
    en dakloze Dorische zuilen.
Vespa's en vrouwenhoofden,
    wigvormige ossenwagens
dragen de lasten en blauwe
    bussen blazen twee tonen,
magere kinderen hoesten
    onder de zon der toeristen.
Tientallen eeuwen zijn hier
    mensen in huizen gestorven,
individu voor individu,
    terwijl in de open
deur de buren en kinderen
    grinnikend keken en praatten.
Bruine aarde wordt met
    houweel en schop afgeschoren
tot een vliegend grijs stof
    en ene daarin gevonden
glanzende scherf, Lucaans,
    maar strak nog en bijna Attisch,
met in het zwart uitgespaard
    een hoek van een waaiende chiton
lijkt meer dan al wat hier leeft
    het licht en de lucht te bevolken
tussen de zuilen en onder
    de tympana van de tempels,
die eens als arenden vleugels
    uitsloegen boven hun bouwers.

L.Th. Lehmann

Terug - Top


Paestum

Met steun van Europa staat oud geloof
in de steigers; op het buitenste altaar
delen we brood. Die hier offerden

gingen niet dood: je stierf
een ander leven, een bijna eender. Als je hart
niet meer tikte, snikten ze

even met de handen boven het hoofd en schoven
je daarna de tijd uit, je kamertje
in, de wanden verfraaid met je afgelegd

leven. Wat je nodig had kreeg je mee: kussen,
harnas, lepels en pannen, klei met een schrijfstift,
een sieraad, wat wijn voor de reis.

Zonder vertrouwen in offeranden kijken we
rond, zitten hier even en liggen straks

klem, met lege handen. In graniet
wil je naam niet

bewegen en met een steen op je hart
heb je geen leven.

Hester Knibbe

Terug - Top


Museum in Olympia

Rond de tripoden op het dak
groeit gras.
Een regenpijp ligt stuk
in ellebogen
bijna alsof er door archeologen
geen passend torso voor te vinden was.
Het luikje bij de deur
zit net
te laag
zodat bezoekers altijd bukken moesten,
en links
staan twee vitrines
te verroesten.
De bladderende zuilen scheuren
traag.

Dit is wat elk museum
wil bereiken
dat het ooit aan zichzelf zal zijn gewijd.
Eerst moet het daarvoor
zijn gemeenzaamheid
geduldig
jaar op jaar
laten verstrijken.
En dan
lang na de laatste sluitingstijd
zal het verleden pas een tempel blijken.

Maarten Asscher

Terug - Top


Mukene

De poortgang dóór met de onthoofde leeuwen
roerloos rechtop, het koningsgraf voorbij
bestijgen wij de burcht van dertig eeuwen.

Muntgeur en tijm wolkt over de terrassen
en kleine vogels kantelen langszij
verschrikt door onze plotselinge passen.

De trappen uit poreuze steen gestapeld
voeren van licht naar donker, naar de nacht
van kamers ondergronds en grote zalen.

En later wordt men door de zon herboren
te voorschijn klimmend uit de smalle schacht
en zonder wortels weerloos als tevoren.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Orphuis

er kwamen gevaarlijke stralen oude ochtend
en de stem van de mens werd een stok
star in de rook ook bogen niet meer
ogen vrolijk voor de zon zo waren
geworden de wortels aardser afkerig
van licht en donkere dauw droop
over monden jammerend mul en slapen
wijsheid en moed

met al de eenkennige dobbelstenen der wil
slapen en de kwade reuk roeide
maagdelijk rond tussen listen en vlekken
maar die eens uitvond vreugde met verven
van koud vuur hoe in van
harmonie verlammende enveloppes
verdriet ontving hij?
ondankbaar

bergen rimpels werden weggewist
het eens stralende huis een zwetende kuil
en door wormen rovers beringd
maar hij ging en als bloedde hij wind
zingende zingend zingende
om de wereld een kalken rad of een modderen vloed
om het hart een glanzende schelp of een dansende hand
en in een hoek in de diepte weggedrapeerd
smeulende goedheid de droom gesmolten

van geheim van verborgenheid
tijd heeft geen dag geen licht maar leeg
de tijd is de nacht is verval
van gebouw of vervagend gebaar
alleen de taal is tucht en het woord
wel gewond maar ook
met heimwee gehelmd is een nest is een weg
een glanzende schelp of een dansende hand

Lucebert

Terug - Top


Slechte knechten

Ik schrijf een anti-ode
aan mijn gebrekkige knechten
mijn hart, mijn gal

mijn sluwe hersenen
altijd gebrand op langslapen
in hun dubbele hooiberg

Aan de steilewandrijder
tegen de maagwand die echo's
oproept in zijn zoutzuurput!

Een lied voor de schaapskooi
waar mijn schepers hokken,
mijn twee zwarte schapen.

O, louter slechte knechten
luiaards verspreid op mijn erf,
onder een hemel van zout vel.

De onnozele kameralieden
die mijn oogbol richten,
want zij richten naar binnen.

Ik schrijf een defekte elegie
voor mijn knechten, wreed volk,
maar zij horen mij niet.

Hoofdpijn zit op de trappen
in mijn grijze museum;
mijn personeel ruïneert mij.

Winter is 't in mijn Soniënbos,
houthakkers gestuurd door Sneeuw-
witje spitten de haarwortels uit.

Lummelaars en slampampers
zijn mijn dienaren de organen,
in de vakpers hooggeroemd!

Mijn hart is een appelplukker,
klimt op de treden van de ladder,
daalt de laddertreden af.

Een vreemde boomgaard is dat
waar appelplukkers werken
die al klimmend niets plukken!

Verkleind staat een hooischudder
in een stofhoek van het hoofd
en werpt roest neer.

Gelauwerde hardlopers
waren mijn knieën en hielen
als eens Achilles en Hermes.

Grof tuig, uitvaagsel zit
in hersencellen gevangen, rookt
wreed de hersencellen uit ...

Mijn knechts roken en zuipen,
zij maken een tapperij van mij,
een huis vol slecht volk!

Ze hangen rond voor de schiettent
van het autonome zenuwstelsel,
hun windbuksen in de aanslag.

Zij spijkeren plakkaten aan,
roerige taal in mijn straten:
zij roepen de opstand uit!

Ik geef jullie loonsverhoging,
de helft van het rijk maar
dicht het lek, verf de gevels.

Liever dan hard te werken
liggen de schuitvoerders en koks
op vetkussens in discotheken.

Guerilla! Guerilla
voert 't hart tegen de lever
en de hersens tegen de tong.

Elektrische Centrale,
slaapwandelaars aan de panelen,
zendt bliksemflitsen uit

naar geloverde hoogspanningspalen
wortelend naast mijn kanalen
en mijn inwendige Rijn en Waal.

Aken drijven daar rond
geladen met duistere lading:
oud nieuws, proviand voor de muiters.

Aken varen daar rond
tot dicht onder de luiken geladen,
hun akkordeon speelt voor radar.

Op alle beslikte oevers
mesjokkeme roeiers en vissers,
bruggenbouwers met waterhoofd.

Werkvolk onder mijn rose hemel
hart, gal, hersens: verlakkers,
dat duurt zo niet lang meer ...

Ik verstop jullie flessen
voerlui op mijn winderig erf
want jullie mennen niet!

Ik zing een anti-ode aan 't grauw
dat mij jonast en uitzuigt,
mijn ongehoorzame organen,

Rebellie hurkt om mijn vijvers,
stofwolk waait op mijn erf
onder voetgestamp luid en dreigend.

Op mijn geheime plaats en kwaad uur
zal het stadje h.h. ter balkt
door komplotten van het volk

met zout bestrooid als Carthago
voorgoed onvindbaar vallen;
zijn centrale; al zijn muren ...

Als je slechte knechten,
slechte knechten in huis haalt
dan zal je dat overkomen.

Raas dan op de staantribunes.
Trappel en lach in de stadions
om zijn knechts, zijn slechte knechten

H.H. ter Balkt

Terug - Top


Aan de mast

Wat is er zo gevaarlijk
aan dit bovenmaatse zingen?

Haal de was maar uit jullie oren.
Wend de steven. Maak me los.

De kust is veilig: moet je
de eeuwen er zien bloeien,

al hun ongekende ogenblikken
zich zien openen, elkaar

doorvloeien. Waarom storten
we ons niet die wemeling in?

Wat in godsnaam bindt ons aan dit
ene, verbeten op huis aan roeien?

Alle avonturen tegelijk beleven
kunnen we, maar jullie houden

koers en de zang wordt al
ijler, de kleuren vergloeien ...

Erik Menkveld

Terug - Top


Litai

Goden worden groter,
de aarde zal vergaan,
het water zal schroeien,
de huizen verdampen,
alleen de zon blijft over.

De zon wordt groter,
duizend keer sterker,
krimpen tot dwergster,
zwakker en koeler.

Maar daartussen lees ik,
éen met de goden
en draag, als éens Atlas,
de aarde – en schrijf.

Simon Vinkenoog

                          λιταὶ = smeekbeden, gebeden

Terug - Top


Ate

Herakles: op zijn naam staat een mens,
schuilend voor de zon, badend in regen.
Hij gebruikt zijn naam, zijn stem,
zijn ogen en zijn leven.

Elk woord naar de aarde gebracht,
elektronisch uitgedacht, verraad
aan zwaartekracht. De stem gewichtloos
apparaat van aandacht.

Roerloos in een tuin vol gouden appels,
een eik die sterren telt, ondraaglijke last.
Lang zal hij lijden, het dak op zijn huis
zonder vader geboren, met hoofd en handen
aan de aarde gebonden.

Maar éen moeder, de maan, tomeloos naakt geboren
uit de chaos tevoorschijn, naamloos parend
met een slang uit de chaos tevoorschijn gekomen.

Simon Vinkenoog

                          ἄτη = verblinding

Terug - Top


Atlas barend

De aarde is in mij,
een kier in de tijd,
mensen en goden ongeboren.

Ik mijn eigen vader,
tussen doen en laten geen verband,
tussen zijn en worden geen verschil:
moeder aarde baart moeder aarde.

Eens had moeder aarde zonen
in een wereld van dromen in zon en in regen.

Nu de aarde onbewoonbaar, de Titaan vermoeid.
Een stem die gadeslaat, een apogee en een epopee,
de last van zijn schouders genomen.

Nu staat vast: de aarde onvruchtbaar,
de reuzen uitgestorven. Misleiding hielp zelfmoord
met leugens; de waarheid bleek voldoende.

Simon Vinkenoog

Terug - Top


[Icarus]

Ik houd van Icarus die wist dat de was zou smelten en toch naar de zon toe vloog.
Ik houd van het meisje dat wel zag hoe blauw de baard van Blauwbaard was – dat
was juist de reden. Ik hou van Doornroosje die alleen maar deed alsof ze sliep.

Ik hou van Sneeuwwitje, die de dwergen een stelletje neuroten vond.
‘Wie heeft er op mijn stoeltje gezeten? Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’
En van de dwerg, die helemaal niet zoveel van Sneeuwwitje hield:

‘Toen zij er nog niet was, waren wij nog zeven. En nu? Moet je ons nu eens zien.’
Van de reus die kwaad is, omdat iedereen zijn schoenen laarzen noemt.
Ik houd van wie niet in het sprookje past. Maar vooral

hou ik van Icarus die wist dat de was zou smelten en toch naar de zon toe vloog.

Tjitske Jansen

Terug - Top


Voor Diana

Bespiedde ik je bij het baden
ik werd door de honden verscheurd
maar je torso laat zich wel raden
ook zonder dat zoiets gebeurt

Bespiedde ik je bij het jagen
met hoog opgeschorte kledij
ik zou om je pijlen vragen
ze schoten hun doel niet voorbij

In je heiligdom in Amstelveen
kijkt stil de maan door de vensters heen
en ziet de nimfen slapen

Diana, onder 't laken
droomt zich een vruchtbare godin
met kinderen en een gezin

Kees Winkler

Terug - Top


Odyssee

(Alternatieve opening)

En zing mij, platgevoosde muze,
over bloedvergieten, over hakken
en pletten, een lofzang aan de haat.

Omdat oorlog zinvol is en schepen
in beweging zet.

Behoed me voor het tamme vredesdichten,
laat liever woorden etteren, deze verzen stollen
tot opgedroogde korsten, opdat dit gedicht de tekenen
van strijd zou dragen, niet de tere bloesems
van de amandelboom.

En als je me huiswaarts voert, laat de zee
dan gulzig zijn, meedogenloos en de eilanden
een door vlijmscherpe zon versneden hecatombe,
met een blootgelegd skelet dat als sepia
uit platgetreden aarde steekt.

Frédéric Leroy

Terug - Top


Dionysos

Razende door razenden gevolgd
maar in de razenden raas jij, Dionysos,
in heel die werveling van zingende maenaden
optrekkend naar je bloesemfeest ben jij
de geest, het koord dat hen tesamen bindt.
Ik doe het kalmer aan, want ik bereid mij voor
hier met mijn koor je opstanding te dansen.
Pas als ik leeg ben kun je mij vervullen,
maar ik blijf speler met een masker voor.

Hans Warren

Terug - Top


Dionysus en de hippies

De borsten half ontbloot, de klederen gescheurd
een wijnrank in de hand, uitzinnig kreten slakend
zo trekken zij door 't land naar Dionysus hakend
zwaaiend de thyrsusstaf en drinkend om de beurt

O dansende Bacchanten met verwilderd haar
de god heeft zich verstopt en jullie zoeken maar
doen net als Attis en verkies een sterveling,
laat je niet kisten door de wil van de godin

De feesten in het Vondelpark waren dit jaar geslaagd
nubiele dochters zijn er massaal ontmaagd
ik mag de orgie wel, het is aan mij besteed

Zij dragen kettingen als de godin Cybele
en mogen van mij best met mariuana spelen
zoals de Griek dat met de wijnstok deed

Kees Winkler

Terug - Top


Ai Dionysos!

In rode ruïnes
spreek ik je aan:
bloesem je?
sneeuw je?
brand je?
huil ik van pyromanie.

Denk nog niet aan
de uitgezongen vogels,
de gestorven takken,
het verdroogde mos.

Hans Andreus

Terug - Top


Psyche

Ik las de Phaedo met mijn vijfde klas
en in de tekst kwam het woord ψυχή voor:
ik legde, aan 't nog kinderlijk gehoor,
uit waarom ψυχή 'ziel' én 'vlinder' was.

Terwijl ik nóg eens de passage las
was er ineens een ritseling, en een spoor
van glanzen kwam, van 't raam, de ruimte door.
Er zat een grote vlinder voor 't glas.

Het was een dagpauwoog. En ieder zag
de purperen gloed, die op zijn vleugels lag;
de ogen, waar het aetherblauw in brandt.

Ten laatste - hij zat rustig op de hand -
bracht hem een jongen weg. Onaangerand,
zei hij, was hij ontweken naar het blauw.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Spreken over Paris

In welke woorden ik ook over Paris,
de lafaard, trouweloze,
grote wellusteling,
in welke termen ik,
eer- en gewetensvol,
over die lummel spreek,
geen treft de man die minnaar is
van Helena.

Jan Emmens

Terug - Top


Marsua

De koorts van mijn lied, de landwijn van mijn stem
Lieten hem deinzend achter, Wolfskeel Apollo,
De god die zijn knapen verstikte en zwammen,
Botte messen zong, wolfskeel, grintgezang.

Toen vlerkte hij op, gesmaad,
En brak mijn keel.
Ik werd gebonden aan een boom, gevild werd ik, gepriemd
Tot het water van zijn langlippige woorden in mijn oren vloeide,
Die ingeweld begaven.

Zie mij, gebonden aan de touwen van een geluidloos ruim,
Geveld en gelijmd aan een koperen geur,
Gepunt,
Gericht,
Gepind als een vlinder
In een vlam van honger, in een moeras van pijn.
De vingernagels van de wind bereiken mijn ingewanden.
De naalden van ijzel en zand rijden in mijn huid.
Mij heeft niemand meer genezen.
Doofstom hangt mijn lied in de hagen.
De tanden van mijn stem dringen alleen meer tot de maagden door,
En wie is maagd nog of maagdelijke bruidegom
In deze branding?

(Een bloedkoraal ontstijgt in
Vlokken mijn hongerlippen.
Ik vervloek
Het kaf en het klaver en de horde die op mijn daken
De vadervlag uithangt - maar gij zijt van steen.
Ik zing - maar gij zijt van veren en gij staat
Als een roerdomp, een seinpaal van de treurnis.
Of zijt gij een buizerd - dáár - een wiegende buizerd?
Of in het zuiden, lager, een ster, de gouden Stier?)

Mij heeft niemand meer genezen.
In mijn kelders is de delfstof der kennis aangebroken.

Hugo Claus

Terug - Top


Vergetelheid

Zo mij werd toegestaan een wens te wagen:
mochten de snoeren in mijn late dagen
mij vallen in het land der Lotophagen.
Alles vergeet die van de lotos eet:
zijn herkomst zelfs en hoe de liefste heet.

Voorgoed te toeven bij de Lotophagen,
zalig en van mijzelve zonder weet,
- alles vergeet die van de lotos eet -
om lachende mijn lasten af te staan.
Ik liep langs zee en zag de wolken gaan.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Tuin van Epicurus

Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
De geest beheerst als willig instrument
het lichaam, tot die fiere dienst gewend;
gevoed met zuiver water, zuiver brood.

Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
Besloten schikt zich in der uren kring
naar strikte trant tot rust en ordening
wat ons het denken, vrijuit zwervend bood.

Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
Wij arbeiden in zwijgen en geduld;
de dag is als een honingkorf gevuld
en vriendschap is in onze tuin genood.

Wij kozen soberheid tot bondgenoot, -
en uur na uur draagt ons zijn gave aan,
wij rijpen als de vruchten, als het graan
in 't goede leven tot de goede dood.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Dionyzos

Nu, lachend, speuren mijn begeerige ogen
Naar iedren sater, dien ik, marmer, zie,
Beschonken, neêrgezonken op éen knie,
Den wijnzak drukkende; dra zat gezogen,

Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie:
Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen,
Krampbevende haar lichaam na: gedoogen
Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie.

Zijn lach grijnst breed; zijn spitse ooren trillen,
Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen
Haar lippen bijten met zijn dronken zoen.

In 't marmer is zijn wil veronverwrikbaard;
Hij weet - en van voldoening spitst zijn sikbaard -
Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen!

Louis Couperus

Terug - Top


Dafnis en Chloë

De zee, de zon, het rotsig strand ...
Eens liep daar in Oud-Griekenland
een herdersjongetje, haast naakt;
zijn haar geleek van vlas gemaakt.

Hij droeg het vachtje van een schaap,
en 't liefste maatje van die knaap
was 't vossejong waarmee hij sliep.
Maar reeds een kinderhart is diep.

Een vissersmeisje, donker-mooi,
met ook maar een half hemd als tooi,
zond hem over het brakke nat
een aarden schaal zoetwater dat

hij schuw en dankbaar dorstig dronk.
En toen begon beider gelonk
naar elkaars lichaam, elkaars blik -
de bange strijd van jij en ik.

Het trieste, eeuwige verhaal
van elke jeugd, groots en banaal.
Ze dorsten niet, deden zich zeer,
beloofden alles en nog meer.

Een groter knaap heeft haar verkracht,
en 't jongetje smoorde zijn klacht
in 't brandend zout aan dat zoet strand
van ons aloude Griekenland.

Johan Daisne

Terug - Top


Thracische jongensdans

Die bars de schilpadlier bespant,
het Thracisch lied weet aan te slaan,
hij, Chiron, danig grijs gebaard,
gebiedt de dansers in de baan.
Steigerend komt hun branding aan,
verdeelt zich in vervoerde vaart,
wisselt de standen naar de trant,
laat cirkels om elkander gaan.
Met handgeklap, met voetgestamp,
met kreten vogelhoog ontsneld
en door de bergwand teruggemeld.
Rond hem die, danig grijs gebaard,
de dans regeert met oog en hand
en hoefslagdavering van geweld,
die onbarmhartig oordeel velt.
Die bars de schilpadlier bespant.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Hanig

In een dorpje aan de Zaan
Woonde Socrates de haan.
En O, die haan die sloeg zijn kippen
Elke nacht bij volle maan.

En van al die zeven kippen
Lieten zes hem stil begaan;
Er was alleen de kip Xantippe?
Die liet zich niet zomaar slaan.

Luister, sprak zij, Socrates,
Je weet dat 't met dat slaan gedaan is,
Als jij niet weet of 't volle maan is.
Als je niet naar ons wilt luisteren,

- 'k Spreek ook uit naam der andere zes -
Dan zullen wij het hok verduisteren.
Xantippe, riep toen Socrates,
Laat mij mijn waardigheid als haan:

Je bent mijn lievelingskip Xantippe,
Geen andere kip kan aan jou tippen;
En zo bewijs ik jou mijn trouw:
Voortaan sla ik alleen maar jou.

Kom maar op, riep toen Xantippe,
- De kippen hingen aan haar lippen -
Ik kan je aan, 't is volle maan,
Kom dus maar gauw, ik lust je rauw.

Rudy Kousbroek

Terug - Top


Odysseus doezelt

Doezel luie doezel
in mijn heupen deining
van de oversteek
rondom mij een deken
kalme vrouwestemmen
vaatwerk haardvuur
likkend aan zijn eigen
vlammen vage pijn
misschien een litteken
een jeuk een vraag: wat
nam ik mee Penelope?

Beelden ordeloos
zinnen afgebroken
zonder punt verhalen
eindeloos vertakt
een stroomgebied
waarin als op een kaart
besluiteloos een vlieg
je echtgenoot verslaafd
aan afscheid nemen
schijnbaar onderweg
maar eenmaal hier
een man die droomt van
almaar aanlegsteigers
overal zich zelf ziet
wuiven wuiven wuiven
steeds maar kleiner
zakdoek tot er zomaar
iemand staat een stipje
zonder levensloop
zich omkeert eindelijk
op huis aan gaat

zijn deze dwergen opgeteld
de grote held?

Uit op niets
vond ik mezelf in duizend
onbesliste beelden
kan ze niet bevelen
drijven pas in halfslaap
langs: dan ben ik waar
ik ben en vrij ik ben
een hoofd dat zonder mij
zich zelf bereist
ik ben een glas
dat neergezet zijn wijn
voelt wiegen langs
zijn binnenkant ik ben
een laatste deining
van een oude zee

Willem Jan Otten

Terug - Top


Odysseus 3 [3van3]

Eerst zal ik druipen
van de vrijers even vreemd
als ik eens ben geweest
(één eerste nacht toen jij alleen
uit huid bestond, en lip),
dus richt ik telkens weer
een massaker van rivalen aan
voor ik jou volg, Penelope.

Er zijn blikken die jouw spiegel zijn,
er zijn mannen niet mee meegegaan.
Er zijn blikken en die maken jou de mooiste,
en van ons twee het minst passé.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Odysseus 2 [2van3]

Hier sta ik, aan mijn eigen voeteneind.
Ik probeer het zout van Circe weg te likken
van mijn bovenlip. Volop vreemde ben ik,
meer dan bij wie ook in den vreemde.
Mannen met borsthaar stoken vuurtjes
op de binnenplaats. Hun Harleys knorren.
Hun gepoch bewijst dat jij door geen van hen -
Penelope, dat jij de wet bent zaait amok.
Jij woelwater van onze strakste lakens
hebt wat wij hebben niet laten kreuken,
als een babysit. Vandaar mijn wraak:
mijn laatste gooi naar soevereiniteit.
Per vrijer maak ik een Odysseus klein.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Odysseus 1 [1van3]

Welkom in de zaal van jaloezie.
Er laait een vuur. Er hangt
Een niet te buigen boog. Honden
Leggen tongen naast hun mond.
Haal diep adem en ga dáár staan
waar Penelope zou zijn verschenen
(uit het niets waar schoonheid
altijd uit verschijnt), en vang
de flits waarin je haar nog bent,
incasseer de blikken van de vrijers,
één voor één. Hun oogwit blikkert
als het jouwe zoals dat blikkerde
toen jij daar lag, likkend aan
haar laatste glimp als aan de rand
van een tequilaglas. Oppervlak
was zij, fantoom in tegenlicht.
De rest heet: de finale van het epos.
Roei je evenbeelden uit, en eis
haar op. Jij bent haar wederhelft,
Rond nu dus af haar tergende gewacht.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Penelope's eisprong

Wanneer zij als een volgelopen bad zou worden
dat maar vol blijft lopen en verzinken in
zich zelf dat wist Penelope heel goed:
dat was wanneer zij zeker had geweten
dat Odysseus niet meer leefde ja gewis -
maar daarna was die dood omstotelijk gebleken
en Odysseus als vanouds vermist.

Dan trad een kalmte in waarin het ruisen
van haar populier betijen kon en dan klonk
ver en nocturnaal het ruisen van de zee,
en eindelijk klonk het als zee, als dat
wat achter alle ruisen ruist, en altijd
ruiste, zelfs al voor de Odyssee

en voorbij de duinen waar geheugen haar
niet verder brengen kon was nog een man,
haar eerste wederhelft, de onbereisde,
en die zei dat iets ontbrak. De wind
ging liggen op het boomschorspad. Ze daalden
stuivend af en keken naar de zee die
wiegde in haar graf. En dát er iets ontbrak
dat kleefde hen ineens aaneen.

Hier ruist het water van haar droom
in uit, in deze onbegonnen bruidegom
daar onder aan het paviljoen, en in die uren
van hun voorgenomen maaksel, toen nog niets
begon, geen hand haar knie verschoof,
toen dat wat er niet was tastbaar werd
en breekbaar, omdat zij tastten noch verbraken,
en er was alleen een zandbank ver geruis.
Aan deze man denkt zij en tast ten slotte
naar zijn dij en weet: wat ik nu doe
was toen al eind begin, want hij verdween,
hij werd de weefselman, werd wat ontbrak.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Οὐτιδᾶνὸς Οὖτις

Ik lees veel sprookjes, zonder hoop
- het hèlpt niet, Andersen of Grimm -
en wen niet aan de voze troost
'je kunt het werkelijk niet zien.'
Een onontkoombaar woord: Cycloop.

Voor een jong en gespitst gehoor
vertaalde Leopold het voor:
boek IX van de Odyssee -
'die mij het oog heeft uitgeblind.'
Ik was nog onbeproefd, een kind,

maar het ging mij door alles heen.
Het heelt niet. - En geen arts geneest
het wèten wie het is geweest
die mij dit vlijmend leed aandeed:
een die, ongrijpbaar, Οὖτις heet.

Ida Gerhardt

                          Οὐτιδᾶνὸς Οὖτις = Nietswaardige Niemand

Terug - Top


[Orpheus en Ahasverus]

Slauerhoff, dromer, zwerver op Gods aarde.
Orpheus, dolende zanger zonder vree.
Die nimmer op zijn jacht van zee naar zee
Die éne paarlemoeren kust ontwaarde ...

Orpheus ben ik, die deze verzen schep.
Schoolmeester met een bril, bleu en bevangen,
Gemarteld door 't onstilbare verlangen
Naar de éne vrouw. die ik verloren heb ...

Eén waanzin, één verdriet en één begeren
En één berusting, die zolang beklijft
Als het fantoom, dat mateloos ontberen
Eén ogenblik langs onze hunkring drijft.

J. Presser 10 mei 1943

Terug - Top


[Orpheus en Ahasverus]

De avond staat vol ongedoofde lichten,
De stilte ruist. Nu zit ik hier voor 't raam
En luister, hoe de echo's zich verdichten
Tot de muziek van een verloren naam:

Eurydice. Ik kan alleen maar peinzen,
Stervend van heimwee, van verdriet om jou,
Eurydice. - Totdat de sterren deinzen
En wegbleken in 't kille ochtendgrauw.

J. Presser 24 april 1943

Terug - Top


[Orpheus en Ahasverus]

Orpheus ben ik, de onontraadselbare,
Wiens hart klopt in een diep gekwelde jood.
Ik droom van Eurydice's donkre haren
En zwicht voor angsten bitter als de dood.

Qrpheus ben ik. Een somber Nevelheim
Houdt voor mijn blik Eurydice gevangen.
De oeroude magie van het verlangen
Roept haar straks voor mij op in ritme en rijm.

De jood in mij betwijfelt slechts verholen
De kracht van lokgeroep en toverstaf.
Orpheus mag hoopvol tussen schimmen dolen,
Geen levend wezen ontsteeg ooit massagraf.

J. Presser 16 april 1943

Terug - Top


[Orpheus en Ahasverus]

Twee wezens, die zich zo mochten versmilten,
Dat in hun harteklop één ritme sprak,
Hun stemmen zich vergleden in één stilte
En één gebaar het brood voor beiden brak.

Ze waren een als gloed en donkerheid:
Orpheus, Eurydice. Droeve symbolen
Van wie thans wreed gescheiden moeten dolen,
Een jaar misschien. Misschien een eeuwigheid.

J. Presser 26 maart 1943

Terug - Top


[Orpheus en Ahasverus]

Toen zong Orpheus. En alle dieren kwamen,
De leeuw der gramschap en het domme schaap,
De bontgevlekte jaguar en de aap.
Zij slopen stil nabij, toen zij vernamen

Een echo van het hemelse gerucht,
Dat stenen eens had tot een muur bewogen.
Zij slopen stil nabij en in hun ogen
Blonk ‘t als de vrede van een avondlucht.

Orpheus zong: Eurydice. Hemelstreken
Vloeiden van stilte deinend over alom.

En steeds weer: Eurydice. Maar geen teken
Kwam uit de donkre schemering weerom.

Hij kon tot dieren en tot stenen spreken;
De mensen bleven hard en wreed en stom.

J. Presser 25 maart 1943

Terug - Top


Odysseus tot Penelope

Ach, weef en zing,
Tot ik dat uiterst oord vergete,
Waar stil de witte nevel hing
Op 't stroomloos nat der bleeke Lethe;
Dat ik den weg niet weder wete
Naar 't kilst van mijn herinnering,
Ach, weef en zing.

Ja, zing en weef,
Opdat Uw sluier 't heir der schimmen
Bont met zijn beeldenspel omzweef;
Bedek het bloed, waar zij naar grimmen,
Verberg hun ritslend nederklimmen,
Als blaadren in een najaarsdreef;
Ja, zing en weef.

Ach, weef en zing,
Toen over de affodillenweide
Mijn doode moeder tot mij ging,
Voelde ik een windzucht langs mij glijden,
Terwijl ik de armen openbreidde,
En 't bleek slechts lucht wat ik omving,
Ach, weef en zing.

Ja, zing en weef,
Hoe schrikklijk Ajax mij vervaarde,
Hoe droef Achilles toeven bleef,
En klaagde: eer mocht ik, weer-gebaarde,
De zoon zijn van een slaaf op aarde,
Dan dat ik hier als heerscher leef;
Zing dit, en weef.

Neen, kan Uw hand
Geen tweede wereld op doen kleuren
Uit dezer draden teer verband,
Waar de gestorvne, na zulk treuren,
Zich moegezwommen op mag beuren,
En reidanst over 't zonnig strand?
Weef dan dit land.

Aart van der Leeuw

Terug - Top


Thracisch I

Ginder in het wrak, bij de stranding
diep in de zandplaat gewoeld;
hier, met de kantelende branding
is het boegbeeld aangespoeld.

Een gekromd zeepaard, verbonden
met vier snaren: de Lier;
en de naam – Grieks ongeschonden –
‘Orpheus’, in slingers van wier.

Te avond heb ik het hergeven
aan het scherp trekkende tij.
Toen het uit zicht was gedreven,
ruisten de liederen in mij.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Nausikaä

'Toen hij, gezalfd, in vorstlijke gewaden
Naar voren trad, meer god dan sterveling,
Heeft zij de hoofse min, die haar beving,
Aan haar slavinnen fluisterend verraden.'

Zo toch beweert Homerus. (Maar hij zong
Voor een verfijnd geslacht van hoge heren,
En hoe haar hartstocht wézenlijk ontsprong
Zou, vreesd' hij, hun gevoelige oren deren!)

Maar vrouwen minnen geen beschaafde knapen.
'Neen: toen hij naakt en donker als een dier,
Met wilde blik, en om beschuimde slapen
Een wrong van ziltgetint en hartig wier,

Voor haar verrees, de manlijkste der mannen
- Zijn teken door een loofbos slechts verhuld -
En van begeerte naar de eerste vrouw gespannen,
Aan de allerlaatste drop van zijn geduld,

Dàn sloeg zijn wil haar ziel met zulk vermogen
dat haar de hartslag naar de adem drong:
Dan vond zij hoe hij, zonder mededogen,
Wanhopig haar in liefdes armen dwong.

Lieven Rens

Terug - Top


Penelope tot Odysseus

Maar je sterke vingers
hadden opnieuw gelogen

Niet mijn verlangen raakten ze aan
zij streelden geknoopte kabels
en gespitste stevens

Jij luisterde hoe de lente
de dooi liet vallen
druppel bij druppel
van de schuine daken

Jij wist dat de zeilen ter ree
gezwollen stonden

Voor jouw schouders ging
als een poort van zuigend blauw
de horizon open

O neen lieg niet
tussen mij en jou
is de zee teruggekomen

Neen neen lieg niet
uit je sterke vingers
voel ik weer de kou
van de golven ademen

H. van den Bergh

Terug - Top


Vertrek

Aan het strand van de zee, waar de herder wind
zijn schapen drijft over zee

begint steeds weer 't verhaal, de Odyssee,
't verhaal dat alle verhalen begint.

Wat geef ik om Penelope
wanneer ik mijn Kalypso vind?

Penelope en zij
lijken zoveel op elkaar en op mij.

Het zeil van mijn boot is een deken
waaronder ik slaap met de maan,

net als thuis, maar nu ben ik zeker
ergens anders weer op te staan.

Misschien op het donkere eiland
waar iedereen nu wel van weet,

maar waar ik alleen 's nachts kan leven,
want overdag zie ik de zee.

L. Th. Lehmann

Terug - Top


Ulysses

Teveel gevechten heb ik gezien,
teveel gejank van vrijers gehoord,
ik ben altijd te ver gereisd.

Een kijkdoos heeft mijn oog vervangen,
een bromtol mijn oor.

Teveel modder,
teveel krengen er in.
Teveel vreugde.

Ik verberg mij nu tussen de minnaars,
die bedelaars.

Hugo Claus

Terug - Top


Verre vrouw

Was ik de slimme godin
dan vermomde ik mij
als jouw vriendin
en kroop ik nu
jouw dromen in,
je hoofd
dat heel ergens anders ligt
en adem haalt
en (wie weet) wat fronst
en ik zei: schiet op!
Ga de was doen bij de zee!

Willem Jan Otten

Terug - Top


Pygmaliose

Velen zijn een grootse taak begonnen
die al hoogstens halverwege
een eigen aardig leven kregen.
Want er zijn veel pygmalionnen.

Zelf kan ik aan een vers beginnen
(mij schieten Erin, Lisa, Sandra, Inbal, Dawn,
om hun schoonheid, geest, ziel en muziek te binnen)
om iets te doen zoals Pygmalion.

Zou ik dit beeld kunnen weerstaan?
En waar zou Tine dan zijn gebleven?
Iets eeuwig jongs vol onnatuurlijk leven
nee daar begin ik maar niet aan.

En dan die jongere aanbidders - neen,
het liefste kan onmogelijk versimpeld,
geef mij een beeld van vlezig steen
dat met mijn rimpeling verrimpelt,

geef mij een meesterwerk als dit
warme beeld dat nu nog naast mij zit,

geef mij in plaats van dit gedicht
het beste vers dat straks weer naast mij ligt.

Leo Vroman

Terug - Top


Syrinx en het riet

De jonge bosnimf Syrinx verzorgde haar bomen
en stond stil, er bewoog iets tussen de struiken.
Een donker, tweeslachtig beest kwam te voorschijn
man met hoorns van boven, onderaan, bokkenpoten.
Zij wist dat het Pan was, uit de verhalen.
Dreigend en puilend kwam hij recht op haar af.
Verstijfd van angst riep zij de moedergodin aan:
"Hera, help mij toch, red mij, maak mij ongrijpbaar
zoals het riet!" En Hera vervulde haar wens.

Daar stond Pan en zag riet waar zij had gestaan.
"Hoe durf je, klein kreng. Ik zal je wel krijgen!"
en woest springend drong hij het rietveld binnen.
Maar hoe hij ook greep, hij kreeg alleen maar schrammen
en het riet en de modder hielden hem tegen.
Toen stak de wind op, deed de halmen golven
en eerst zacht, toen steeds luider, ruiste het riet.
Pan luisterde stil, hij wist zelf niet hoe lang.
Toen ging hij terug maar eerst greep hij nog
twee vuistenvol halmen en rukte ze los.

Later, in de zoelte, versneed hij de halmen,
bond ze samen tot een fluit met wel zeven pijpen.
Hij probeerde en speelde en was zeer tevreden.
Nog later ontwaakte Syrinx, een met het riet.
Zij wist zich veilig, onvatbaar en voelde de wind.
Golfde mee met de halmen en maakte deel uit
van het fluisterende, ruisende riet.
Maar uit de verte klonk lieflijk en klagend
Pans fluit en voegde zich bij het zingende riet.

Georgine Sanders

Terug - Top


Het meer

Wie had er kracht verwacht van wie
met droge mond om water vroeg, gewicht
van kleinen droeg, en borsten, leeggezogen.

Blaaskaken niet, die zaten daar, die
maakten modder tot kwa kwa kwa kwa
kwaliteit, qua baten ja, qua qua qua zaak.

Kwam vis, kwam kijken hoe die in
hun eigen drab gekwakt hun kwaakspraak
braakten nog. En nog bewogen.

Joke van Leeuwen

Terug - Top


Baucis

Zo oud mijn rimpelbast waarnaar
hij met zijn takken tast, maar mij
vindt hij hier niet, een linde slechts.
Een eikenboom is hij, zijn lijf verstijfd
geen kus, geen woord verlaat zijn stam.
Mijn droge huid mijn hunkerend blad
raken hem niet - oh, voelde ik één ogenblik
zijn warmte nog, zijn oude hand.
Te midden van verdronken land staan wij
geen dood gezien, toch niet meer mens.
Was dit nu onze wens, dit houten staan
voorgoed voor zich?

Marjoleine de Vos

Terug - Top


Arachne's werk

Spin me onvruchtbare navel
      dit net hoe veeg en vergeefs ook
weef me het enige web
      dat ik als lijkwade wil.

Paul Claes

Terug - Top


Actaeon aan het water

Een gewei! Is me dat uitgebroken
toen zij me als een kind nat smeet?
"Jager noemt zich dat!" beet ze me toe.
Ik heb van mijn leven niet zo gelopen.

Ze was zo anders dan ik had verwacht.
Goed, toegegeven, ze was mooi.
Zo onvoorstelbaar mooi als nooit
mijn dromen haar volbracht.

Alleen: ze liet het merken ook.
Dat kuis misbaar vanachter nymfen
kon niet verhelen hoe blij
ze mijn verbijstering bezag.

Uitdagend lachte ze, wendde zich af.
Ik mocht mijn jagersvrienden
best vertellen wat ze mij
voor ogen gaf. Ril als een hert

in licht stond ik te staren
naar die bovenaardse billen -
ontgoocheling onweerhoudelijk
als de dageraad op mijn gezicht.

En nu? Naar huis op deze poten?
Dieper de bossen in? Wat voor kabaal
komt daar aan? Godzijgeloofd.
Mijn meute, mijn mannen, mijn naam.

Erik Menkveld

Terug - Top


Ikaries is de zee

Vogels verzamelden zich voor de grote trek
oostenwind greep me van achteren, hese zwermen kwamen over
opkomend water en voor m'n voeten spoelde wier, spoelde Ikaros aan
verlaten stuk strand tussen IJmuiden en Wijk aan Zee

o, onder stookolie, al veel langer dan wij hier vleugellam
13 october, ik had 't zo met een van zijn slagpennen in 't zand kunnen
schrijven als ik gewild had, plus 't krankzinnige jaartal 1973

maar nog voor de strandvonder kwam met zijn schommelende kar
op van die goddeloze luchtbanden, weet je, cyniese pruim achter z'n kiezen
had een golf hem al weer mee teruggenomen, voor goed en voorgoed

later, in kafee 't Zwaantje, heb ik verkleumd geprobeerd
de nog steeds verbannen Ovidius op te bellen, maar iets in de verbinding
knerste als zand en de censuur hield natuurlijk de hoorn op de haak

op weg naar huis klonk 't dreigend na in mijn voetstappen
't schuurde mee in mijn kettingkast: verhaal, verhaal zonder eind
tegenwind en door alle drank kreeg ik zowat mijn trappers niet meer rond
wat moest ik, wat moest ik in godsnaam met de waarheid verbinden?

Hans Tentije

                          caries = rotheid, bederf

Terug - Top


Delphi

de dove:

Ik ben gaan zoeken naar het laatste woord.
Het heeft gesproken met uw mondbeweging.
Maar ik heb geen ander geluid gehoord
dan in de canon van mijn hart
de duizend orgels van geluk en smart.

de blinde:

En aangetrokken door het stralend licht,
dat bloeide in de afgrond van uw ogen,
vielen de mijne dicht uit onvermogen.
Maar sedert houdt mijn hand de wacht
bij het prisma van dag en nacht.

Gerrit Achterberg

Terug - Top


[Aeneas]

Wij waren zestien jaar en spelden traag Aeneas’
avonturen. Over hoe winden plots opstaken
en schepen uit hun koers raakten,
over velden aan de overkant van een rivier
waar men een levend mens maar zelden toelaat,
over verlaten vrouwen, oorlogen en tweegevechten.

Wij waren zestien jaar en door de vensters
van het hoge klaslokaal scheen de zon.
En om vier uur stond aan de schoolpoort
de jongen die gedurfd had je te kussen.
En alles over winden die plots opstaken,
schepen die uit hun koers raakten
werd in een boekentas gestoken, weggeschoven
om de armen vrij te hebben en lichthartig
om hem heen te slaan.
Wij zouden elkaar nooit verlaten,
wij hadden geen oorlog om naartoe te gaan.

Jo Govaerts

Terug - Top


Odysseus

Het huis was stil. Wij zaten aan tafel.
Wij luisterden hoe de verveling begon.
De uren liepen weer vast in de avond
van altijd. Penelope breide. Ik zon

op een woord om de tijd te herstellen,
de angst voor de dood."Ik moet op reis."
Zij ging rustig door haar steken te tellen.
De dood bleef aanwezig, maar zonder bewijs.

Gesnoerd aan de mast met bloedende polsen,
het gif der sirenen, het dodelijk lied.

Ik schrok wakker. Het donker stolde,
een stilte als was. De goden bestaan.

Ver van hier.

Charles Ducal

Terug - Top


Delphi

Een burg van bergen. En olijvengaarden.
Het middelpunt van de antieke aarde.

Zeus' arenden op zwartgeknipte zwingen
schrijven hiëratisch aan de lucht hun kringen.

Het heilig water van de Kastaleia-bron
ligt wit en zilver roerloos in de zon.

De renbaan zonder wagens zonder lopers.
De schatkamers naar alle kanten open.

Al eeuwenlang zwijgt hoorbaar het geklater
van het applaus in het verminkt theater.

En prijsgegeven werden alle nissen
aan distels en geringe hagedissen.

De tempel van Apolloon staat alleen,
gestold gelijk een stad van enkel steen.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Hephaistos

Hephaistos, vriend onder de goden,
ik weet nooit goed wat ik denken moet
van je kreupele voeten, noch van de blindheid
van de rhapsoden, Homeros, Demodokos -
is kunst dan enkel gesublimeerd gemis?
Jij, beeldhouwer, bouwmeester, edelsmid,
moet daar hompelen, zegt men, steunend op
twee gouden 'net levende' dienaressen.
Hoe vaak heb je Ganymedes benijd
wanneer hij, danspassen schetsend, rondging met nectar,
alvorens je, in opperste ironie
als een nar, hevig hinkend, de schenker der goden
bespotte tot heel de Olympos van lachen
het uitgierde. Hoe vaak heeft een spiegel,
gemaakt om een will'ge godin te bekoren,
je tronie weerkaatst met je warme ogen
Hephaistos, en dan? Wat is je mooiste spang
naast de lijnen van Ares' bovenarm?

Hans Warren

Terug - Top


Ongelukkige Catullus

Miser Catulle, wat moet ik dan zeggen,
jij maakte goed sier en schiep
met je aanstekelijk verdriet
een klaagmuur vol met lichte plekken.

Hugo Pos

Terug - Top


Nehalennia

Wind over dit warme blote eiland
dat de dag tussen zijn duinen klemt.
Op elk kruispunt
een ristelende godin
die tussen de bunkers haar tempel zoekt
en,
over de rand,
een helse plezierboot vol bruine duikers
loslaat op haar gouden beeld.

's Nachts is ze plotseling overal,
al spreekt de mensheid
vasthoudend en verbitterd
over windkracht zeven.

Andreas Oosthoek

Terug - Top


Hestia

Zoek de stilte in mij op.
Luister door mijn dichte ogen

naar uw eerste stem.
Laat mij niet een vreemde zijn.

Ik zal niet spreken, nooit
een oordeel vellen over uw geweten.

Ik zal zwijgen over kwaad
of goed bedoelde fouten.

Misschien zult u hier leren
om te zijn. Ik ben Hestia, godin,

de oudste die de vonk ontving.
Ik ben de haard die eeuwig brandt,

het huis waaruit geen mens
zal worden weggestuurd,

ik ben de geest die in ons is -
wees geen vreemde voor uzelf.

Hein Walter

Terug - Top


Achilles

De held Achilles. In een stoel
met armleuning. Met een denkende
uitdrukking. Achter hem staan
rechtop zijn wapens.

Die hij afgelegd heeft. En in het zand
de punten gestoken. Die dood
gebracht hebben. De koningen zeggen:
"voldoende".

Een groep van luide koningen
prijst zijn uiterlijk. Met de priesters
slachten ze dieren.

Zonder hem. Hij zit in een stoel
met armleuning. Hij verbrandt
zijn deel van de stad.

Nachoem Wijnberg

Terug - Top


Homeros

Alles gebeurt van binnen. Van de wereld
ken ik alleen nog maar geluiden, woorden
die toegang zoeken tot mijn open oren
in mijn gestolde baard, en anders niets.

De stad ligt uitgestorven in de vlakte.
Soldaten zijn in stoeten weggetrokken,
telkens een lied dat aanwaaide met vlokken:
kooplui en vrouwen luid hen achterna.

De poort sloeg dicht. Slechts wat van boven komt, -
de wolk der bijen en het kokend zonlicht,
de lange lansen van de zwarte regen, -
valt in de bedding van de lege straten.

Ik woon aan zee. En dalwaarts. Onder bomen.
Mijn ogen gingen dicht, zonder misgenoegen
gesloten voor het bont vertoon der mensen.
Een stad groeit binnen mij, bevolkt met dromen.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Dertig eeuwen

                          Voor mijn leerlingen

Toen Patroklos gelegd was op de baar,
werd hij door alle jongens uitgedragen.
Ik zag hen kinderlijk de dode schragen,
een haag van jonge eiken naast elkaar.

Maarts voorjaar joeg de wolken langs het goud.
Er donderde een phalanx straaljagers over,
toen op de brandstapel omfloerst met lover
zij hem legden en de vlam sloeg in het hout.

Myriaden jaren op de palm der hand. -
Ik dorst niet opzien naar wie was ter zijde,
lieflijk en stil, Briseïs aller tijden,
toen hij verbrand werd in dit lage land.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Aan een boom in het Vondelpark

Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromend uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
de trotse romp nog onverslagen.

M. Vasalis

Terug - Top


Oidipoes

Zie, boven dit verschroeid gewest scheurt zwart
de hemel open, en dieper dan het diepste hart
der aarde wervelt het ontzettend vuur
dat zich na eeuwen weer heeft losgevochten
uit rots en steen, uit gruis en asch.
En d’onderaardsche dieren en gedrochten
en de uiteengescheurde angstvingeren der wieren
verschuilen zich verschrikt in het verschroeide gras.

En als een sfinx rijst uit het siddrend meer
de kornalijnen glans der heuvelkammen.
Vuurwormen dansen in den gloed der vlammen.
Mijn witte zuilen storten vlammend neer!

O slingersteenen van het lot! O muur
die mij omsluit in ´s werelds schrikbewind!
Laat mij alleen in dit verblindend vuur.
Verdoem ´t onreine dier! De Waarheid straalt mij blind.

Pieter Geert Buckinx

Terug - Top


Medea

(voor Maria Wimmer)

“Hoor wat ik u voorspel:
dit is mijn mes, mijn wet,
gij zult geen rust meer kennen
in dit koningsbed.
Het brons van uwe huid
zal verbleken onder de roede
van mijn trots en mijn woede.

Nu in mijn ogen de tranen
van de waanzin wonen
hak ik de wortels weg
waarin de houtworm knaagt.

De angstkreet van uw zonen,
van mijn bloed,
gij zult hem horen dag en nacht
aan de klaagmuur
der doden.

Ik ben het vuur, het zwaard
in de hand van de goden.”

Pieter Geert Buckinx

Terug - Top


Prometheus

O Prometheus, gij die het vuur bezit,
de rode vlam der klaproos, ‘t schilferende wit
der hel en ‘s hemels felle gloed,
doorlaai mij met uw vlammen van lazuur,
en met uw morgenrood en met uw wapperend vuur
waarin mijn ziel ontstijgt aan dit ontboeide bloed
en weer zichzelf herkent, vereeuwigd in uw gloed.

Pieter Geert Buckinx

Terug - Top


Phaedra

Terwijl de dood haar ogen reeds omving,
ontwaakte in haar weer liefdes fluistering,
en alles wat in haar te slapen hing:
‘t welriekend zaad van liefdes duizeling,
de toverwortel der verzadiging,
sloeg als een laaie vlam haar lichaam uit.

Heerszuchtig, vurig, roekeloos heeft zij
zich neergestort aan deze trotse knaap
wiens bronzen huid geurt naar het morgenkruid ...
“Laat mij mijn droom, laat mij mijn kinderslaap”
roept hij verschrikt en als ontluisterd uit.

Zij klaagt, zij smeekt als een versmade bruid
die in haar dodelijke angst nog slechts begeert
te sterven, te verschroeien, te verzengen
in ‘t laaiend vuur van haar geschonden bloed,
nu zij zichzelf vernietigt en verteert
in liefdes sombere gloed.

Pieter Geert Buckinx

Terug - Top


Odyssee

In het wonderjaar was het, bij de kust van Libië,
- of wat het bij Sicilië? De oudste boeken zeggen: Libië -

Odysseus rookte zijn pijp,
wij waren elkaar aan het ontvlooien,
wind uit noordoosten, het water helder,
toen het opdook, het ding, het onding, het monster.

Scylla heette het monster later in de geschiedenisboeken.
Het eerste wat wij er van zagen was een harig bol oog
(als van de vrouw dichtbij op je hoofdkussen)

en toen het briesende schuim rond dat oog en toen
de woedende zee. Odysseus schaterde en riep:
"Dit is een vijand naar mijn hart, een trouwe vrouw."

Het gevecht verdonkerde de zon.
Scylla hapt naar zes matrozen en vrat er vier van op
en omhelsde toen pas Odysseus,
de mantellappen omvatten de leugenaar Odysseus,
de rasptong schuurde langs de mooiprater Odysseus,
de snavel beet in de ontrouwe Odysseus,
de vangarmen kraakten zijn ribben
en de zuignappen zogen hem mee naar de rotskloof
onder water waar hij als echtgenoot voor de Grote Poliep
zou dienen
en Odysseus zonk bloedend en schijtend
in de wolk van inkt die Scylla spoot
uit al haar trechters, al haar kieuwen,
tot zij een meer werd van roet.

Toen bedaarde het zwarte water
tot er geen rimpel meer was op de inktzwarte zee.
Wij zongen de melopee.
In de oudste boeken noemt men Scylla Penelope.

Hugo Claus

Terug - Top


Penelope's slotsom

Hoe ik de dagen heb doorgebracht?
Ik kon ze niet tellen, want vaker
was je dood dan in leven. Ik ben dus
gaan weven, een ellenlang kleed.

Kijk, het stelt voor wat ik dacht
dat jouw heldenrol was. Zo hield ik
de vrijers op afstand. Zonder hen
zou ik jou zijn vergeten, misschien.

Vind je het mooi? Nee, het is af.
Ik raak het noit meer aan. Alleen
toen je schim was wilde ik weven.
Wat mok je nou? Nee, werkelijk niet,

op mijn getouw geen apotheose.
All right, noem het wraakzuchtig.
Jouw einde speelt hier, buiten
beeld, door niemand bekeken,

kom. Ik wil nu met je naar bed.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Leraar

De leraar van de zesde klas,
die altijd Griekse verzen las,
hij genoot,
maar ging dood,
omdat het adembenemend was.

Numerius Negidius

Terug - Top


Groeten uit Griekenland

Met foto's tover ik u ongelogen
het vlieden van de eeuwigheid voor ogen.
Kijk maar eens hier naar mijn Akropolis:
het Parthenon heeft duidelijk bewogen.

Kees Stip

Terug - Top


Uitzicht vanuit Delphi

Vanuit Delphi, de verticale stad,
ziet men aan de overkant
van het Pleistosdal, een pad
tot boven aan de heuvelwand,
strak in zigzag uitgemeten.
Waar het heengaat wil iedereen weten,
't verdwijnt zo plotseling bovenaan,
maar 't is te heet om er heen te gaan.

Wie nog naar een orakel taalt
staat hier tussen stenen verdwaald,
maar bovenaan dat zigzagpad
weet men misschien nog wat.

L.Th. Lehmann

Terug - Top


Archeoloog

Hij is niet gelukkig, nu langzaam,
na jaren voorbereiding, zijn handen
de bedolven stad bevrijden.

Kranten en vakbladen
zullen over zijn vondsten juichen
maar hij is niet gelukkig.

Oude vormen van wanhoop, de resten van het leven
dat hij aarzelend blootlegt, vullen zijn hart.

1200 jaar voor Christus sterft hij dan
bij de verwoesting van Mycene.

Riekus Waskowsky

Terug - Top


De stiefmoeder

Ik had als vrouw een man gevraagd,
die mij als moeder heeft verjaagd.
Slechs als godin aanbad hij mij,
die ik als monster heb ontmaagd.

Paul Claes

                          Bijbehorende afbeelding voor het complete embleem: Girodet; Phède van Racine, 1677

Terug - Top


De man

Mijn moeder trekt mij uit haar lijf.
Mijn vrouw verbiedt mij haar verblijf.
Mijn dochter draagt mij in haar graf.
Gij zijt mijn Sfinx, onsterfelijk wijf.

Paul Claes

                          Bijbehorende afbeelding voor het complete embleem: kylix, Oedipus painter, 470 voor Christus

Terug - Top


Paar

God gespleten door haar Gil
Nymf ontrijzend aan zijn Wil
sta mijn dubbele Geslacht
in uw Beeld onstuimig stil.

Paul Claes

                          Bijbehorende afbeelding voor het complete embleem: Apollo en Daphne, Bernini, 1624

Terug - Top


Danae

De schaamte in een glimlach opgericht
vertrouwt de god haar innigste gezicht.
Het lichaam wacht op zijn aanwezigheid:
een schaduw stort zich in haar gouden licht.

Paul Claes

                          Bijbehorende afbeelding voor het complete embleem: Danae, Rembrandt, 1636

Terug - Top


Laocoon

Terwijl de priester met zijn zonen paart,
bijten de slangen in hun eigen staart.
Tussen de serpentinische figuren
staart naar Toledo het Trojaanse paard.

Paul Claes

                          Bijbehorende afbeelding voor het complete embleem: Laocoon, El Greco, 1614

Terug - Top


Ikaros' thuiskomst

Mijn vogel pover mekaniek
Baldadig en impertinent
Opstijgen hoger hoger
Verleid door 't klatergouden omkoopgeld
Van de bedriegelijke zon.
Totdat de val begint
Verstopte leiding losse moeren
Fataal, duizlingwekkend
En eindelijk,
Apotheose van 't verlies. -
Eerst door de lege lucht
Dan door de bittere weerstand
Van klei en steen
Tot in het harde heil der diepste duisternis.
O eind van de vergeefse vlucht
O eerste zekerheid: terug in 't doel
O slaap zonder een morgen.

J. Greshoff

Terug - Top


[Icarus]

Die plotseling
opduikt uit het donker,
loopings om de lamp maakt;
'n Icarus die finisht, aantikt,
vliegt dat het poedert -
mot, kamikaze-piloot.

Frans Kuipers

Terug - Top


De nadagen van Icarus

toen ik zes weken was hing ik
- vanwege mijn navelbreukje -
met mijn hoofd omlaag tussen de schuifdeuren in:
een klein gewatteerd baviaantje

sedertdien heb ik net zo min stilgestaan
als de medische wetenschap - alleen:

zo kompleet als destijds heb ik nooit meer
boven de dingen gezweefd.

Cees Buddingh'

Terug - Top


De helm van Ikaros

toen ikaros, door zijn eigen legende geleerd
ditmaal geen rizikoos wenste te nemen
('de vleugels maken de man' geldt ook omgekeerd)
en hij daarna de heruitgave van zijn neer-
storten met de feestelijke inwijding van
zijn nieuwe valmhelm gepaard liet gaan

zo stond op de keurig gedrukte
uitnodiging (R.S.V.P.) te lezen -

liep dat toch weer uit op een misrekening
van formaat. zijn vader daidalos, die knutselaar
zonder diploma van ingenieur
had van valhelmen namelijk evenmin
als van vleugels kaas gegeten.

man stort te pletter in generasiekloof!
blokletterden de kranten sanderendaags.
maar de donkere binnenkant van zijn helm
werd voor de ingebeukte hersenpan
van de nooit wijzergeworden luchtheld

de enige revelasie

Gust Gils

Terug - Top


De visser

Er is verslaving in mijn staren
zodra ik uitgooi komt in mij
het woelen en het zoeken tot bedaren
mijn oog rust op de dobber, maar het is meer
dan rusten, het is alsof ik eindelijk
vrij ben op één plek te blijven,
en zo verstijft mijn blik - ik wacht niet
op het bijten van een vis - ik lijm
het ogenblik. Ik hoef niets hoef niet
te kijken. Bepaal mij tot de rimpelingen
bemoei mij niet in diepte door te dringen.
Los van wat boven of wat onder mij
verschijnt, verdwijnt, los van wat was
en los van wat nog te gebeuren staat.
De gladde kleuren die het vlakbij water glanst
zijn mij al veel te veel gebeuren
en kijk daar komt de eerste ring
van één of ander verre dompeling.
Wat kan ik beter doen dan niets,
dan niet bewegen. Zelfs het geringste
opslaan van een oog haalt onherstelbaar
overhoop en brengt teweeg en brengt teweeg.

Judith Herzberg

Terug - Top


Icarus

Tot welke hoogte: ontdekkingsreizen
moeten nog, bol blaast de wind de zeilen;
aan wenkende rede witte huizen
maken de finish mooi om te huilen;
een herder met hond veinst het te peilen,
op het strand schept een man zich bewijzen.

Een boer bereidt de eindmorenegrond
tot 't labyrinth van glooiend lijnen
in symmetrie met de baai is gebracht;
een matroos klimt als de weerga in 't want
om het laatste been te zien verdwijnen -
maar daar wordt om de dood niet op gewacht.

Koos Geerds

Terug - Top


Het geval Icarus

Nieuwsgierig had hij eens bij zijn verwekker de
Prospectussen wat ingeneusd, waar hem het beeld
Van 't midden tussen zon en zee verlekkerde,
En zich geen vlucht maar een vakantie ingebeeld.

Zo boven toezicht werd hij mateloos toerist
Die - ach, wiens dromen niet? - zichzelf ontsteeg in blauw
Verschiet, eenvoudig omdat hij toen nog niet wist
Dat hij zijn eigen eindbestemming worden zou.

Dat was zijn val. Nu Daedalus, de architect;
Hem rest geknakte ouderdom, bedachtzaam dalen,
De romp begraven, steeds weer deze ramp herhalen.

Snel haast hij, treurend om de mythe hier verwekt,
Zich naar zijn van het noodlot afgedwongen dood
Die hij, haast badend in het zweet, heeft uitgenood.

Rob Schouten

Terug - Top


De ontsnapping van Icarus

Waarom koos ik de nacht niet voor de vlucht?
Ik had voor ons vertrek moeten beseffen
hoe ver hij boven mij zich zou verheffen,
gedreven dor zijn jeugd en ijverzucht.

Maar blind vertrouwen in het vaderlijk gezag
miskende hoe hij zocht mij te overtreffen:
'Zijn vleugels, zijn vernuft - maar ik vereffen
dat door mijn moed, behendigheid en kracht!'

Men kent 't verloop; de jongen stortte neer
in zee, waar hij verdronk. Het schrijnt te meer
door de gedachte, dat mijn manend woord

om zo vermetel niet te reiken naar een zon
die zelfs een vader nooit bereiken kon
daartoe wellicht hem juist heeft aangespoord.

Fred Portegies Zwart

Terug - Top


Pallas Athena

Ik ben wreed, of nee,
ontsproten aan mijn vaders brein,
ben ik voor oorlog
door de geest - de zet uit wijsheid
tot de dood erop volgt.

Medusa's masker is mijn schild -
met slangengif genees ik
de mensheid, met wijsheid, o,
van een kind. Mijn moeder
heeft de drang
van mijn vader ontheemd.

Lust is mij vreemd - alleen raad geef ik
en alleen aan hen
die het doorboren van de blik doorstaan -
tot op het bot ontkleed.

Mijn broer is nooit geboren.
Ben ik de drager dan van ongerechtigheid?

Ik leef met spijt
een eeuwig iets, want lijdzaam wacht
ik op mijn eind - hoe graag
zou ik tekenen de eigen dood, betalen
voor het voorbarige van de zijne.

Rozalie Hirs

Terug - Top


Athene

Jij die ons leerde hoe paarden te temmen,
hoe schepen te bouwen, de wilde olijftak
veredelde tot een gezegend gewas,
Pallas Athene, met straalkracht in d'ogen,
waak over mij, strijder, waak over de mijnen;
door hybris beheerst en door lage instincten
vrees ik vaak je wraaklust, indachtig Tydeus,
de heros die je eens onsterflijk wou maken;
reeds bracht je zijn bruid Athanasia tot hem
doch ziend hoe door toomloze wildheid gedreven
Tydeus het brein van zijn vijand opslorpte
voerde je 't lichtvoetig meisje weer henen.
Pallas Athene, zend mij op de stadsmuur
je vriendelijk uiltje, gelukbrengend teken,
de nacht is erg leeg en de morgen nog ver.

Hans Warren

Terug - Top


De nadagen van Prometheus

Prometheus is vergeten en vergeven
maar spelend met de resten van de vonken
staat nog de zingende mens en de dansende
de bewegende en veel bewogene
kortom de leerling der liefde
en eist een weerwoord

de wereld wijst hem een wachthuis
geen duister huis voor een huidgesprek
geen donkere kamer voor een oogafdruk
een spiegelcel
waarin de jaren - afgestompte narren -
zich telkens trager gaan herhalen

hij loopt zijn eigen voeten tegemoet
wordt gegroet door een hand die hij wantrouwt
in zijn langzaam verschalende adem
vindt zijn zingen steeds kariger voedsel
zijn dansen wordt een stapvoetse gewoonte

zo sterft hij op weg naar de waarheid
op 2 passen afstand van het gelijk.

Ellen Warmond

Terug - Top


Prometheus

Een trechter opstaand naar het firmament.
Over mijn hoofd trekt het heelal,
schroeiend en stil zijn rulle korst.

Geketend aan een top, na eeuwen
gerezen uit een kratermeer,
ben ik aan de kometen 't meest verwant,
die wagen, slepend met hun lange haren,
de roekeloze sprong van wand tot wand.

Ook ik droeg vuur.

Is dit het beste einde
met rots en al in aarde opgelost?
Ook roest en onkruid nemen eens bezit
van 't uitgemoorde mitrailleursnest
in langveroverd dood gebied.

L.Th. Lehmann

Terug - Top


De intiemste zichtlijn

Ik wilde jou en dat ik missen zou
wist ik al voor het begonnen was.
Jou willen is je missen. Het was missen
op het eerste gezicht. Keek ik je aan
je werd een schaduw voor een vuur.
Mijn laaiende kijken plaatste je op
een toneel, in tegenlicht, en ik moest
gissen naar de man daar binnen in
zijn silhouet, heus, zelfs in bed,
wanneer ik tussen je moedervlekken
sterrenbeelden trok, was het alsof
je lichaam iets verduisterde en ook
je stem en je beramingen, alles maakte
duisterder en daardoor, vreemd is dit,
werd wat er laaide raakbaarder dan
voorheen. Odysseus ver, ik heb je
nooit gekend, en als ik je bedenk
knijp ik weer samen en blindeer.

Willem Jan Otten

Terug - Top


De prepenelope

Zij was zozeer met hem een paar
dat zij er raar van werd en dacht:
hiernamaals consumé, ik kom nog om,
als hij nu geweven was, of wijlen,
kon hij niet volmaakter van mij zijn.
Sta op, zei zij, en ga ter Odyssee.
Van geluk komt kou, leven van idee.
Ga weg, dan word ik buik om jou.
Ga weg, verwek in mij Penelope.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Toeval

Het wintert in Pompeï. De tijd
van vegen, opruimen, restaureren
en verder graven in de as.
Er zijn recruten ingezet,
soms wordt een kiek gemaakt.

Zes jaar verlopen, en in je tent
's nachts om drie uur toon je me foto's:
kijk, toen was ik in dienst,
we groeven een villa op in Pompeï,
het was berekoud, ik heb nog
een munt achterover kunnen drukken, hier!

Weer een paar jaar later blader ik
in een catalogus over Pompeï. Met een schok
herken ik de foto, je dikke trui, je mutsje,
het was berekoud, zei je. Het muntje
schuift koel over mijn warme borst.

Hans Warren

Terug - Top


Brief uit Pompeji

We gingen een nauwe poort door,
juist breed genoeg voor een tweespan,
en kwamen terecht in wat stad
was,een uitgebouwd uitgewoond

lichaam. In het hart de restanten
van goden, eromheen wat bewogen
geleefd heeft; elk dak is een gat
naar de hemel. Rond de stad

ligt een wal, vol met stilte.
Daarin is de tijd nog zijn stem
kwijt, woelt traag in z'n slaap
zoals het land onder zee zich verplaatst.

Hester Knibbe

Terug - Top


Apollo en Dionysos

De zandberg glooit, zijn pad is heilig.
Kastalia, uw vocht is puur.
Apollo voer met zwanen veilig,
hij beurt zijn tempel in 't azuur.

Maar in den wijngaard hangt te rijpen
de vrucht die om zijn heupen zwiert,
als hij in oerstaat vast wil grijpen
wat de aarde tot een lusthof siert.

En twee-in-een is álle wezen
dat leeft en lijdt en zich bezint.
Een heilig licht, hoe uitgelezen,
maakt niet den wijnstok onbemind.

De zon gaat onder. Oogst de druiven
en vul den beker tot den rand!
Drink, tot de aardlaag gaat verschuiven
en ons de chaos overmant.

Jan Engelman

Terug - Top


Graf van Achilles

De bomen beven en sidderen in de hoge lucht,
opgewrongen uit de geweldige kam
van de geduldige aarde.

De dichters van het alledaagse leven
zien er godbetert tandenborstels in,
de handelaren hout, de bioloog
bestrijdt de dennescheerders, baant de weg
voor het godvruchtige toerisme.
En toch slaapt hier Achilles en dit is
zijn wuivende helmbos, die de vrouwen
vroeg in dageraad, de eerste dag der week,
toen zij vergeefs en vruchteloos hier kwamen,
rouwende aan het hoofdeind hebben neergezet.
Nu leven zij als nonnen in de nacht
en baren ijle, zinnelijke liederen,
waaruit hij niet meer opstaat, nimmermeer.
Alleen de echo van zijn zegelied
antwoord hen nog, wanneer de grote stormen
in 't najaar razen in de hoge bomen.

J. W. Schulte Nordholt

Terug - Top


Kouros

Hij was bedoeld als marmer op te staan
maar ligt, onaf, gedrukt tegen de berg,
zijn been gebroken, en ziet het ruggelings
met stijve armen aan. Een man die graag
van steen zou zijn genezen, die droomd van
scheep te gaan, maar aldoor onbeweeglijk
de regen op zich laat. Geborene die
in rots bleef steken en langzaam slijt
tot onbehouwen staat.

T. van Deel

Terug - Top


De man van Marathon

Ooit versloegen Athene's helden
de Perzen in de slag bij Marathon.
Om dit heuglijk nieuws te melden
liep één held zo hard hij kon

naar Athene om daar uit te leggen
hoe de strijd verlopen was.
Maar hij kon geen pap meer zeggen
en stierf ter plekke, in het harnas

zogezegd; de mensen in Athene
zeiden in hun eigen sportjargon:
hij had vandaag geen goeie benen

en hij had veel meer moeten trainen
voor zo'n lange loop van Marathon.
Nu weten we nog niet wie er won.

Rien Vroegindeweij

Terug - Top


't Rozeneiland

't Rozeneiland Cyprus betrad een zeeman;
tempelwaarts eerbiedig zijn schreên hij richtte,
tot hij kwam, waar spieglen in groene golven
      marmeren zuilen:

'Priesters, op! brandt 't geurigst, het kostelijkst wierook,
stijg' zijn damp naar 't dak van deez' heil'ge tempel,
plengt op 't altaar purperen wijn en helder
      rijzen uw hymnen:

Diensters, op! plukt rozen en kronklend eilof,
geur'ge bloemkrans vlecht op het heilig altaar
haar ter eer, die erfde de op 't ruim der wat'ren
      dartlende glimlach.'

Hem, die Mij eert, schenk Ik Mijn gunst der liefde
vaste trouw; u, maagd, in het nev'lig noorden
zend dit pand Ik, heil'ge van 't zonnig Cyprus,
      Ik, Afrodite.

J. A. dér Mouw

Terug - Top


79 n. C. zomer in Herculaneum

Boven de heuvels hangt een gele rookpluim
met de geur van zwavel en bedrieglijk is dit
onverminderde krassen van cicaden in de

boomgaard. Olijven wachten ongeduldig op
een hand die plukt. De laatste dagen vallen
bekers uit de kasten, zit er 's morgens plots

een nieuwe scheur dwars door alle kamers
heen. Maar hoe kunnen we dit dorp verlaten
waar alle doden rusten. Terwijl landschap wil

vervagen: onder lagen stof en as wordt het grijs
en onherkenbaar toegedekt. Morgen vertrekken
vrouw en kinderen. Mij laat dit huis niet gaan.

Marc Tritsmans

Terug - Top


De waarheid over het paard

het befaamde paard van troje
was oorspronkelijk als koe bedoeld
tot die uier buiten verwachting moeilijk
in hout te realiseren bleek.

dus werd dat detail maar weggelaten
en het ding maar paard genoemd
omdat het daar eerlijk gesproken
in elk geval nog het meest op leek.

vandaar dus het paard van troje. alsook
de uitdrukking: een waarheid als een paard

Gust Gils

Terug - Top


Pygmalion

Wat men aanvankelijk begeert:
een levend beeld door eigen handen geboetseerd,
een talisman van warmte,
gemakshalve liefde genaamd.

En wat men dan uiteindelijk bezit:
niet eens zichzelf, niet eens een ander
mens, zo breekbaar als een mens en zo doorzichtig,

zo onbenaderbaar nabij en zo volkomen
zichzelf, dat men de klokken van
het eigen hart erdoor kan laten stilstaan.

En wat ons dan uiteindelijk ontvalt:
een woord, een traan, een druppel onbegrip,
die in een zee van eenzaamheid verloren gaat.

En wat men dan uiteindelijk behoudt:
een wens, een wildernis, woestijnen van tekort,
waardoor men beurtelings een ander en zichzelf
te veel en weer te weinig wordt.

En wat men toch uiteindelijk aanbidt;
bezeten hebben kan, maar nooit bezit:
een talisman van warmte,
gemakshalve liefde genaamd.

Ellen Warmond

Terug - Top


Narcissus

Het is moelijke om te houden
Van de dingen die je maakt -
Je kijkt vertederd naar een hand
Vol kaf en koren
En je bakt je brood verkeerd:
Je last met sleutelende ogen,
Met een hart vol werkzame ontroering
Twee linkerkanten aan mekaar.

Ja, het is moeilijk, maar moeilijk
En mooi om jezelf aan te raken, vandaag
En ook definitief, het is moeilijk
En mooi om je terug te vinden morgen
In de dingen die je maakt.
Daar heeft men wel een dood voor over soms.

Leonard Nolens

Terug - Top


Klassiek

Een god bij mijn weten treedt niet in discussie.
Neem nu maar Danae, donzig en dik,
neem Io, de interessante,
een stier wolk of sater beslaapt haar,
op staande voet.
Een man spreekt mismoedig over moraal,
een vrouw over liefde,
maar een god treedt niet in details.

Jan Emmens

Terug - Top


Penelope

Als je het nu nog niet weet
en je schijnt het nog altijd niet te weten:
ik ben hier, in een hoek van de kamer,
die met het uitzicht over de zee.
Ik wacht op jou.

Als je komt
en je schijnt spoedig nu te komen,
dan zal je je verbazen: zoveel vliegen om mij heen.
Ik ben iets aan het weven, voor jou, voor jou alleen.
Het is bijna af.

Als je dan tenslotte ...
maar heb nog even geduld
of weet jij niet wat dat is?
Ik kom er aan, ik moet mijn ogen nog doen,
en mijn mond. Voor jou.
Ik ben niet veranderd in een dag of twee.
Of had jij dat gedacht?

Toon Tellegen

Terug - Top


Narcissus

in het hart van het water vind ik
een jongen dromend tussen bloemen
en alle jongens van de wereld
zingen in het bos ik ben verliefd

en ga jij mij vinden in de hemel
daar zal ik zijn want zelfs de wolken
zijn eenzaam en masturberen met de zon,
huilend in het natte kleed der aarde

de dagen zingen langs de orgels
van wind naar het strand waar
zwaluwen met hun hand over
de horzion strijken en heengaan

zo komt de avond en nog eenzamer
dan vroeger blijf ik op mijn kamer
en als ik rondkijk zie ik het pas:
een bed dat zich als een meer uitrekt.

Hans Lodeizen

Terug - Top


Narkissos

'Een oude verpleegster verzorgt
bij gebrek aan zieken jarenlang
zichzelf als een ongeneeslijke wonde.'
Dit is een zin die ik graag zeg.
Ik druk mij uit in zeer verfijnde zonden.
Ook drijf ik dikwijls rond
in de boot van het woord 'beminnen'.
Ik proef mijn gevoelens
als pralines.

Herman de Coninck

Terug - Top


Pink Narcissus

Van zilver is hij, en van goud.
In zijn paleis van spiegelwanden
strelen getrainde negerhanden
zijn gladde borst in honderdvoud.

Grootmmogel is hij, Caesar, God.
Hij slaapt met blanke paladijnen
die kuis en maagdelijk verschijnen
voor Hoge Raden van Genot.

Beneden, in de Escortstraat,
gaan venters galmend door de regen
met verse bloemen van het kwaad.

Soldaten komen zeelui tegen.
Een motorduivel kust zijn maat.
Bloedmessen trillen in de stegen.

Jos Versteegen

                          Film "Pink Narcissus", James Bidgood, 1971

Terug - Top


Narcissus

Het water, pas nog stil bewogen,
trekt glad, en voor Narcissus' ogen
stolt het ongeweten evenbeeld.
Hoe wonder nieuw gaan zijn gedachten
om 't vreemd visioen, totdat hij lacht en
met zijn hand het water streelt.

En in hem groeit een groot verlangen;
hij werpt zich op, de wind te vangen,
die telkens weer het beeld verstoort.
En elke morgen, vóór het licht,
zit hij daar stil en zoekt 't gezicht
dat heel zijn hart en ziel bekoort.

Geen woord, alleen een ijdel reiken
van armen, doet de liefde blijken:
een diamant, nog ongeslepen ...
Totdat een tweede beeld zich bukt
en koel een hand zijn schouder drukt:
Narcissus heeft het beeld begrepen.

J.M.W. Scheltema

Terug - Top


Narcissus

Het donker legt zijn grote handen
als een spiegel op de ruit.
Narcissus houdt zijn blik gevangen,
kleedt zich langzaam uit.

Hij kijkt, hij wordt bekeken,
uit de straat komt geen geluid.
Alleen de weerschijn spreekt zich tegen:
tweemaal jager, tweemaal buit.

Dan buigen zij zich naar elkander,
oog in oog en mond aan mond.
Narcissus biedt zijn groot verlangen
opdat er geen antwoord komt.

Charles Ducal

Terug - Top


Geen ploeg staat stil

Geen ploeg staat stil
voor een mens die sterft.
Al snuift het paard
de pulpen geur
van aardappelloof en grond.
Al staart de man
soms vragend om
een vogel volgend
die naar zee vliegt.
Hij heeft geen spiegel
bij de hand
maar hij wéét het wel
onder zijn vel
staat de doodskop kil.
Het paard in gerinkel
van bellen stapt voort
en de man gaat weerbarstig
achterna
– moeders gezicht
was verschrikkelijk wit
als licht in water –
Maar dra bestaan licht
en water niet meer.
Ik kijk blind en omvat
met vingers van brandhout
het houten handvat.

Willy Spillebeen

Terug - Top


De boer

Het ergste is als alles blijft zoals het is.
Ik wil en kan niet ingrijpen ik wil
naar huis, de koeien melken, eten
en vergeten wat ik zag. Het ergste is
dat dit tumult, als op een schilderij
dat deze val, van wat?
van nacht nu bijna al
mij in één houding vat
mijn ploeg loopt vast
het blijft mij bij
ik schud het nooit meer af.
Het ergste is als zelfs vergaan
al stilgeschilderd is.

Judith Herzberg

Terug - Top


De val van Icarus

Dit landschap wordt ontvouwd voor onze ogen:
een schip vaart weg, geen man is overboord,
de plons van Icarus wordt niet gehoord
en Daedalus is uit de lijst gevlogen.

De boer is op z’n zondags en ploegt voort,
de visser zit naar voren toe gebogen,
de herder heeft z’n schaapjes op het droge,
zijn hond zit vast aan een tweedubbel koord.

Merkwaardig dat de ondergaande zon
de was tussen de veren smelten kon,
dat de patrijs niet klapwiekt met zijn vleugels.

Er ligt een lijk onder het struikgewas.
Vier eeuwen na zijn dood zag men het pas,
als in Blow Up, maar op z’n Boeren-Breughels.

Jan Kal

                         Blow Up: fotografische vergroting
                         Verwijzing naar de film "Blow Up" van Antonioni, 1967

Terug - Top


De val van Icarus

Hoe staat ’t met de boerenstand?
‘De boeren’, zo zegt men, ‘ploegen voort’,
daar zit iets in. De boer kijkt naar de
akker, zo bleek als ’n kwal, die hij kerft & omlegt in repen;
wat zou hij anders? Kijken boeren vooruit,
dan zien zij de kont van hun knol, en verder
niets. Maar wie hiermee op hen is uitgekeken,
heeft ’t mis: met onbeholpen gratie
spitst de boer zijn tred. Hij wil zijn aarde
niet meer dan nodig pijn doen, hij
is tevreden, want zijn blikveld is gevuld.

Hoe staan de herders in ’t veld?
De kudde, die houdt de hond in ’t oog,
dat is bekend. Zwarte schapen, brave schapen,
alles lebbert aan de chlorophyle adem van de aarde,
en, mythologische paradepaardjes dat ze zijn laten de schapen
de herder over aan zijn historische bestemming.
Tijd heeft hij in overvloed: zijn taak wordt staren,
uren oog aan oog staan met uitgerekend
’t meest nietszeggend segment van ’t beslagen azuur
der hemelen. Zijn vermoedens zijn onzakelijk: maar hij heeft
ook geen emplooi voor groter zakelijkheid dan z’n hond.

En de zeevaart? Joho, op volle zeilen scheert,
klapwiekt ieder schip zijn steven achterna. Speels in schijn
klauteren mannen als jongens ’t want en het kraaiennest in, ’t geldt
de koers te bestendigen naar de uit ivoor gesneden stad,
die als op uitgestoken tong vrolijk inviterend in de mond
van ’s avonds lokt. Eerst zullen de schepen, de veulens
nog dartelen en stoeien voordat ze
de zoele stal van haven & nachtrust erkennen,
en, nahijgend nog van de dolle avances
van de late bries, zich neerleggen bij hun adem,
die stil & langzaam liggen gaat.

Wie dan derden heeft er oog
voor die blanke beentjes van de enkeling
die net op dit uur in vredestijd pardoes in ’t water valt?
Overal in ’t rond worden de officiële schaduwlopers uitgerold,
verbeidt men de avond; en hoewel men vlak
bij zijn val de scherpste ogen van dit universum weet
– haviksogen, vissersogen – bestaat er gerechte twijfel
of er van de schemertafel ’n kruimel aandacht tuimelt
voor zijn duik in de dood. Of is de zon tegenwoordig
een oog, een gele, elementaire iris, welks onder
drijft in een bad van de zuiverste traan?

Pé Hawinkels

Terug - Top


Narcissus

Ben ik verliefde verleider
      dezelfde verleide geliefde
die in zijn spiegel gekliefd
      zich nooit Narcissus mocht zien?

Paul Claes

Terug - Top


'Narcissus leunend op een voet van marmer'

kijk daar staat Narcissus geleund
op een voet van marmer zodat
het haast lijkt alsof hijzelf van marmer is

zijn mooi lichaam wil ik in mijn armen
nemen maar het is van marmer en
als een lijk vertroebelt zijn beeltenis
mijn ogen en drijft weg.

Narcissus leunend op een voet van marmer.

Hans Lodeizen

Terug - Top


De muze

Eene die ik liefheb, en nooit gezien,
gaat onzichtbaar door 't koele kamerlicht.

Herman Gorter

Terug - Top


De achterkant van Rome

De achterkant van Rome is een koker
met harde stemmen, was die hangt te drogen.

Hier klinkt in mei een oude lente
met in de ochtend oud geluid

van duiven, terwijl de nacht blijft kleven
aan de stenen; er grauwt alleen

wat dag doorheen. Vanuit de kamers
is de hemel dicht; pas als je

uit het raam buigt, kiert hij
licht. Beelden van Huisraad,

Golfplaat, Afvoerbuis: een tempel
van de god Onooglijkheid.

Hester Knibbe

Terug - Top


[Antigone, Creon, Sophocles]

Sophocles voert je op zijn verzen mee.
Wild slaat het water van de levenszee.
Je adem stokt om de verscheurde Creon
en om de tweestrijd van Antigone.

Martin Veltman

Terug - Top


Pindarus

Uw hand gebiedt de rijen gouden snaren,
De enkle stemmen die uw drift doet paren,
Uw lied te brengen voort in de klare koren.
(Zij ruischten stervend uit, maar é&eactue;n sonore
Zang is in smart van uwe harp geboren,
Zoolang te leven als de zang der baren.)

Uw lied draagt ver, - wel wijden eeuwen zwijgen
Tusschen ons lot een brekende oceaan;
Geen stervling kan tegen zijn tijd opstijgen,
Stroomopwaarts tot een vroegren oever gaan.
Zoo blijven, gij aan de uwe, ik aan de eigen,
Vóór 't duister binnenland van vreemd bestaan,
Wij, 't uiterst wagend in de verste neigen,
Nóg in vertwijfling tot elkander staan.

Maar 'k zie uw houding reiken door het grijze,
Uw hand ten hemel heffen en der wijzen
Onzichtbre vonken uit de snaren slaan.
Breed zijn de stilten die 't geluid moet reizen,
Geen stemmen wijzen voorge tochten aan.
En lang heb ik u 't hoofd ter borst zien neigen,
Teeken van inkeer tot uw eigen zwijgen,
Voordat ik boven wind en zee hoor stijgen
Van 't eenig lied, u eeuwig en mij eigen,
De klanken, die als zielen overgaan.

J. Slauerhoff

Terug - Top


Archimedes

Zijn hartslag bonsde aan de deur, zijn vrees
kwam in geleende laarzen binnenstampen.
Hij stak zijn hand uit naar de schuwe lamp en
besefte, toen hij in de lichtkring rees:

wanneer de vrees die cirkel overtrad,
had hij de vorm van zijn bestaan verloren,
want in dit middelpunt was hij geboren,
dit was 't heelal dat hij gemeten had.

De laarzen vatten op de drempel post,
zij vonden zijn sandalen zwak en eerloos,
maar in de omtrek lag, wijdbeens en weerloos,
zijn passer. Het probleem was opgelost.

Van der Graft

Terug - Top


Meetkunde

Is dit wel een thema voor speelse naturen?
Ziehier nu een vraag om op voort te borduren
De meetkunde oogt dan wel koel en exact
Maar stsaat toch garant voor genotvolle uren

En menigeen - leerling of autodidact -
Bespeurt dit genot al bij 't eerste contact
Met vijfhoeken, kegels en dat soort figuren
Vaak mooi, meestal boeiend, al zijn ze abstract

"Mijn cirkels! Mijn cirkels! Verwoest ze toch niet!"
Aldus Archimedes tot vreemde soldaten
Die brachten de man en zijn tekenwerk om

Vandaag is de meetkunde, wat ik u brom
Geen hobby waarbij u het leven kunt laten
(Wat stellig zal bijdragen tot haar krediet)

Drs. P

Terug - Top


Cirkelkwadratuur

De oude Griek Hippocrates
wou cirkels kwadrateren
en om dat goed te leren
ging Hippo in de eerste les,
het bleek een eclatant succes,
zijn cirkels segmenteren.

Hij gaf elk deel met maantjes aan
en met die cirkelstukken
bleek kwadratuur te lukken.
Zo dacht hij hoopvol door te gaan,
maar ach, helaas, bij volle maan,
wil het nog steeds niet lukken.

Marjolein Kool

Terug - Top


Vierkante cirkel

Er was eens een Helleen (een Griek),
geleerd, klassiek, normaal postuur,
een filosoof, maar fanatiek
gericht op cirkelkwadratuur.

Hij was het die gesproken had:
"Van elke cirkel die men geeft,
maak ik meteen een vierkant dat
dezelfde oppervlakte heeft."

Toch bleek dat niet zo simpel want
hij kwam er niet echt verder mee.
De passer gleed hem uit zijn hand,
zijn liniaaltje brak in twee.

Misnoegd zei Anaxagoras:
"Ik dacht dat ik iets aardigs vond.
Doch hoe ik hier ook meet en pas,
ik krijg dat vierkant maar niet rond."

Marjolein Kool

Terug - Top


Poseidon

Ik, die aan zee geboren ben,
wil nog graag geloven, machtige Poseidon,
dat de zee onze eilanden draagt.
In de zoute wellen, diep in 't land
offeren we, ook al wordt daar onze roeispaan
nog niet voor schepel aangezien,
en als je woedt, Poseidon Asphalios,
vastgegronde, wanneer de aarde steunt,
de golven koken, dan sidderen wij radeloos.
Bergen komen en gaan, een krater gaapt
daar waar je heiligdom verrees -
maar in de prille parelmoeren morgen
na het geweld, staat daar
onstuimig hinnikend je zoon,
het vleugelpaard Pegasos klaar.

Hans Warren

Terug - Top


De Etrusken

De Etrusken zijn van fijn brons
met glanzende starre glimlach.
Maar een blauwe mantel waait open
en dan treedt vochtig bruin
de rankste knaap van heden
fluitspelende en dansende
naar voren.

De Etrusken staan in ons
op dit moment, hun schenker
danst om ons en blijft zeventien
immer zeventien en de schoonste
zwartlokkigste zolang de wereld
nog schenkers nodig heeft.

Tussen de Etrusken en ons
staat slechts de heldere spiegel:
zie onze archaïsche glimlach
en zie, zij leggen ons
gruwzaam verkort op hun askist,
maar in onze tombe danst
hun geurige dronken fluiter
tot hij valt en zijn blauwe mantel
ons heerlijk dekt.

Hans Warren

Terug - Top


Icarus

In uren van alleen zijn en stilte
bereid ik mijn dromenvluchten voor,
puur uit resten van vergeten dagen
de leidsels voor een nieuw begin.

Telmaten van rusteloos verlangen
voeren het alfabetisch spinnewiel
en uit woorden weef ik gazen vleugels
die mij voeren over tijdsgrenzen heen.

Stilte is de spil van de vlucht
waaronder de aarde kolkt en briest,
en verlangen is haar taal.

Telkens als ik wegdrijf,
op de luchtstroom van haar ziel,
noemen mijn lippen zacht jouw naam:

Icarus; ook ik ken steeds mijn val.

Hans van Bergen

Terug - Top


De droom / de val

Icarus heeft geen weet van hoogte
voor de val en laat zich vangen
door wind en thermiek. 'Het is
een uitgemaakte zaak', zegt men,

'dat al wat ons aan de aarde bindt,
het geloof is in die aarde. Want
dromen is je losmaken van
je zwaarte, is vliegen in je hoofd.'

Wat verderop staat Daedalus.
Hij kent zijn hart en houdt het vast.
De horizon, proeft hij, smaakt naar goud,
oud zeer. Nauwelijks verwijderd van

wat een vader van zijn zoon verwacht,
vergrijpt een gil zich aan de stilte.
Een zon in de nok verzet zich,
tegen een of andere ondergang.

Erwin Evens

Terug - Top


Ares

Wilde Ares, ik ben de vrede moe.
Zwemmen in beken in de lente, vrijen met
de liefste, mijn zonen leren hoe
bogen te spannen en te jagen, luisteren
naar de rhapsoden, de geest te scherpen
met vrienden aan een feestmaal en
gerust te slapen onder een mollig dek,
Ares, ik ben het moe.
Mijn arm wil slaan, niet strelen; dat oog wekt
in plaats van liefde haat, dat lichaam
in plaats van hartstocht lust tot doden op.
Voor we 't beseffen dreunt de horizon van trommen,
worden we opgezweept, een geest van vloek,
wraak, bloedgericht vaart over ons,
oorlog om oorlogs wil, een ordeloos gewemel
van lijven, zweet, bloed, ondergang. Wilde Ares,
niet één verweekte wellust van de vrede
haalt bij ons bronstig, zegevierend krijgsgeschreeuw!

Hans Warren

Terug - Top


Epidauros

De zee ligt in de nacht gelijk blauw goud
boven een kim van groen. Ik hoor haar slagen
van ver met intervallen aangedragen
door zachte wind zonder muziek of zout.

Op de orcheistra staan de vijftien pal
in hun cocon van purperen gewaden.
Antigone draagt trots haar ongenade
en Kreoon is een vorst, - tot vóór zijn val.

De zee is op de einder van ivoor
met strelingen van maanlicht stilgevallen.
In het theater waden duizendtallen
de wateren van het verleden door.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Katakomben

1
De zon die mij bepoedert doet mij dromen.
Ik loop aandachtig door een helder Rome
als jaren hér, weg uit mijn donker land,
aan een langdurig heimwee ontkomen.

2
Fel bovengronds woekert de tijm van pasen,
beneden waait met aanhijgen en blazen
de nachtwind uit de katakombe mij voorbij
met zulke zekerheid, in pace, pace!

3
Zijn naam en leeftijd spoorloos weggewist
werd hij een niemand zonder aangezicht,
een handvol as in de amfoor gebleven
die omgevallen in de muurnis ligt.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Oedipus

Mijn zoon doet hard zijn best
Om mij als mens te zien,
Maar hij verdwaalt steeds in herinneringen,
Waarin ik vrouwloos moeder ben.
Hij kan zijn mannenblik nog moeilijk op mij richten
En concentreert zich hatend
Op mijn onderkin.

Mickey Walvis

Terug - Top


Hoe op een zondag Oedipus Octopus werd en wat er daarna gebeurde

(De wens om moeder te verkrachten is vaak de vader der gedachten.)

Terug weer naar de moederpap!
Daar staan mijn worteltjes te zwaaien;
Ik wil wel met mijn moeder naaien
Maar ach, mijn peen is klein en slap.

Als vader paart lig ik in bed te draaien,
Geronnen vlees van pappies drab
En groei heel langzaam, stap voor stap,
tot ik blauwgeworden zaad mag zaaien:

'Zeg moe, mag ik mijn buisje deze pagina
Eind'lijk eens steken in uw vagina?'

'Ach jongen, nee! Mijn spleetje
bloedt vandaag helaas een beetje.'

Zo word ik moeders moordenaar
maar sta te janken aan haar baar.

Rob Schouten

Terug - Top


Marcus Aurelius

Stralend in glorie na behaalde zege,
de arm gestrekt, de benen wijd gespreid,
het rechte lichaam louter majesteit,
heeft hij gelijk een god zijn paard bestegen.

En toch - hij houdt het grijze hoofd genegen,
vermoeid, onmerkbaar haast, en niet bevrijd:
niet enkel triomferend na de strijd
maar wrokkend tevens, tegen macht en degen.

In 't centrum rijst hij van het Capitool,
keizer en wijsgeer, pool en tegenpool,
en houdt de wacht. Ik weet hem achter mij

en voel zijn blikken langs de Dioscuren
over de kerken en de koepels turen,
de heuvels en de horizon voorbij.

F.L. Bastet

Terug - Top


Kleine ode aan een al heel lang dode keizer

Meiregen. Mist. Pufhitte. Hagelbuien.
Tintelend vriesweer. Herfstnevels. Orkaan.
Bleek voorjaarszonnetje. Sneeuwjacht. Slagregens.
Grauwgrijze stolp. Azuren firmament.

Kille wind. Zoele wind. Bijtende wind.
IJsbloemen. Waterkou. Tropische nachten.
Krieuwelig lentebriesje. Donderstorm.
Druilerig gemiezer. Rood-vlammende luchten.

Ik laat het allemaal over me heen komen.
Natuurlijk heb ik voorkeuren, wie niet?
'k Rook liever Henry Clay dan Agio.

Maar om mijn moeder nog eens te citeren:
"Lieverkoekjes worden hier niet gebakken."
Marcus Aurelius, jou vind ik groots.

C. Buddingh'

Terug - Top


[Sappho]

Wie niet wacht op het onverhoopte,
die houdt het nooit zo lang vol
tot hij uitroept: genoeg.

Elk eiland bewaart

het beste boek: zichzelf.
Het paard trapte niet:

een hoefsmid stierf.

Van Sapfo ben ik gaan houden
sinds de vernietiging
haar teksten heeft ingekort.

Hans Faverey

Terug - Top


Lady Sappho

Soms droeg zij een honinggeel
gewaad op Lesbos, waar minnaressen
haar vaak verguisden om heerszucht
en poëzie : verwarrend parfum

Verdacht haar huis waar lenige
meiden pingpong speelden, elkaar
staken met angels van venijn
en droomden van een rol in Hollywood

Ontrouw ervoer zij hevig, doch beheersing
leerde haar : mondje dicht
'als de drift in uw boezem opzet
hoed voor roekeloos blaffende tong u'

Op en top dame in haar platina Saab
reed zij driftig onder appelbomen
lier en verdriet reisden mee
want met angel verzinken in hemeldauw

was haar vertrouwd en was goed zo
want ook zonder Schoevers'
tikdiploma en met imperatief gebaar

wierp zij vlammend ooft
in haar drukpers die na eeuwen
schaamrood nog bloeit

onder de pinkelende Pleiaden
O neonreclame voor
bijenkoningin

Jaap Harten

Terug - Top


Sappho

1
De ogen toe verneemt zij in de kluis
van haar op steilten opgetrokken huis
onafgebroken of met intervallen
de zeewind en de zee als één geruis.

2
Ik loop het bergpad op, rugwaarts een woud
van eikenstammen als gegoten goud
over de kam, met niets dan zee beneden
in een verzadiging van zon en zout.

3
Leefde zij hier? Deed haar gedachten dwalen
over de appelbomen in de dalen,
de vollemaan met zilver aangemunt,
het waterorgeltje der nachtegalen.

4
De praal van pauwen en bedauwde rozen
heeft zij gekoesterd en bewust gekozen
tot sieraad voor haar tijdelijk verbllijf
én voortbestaan tussen de tijdelozen.

Anton van Wilderode

Terug - Top


Sappho

Nóg staat haar voetstap in het gouden zand
en in de purp'ren branding wordt gesproken
met hàre stem - hel, in de val gebroken -
de donk're omslag ruisend langs het strand.

Zij ging de zware gang : van het praegnant
begin, de vlam van drift ontstoken,
tot strenge en kuise arbeid en beloken
beluist'ren van een goddelijk verband.

Dit maakt ons ademloos bij haar geluid
wanneer het stijgt, of donker zingt en klaagt;
het leven zelve beeft in deze toon.

Zoals de zee, die om dit eiland sluit,
verlangens oerzang naar de kusten draagt. -
Er is geen scheiding in hun beider schoon.

Ida Gerhardt

Terug - Top


[Ikarus]

Als Ikarus, van jonge geestdrift dronken,
op wassen vleuglen door de hemel vloog,
en de aarde reeds in nevelen verzonken
diep onder hem onzichtbaar lag voor 't oog:

naar hoger, was alsdan zijn moedig streven,
steeds hoger naar zijn doel, naar de eeuw'ge bron
van licht en vuur, naar d' eeuw'gen haard van leven,
naar d'eeuw'gen glans en d'eeuw'gen gloed, de Zon!

En onvermoeid omhooggeroeid: de kussen
der warme Zon verhitten nog zijn bloed;
en weinig voelt hij half bedwelmd, intussen
hoe zijne vleuglen smelten van de gloed:

totdat ineens een gil de onmeetlijkheden
doorsnijdt, ontzettend, aaklig, ijselijk;
en door de lucht een lichaam naar beneden
stort, reeds voordat het de aarde raakt, een lijk!

Zo neem ik ook een stoute vlucht, in dromen,
tot haar, de zonne die mijn ziele kwelt ... en
zo voel ik ook mijn' moed, mijn krachten smelten
als ik haar nader ben gekomen.

J. Vuylsteke

                         Analyse Leo Nellissen

Terug - Top


Via di Porta Pinciana. Hier woonde Jet van Dam van Isselt (Rome)

Zij was haar huis: op horizon gericht,
een schrijn van zon, wijd open en doortrokken
van gouden lucht. Wind in haar grijze lokken.
Een vrije lach, gegroefd in haar gezicht.

Vlinderend in de bries, het trillend licht,
haar bloemen als een zwerm van bloesemvlokken,
stengels gesteund door dunne bamboestokken.
Zij was als Rome: bloei en vergezicht.

En dan: het ongeëvenaard vermogen
aan wie hier kwam dat sprankelende hoge
geluk te kunnen lenen voor één uur.

Het brandmerk van haar zon. Haar lichte ogen
in blindheid straalden nog. Niets is vervlogen
van dit haar onvergankelijke vuur.

F.L. Bastet

Terug - Top


Domus Aurea (Rome)

De muren druipen. In de klamme nacht
onder algen en mos de rohrschachtesten
van schilderingen, hun vergane resten,
hun voze glorie in verrotte pracht.

Ik volg de gids die omziet, aarzelt, wacht:
Hermes op weg naar betere gewesten,
korzelig mompelend. Ten langen leste
spuwt hij en haalt de schouders op, en lacht.

Grimas van doodsverachting, weerzin, haat,
één met de keizerlijke potentaat
die hij nog dient. Kom ik behouden thuis?

Over de onbegrepen koude wand
zie ik de schaduw van mijn oude hand
grijpen naar niets in dit ons Gouden Huis.

F.L. Bastet

Terug - Top


Winter in San Clemente (Rome)

De koude stilte van de donkere kerk.
Ik zie de oude monumenten weer,
ruik de bestorven wierook van weleer,
herken de schedel, de gebarsten zerk.

De kale koster, zuchtend aan het werk
bij 't altaar, zet daar doden bloemen neer.
Een duif vliegt op en laat een witte veer
en ritselt aan het venster met zijn vlerk.

De laatste non, in een verweduwd kreunen
- ik zie haar knielen en zich moeizaam steunen -
bidt haar gebed. Een kaars dooft flakkerend uit.

Ik denk aan Mithras, eens tot licht geboren
maar in de duistere crypt voorgoed bezworen,
en hoor de wind die door de spleten fluit.

F.L. Bastet

Terug - Top


Palatijn (Truus in Rome)

Het denken aan verval is hier verplicht.
Hoofdschudden. Hoe bestaat het zeggen. Zuchten.
Je ziét Caligula de gang in vluchten,
zegt Truus bij het verkeerde vergezicht.

Zes nonnen, door Van Egeraat ontwricht,
bidden bij 't schuifelen langs een beruchte
paleislatrine hijgend hun geduchte
Ave Maria's, rillend doch gesticht.

God weet zien zij hier nog Sebastiaan
als doelwit naakt voor de soldaten staan:
Van Egeraat brengt alles zeer tot leven.

O eeuwig Rome! alles zal vergaan!
O! 't vlammend mene tekel, ziet het aan!
Ga maar vooruit Truus, want ik blijf nog even.

F.L. Bastet

Terug - Top


Gezicht op de Tiber (Truus in Rome)

De Tiber stroomt. Zeer eeuwig is dit stromen.
Zegt U dat wel. Toch staat het water laag.
Mijn oom heeft ook een bootje. Aan de Kaag.
Gaat nooit op reis. En zeker niet naar Rome.

De Tiber dus. Mens wat een gekke bomen,
wat zijn dat nou? is dat een domme vraag?
met balletjes! en met een rupsenplaag.
Platanen? kijk, Truus heeft een kiek genomen.

Een tiberdia. Oom kiekt ook zo veel.
Onscherp, maar ja, wat wil je, hij is scheel.
Die Tiber anders lijkt wel diaree.

God, waar stroomt al dat water toch naar toe
na al die duizend jaar, je snapt niet hoe.
Wat zeg je, Ostia? ligt dat aan zee?

F.L. Bastet

Terug - Top


Colosseum (Truus in Rome)

Het Colosseum. Gunst. Van dit unieke
terras heb je mooi uitzicht. Wat een bogen!
Wat heeft die enge keizers toch bewogen...
Toch beeldig hè. Ja beeldig. Dat antieke.

Maar ja, toch niet zo mooi als bij de Grieken.
Nee, ik houd ook niet van dat hele hoge.
Cassata kost hier anders een vermogen:
en kijk eens aan, Truus moet weer nodig kieken.

Het is een duur terras. Na al die eeuwen
betalen we nog altijd voor die leeuwen
en voor die opgevroten christentroep.

Zijn dat daar echte pelgrims, die daar zingen?
Wat heb je toch in Rome leuke dingen! -
nee hoor, 't is wéer zo'n rottoeristengroep.

F.L. Bastet

Terug - Top


Sint Pietersplein (Rome als Ziekte)

Weer luidt de bronzen klok, luid over zuilengangen
en brandend open plein, uitgolvend naar de stad.
En waar de droppels der fonteinen 't zonlicht vangen
tintelt een regenboog weer trillend in het nat.

Ook in de blauwe schaduw blijft de hitte hangen.
Ik zie het draaitoneel, dit eeuwig zonnerad
van auto's kosmisch in hun werveling gevangen
rondom de naald die eens een pharao aanbad.

Dan, aan het raam, verschijnt - er ratelt een applaus
als gaat Gods poppenkast voor één vertoning open -
een bruidje in het wit: maar neen, het is de paus.

De armen uitgestrekt bidt hij een monotoon
en knersend kerklatijn in Christus' mikrofoon.
Bij 't stalletje staat Truus een plastic kruis te kopen.

F.L. Bastet

Terug - Top


Grand Tour (Rome als Ziekte)

Op weg naar de ruïnes van een dode keizer
in een inferno van verstikkend autoroet
zie ik een reiziger die 't oude Rome doet
met ratelkoets en paard, want ach, hij is niet wijzer.

Hij fIlmt: een dode pijnboom, blakerend Fiatijzer
en, na de rood bevlagde werkelozenstoet
die als een open ader door het centrum bloedt,
't waterkanon dat stralend opspuit als een geiser.

Hij filmt en waant zich in een zomerpastorale.
Beschonken immers van de goede slechte wijn
doet Rome ziel en zinnen ruimer ademhalen?

Hij filmt: de zwarte tempels, kerken, suoni, luci
- paspoort en portefeuille, alles alreeds foetsji -
want o, in Rome, Rome ... dáár toerist te zijn!

F.L. Bastet

Terug - Top


Licht (Rome als Ziekte)

Het Forum in de zon, de zuilen en de rozen
en van de Palatijn de milde lentewind ﷓
hier worden wij weer stom en tot geluk verkozen
het éne ogenblik, dat alles herbegint.

Zie, langs de stramme muur waar wij bevrijd verpozen
verglijdt de schaduw van dit lachend wonderkind:
de eeuwig nieuwe tijd die in het tijdeloze
verwaaien van de dag zijn diepste wezen vindt.

Want trager stroomt het bloed maar sneller gaan de zinnen
waar tussen marmergruis en weiherbouwde bogen
de kern van het bestaan, gelouterd in het vuur

van zoveel gouden licht, bereid tot diep beminnen,
zich plotseling openbaart als goddelijk vermogen
in de doorleving van één stervend middaguur.

F.L. Bastet

Terug - Top


Overal borsten

Mus - meubelbruin
gefineerd vogeltje
en nog dezelfde die

tot groot verdriet
van Catullus tussen
Lesbia's borsten huisde.

Zijn gedichten
deze mus - ze zijn
nog net als toen

hun gegeven zo
genesteld
in de genen

dat iedereen
meteen herkent:
Catullus en zijn mus.

Alleen Lesbia
zij is er niet en
overal borsten!

J. Bernlef

Terug - Top


Aan Lesbia

de oude meepse barg ligt
nimmermeer in drab
maar voorgoed op zachte kussens onder - uitgerekend -
de weelderigste boom Ons rest
slechts een schaduw dun als een dasspeld
om af te koelen lesbia
sinds je moeder goede zaken maakt
met de montage van haar
geldzucht en jouw schaamteloos lichaam
zijn je lippen - nu als in steeds
modieuzer gewaden gehuld zo
gewaagder lijkend dan ooit - mij toch
armelijk mager geworden

maar al werden je fraaie lokken plots
walgelijk rattenhaar of baarde je
onder mijn ogen een geslacht van
veelpotig of kruipend gedierte
ik verliet je niet want waar
zou ik nog rust kunnen vinden? in het zuiden
op brandende bergen soms of
onder de altijd bloedige barbaren in het noorden?
o ik moet er niet aan denken hoe in den vreemde
een van heimwee bezetene mij toefluistert:

"alle vlinders van dit voorjaar slapen op lesbos"

Lucebert

Terug - Top


Leda

Bloedstollend beeld van de vogel
      die blank een vrouw in de schoot valt:
dorstend naar vlees en naar bloed
      stort uit de wolken de Geest

Paul Claes

Terug - Top


De zwaan

Heel warm en eenzaam is Joséphine,
zij schuuift haar fichu weg en ruikt de gloed
van haar decolleté. Aarde en mos
kleven aan haar blote voeten. Over de vijver
komen de zwanen met stille stoten
door de zonsondergang.
La Malmaison is vol zwanen en rozen
en golven van Alvimare's harpspel,
en Joséphine denkt aan Leda, de griekse,
zoals Zeus haar bezocht. Zou het pijn doen,
die grote benagelde zwempoten aan de
lillende zachte binnenkant van je dijen

Hans Warren

Terug - Top


Verlaten Leda

Onder zijn donzen aandrang zonk ik achterover,
tussen zijn sneeuwen vleugels zwevend meegevoerd
in zulk een tederheid, dat onder `t donker lover
ik hem verrukt herken: Zeus heeft mij aangeroerd.

Hoe heb ik, sedert, hier in heimwee neergelegen;
keert gij dan nooit meer weer, mijn witte wufte zwaan?
Hij zwiert en zwerft in avonturen allerwegen,
slechts in een speelse vlucht greep hij mij even aan.

Maar onvergetelijk. Wie door Olympiërshand
ééns werd geraakt, kan van de goden nooit genezen;
zelfs in mijn eigen paleis sta ik vervreemd aan de kant.

En toch als in een glorie. Waar of hij heen mag wezen,
hij lag hier aan mijn mond, ik heb hem niet verloren
en leef in zijn geheim, voor altijd uitverkoren.

Achilles Mussche

Terug - Top


Leda en de zwaan

Een slag- en groots boven haar wankelval
klapwiekt hij nog, streelende met de duistre
vliezen haar dij; haar nek omsnaveld al,
haar borsten weerloos aan zijn borst gekluisterd.

Hoe moeten van haar wijkende dijen, vaag
die angstvingers de veeren pracht vandaanslaan?
Wat kan, in dien witten stormloop neergevlaagd,
`t lichaam dan op zich `t vreemd hart voelen aangaan?

Een sidd`ren in de lendenen verwekt
de muur in puin, torens in vlam en rook,
en Agamemnon dood. Zoo zijnde ontrukt,

door `t woest bloed van de lucht zóó overladen,
gewerd haar met zijn macht zijn weten ook
voor haar die bek weer achtloos los kon laten?

A. Roland Holst

Terug - Top


Leda

Eindelijk vloog en zonk hij als een zwaan
schitterend in mijn schoot ; zijn duizend pluimen
stroomden mij vol met een zwaar paarlend schuimen,
verlauwend na het laatste vlerkenslaan.

Hoe werd ik in dien schonen praal vernederd,
geleverd d`ongeschapen pracht der zwaan:
maar na de hevigste verzadiging ontdaan
ontwaakt in een verward gevedert.

Treedt d`oppergod de fiere stervelingen
die hij begeert niet goddlijk tegemoet?
Al te voorzichtig zijn de hemelingen!

Al te verheimelijkt is hun heerlijk bloed
dat zij, slechts één doch ongeneeslijk plagend,
doorheen den schoot der schepselen jagen.

Christine d`Haen

Terug - Top


Leda

Het avondrood vloeit weêr langs tak en twijgen
Een purperschemer koomt in rozengloed
Het bloesemblanke bladerdak doorzijgen.

En bloost op elken rimpel van den vloed
Uit haar violen, waar in geur zij rustte,
Verheft ze zich...wat haar dus rijzen doet?

Haar wildzang in d`akanth heur droom ook suste
Haar `t zongegloei zacht-koestrend overtoog,
Haar `t golfjen murmelziek den roosvoet kuste,

Niet luik`, nu ginds geklapwiek klept, zij `t oog!
Eens minnaars zilverpluimen zijn `t, die ruischen...
Of zwaan zoo vorstlijk-fier den hals ooit boog?

Plots schuimt het vlokken in zijn opwaarts bruisen...
Hij rijst ten oever, daar zij de armen langt...
Voor veêrtooi mocht ambrosiesch schoon hij tuischen,

Toch blaakt ze, als zij haar god ten boezem prangt.
Heur hals omkromt de hals des liefdezieken,
Waar trillend die de jonkvrouwe overhangt,

Ze gantsch beschaûwend met verbreede wieken...
En `t ebben lokgewoel drukt zich zijn kop...
En de amber der viool moog` zoeter rieken,

Nu `t van zijn pluimen druipt in drop bij drop,
Rondom verzinkt het al in aêmloos zwijgen,
En `t zoeltjen zelfs zweeft niet in `t lover op...

Louis Couperus

Terug - Top


Ceres

Ceres, die 's ochtends uwen rijken buit
van verse bloemkool, jonge sla en gele
peentjes, andijvie, rô rabarberstelen
ter stede voert in Hollands zware schuit,

voor u schittert in blanke ruit naast ruit
de zon en maakt uw vruchten tot juwelen,
het is voor u dat duizend vogels kwelen
en dat aan 't roer de jonge schipper fluit!

Geen mens begroet, weldadige godin,
met lach of lied uw schone, rijpe vracht,
geen klok luidt ooit uw blijden intocht in!

Slechts de oude huizen zien de kleurge gaarde
van uwe schuiten glijden langs de gracht,
en uwen oogst die bloost van 't bloed der aarde!

Jan van Nijlen

Terug - Top


Hera

Hera, koe-ogige, jij bent mij vreemder,
ik heb geen herdersbloed; de vlakten zijn
voor mij om te verlaten, de lage rivieren
om weg te varen naar een blauwe kust.
En ook daar is je rijk, godin van kaap
en haven. toch, romantisch
verlang ik naar je huis, de strenge tempel
besloten, oud; Hera, koe-ogige -
maar alles ligt gezengd in puin.
Ik vorm uit klei je een klein rundje
en leg het, beschaamd, als wijgave
te drogen naast een zuilentrommel
tussen het dorre kruid.

Hans Warren

Terug - Top


De sociale werkplaats

Van al wat Clotho zit te spinnen
neemt Lachesis neuriënd de maat
terwijl Atropos blij de draad
doorknipt en zucht: "Gezellig hè, binnen?"

't Is een vrolijk stel hoor, die Schikgodinnen,
zo kwetterend boven uw Doodsgewaad.

Lévi Weemoedt

Terug - Top


Het kneutje

Voor Philemon en Baucis zingt het kneutje,
avondrood op de karmozijnen keel.
Zij legt haar zachte in zijn harde oude hand,
en meidoornbloesem dwarrelt overal.
Van gisteren en heden zingt het kneutje,
achter de eglantieren ruiste de zee
en een jong paar dat van het strand terugkomt
voorvoelt zijn vrede bij dit lied, dit lot.

Hans Warren

Terug - Top


De vondst in het wrak

I ATHENE, 450 v. Chr.

Het mengvat
heb ik met veel plezier beschilderd.
De nimf
die telkens voor een sater vlucht
kreeg het profiel van Eirene
en in de sater
herkent men mij,
en lacht.

II TARQUINIA, 425 v. Chr.

Toen Feronia werd bijgezet
legde ik ook dit mengvat in haar graf,
de getuige
van onze vrolijke feesten.
Feronia was die nimf,
ik die sater, beweerde ze.
Het deed pijn, het vat te breken,
ik sloeg er enkel de voet van af.

III ROME, 1795

"Milord, de herkomst
moet u niet vragen, maar het is
een meesterwerk, nietwaar?
Zo goed als gaaf, dat meisje
lijkt sprekend op de Laura
die we u gister brachten, en de sater,
de sater ... Milord,
kijkt u zelf eens!"

IV SCILLY-EILANDEN, 1977

Ralph, zijn zwarte rubberpak
klevend aan zijn gespierde lijf, en ik
met enkel mijn emmer scherven.
"Professor, een mooie vondst!"
Hij bevrijdt zijn druipende saterkop
en wijst: "Kijk, dat meisje, professor,
dat lijkt sprekend op u."

Hans Warren

Terug - Top


Thebe

Met leven toegerust voor beiden,
liep ik vannacht de gangen in,
die naar u leiden.
Het ondergronds geburchte droeg
een stilte, die met tegenzin
mijn tred verdroeg.

De muren stonden als verzadigd
van ruige schimmel; lucht en licht,
voorgoed beschadigd,
beten mij uit; de wil alleen
bij u te zijn in 't jongst gericht,
hield mij ter been.

Het labyrinth verliep in schroeven
van eender, blinder cirkeling.
U ten behoeve?
Ik weet niet meer hoe lang ik ging.
Hoe brachten zij, die u begroeven,
zover een ding?

Totdat mijn voeten op u stuitten:
uit een volslagen duisternis
zag ik uw ogen opensplijten;
uw handen, die ik niet kon tillen,
voelde ik langs het leven strelen,
dat in mij sloeg;
uw mond, in dood verholen, vroeg.

Een taal waarvoor geen teken is
in dit heelal,
verstond ik voor de laatste maal.

Maar had geen adem meer genoeg
en ben gevlucht in dit gedicht:
noodtrappen naar het morgenlicht,
vervaald en veel te vroeg.

Gerrit Achterberg

Terug - Top


De Tiber

Daar blaast verliefd met purpren wangen
de stroomgod op zijn schelp en zie,
de Tiber, in het groen gevangen,
ruist zwellende zijn melodie.
Hij breekt door holen en spelonken
en werpt zich op het molenrad,
dat in het water staat te ronken,
glinsterend van het vonkend nat.
En met een hart, gewiekt van ijlte
- zo hoog en hemels staan wij hier -,
volg ik vanaf de hoge steilte
de kronkelingen der rivier.
Een visser spant halfnaakt zijn netten:
ik zie zijn klein en bruin figuur
plonsende voet voor voet verzetten
terwijl het water spat als vuur.
En bronzen meisjes aan de koele
oever gehurkt, zitten met vlijt
het linnen door de stroom te spoelen,
die draalt rond hun blankarmigheid.
Een landman drijft een ezelsveulen
tot groter spoed aan met zijn hond;
ik zie hem het grauw dier afbeulen,
zo klein als op een achtergrond.
En, kriskras door het dal gesmeten,
ligt het basalt, grauw en verminkt,
in brokken, naar wier maat gemeten
mens en dier in het niet verzinkt.
En plots, tot in de ziel benomen,
weet ik : dit is de Tiberstroom;
dit is het groene hart van Rome;
dit is de voedster van mijn droom.
Ik kijk met droge, vreemde ogen
naar het onmetelijk verschiet
en zie de stroom met trage bogen
verdwijnen in het blauwe riet.

Bertus Aafjes

Terug - Top


Venus

In d'ijskoude vroege morgen
stapt een venus op 't trottoir;
't blonde kopje zonder zorgen
als een ordeloos boudoir.

Vroege werklui stappen dreunend
op het grauwe makadam;
hevig rinkelend rijdt, en kreunend
op de rails, een vroege tram.

Verder glijdt met korte stapjes
't blondje met wat moe gelaat,
en ze hoort de vuile grapjes
van de werklui in de straat.

't Venusdiertje trad voorzichtig
uit het zalig zondenest;
't wipt de tram in en doorzichtig
nu naar huis de dorst gelest.

Gaston Burssens

Terug - Top


Ballade van de honderd vrijers

οἱ δ' ἤδη γναθμοῖσι γελώων ἀλλοτρίοισιν

Na tien jaar zuchten en gezwoeg
keerden de Grieken naar hun steden.
De Ilias was uitgestreden.
Zij hadden niets dan een verleden,
een groot verleden voor den boeg.

Zo kwam de tiende lente, dat
de helden, aan de haard gezeten,
bij morgenmaal en avondeten
het lijk van Patroklos bekreten
en Hektor sleurden om de stad.

Het zwaard waarmee zij menigmaal
zichzelve tot de zege gordden
was in de krans van bruinverdorde
laurier een relikwie geworden,
en Ilion een oud verhaal.

Maar nog zwierf, door de zee als prooi
verslonden en weer uitgespogen,
Odusseus met de dood voor ogen
langs monsters zonder mededogen
of nymfen van verdacht allooi.

Soms leek hem aan de wereldrand
waar winden op de natte wegen
der zee het schuim tezamenvegen
de rook aan eigen huis ontstegen
te wenken met een witte hand.

Hij zag het huis: hoe als een wacht
op vloer en drempels van de stille
vertrekken zonlicht lag te trillen,
hij zag zijn vrouw de beker spillen
die hem het dodenoffer bracht.

En niet, zo dacht hij, zonder recht
was aan de kelk de wijn ontvloden,
want wien een pantheon van goden
verdoemt, zijn ziel is naar de doden
gedaald, terwijl zijn vuist nog vecht.

Intussen steeg er uit zijn schouw
op Ithaka een damp die kwade
praktijken in het huis verraadde:
de geur van velerlei gebraden
krioelde naar het hemelblauw.

De binten dreunden van het groot
gedruis der honderd godverlaten
verliefden die het huis opaten
en wachtten tot de wind het late
bericht zou brengen van zijn dood.

Daar zat, zoals een kloek zich zet,
een droom te broeden op hun breinen:
Dit land bezitten, 't huis, de zwijnen,
de schapen en de serafijne
vervoering van het bruiloftsbed.

Maar honderdvoud vergeefs belaagd
werd, als het spinnewiel zijn zachte
geklaag kwam voegen bij haar klachten,
na zoveel rooddoorschreide nachten,
Penelope weer bijna maagd.

Zoals de lente licht en luid
kan worden als de vogels komen;
de regen ritselt, en het lome
verlangen bot uit alle bomen
en hunkert alle hagen uit:

Zo konden, aan het avondmaal
gezeten, zij niet langer zwijgen.
Het woord, dat ieder als zijn eigen
herkende, scheen een stem te krijgen
en rond te zweven door de zaal.

Het was Antinoos die sprak,
een beker heffend naar de goden
die zelf, ook zonder de kleinoden
rondom de rand, leek op een rode
robijn waar goud het licht in brak:

"Den gastheer deze dronk geplengd,
die lang het her en der verspreide
gebeente aan de vissen wijdde
waarmee zijn vrouw een onbenijde
en kille slaap te slapen denkt.

Maar niet, zolang het bloed nog rood
en tintelend ons merg vermag te
doorstromen, zullen haar de nachten
vergaan in onvervuld verwachten
van deze bleke bedgenoot.

Niet langer zal het deel dat hij
haar liet zich in het leeg verliezen
als kaf waarin de winden bliezen:
De weduwe zal morgen kiezen,
en kiest zij niet, dan kiezen wij."

Zo sprak hij, en terwijl hij schonk
steeg een gejuich uit honderd borsten,
maar uit de grond, de roodbemorste,
stegen de schimmen der verdorsten
om deel te hebben aan de dronk.

En Theoklumenos - alleen
aan hem had Zeus de zienersgave
verleend - sprak bevend : "Bidt, mijn braven,
de doden keren uit hun graven
en van de wanden druipt geween.

Ons huwelijk is haast vervuld.
Het huis is levend van geluiden
en tekenen niet mis te duiden.
Ik hoor het lied, ik zie de bruiden
waar gij vannacht mee slapen zult."

Maar geen van hen, de dwazen, zag
de droppels wellen, die scharlaken
het brood bevlekten dat zij braken.
Zij lachten met geleende kaken
een lege, laveloze lach.

Zij lachten voor de laatste keer.
De deur sprong los. Een koude, klamme
verwaaiing greep het vleugellamme
gefladder van de schuwe vlammen,
en op de drempel stond hun heer.

Odusseus, uit de hel terug
gehaald om andermaal te leven
. De goden hadden hem gegeven
de smaad, aan huis en haard bedreven
te wreken, en zijn wraak was vlug.

De pijl, de dood in vederdos,
die met een snorrende, bedroefde
gedenkzang door de zaal heen zoefde
bleef steken met een klap, en groefde
de gorgel van Antinoos.

De strot, waardoor tezelfdertijd
het rode vocht der kristallijne
bokaal naar binnen zou verdwijnen
. Helaas, de beker dronk het zijne,
hijzelve dronk de eeuwigheid.

Ook gij, Eurumachos, gij hebt
die averechtse dronk gedronken,
en warm als wijn is uit uw schonken
die zwaar op de plavuizen zonken
het lieve leven weggeëbd.

En allen hebben in die nacht
het oordeel over horen huilen
en, schuilend waar niet viel te schuilen,
verbijsterd achter banken, zuilen
en doeken op de dood gewacht.

Want ieder hart is groot en naakt
dat door het scherp der deernisloze
gerechtigheid is uitgekozen.
Hun harten waren honderd rozen,
en alle rozen zijn geraakt.

Uit deze nacht van moord en bloed
heeft in de hof, met groene wingerd
in ranke wiegeling omslingerd,
Aurora rozeroodgevingerd
de ongerepte dag begroet.

Maar binnenshuis, onaangedaan
en door geen schemering te tarten,
sloop langs de stenen nog het zwarte
fantoom van honderd rode harten
in ene nacht tenietgedaan.

En sinds hun ziel vermaledijd
het schimmenrijk is ingetreden
zijn driemaal duizend jaar vergleden,
en niemand heeft voor hen gebeden
en niemand heeft om hen geschreid.

Maar dat de hond, die suf en stom
tussen het vuil lag te verzweren,
zijn baas nog mocht terug zien keren
en kwispelstaartende kreperen,
daar huil ik af en toe nog om.

Kees Stip

                         οἱ δ' ἤδη γναθμοῖσι γελώων ἀλλοτρίοισιν
                         zij lachen met verwrongen kaken
                         (Odyssee 20.347)

Terug - Top


Morgengebed

Sapphische strophen

Zon, die met uw stralende wagen opwaarts
Rijdt de steile daag'lijksche baan, uw rondas
Blinkt van blindend licht, in de handen houdt ge
Purperen teugels;

Heden ziet ge weer de geheele wereld:
Landen, zeeën, steden en menschen, die zich
Warme' in uw omarmende stralen, wijl ge
Glimlachend neerblikt;

Ziet gij heden haar, die ik zoo beminde,
- Zij is onder schoonsten door schoonheid kenbaar -
Wijt haar dan dat zij, schoon ze trouw beloofde,
Mij heeft verlaten;

Dìt nog, Zon, voor gij uwen baan gaat rijden:
Als gij tot haar spreekt - o ! verhoor mijn bede! -
Spreek dan niet tot haar met uw slaande stralen,
Maar met uw kussen!

Martinus Nijhoff

Terug - Top


De nacht

De hereniging tussen het vlees en het vlees
vindt nimmer voltooiing. Want Eros woedt
onvergelijkelijk. De stralende geest
werkt zijn geheimnis ook door ons bloed.

De gave van u, de gave van mij,
Eros slechts geeft ze. Wij worden verteerd
in zijn tederheid, vriend. En al sluimeren wij,
Eros vereent ons als hij het begeert.

Christine D'Haen

Terug - Top


Παρά θῖνα θαλάσσης

Drie woorden slechts van Homerus, -
o hóór het kantelen en ruisen
dat er in schuilt ; - als een kind
dat gelovig de schelp aan het oor legt.
Hoorde ge eigenlijk nooit
dat komen en gaan, gaan en komen:
hoorde ge eigenlijk nooit
de zee in het vers van Homerus?

Ida Gerhardt

                         παρά θῖνα θαλάσσης
                         langs het strand van de zee

Terug - Top


Faun

Hij staat geleund tegen de stam
en keurt de saamgevoegde fluit,
besprongen door de rosse vlam
van het gewaaierd varenkruid.

Hij toeft, maar ademt elk gerucht,
de geur van lover dat vergaat,
het vallen van een rijpe vrucht
die in de weke aarde slaat.

Het lichaam, in zijn korte rust,
is wreed en teder tegelijk;
de ogen waken, fel van lust,
over het ondoordringbaar rijk.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Icarus

Tussen Honolulu en de westkust
vlieg ik tussen zon en oceaan
begrijp ineens hoe alles is,
vanwaar wij komen en waarheen wij gaan.

De kosmos is zeer goed en louter schoonheid,
de mensen zijn misschien een beetje slecht;
ik wil mij voortaan aan het hoogste wijden,
de kleine dingen komen wel terecht.

Ik heb het lot, het doel, de zin begrepen,
ik ken mijn taak, ver boven 't daaglijks brood;
voor de essentie zal ik voortaan leven
de uren die mij scheiden van de dood.

Andreas Burnier

Terug - Top


Baadster

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat
Nog van den amber der violen geurde.

Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaas met douden veile omwonden.

Louis Couperus

Terug - Top


Narcis

Aan den boord eener beeke
Zie ik leliën droomend staan,
Wijl de golfjens om haar stengels
Schuimend gaan.

Een rei als van nymphen,
Die zich beuren uit de beek,
Een rei als van sneeuwwitte bruidjens,
Zoo kuisch, zoo bleek.

En in heur midden heft zich
Een enkele narcis,
Die kwijnt op zijn stengelken
Van droevenis.

De leliën smachten van minne
Voor die geluwde narcis;
Zij geuren haar zoetste geuren,
Zoo zwoel... zoo frisch.

En de goudgele bloeme nijgt zich
Steeds verder naar den vliet,
Tot hij in den zilveren spiegel
Zijn beeldtnis ziet.

Zoo koud en zoo kil is het water...
Zijn zoenen prangt
De bloem op het beeld, waar minnend
Hij over hangt.

En de leliën lisplen droeve,
Dat nog steeds met des jongelings lust
De bloem zijne beeldtnis
Op 't water kust...

Louis Couperus

Terug - Top


Eurydice

Hij heeft zijn lied op mij gezet,
betast de lier zoals voorheen
mijn huid, terwijl de kou mij

tot de lippen staat. Onder de tijdschaal
bijgezet leef ik het leven
van een smeekgebed : Eurydice,

kom uit! Sluitsteen en godsverbod
speelt hij opzij, verdooft de dood
tot slaap, men laat hem

in en geeft mij weg als bruidschat
aan Herinnering. Maar leven

achterwaarts doet kwaad; kijk niet
naar wat geweest is lieveling, kijk
hoe ik moet ontsporen in de tijd

die voor je voeten licht. Ik
volg je op de hielen, licht
en nauw als stilte luistert, en beeld me

weer de wereld in.

Hester Knibbe

Terug - Top


Delphi

Het hek staat open en het pad omhoog
ligt dichtbezaaid met bijgeloof en zon. Wij
hangen tas en fototoestel om. Het dunne
zand dat zich in huiden vlecht, verlaat

met ons de plek. We kwamen hier terecht
via herinnering en een getaande hoop;
er zouden tempels, het gezang klonk hoog.

Restanten steen in slagorde van dood
wijzen ons terecht. Noch god noch
muze zij geloofd, Apollo is verdwenen.
Men heeft een koord rond het gemis gelegd.

Lang, blond, gebronsd zo had ik hem gedacht,
zeg ik. Je lacht, dwaalt af naar waar een
vage boog je in de oudheid mengt.

En een moment buig je de eeuwen
om, word je de speler die me juist
verliet, speel je het oudste, wreedste
spel: ik wil je wel ik wil je niet.

Hester Knibbe

Terug - Top


Daedalus

Een labyrint heb ik gebouwd en Icarus
verwekt. Beeldhouwer-architect, zit ik
alleen mijn kind te houwen
uit een steen nadat hij is gevallen

als een blok. Ik had hem lief
en nog, maar wist dat hij
niet blijven kon, verzon daarom

een list, een vliegensvlugge
list: ik maakte onze voeten los
van hechtenis en leem en
en hemelde ons op. Vlieg Icarus,

zei ik, met vogelschoolslag door de lucht
en zie hoe je gevangenis gehangen is
als luchtkasteel decor wordt
voor een klucht. Wanneer een zoon

neerstort, trekt hij de vader
mee: we blijven onafscheidelijk
bijeen en vallen door de eeuwen
heen binnen verf en lijst en

buiten beeld. Verbijsterd
in een labyrint van gruis en stof
zit ik stomweg te houwen
en te bouwen aan m’n kind.

Hester Knibbe

                         Analyse Leo Nellissen

Terug - Top


Orpheus

Wij, die het zingen verleerd zijn
- zelfs de lier verklonk, de klacht
echoot slechts bij harpen -
wij spreken, stamelend
tegen de wind aan zee, of onder
het ruisen van de bomen, steeds
van hetzelfde, een paradijs,
gedroomd, verloren? en daarin
die ene, te mooi en te volmaakt,
even gezien, gekust
voorgoed verspeeld.

Hans Warren

Terug - Top


Xenofanes

Jij zei het, ik zie het:
de afdruk van het laurierblad
op een rotswand in Paros,
de versteende vis in de bergen
door zijn marmeren water.
Het bewijs in een steensoort getekend
zwemt nergens meer heen.

Jij zei het, ik hoor het:
we zijn uit aarde en water geboren,
uit water en aarde is alles
wat ontstaat en wat groeit.

En ik, met mijn betere weten,
ruil mijn geërfde gelijk voor jouw antwoord.

Zoveel hoger is vragen dan weten
dat ik mijn kennis beklaag.

Cees Nooteboom

Terug - Top


Persephone

Hij heeft me niet geschaakt, ik
was nieuwsgierig, ben vrijwillig
afgedaald en liet me nemen, kuis. Zo
haalde ik de dood onsterfelijk

in huis. M'n moeder snapt dat
niet, zij wil alleen maar dat ik
op het oogstfeest voor de maaiers
dans, de zomer in het hoofd

en in het haar. Maar ik heb
ook een winterkant, die dieper
naar de wortels graaft, op zoek gaat
naar de kiemen in het zaad. Dat

vloekt niet met wat boven staat;
ik wil de bronnen duiden
van wat voedt, de maaiers in de armen
vallen moet. Daaraan ben ik verbruid.

Hester Knibbe

Terug - Top


Demeter

Mijn kind is zoek en telkens weer
terecht. Ze laat zich lokken naar
de duisternis, hoe vaak ik haar ook
zeg : geen god die te vertrouwen is. Ook ik

sliep met een god, doorbrak daarmee
het ouderlijk verbod, maar bleef met een teen
en hakken op de grond; er moest een kind
gevoed, hout in de haard en

aren op de aarde. Mijn dochter is
geen kind meer maar een vrouw die 's winters
niet in huis te houden is, hoe kouder
het hier wordt, hoe verder zij

zich van het vuur verwijdert. Maar
op het uur van dooi komt ze
terug en danst met vlugge voeten
zoete vruchten uit de aarde.

Hester Knibbe

Terug - Top


Demeter

Demeter, mooie moeder, breeduit zitten,
nobel en mals en goed; ontvangend, gevend -
als een avond ben je, lauw na een lentedag,
een glimlach in het lover als het jonge koren
buigt onder dauw; een fonkelend oog
wanneer het graan rijpt en de appel bloost.
Dan, als de zomer daalt, gaan we blijmoedig
op naar Eleusis, naar de zalige geheimen
waarvan de tong niet spreken en de hand
niet beelden mag. Maar jij, Demeter,
neemt ons daar in je op, jij geeft ons daar
de zekerheid dat wij eens, na de dood,
het goddelijk begin zullen beleven:
na 't donker 't licht der fakkels, na de kreet
om hulp, de gongslag, de verlossing.

Hans Warren

Terug - Top


Penelope

Weduwe twintig jaar wachtend
      tussen de drom van de minaars
weef en ontrafel ik mij:
      wade of zeil van mijn man.

Paul Claes

Terug - Top


Pegasus

Ergens wordt aardes einder nog door paarden
en arenden beheerst : noordelijk tumult
dat doorkwam waar mijn ogen slaaploos staarden :
briesend gestamp en het woest ongeduld
van vleugels en van klauwen, snel neerstrijken
van vorstelijken naar het gesteiger dat
los van de grond komt : zo eisen gelijken
elkander op.
                   Het mensdom onderschat
het bloed ; angst drijft bij kudden de verloornen
doods kooien in.
                             Maar een vermetel god
van voor de goede herder wil verkoornen,
eist eerstelingen, om dood noch gebod
bekommerd. Enkel in die heldre telgen
ademen paard en arend, die in hen
wat er nog naar de wereld zweemt, verdelgen.
Uit kreten en gehinnik stijgt een stem
die angsten overstemt en openbarend
uitslaat in een azuren lach.
Dan wint het paard de vleugels van een arend,
en de arend steigert naar den eersten dag.

A. Roland Holst

Terug - Top


Zueignung

Dag Pegasus! - Wat doe jíj hier in het gebouw?
Ik ben met zaterdagse thema's nagebleven.
Kijk niet: mijn kleren zijn vol krijt, mijn ogen grauw;
en rode inkt blijft altijd aan mijn vingers kleven.

Ja, dit is zogezegd de school. - Wat wil je nou?
Ik heb mezelf al zoveel maanden afgeschreven...
Of dacht je dat we - God, wat is het buiten blauw! -
door de kapotte tuimelramen konden zweven?

Jij hoort daarbuiten, Pegasus, en hier hoor ik.
O, doe dát niet, kniel niet op deze planken vloer
vol stof - en dat voor míj, mijn trots, mijn prachtig dier

Pegasus - laat mij, dat ik in je manen snik.
Wist jíj dan hoeveel malen ik mijzelf ontvoer,
nochtans, om deze kind'ren? - Dráág mij: ik ben hier.

Ida Gerhardt

Terug - Top


De doos van Pandora

Zij kwam met de berekening der argelozen
en met het blind geluk van iedere mooie vrouw.
Hij werd ontwapend door haar hete minnekozen
en de angst dat zijn bestaan zich eens vervuilen zou

in eenzaamheid, en door een hartstocht zich te wreken
op dit uitdagend leven, om de domme lach
van deze mond en van de god, die niemand zag
maar die in alles heerste, tegelijk te breken.

Eens bij het afscheid al, alsof zij 't had vergeten,
gaf zij aan hem een gouden doos: glad, koel en dicht.
Hij voelde zich nog voor hij aannam vreemd bezeten.

Hij spiegelde zijn gierig en verbluft gezicht
en zag opkijkend hoe de vrouw verzadigd zweeg
en brak haar haastig open - maar de doos was leeg.

Adriaan Morriën

Terug - Top


Nausicaa

Zij stond ploteling voor mij,
op een strand.
Ik zou haar uit de verte zien, terloops, zo nu en dan.
Niet meer dan dat. En aan haar denken.

Zij was mank
en toen ze wegliep triest. Ik riep.
Ik wilde weten ...

Ik reis haar altijd tegemoet, ik reis haar altijd
achterna,
dwaze vlucht, op vleugels van papier,
en kom haar nooit meer tegen. Dat
wilde ik alleen maar weten.

Toon Tellegen

Terug - Top


Klassiek

Wijze uilen hebben een brede wiekslag
maar wat was hij klein,
dr J. van Doorn, in klassieken.
Gegroet, sprak hij steeds
als zijn tijd om was.
Gegroet, Ave,

mitto tibi navem
prora puppique carentem.

Andreas Oosthoek

                         Ik stuur je een schip, dat voor- en achtersteven mist.
                         Navem zonder voor- en achterkant levert Ave op.

Terug - Top


De furiën

De furiën staan voor de deur,
ze doen hun kraag goed, snuiten hun neus.
Hun vinger op één centimeter van de bel.
Licht binnen, geroezemoes, een of ander elektrisch apparaat
(een roomklopper? een kruimeldief?):
vriendelijke mensen, uitgesproken vriendelijke mensen.

Niemand ziet ze, niemand weet dat ze komen,
niemand kijkt toevallig even naar buiten en roept:
'Ze zijn er!'
of:
'Ik kom eraan!'

Hun vinger op vijf millimeter van de bel
en tenslotte op één millimeter.

Dat is hun limiet,
meestal.

Toon Tellegen

Terug - Top


Theseus

Ik wist dat ik hem nooit meer terug zou zien,
het was mij voorspeld, ik weet niet
door wie.
Hij zou zich van de rotsen storten als hij mijn schip
weer zag.
Ik dacht: waarom, waarom juist dán? Jaloezie? Krankzinnigheid?
Onmogelijk!
Maar ik wist hoe sluw de schikgodinnen zijn.
Misschien zou hij wel hoog opspringen, op wankele stenen klimmen,
roekeloos hymnes zingen op een vooruitgestoken rots,
duizelig worden van trots:
ik, zijn zoon, redder van de wereld en zijn stad ...
misschien zou hij wel vallen van geluk
als hij mijn schip weer zag.
Ik was sluwer dan de schikgodin
die alle draden knipt,
ik hees zwarte zeilen, voer langzaam naar de kust.

Toon Tellegen

Terug - Top


Ovidius

Als de ochtend komt met nevels en geschreeuw
en de honden van de slaap zijn hongerig weggeslopen,
dan schrijft hij
met zijn eigenaardige zoete pen
een brief aan zijn vijand, de meest verhevene.
Hij schrijft:
'Er is geen plaats in mij voor nog meer wonden.'

Op zijn dak hoort hij het trippelen
van een barbaarse mus.

Toon Tellegen

Terug - Top


Odysseus

Ik ben een schipbreukeling
en dit is de zee
die ik vrees.
Het reusachtige oog boven mij is bewogen,
tot tranen toe,
over de aard van het bestaan.
Mij gaan alleen mijn makkers en een strand wat aan,
en later misschien nog een vrouw, dat weet ik niet,
en een zoon.
En langzaam verdampt de zee
en word ik een held
en daarna een verzinsel.
Ik ben het mikpunt van een vreemde achterdocht,
tenzij ik nu beslis
en plotseling verdrink.

Toon Tellegen

Terug - Top


Op de wijze van Catullus

Ik kan liefhebben en ik kan haten
en ik weet ook heel goed waarom -

maar ik kan niet blijven en ik kan niet weggaan
en ik weet nooit waarom.

Toon Tellegen

Terug - Top


De muze

Als je uit een raam kunt leunen
rek je dan zo ver uit dat je zult vallen
of haar net, nét zult kussen -

zij zal wachten, haar hart zal bonzen, zij zal zien
hoe ver je reikt.

Toon Tellegen

Terug - Top


De komst van de muze

Buiten adem staat zij in de deur, laaiend
in het licht van de ondergaande zon.
'Wát?? Heb je niet op míj kunnen wachten?'

Maar de dichter is al begonnen,
zijn mond is vol,
hij mompelt:
'Nee.'

Toon Tellegen

Terug - Top


De mist

Door de genadige avond gaat de mist, drager
van al het voorgaande, al het vervlogene: o,
verbleekte goden! Zelfs als er al gebergten
waren, zijn ze nu niet meer te zien. Al de bergen

die ooit oprezen, goden op hun toppen, alle
verbrijzelende gedachten, zoals die van De-
mocritus van Abdera, voor wie de ziel uit de
fijnste, gladste onder de atomen, vuuratomen

bestond: alles heen. Willie slaapt in de kist,
regen slaapt naast de weerman. Somber gonzend
fluit okeren vuurwerk een hymne aan december,

raaf de pracht. "Ik bezong: weiden, het land-
leven, helden". Het millennium hinnikt. Niets
daagt op in de mist, Andes van de leegte wacht.

            "Ik bezong: weiden, het landleven, helden"
            Grafschrift van Vergilius

H.H. ter Balkt

Terug - Top


Blues van de dolende ziel van Marcus Ulpius Heracles, oogarts, die in de winter van 401/402 de laatste Romeinse cohorten wegtrekken zag langs de rivier de Waal

Eerst dreunden hoeven, nu dreunen van de laatsten
de voeten. Rietveld buigt in de wind. Sneeuwvlok
daalt als de dunste Romeinse munt, kleeft wit aan
de echo, dekt het dofrood terra sigillata, keizers-

koppen op goudstukken, aap in zijn glazen capuchon,
bronzen naalden, epileertangen, kranen, wachttorens
aan de rand van het rijk; de lampen, de godenbeelden,
bekers en lepels; kracht blijft achter en stort zich

op het grauwe zand. En het riet weeft mijn afscheid
- ongezien, ongehoord - mee van hun schreden, zich zo
tomeloos weghaastend van wat mij ketent aan deze

verweesde aarde: viermaal mijn naam, Marcus Ulpius H.,
oogarts, op mijn stempelsteen; van vier oogzalven 't
recept dat ooit heelde. Rome wacht, met haar vlammen.

H.H. ter Balkt

Terug - Top


De intocht

Bosranden; belynxte daken. Veestapel mild bestierd,
Magusanus vereerd, en in de braamstruiken dropen bij
tijd en wijle wolven, everzwijnen af; rook trouw baken
wanneer je verdwaald was; runen wezen altijd de weg.

Toen dreunde, een dag, intocht van de taal, beelden
op munten verstomd, bliksemend weerlicht op mijlpalen;
toen bestonden wij pas: geschiedenis nam ons in, met
heldere weefsels, citroenen, ingekrastheid en wijn.

Intocht wees onze plaats aan: rebellie! Maar eerst
vervaardigden wij nog bakstenen, bouwden kazernes op,
boden onze rogge aan, wildbraad; langs hun straatweg.

Overwonnenen. Maar nu bestonden wij pas. Hoe machtig
hun wereld waarin bliksems heersten, getemde tekens
die alles verlichtten! Wij staken de koppen bij elkaar.

H.H. ter Balkt

Terug - Top


Tacitus op 't Noordzeestrand

Tacitus voelt zich lomp op dat strand
Grove sporen slepen de zee in;
noordelijke hemel, blauwe zon...
Ver van Livius' Geschiedenis van de Republiek
streept de regen zijn handschrift door
als de kano's van de Friezen de golven
Rook uit vuurtjes van koemest, schapemest,
nergens een badhuis
De hemel is een pastei,
op de bodem stompzinnige roeiers

'Hun spijzen zijn eenvoudig
wilde vruchten, vers wildbraad'
Maan zengt als een oog van brons,
geen nachtegaal boven de klei...
'Goede zeden hebben hier meer kracht
dan elders goede wetten'
schrijft Tacitus leugenachtig neer,
denkend aan de straathoeken van Rome,
de geverfde glimlach van de hoofdstad,
aan de kracht van zilver en marmer
De spotzieke regen
baadt in zijn regels

Het is niet zeker of hij daar wàs
Tacitus in zijn roeiboot,
Tacitus in de lemen hoeven, geklonken
aan de vlucht van de zeevogels, 't karrespoor
Als een vlieg in barnsteen gevangen!
Bitter schrijft de melkdrinker
'Zij hebben geen steden' terwijl zijn tong
de gloed proeft van de triomfboog,
van de dubbelzinnige oogopslag,
van de intriges en de citroenen

H.H. ter Balkt

Terug - Top


Nikè

Kraanvogels met machtige slag,
kraanvogels in vliegende vlucht
boven Hellas, hoog aan de lucht,
de snavels in falanx gericht;
drie wiggen in splinterend licht,
met het scherp door de zeewind gewet.

En zij hebben triomf getrompet
waar in fonkeling Sounion lag,
waar ik stond en hen hoorde, hen zag
en hun paean vervaard heb vertaald:
op de donkere nacht heeft de dag
de gevederde zege behaald.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Tweespalt

Kleine Nausicaä, van wie ik hou
lusthof waarin mijn vlugge honden razen,
ogen die breken in een doodsextase,
als ik mij siddrend aan u toevertrouw.

Koorddanseres, dansende op het touw
naar waar in 't uitspansel de dieren grazen,
gelijk de goden staan op Griekse vazen,
sta ik, een Griek, en gij een Griekse vrouw.

Wat taal ik dan nog om dit aards bestel:
botte oproerigheid en botte zonden,
de daagse droefenis, de daagse hel?

Waarom wordt dan dit hart een open wonde
en ik de knaap die met de altaarschel
neerknielende Zijn wederkomst verkondde?

Ed. Hoornik

Terug - Top


Midas

Zodra ik de hand uitstrek naar de dingen
verandren zij of er een schaduw streek
over hen, en zij worden vreemdelingen
als ik de fluisterwoorden tot ze spreek.

Waar ik de spiegel raak, vormen zich kringen
al verder weg van waar het trefpunt leek.
Droomherten vluchten bij de naderingen
van stemmen en verlaten ligt de kreek.

Ik zie diep in mijzelve als een blinde.
En uit de droom kan 'k niet de wereld vinden,
die achter al die toverkringen leeft.

Tot goud verstart het woord voor de beminde.
Arglistig ristelen de lispelwinden
dat koning Midas ezelsoren heeft.

Anthonie Donker

Terug - Top


Verzoek om ezelsoren

Wat Midas aanraakte veranderde in goud.
Pas ik niet op, het wordt ál poëzie
waar ik van ademen en leven moet,
en ik sterf van gebrek.

Hans Warren

Terug - Top


De appels der Hesperiden

Appelen - maar dan van goud,
Waaraan nooit de worm heeft geknaagd,
Zij stellen de moeizame vraag:
Zijt gij met geluk vertrouwd?
Zoudt gij in het Niets willen zijn
Alleen om wat angst en wat pijn?
Bedenk, die appelen zijn
Van goud in de hoogere luchten.
Toch zijn het belendende vruchten
Voor de hand die niet schuchter is...

Simon Vestdijk

Terug - Top


No second Troy

Ik heb een vrouw bemind, die best
een tweede Troje zou verdienen,
en die door drank en heroïne
onder mijn ogen werd verpest.

Tot ziekbed kromp het liefdesnest,
en ik zou zachtjes willen grienen,
omdat alleen dit clandestiene
sonnetje van ons tweeën rest.

Zo’n veertien regeltjes waarmee je
een tipje van de sluier licht,
wat zout om in de wond te wrijven.

Wat zijn dat toch voor waanideeën,
dat je, verdomd, in een gedicht
“de dingen van je af kunt schrijven”?

Jean Pierre Rawie

Terug - Top


Daphne

Als ik omhoog kijk 's avonds, is de hemel er niet meer,
een grote twijfel hangt tussen de bomen.
Duister en regen reegnen uit de leegte neer
met de onzichtbre haast van onderaardse stromen.

Alleen mijn voeten op de oude grond
verbinden mij met het bestaande,
nauw ademend als zij, de aarde,
- diep in zichzelf gekeerd en wond.
En het enige, dat ik nog zeker weet,
waaruit ik nooit meer word bevrijd
is het vaste, dicht-vertakte leed.
Mijn blaadren roeren in onzekerheid
waarin nog iets van hemels luistrn is,
mijn wortlen proeven zoveel duisternis.

M. Vasalis

Terug - Top


Andromache

Ik was net achttien toen mijn lief
onder de muur vermoord werd
door iemand met een speer.

Hij had niet moeten vechten
in het harnas van een ander,
een man die hij verslagen had,
de afgod van zijn moordenaar.
Dat was natuurlijk vragen
om een smakeloze wraak.

Je weet, zijn mooie lichaam
is dagen aan zo'n strijdkar
in de vlakte rondgesleurd.

Na de val van de stad
gebeurde wat ik had gezegd.
Ik sleet mijn leven hier
met water dragen, weven,
werd soms genomen in een bed.

Ons kind heeft tot zijn dood
misschien onder veel slaag
moeten roeien op hun schepen
over de wat toen heette
wijnkleurige zee.

Anderen verging het slechter.
Ons noodlot als je wilt
was eerder dom en alledaags.

Ed Leeflang

Terug - Top


Adonis

Lichtval door meisjeshaar, je hart een slag,
honderdmaal trof je borst hij, droef, de dood
gelijkend, jou geeft zo Beauté de stoot
in 't oog, vluchtende, die haar naaktheid zag.

Laat, jij die niet begeert, je tedere min
dalen: daar strekt, om zelf te stoten, stijf
de vlijm, naar het aanschouwd geduchte lijf.
Beef, grijns, streel voor je ze aanrandt, die godin.

Droom het: de knaap midden het meisje splijt,
de moeder in de knaap ligt omgekeerd,
de vader in de vrouw die jou begeert.

Dan spilt uit jou dat lichaam in, je krijt,
je gulp op gulp, je lichaamssap, het lekt
de wonde die je wondt uit, morst en vlekt.

Christine D'Haen

Terug - Top


Solon, Chilo, Pittacus,
Thales en Cleobulus,
Bias en Periander ...

Mercurius, Venus, Luna, Sol,
Mars, Jupiter, Saturn ...

Hou-op, m'n kop wordt dol ...
Ik ken dat volk toch niet

Multatuli

Terug - Top


Literatuurgeschiedenis

De helden zijn moe van het sterven,
Achilles zegt tegen Hector:
'Als iemand nog eens de Ilias leest
blijf ik leven.'

L.Th. Lehmann

Terug - Top


Le mythe de Sisyphe

Kantelend slaat het leven om
als een vermolmde kast.
Nieuwjaar. Ik hef de wankele last,
het van de worm doorvreten hout.
En denk: ook Sisyphos werd oud,
en blind, en doof, en van verdoving stom.

F.L. Bastet

Terug - Top


Orpheus

De strenge grenzen van den dood
zijn overschreden zonder licht.

Ik heb gevoeld een vederlicht
weerstaan, dat in mij zonk als lood.

Ik buig het dode uit elkaar
en dieper gaat mijn wezen in
de verre staar, de bleke kim.

Achter mij sluiten zich als haar
verhindering en siddering.

Het laatste, elastische gebaar
der nu verlaten levensring.

Gerrit Achterberg

Terug - Top


Narcissus

Ik heb mijn lichaam dubbel lief.
Het was uwe vertrouwde
in dingen, die geen naam behouden,
zó toegedekt en diep;
en die zich nu aan mijn besef
voordoen als ingebouwde
strelingen, niet meer opgehouden.
Ik heb mijn lichaam dubbel lief.

Gerrit Achterberg

Terug - Top


Euclides

Gij zijt aan het bestaande tegenstrijdig.
Buiging en ronding om u heen gelegd,
eenmaal uw beeld te buiten, trokken recht
en maakten u aan alles evenwijdig.

Tussen die lijnen werd de tijd ontijdig
en schoof de ruimte uit uw lichaam weg.
Ieder begrip dat nog iets van u zegt,
krijgt doel te veel en middelen te weinig.

Ik kan u niet met Euclides beschrijven,
want de figuur waarmee gij congrueert
heeft punten nodig der oneindigheid.

Nochtans moet gij binnen de perken blijven
van het gedicht dat u verdisconteert
in al het wit dat ieder woord omsluit.

Gerrit Achterberg

Terug - Top


Herinnering

Ik zat weer, in mijn gedachten, op de Latijnse school;
het bloed der antieken steeg mij naar het hoofd.
Ik rende, rende tussen alpha en omega.
Odysseus stond naakt achter het struikgewas der woorden.
Hektor werd voortgesleept door woedende paarden,
door inktvlekken op de lessenaar, inktvlekken op mijn vingers;
Hektor: een dode boom, de wortels gerooid.
Het licht aan de ramen ruiste en ruiste;
hexameters licht ruisten aan de ramen,
onbegrijpelijk, door wie geschreven?
Eetbaar, geurbaar maar onbereikbaar.

De noteboom voor het raam
was de noteboom van mijn latere liefste;
de inktvlekken op mijn vingers voorspelden mijn wellust.
Het ruisen zwol over de jaren heen tot hier.

Van toen naar nu is de sprong van een krekel;
springend verliest hij het besef van zichzelve;
waar zijn poten de aarde raken is het altijd eender.
Slechts als hij een ogenblik zingt duurt de wereld eindeloos.

Bertus Aafjes

Terug - Top


Erechteion

Zij dragen het dak zo wonderlijk
als elk voor zich afzonderlijk;
zij torsen het even hoog en licht
als van een waterkruik 't gewicht,
op slanke, beheerste, zedige benen -
zes meisjes van Athene.

Zij zijn niet moe, zij moeten nog ver,
zij dragen het al van eeuwen her,
hoog opgericht in 't hemelsblauw;
zij worden nooit moeder, zij worden nooit vrouw,
op vaste, besloten, donkere benen -
zes meisjes van Athene.

Bertus Aafjes

Terug - Top


Parthenon

De lente ademt witte vlinders uit
en klaproosjes en witte voorjaarsbloemen,
waarover zichtbare insekten zoemen;
de rotsgrond is gesluierd als een bruid

Maar boven de verganklijkheid van 't leven,
de kortheid van de lente en 't licht van de zon,
rijst, tegen 't mateloos azuur geheven,
de eeuwge wasdom van het Parthenon.

De zuilen als de lendenen der goden,
vol zekerheid en toverloze rust,
loochenen al wat is gedoemd ten dode,

en wat op aard zichzelf verdelgt in lust
Zij zien de geurge wereld van 't vergaan
met onbewogen marmren steilte aan.

Bertus Aafjes

Terug - Top


Trivia

Heilige Hecate, daar ben ik dus
en leg een pluimstaart voor uw beeltenis.
Myxomatose joeg hem in de lus ;
wilddieverij, speciaal tegen Kerstmis,
tot jachtopzieners grote ergernis.

Al werd hij tweemaal achtereen gestroopt
en de intrige gordiaans geknoopt,
het is geen kat die men in zakken koopt,
omdat de wisseldaalder toch verloopt.

Eet smakelijk en bijt niet op uw tong.
Ik dans tot uw vermaak de zevensprong.

Hef dan de fakkel namens Artemis.
Die kon helaas onmogelijk. Had les
van de mythische jager Orion.
De sterrehond zit op de horizon.

Ik zag u staan in d'encyclopedie,
heilige Hecate, gij alle drie.
Geef me de vijf. En wel bekome het u.

Het is nu volle maan. Hemel en hel
plus onderwereld wachten uw bevel.

Maak niet de hele santekraam te schand
bij d'onbekende God in Griekenland.

Gerrit Achterberg

Terug - Top


Hecate

Een witte nevel hangt boven het veld.
't Sylphidenheir is met u heengesneld.
De viersprong onderweg kijkt recht vooruit
en neemt van boom tot boom een kort besluit.

Nu Hecate zich daar heeft opgesteld,
ben ik de ongewijde voor wie geldt
wat op de paddestoelen staat vermeld.
Met zwarte runen wijst een pijl me uit,
waarbij 't getal de kilometers duidt
van de bancirkelslag in de natuur.
De bossen worden overal taboe.

Ik overweeg, haar in het geestenuur
't offer te brengen van een wild konijn.
Misschien zal de godin ons gunstig zijn
en komt ge van vier kanten op me toe.

Gerrit Achterberg

Terug - Top


Herculaneum

Een gele achterstand van licht
in groene morgen, sedert jaren.
De kelken van uw aangezicht
bloeien zich dood onder de zware

schil van den tijd, in stenen blaren
staat het seizoen buiten de muur.
Geen sterven kan dit achterhalen,
geen leven geeft het vuur.

Ben ik met u in evenwicht?
Of zult gij met de laatste krachten
van een ontembaar tegenlicht
doorboren deze schachten?

Gerrit Achterberg

Terug - Top


Homerus op Ithaka

De dag is helder, de buizerd bidt boven zijn prooi.
Een grote doos met stilte
wordt uitgepakt.

Boven de glanzende schaal van de zee
zweeft het andere eiland.
Al het licht is van porselein
een broze vaas om ons heen.

Gisteren gebeurt het opnieuw.
Vandaag gaat de held naar de oorlog.
Morgen komt hij terug.

Nee, hier is nooit iets veranderd.
Onder de olijfboom slaapt onzichtbaar de blinde
en verbergt in zijn oog het geheim van de dichter.

Muze, vertel!

Cees Nooteboom

Terug - Top


Een schim

Na middernacht bewoog mijn schaduw langs
wat overbleef van het romeinse forum
langzaam langwerpig nog herkenbaar door
de dode bloesemtuin der eeuwen en
der Via Sacra onuitwisbaar spoor
alsof ik nooit of altijd had bestaan
alsof ik nooit iets anders had gedaan,
de stenen dood slechts enkele schreden voor,
gereed de onwezenlijke weg te gaan,
te blijven gaan, ontdaan van elk idool,
van Colosseum naar het Capitool
en van het Capitool naar Colosseum
heen en terug, en met geen doel begaan,
generlei dwaze dagelijksheid bezwaard,
door drift gedreven noch door zorg gestuit
gelijk de vleermuis door de bogen vloog,
de krijtwitte ruïne in en uit
die in het maanlicht naar de hemel staart.

Anthonie Donker (N.A. Donkersloot)

Terug - Top


Circe's eiland

Kerkenna.
Paars klif omspoeld
door lome branding.
Schuw cirkelen van wit gevogelte.

Eiland, vermoed meer dan gekend;
gevreesd bereik
waar over mak gedierte
heerst haar staf.

Zeer Hoge Vrouwe,
of toverkol?
Van heimelijke dromen
het lokkend oerbeeld.

De boeg schuurt over 't zand,
in donkere bocht gemeerd
het schip, in 't woud
zacht ruisen van een waterval.

Dan, op een pad door rotsen,
door ijle avondlucht
heel ver en dun haar zingen,
hoog zingen aan het weefgetouw.

De adem stokt,
verlamming slaat de leden.
Maar 't was het knarsen slechts,
het trage krijsen van een wagenwiel.
Een boer die van de velden keert.

F.C. Terborgh

Terug - Top


Ceres en Landman

Asperges me, zuchtte ceres die avond
in mei, verdwaald op de zavel terwijl

de landman sprak geen latijn, zweeg, steeg
bedeesd uit de geestgrond, ontaardde

zij, ontzondigd en een en al binnenzijde
brak blozend de gewelde grasboter uit, ver

ziltend hoe ver de zoete room reikte
en de muskaatnoot en het henne-eitje

zo de landman bestond zijn ontaarding, rees
op haar adem, beschreef haar zijn landschap

als taalschat, haar liefde als gastmaal, en veel
maals kiezend de spijskaart spelden zij beiden

het groen van de dag, het paars van de nacht
het wit van de kaarsrechte heiden -

Gerrit Kouwenaar

Terug - Top


Homeros

Ik las Odysseus' smartelijke tocht
en spelde in de schemer de symbolen:
de zeeën, de godinnen en de holen,
waarin hij liefde en bescherming zocht.

Toen ik het boek sloeg in zijn zeven sloten,
was het of ik ontwaakte van een reis;
ik had gezworven en had drank en spijs
aan menig tafel met de held genoten.

Waar mag Homeros met het blind gezicht
wel dolen, dacht ik; maar waarom zo denken:
is de dichter dan meer dan het gedicht?

Ik zag de koele stroom verborgen wenken:
de Lethe, dacht ik, dooft het laatste licht,
maar verzen zijn onsterflijke geschenken.

Bertus Aafjes

Terug - Top


Brueghels Ikarus

Vielt ge, lkarus? De landman snijdt de voor:
Hij heeft voor 't plassende geplons geen oor.

De visser op de rotswand houdt zijn plaats,
Vol winzucht zorgend om 't bewegend aas.

De vogel, naast hem op de tak, ziet uit,
Naar mooglijk aandeel in de vinnige buit.

De wind waait ginds fregat de zeilen bol,
Het volk heeft in het want de handen vol.

Alleen de meeuwen zwermend om u heen,
Merken 't verdwijnen van uw witte been.

Eén ziet omhoog: de man die schapen dreef,
Zag in de lucht iets vreemds en vraagt waar 't bleef.

Op heel de baai van Samos straalt de zon,
Die lkarus dacht naadren, maar niet kon.

Albert Verwey

Terug - Top


Met Catullus op de hei

Ik zit met Catullus op de hei.
Hij heeft een nieuw woord voor kus ingevoerd.
Mijn liefste gaat nu zwanger door zo'n kus
of liever dat waar kussen snel toe leiden.

Hans Andreus

Terug - Top


Mussen

Ik,
nee, het was Caligula, dik,
halfkaal en 29
(herinner je die winter),
stierf
eerloos, huisbakken,
in de duistere gang van een theater
onder de fluisterende hand van een sluipmoordenaar.

Caligula (soldatenlaarsjes, eens
vrolijk, verkwistend, humaan),
niet in de klauwen van een beest,
noch binnen de dijen van zijn zuster
'dit leek hem een voortreffelijke Egyptische gewoonte',
doch zonder luister
in de duistere gang van een theater.

Maar waar praat ik over? Over
het vergane kraakbeen
van wie maar een mus bleek te zijn,
een dunne schedel, geen god, geen goudenregen,
kaal als mensen,
als mussen, als mussen
en mensen. Tot stof verpulverd
onder de doffe hand van het belachelijke leven.

Remco Campert

Terug - Top


Caligula

Waar later reseda's en radijzen bloeien
Dit is in mei en in een tuin en langs de sporen
Van een landelijke trein
Is thans
In de vrieswind en in december
In de wind zonder licht zonder herders zonder vogels
Zonder enige kans een veulen doodgevroren

Ik heb het meegenomen en onder glas gezet
Ik kijk de dagen en de uren af
(Die langs mij gaan op het brede pad
Van dit bestaan dat inderdaad
In zonde en zonder een daad met rede wordt begaan)
En wacht tot dankbaar en ontdooid
Het veulen zijn eerste woord tot mij zal spreken.

Hugo Claus

Terug - Top


Arcadia

Langzaam kleedt zij zich uit in het lover,
Rilt verrukt en verlangt een rover,
Denkt aan nimfen en faunen.

Nimfen die zich genotvol over-
Gaven aan faunen, naakt onder lover,
Begrijnsd door oude alraunen.

't Rimpelend water spiegelt haar week:
Met haar voetjes in de ondiepe beek
Voeren de golfjes guerilla.

Op een steen zit haar echtgenoot,
Ziet haar spelen, ergert zich dood
En zuigt op zijn manilla.

J. Slauerhoff

Terug - Top


Sterrenkaart

Een naakte vrouw was aan een rots geboeid.
'k Wist niet door wie. Er kwam een walvis aan.
't Was maar een kleintje, maar zij keek ontdaan,
alsof er toch gevaar mee was gemoeid.
Een jongen, onuitsprekelijk vermoeid,
een uitzendkracht in een routinebaan,
stond op het punt op 't visje in te slaan.
Met sterretjes was hier en daar geknoeid.

Ik zou het beter doen : ik zette alleen
de sterren neer ; de dunne streepjes die
'k ertussen trok vormden de sterrenbeelden.
Kon ik het helpen dat die streepjes heen
en weer een zwaard vormden, een staart, een knie?
Ik trok ze zo dat ik het niet verheelde.

Jan Kuijper

Terug - Top


Achilles met Xanthos

Gereinigd door de zee
geroskamd door de wind
het sterk Thessalisch kind
de hengst. Die op de stee
bij herfst de merries dekt
en edel ras verwekt.

En stappend naast het paard
in ongenaakbaarheid
de trotse jonge zoon
der hofstee, die de kroon
der stallen onvervaard
vast aan de halster leidt.

Ida Gerhardt

Terug - Top


Oedipus

In de behandelkamer is hij onze gids.
Op zijn geleide wordt wie is versteend
verstikt van woede. Vuur van haat
komt vrij. De loden schuld. De ogen
gaan kapot van afgunst. Razernij.

Dat hij zijn moeders blauwe schaduw
kent in elke vrouw wordt waar.
Het bitter huilen, knieën opgetrokken
van verdriet. Dat men zo hevig kan
verlangen, en dat niet, dat niet.

En wij, aan wie die op de bank ligt
traag geneest, zijn blind voor het begin
van het verhaal. Geen handboek dat vertelt
hoe iemand het zojuist geboren kind
heeft opgetild, op tafel heeft gelegd
en met een hand de voetjes vasthield.
Iemand heeft nagedacht, een priem
gepakt, heeft kracht gezet.

Anna Enquist

Terug - Top


Een datum in tweeduizend

Hij stapte van boord. Geen duin,
geen koperblaas. De paviljoenen
zijn finaal in zee gegleden.

Dit is dus thuis. Maar thuis is
een geleegd getouw. Vrijers scheren
om zijn oren smalende van ha ha ha.

Niemand was hij al, en thans ook
koning ribbelzand. Wat nu?
Hoe nog gekust zijn land?

Dit staat te wachten, titelheld,
je leeft het door, dat blijkt, maar hoe
blijft onverteld. Het eindelijke is

lippen voor altijd reikend
en er is geen grond, snakkend
naar ingeneuried zullen worden hoe

als was je reis dat wat zojuist begon.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Val van Icarus

Ik heb niets gezien.
Hoorde veraf roepen.
Ken ook niemand die hem kende.
Heb trouwens geleerd me niet
met anderen te bemoeien,
me niet te verbazen, en zonder
opwinding en weemoed
te weten wat ik weet:
onhoorbaar zwenkt een vogel,
onzichtbaar knakt een strohalm,
en niets valt omhoog -
wie ben ik.

Toen vanmorgen, laat,
de zon opdoemde,
en wij, plots zwetend,
onze hoeden afzetten
en onze zonnebrillen op,
zo vonkte de zee,
hoorde ik wel iets,
ik zei nog: hoor je niets -
maar iemand uit de lucht
zien vallen? Nee.

Huub Oosterhuis

Terug - Top


Icarus

De hemel duwt het licht in de aarde.
Gereïncarneerd keert Icarus weer.

De koffielepel: een klein zoet dal
weerspiegelt zijn langzame gang.

Hij slaapvliegt tot op mijn hand.
Een streling verbleekt het oor op zijn vleugels.

De cicaden stoppen hun snijdend gezang.
Rondom zijn kleine poten ontstaat verwachting.

Hij groet de lichtdrager. Nog even.
En hij danst en danst tot zijn resten aan de kaars blijven kleven.

Eddy Van Vliet

Terug - Top


Ikaros

Klaar? Klaar!
Hij lachte naar zijn vader, verraderlijk.
(En vloog te dicht bij de zon, zijn moeder,
en vloog in de hitte van haar onmetelijke lippen
en viel als een muis uit haar muil
en spatte uiteen op de marmeren zee.

Overmoed? Wanhoop?
Dit was eerder het domein van Daedalos.
Ikaros wou haar warmte niet schuwen,
wou zich begraven in haar wijde, laaiende haren.)

Klaar? Klaar! Hij lacht,
bindt veren aan zijn enkels, de tekens van Eros,
de sporen van de griffioen.

Hugo Claus

                         Analyse Leo Nellissen

Terug - Top


Marsyas

Hij was geen snoever en geen ijdeltuit,
Maar daagde Apollo uit alleen omdat
Hij zich steeds ver van hem gehouden had
En in zijn stem 't verterend godsgeluid

Nooit had geduld, noch op zijn kunst'naarspad
Die streng wijzende hand, noch in zijn fluit
Dat vreemde zuchten, dat de grens beduidt
Voor wie zichzelf liefst onvermengd bezat.

Vertrouwd ook met de diepste kunst'naarskwalen,
Bestreed de god hem niet als een gevaar,
Maar trof hem slechts met zijn alziende stralen.

Toen - om zichzelf te zijn - trok hij zijn huid,
Dat goddelijk bezoedeld schandkleed, uit
En bloedde naakt en stierf als kunstenaar.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Prometheus

Hij leerde hun van alles: spreken, tellen,
De landbouw en het nut van 't hemelvuur,
En hoe men vogelstrikken op moet stellen,
En hoe men strijdt en rechtspreekt en bestuurt.

Toen, door hun domme vragen aangevuurd,
Liet hij hun zien hoe zich de mensch kan kwellen:
Hij hing zich aan de rotswand, met als buur
Een gier, die ied're ochtend toe kwam snellen.

Na zeven dagen, zoo had hij geoordeeld,
Moest hij ontketend worden, en dan kwamen
Zij allen aan de beurt om 't na te doen!

Hij hing drie maanden voor hij stierf: een voorbeeld,
Waaraan zij allerhevigst aanstoot namen,
Maar dat men nu nog navolgt, net als toen.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Het verleden van Silenos

Men fluistert, dat hij Dionysos was,
De oude dronkaard, in zijn jonge dagen.
Vraag het hem niet: hij zal uw rust belagen
Met zotteklap in 't warme zomergras.

Hij zal u overreden, en u vragen
Wíe hier de meester is van 't druifgewas;
En met hem drinkend uit hetzelfde glas
Zult gij 't gelooven, uit het veld geslagen.

En twijfelt ge, wie dan? Waar is het kind,
Het godskind dan, als 't zich niet híer bevindt?
Ge zoekt, ge drinkt, en luistert, droomverloren.

En zoo begooch'lend is zijn roode wijn,
Dat dit uw slotsom enkel nog kan zijn:
Of hij, of ik, werd hier als god herboren.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Leda en de zwaan

De vijver had hij zelf gekozen, maar
De snit van hals en vleugels liet hij over
Aan 't toeval van de zoete liefdestoover.
Aan de bevreemdheid van een zwanenpaar,

Dat met hem meegleed, aarzelend, tot waar
Hij op de oever klom als vrouwenroover,
Zag hij maar al te goed: zij waren grover,
Veel grover dan de witte wandelaar.

Zoo schoon was hij als zwaan, zoo vreemd vervoerend,
Dat zij, hem op haar legerstee beloerend,
Een zwaan wenschte te zijn die hem ontving.

Als bronstig manslijf lag hij in haar armen,
Ongodd'lijk zweetend, en zonder erbarmen
De droom vermoordend die zij onderging.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Daphne

Waarom zijn heesters en de liefste bloemen
Als toevluchtsoord voor vrouwen steeds bezongen?
Omdat een god die fabel had bedongen,
Opdat een god op dit gewas kon roemen.

Zoo hoort men door de eeuwen namen zoemen
Van haar die in die bladerafgrond sprongen:
Omdat een god in haar zich had bedwongen,
Opdat een god in haar zich held kon noemen.

Onstuimig had hij bij haar aangedrongen,
Haar verontrust, en met zijn slanke sprongen
Haar heengedreven tot ze om uitkomst bad.

Laurier, omvang haar met uw geurig blad,
Opdat de god, die haar niet mag beminnen,
Haar streelende zijn lust kan overwinnen!

Simon Vestdijk

Terug - Top


Demeter's klacht

Domme godin van 't weerkeerend seizoen
Der feestelijk herboren korenaren,
Waarom toch vreest gij voor de doodsgevaren,
Die u in ied're oogstmaand sidd'ren doen

Om uwe dochter, die Hades ten zoen
U wel ontroofd wordt, maar om u te sparen
Ook steeds wordt weergegeven aan de haren,
Nog even blond en bloeiend, nu als toen?

‘Ik leef niet in een overzicht der jaren,
Ik leef niet in een oordeel van 't seizoen,
Ik ben een vrouw, en kan geen toekomst baren

Uit een verleden vol van lentegroen,
En de minuut, dat zij is heengevaren,
Zal voor een eeuwigheid niet onderdoen.’

Simon Vestdijk

Terug - Top


Phaëton

Zóo streng had hij de tijdsduur ingeperkt,
De vader, die zijn zoon de zonnewagen
Voor éen dag overliet, dat bij het dagen
Geen vogel het verschil had opgemerkt

Met anders. Aan de verre einder zagen
De boeren hem omhoogklimmen in t zwerk;
Men molk de koe op tijd; en 't akkerwerk
Begon en eindigde als op and're dagen.

Er was geen onderscheid: de paarden draafden
Alsof de vader zelf de teugels hield;
De wagen sproeide vuur, door hèm bezield.

Toen wist de zoon: ik ben een onbegaafde,
Een werktuig, zonder eenig aanbelang, -
En stortte neer, vlak voor zonsondergang.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Ganymedes

Toen hij voor 't eerst de beker in moest schenken,
Naakt en berooid nog na zijn arendsvlucht,
Verwarden hem van meet af aan de wenken
Der oud're dienaren, en zeer beducht

Hun lang gewende dienstbaarheid te krenken,
Boog hij zich onder die denkbeeld'ge tucht,
Niet wetende wat van hun blik te denken
En van dat voortgefluisterde gerucht:

Wie was hier schoon? Wie zou hier de eerste zijn?
Wie was de jong'ling die door God geschaakt was?
De zaal gonsde ervan. Hij bracht de wijn,

Beefde en morste, en zag de borstelbrauwen
Van vader Zeus zich spiedende vernauwen,
En bloosde, en schaamde zich omdat hij naakt was.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De geboorte van Aphrodite

Hoe kan een vrouw uit schuim geboren worden?
De zeelui weten het, en slaan haar aan
Te hooger naar gelang zij bij 't ontgorden
Zich blanker en vervloeiender laat gaan.

Maar Kupris liet de zeeman buiten staan;
En die om háar de ranke boot vastsjorden
Werden met schuim gestraft en schuim'ge waan
En waren lichter aan bezit geworden.

Dit was haar baan: zwervers die om haar vochten,
Dichters en zangers, kooplui, fijne heeren,
Die haar in schoonheid zagen iriseeren,

En dan tot slot de grijsaards van de staat,
Die 't schuim opvingen met het and're kwaad
En plaats op de Olympos voor haar zochten.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Proteus

Lang moet men zwoegen voor men hem betrapt;
Men moet in 't water gaan, en zijn gelijke
Worden, en hem scherp in de oogen kijken:
Tien tegen éen dat hij dan nog ontsnapt

Door naar een verre zandbank uit te wijken;
En als hij in zijn tegenstand verslapt,
Ontkomt hij aan de plicht van 't zienerschap
Door op éen van zijn robben te gaan lijken.

O Proteus, 'k laat u liever als de golven
Met al uw robben uit mijn oogen gaan
Dan dat 'k van ú de toekomst hooren moet:

Geen and're toekomst golft er in uw bloed
Dan die steeds door zichzelf weer wordt bedolven
En die niet reikt tot 't strand van het bestaan.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Tiresias in de onderwereld

Anders dan zijn spokige metgezellen
Bleef hem de wond're gave toebedeeld
Te kunnen denken, spreken en voorspellen,
In alles 't slechts vervaagde evenbeeld

Van vroeger: soms volijv'rig en gestreeld
Door hun geloof; dan weer, om hen te kwellen,
In zwijgzaamheid gehuld, of te verveeld
Om 't oude nog eens over te vertellen.

Maar wàt voorspelt hij, in dat bleek gedrang
Van schimmen in die eeuw'ge duisternis?
Dat men na duizend jaren minder bang

En minder vaag zal zijn? Dat eens de dood,
De diep're dood, hier te verwachten is,
Die ook Tiresias in 't Niets verstoot?

Simon Vestdijk

Terug - Top


Het vat der Danaiden

Toen zij gestorven alle vijftig waren, -
Men sterft zelfs in de hel, - toen bleef het vat,
Doorzeefd, verroest, en moe van hun gebaren,
Aan 't einde staan van 't platgetreden pad,

Waar 't zooveel water doorgelaten had,
Dat de Acheron na tal van marteljaren
Zichzelf ontmoette en door de doodenstad
Emmersgewijs geheel was heengevaren.

Nu blijft het pad verlaten; en 't vat roestte
Steeds verder; en het roest groeide in de gaten;
En zóo volkomen werd de zeef gedicht,

Dat soms een schim - schim van een schim - de noeste
Arbeid hervat in 't schuwe schemerlicht
En 't vat volgiet dat niets meer door kan laten.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De steen van Sisyphos

Gedenkteeken, in eenzaamheid gesticht
Door de natuur die ieder ding bewaart,
Onder 't azuur behoedzaam uitgespaard
Tegen een groen doorheuveld vergezicht:

Zoo ligt de steen daar stil in evenwicht
Op deze berg, naar mineralenaard
Zonder éen bijgedachte aan de vaart
Waarmee hij, vallend, voor de zwaarte zwicht.

Wie kent hem nog, die van diezelfde steen
Duizend lawines raapte, éen voor éen,
En nooit de top bereikte met zijn last?

Stil, zwijg van hem. Geen naam is ingekrast
In 't lompe rotsblok, dat door de eeuwen heen
Zijn weg vond naar de berg waar het bij past.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Ariadne op Naxos

De vrouw die door een hèld verlaten wordt
Zal in een warmer schaduw voortbestaan:
Schijnbaar door hem in 't ongeluk gestort
Voelt zij haar donk're zinnen overslaan

Op zwoeler minnaars, minder dicht omgord,
Op weeke zwelgers, die haar ziel verstaan
Met wijn en mooipraten dat de avond kort
En stoorloos in de nacht doet overgaan.

En op haar eiland, waar haar hart nog bloedt,
Vinden de rijkste moog'lijkheden vorm:
Er kwam een vreemdeling, er woei een storm

Die hem haar toedroeg: morgen zal hij komen!
Zij voelt zich in zijn wijnrank opgenomen
En speelt met panters uit zijn panterstoet!

Simon Vestdijk

Terug - Top


Danaë en de gouden regen

De dagen door waren haar droomen goud
Omrand in 't duister van haar kerkerstraf;
O eenzaamheid: wat anders 't zonlicht gaf
Werd stralender van binnen uit aanschouwd

Dan ooit in 's werelds bloei; een tooverstaf
Sloeg gulden bloemen uit de grond: vertrouwd
Taf'reel, maar feller brandend in dit graf
Waar zij haar weelde zocht uit zelfbehoud.

Terwijl in 't voorvertrek de oude vrouw
De stukken goud op haar vingers natelde,
Werd heel haar hemel licht en goud en blauw.

De god boog over, zocht haar op de tast,
Bloem die een bloem ter paring vergezelde,
En barstte als stuifmeel in haar donk're kast.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Io en de horzel

De horzel, die haar over de aarde joeg,
Was zelf geschrokken van 't vertwijfeld rennen;
Ondankb're taak, die blanke koe te mennen,
Die hem als 'n diadeem op 't voorhoofd droeg.

Maar als hij met zijn zoemtoon Hera vroeg
Of't niet genoeg was, gaf zij streng te kennen,
Dat hij haar steken moest, en nooit genoeg
Kon steken, nooit genoeg die blankheid schennen!

De horzel sprak, aan 't eind van weer een dag:
‘Spring in een afgrond, opdat ik ontkom!’
Zij sloeg geen acht op dat verveeld gebrom,

En droeg geduldig al wat haar geschiedde,
Tot meerd're eer van Zeus, die haar bespiedde
Achter een wolk, waar Hera hem niet zag.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Niobe's klacht

‘Werden mij zeven docht'ren, zeven zonen
Alleen ontnomen omdat zij bestònden?
Want mijn gesnoef was slechts in náam de zonde,
Er is geen god die dit met moord zou loonen!

Van de aanvang af was Leto's eer geschonden
Doordat ik haar het zevenvoud kon toonen.
Maar laat, o machten, mij nu waarlijk hoonen:
Zeven is zeven, - menschen, goden, honden!

Vergeef uzelf, Apollo, dat uw pijlen
Om een getàl door 't luchtruim kwamen ijlen;
Zeven is zeven, - zeven maal zooveel!

Vergeef uzelve, Artemis, dat 't gillen
Van veertien kind'ren slechts uw wraak kon stillen;
Ja, veertien, veertien, - en het beste deel...’

Simon Vestdijk

Terug - Top


Scylla en Charybdis

Bezongen, hoeveel malen, in 't gedicht,
Rhetorisch wisselspel van zee en land,
Verkregen zij als tot een godsgericht
Dier kleine wereldzee de overhand.

Gesplitst was weldra ieder zeegezicht
In klip en kolk, en de matroos in 't want
Was op die dubb'le peiling afgericht
Als op zijn rechter- en zijn linkerhand.

Die vloed van aantijgingen gaf de stoot
Tot 't uitrusten van een ontdekkersvloot,
Die vóor de herfststormen terug moest zijn.

Maar het gevaar bléef in het mensch'lijk brein:
Het veelbelasterde ultramarijn
Was rimpelloos, en gaf zich nergens bloot.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Hebe

Zoo hooge afkomst, en zoo need'rig werk,
Gewijd aan schotels gansch in goud gedreven:
O jongste spiegel van het godenleven,
En in die jeugd zoo zeker en beperkt.

Want jeugd is als een schild zoo glad en sterk,
En ied're kras erop wordt weggewreven;
Haar roerloosheid kent slechts dit eene streven:
Enkel door Zeus te worden opgemerkt.

Zij diende, en zelfs haar huw'lijk ging voorbij
Als letter op een onbeschreven blad
Waaruit geen volle volzin wordt geboren.

Voortaan zou zij bij Herakles behooren,
Naast wie zij vreemd en ver te pronken zat,
Een waakzaam oog op 't blinkend eetgerei.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De geboorte van Pallas Athene

De aegis zwaaiend, - en nooit jong geweest,
De wijsheid minnend, - en nooit raad gevraagd,
Kennen wij haar als opgeschoten maagd,
Die op de akropolis geen stormen vreest.

Voor haar heeft nooit een dageraad gedaagd,
Zij is de vrouw zonder geboortefeest,
Zonder een ziel die in 't verleden leest,
Zonder een kindsheid waar het hart om klaagt.

Zij is zeer moederloos, en zelfs haar vader,
Die uit zijn voorhoofd haar ter wereld bracht,
Kwam dit op slag gepantserd kind niet nader.

Zij is de stad, die altijd al oeroud was,
En die met wijsheid en gewin vertrouwd was,
Toen 't land nog schreeuwde in duist're baringsnacht.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Odysseus in de onderwereld

Bruin loof hing dampig voor de donk're grot,
Waar hij zijn nieuwste heldendaad beraamde,
En waar de bergstroom met de wind tezaam de
Verschrikkingen verkondde die hun lot -

Het lot der schimmen - woest omringden, tot
Eén hen verlossen kwam, die hen beaamde
Met offerbloed, en voor de oop'ning staande
Hun ziel en stem bezwoer tegen 't verbod.

Zij spraken: in de wind en in het water
Dat verderruischte; en met grage mond
Dronken zij van het bloed dat zij begeerden.

Maar and'ren zeggen: híj was de een'ge prater,
En praatte als een'ge schim, in droom, en wond
Zich op, tot hij waanzinnig wederkeerde.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Hermes Psychopompos

Al zwaaiend met zijn staf lokt hij de zielen,
En danst hen voor onder een vroolijk lied;
Zij piepen schril, volgen hem op de hielen,
En hij vergeet de achterblijvers niet:

Vrouwen en kinderen die in zwijm vielen,
Die hij over zijn schouder vallen ziet;
Dan, bij de stroom, laat hij hen nederknielen,
En wacht dat ieder de obool aanbiedt.

Dit is het laatste; dan keert hij terug;
En weer ziet men hem, dansend, op de rug,
Terwijl de veerman afzet van de oever.

En weer weerklinkt zijn vroolijk tartend lied;
Maar allen voelen het: zijn oog staat droever,
Omdat hij tegen de eenzaamheid opziet.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De roof van Kerberos

Om schuld te boeten doodde hij zooveel
Aan monsters: leeuwen, draken, waterslangen,
Dat hij zich met hun tanden kon behangen
Ter pantsering van ieder lichaamsdeel.

Maar toen het ging om Kerberos te vangen,
Springlevend en met ongeschonden keel,
Voelde hij zich als held op een tooneel
Verlevendigd met dwaze satyrzangen.

Hij was onwennig. En het bleek een spel
Dat alles van zijn heldenkrachten vergde:
Zoo spart'lend was het monster en zoo woest.

Pas toen de hond boven vrij rondliep, tergde
Hem 't raadsel of hij hem nu dooden moest
Of weer terug moest brengen naar de hel.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Oedipus en Antigone

Zij kon zich nimmer schikken in de ware,
De diep're blindheid die zij in hem las:
Niet om zijn sneeuw'ge ouderdom te sparen
Hield zij steeds vol dat hij onschuldig was!

Hoe kan het noodlot ooit een mensch bezwaren
Die zonder oogmerk zondigde aan zijn ras?
Hoe zou een man ooit met zijn moeder paren
Indien hij wíst dat het zijn moeder was?

Maar hij, de blinde, wilde niet toegeven,
En gaf 't verheven noodlot volle maat,
En hield het hoog uit noob'le eigenbaat.

Totdat zij zweeg, en verder met hem schreed,
En op zijn grauw gezicht de angst zag beven
Voor de verborgen zinloosheid van 't leed.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Augias

Nog 's avonds laat verscheen hij in de stallen
En keek en snoof naar de beroemde mest,
Zijn trots, die kenlijk tot de laatste rest
Aan 't heldenfeit ten offer was gevallen.

Natuurlijk wist hij, dat 't gemeenebest -
Dat vaag verondersteld belang van allen -
Luid over de verbeet'ring zou gaan brallen,
Omdat de lucht nu minder werd verpest.

Maar híj was aan die geur gehecht als aan
Zijn eigen huid, die óok niet zind'lijk was,
Maar die hij daarom nog niet schoon liet boenen

Door vreemdelingen, die vol eigenwaan -
Alsof door mest ruimen een schuld genas! -
Met werk op werk hun god wilden verzoenen.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Dionysos en de Tyrrheensche zeeroovers

Zij grepen hem, de vreemdeling, en bonden
Onder wild mesgeflits hem aan de mast,
En lieten hem drie dagen daar te gast,
En lachten om zijn etterende wonden.

O zonn'ge tijden, dat goden opstonden
Met 't schuimend gevolg dat hun adel past:
Wijn en luipaarden en de zoete last
Van wijnranken, om heel 't schip heengewonden!

Zoo feestte hij, de gave borst ontbloot,
Terwijl de beulen als dolle dolfijnen
In 't zog verbannen werden van die boot.

O droom, kom met een and're droom in 't reine.
Dolfijnen, zwemt niet naar de overkant:
Daar staat een kruis reeds in de grond geplant...

Simon Vestdijk

Terug - Top


Semele's dood

Geen vrouw ziet ooit haar minnaar als hij is:
Hij is een groot en wervelend phantoom,
Een reuzenrad, waarvan haar kleine droom
Eén stand omlijst, en al het and're mist.

Zoo wentelt hij door haar gevangenis,
En knarst en slijpt over haar kleederzoom,
Maar nimmer zal in haar eenzelvig vroom
Opblikken zij hem vatten als hij is.

Alleen de god kan zich soms openbaren
In zijn geheel. Tot maat'ging niet bij machte
Komt hij dan monsterachtig aangevaren,

Brandt door haar kleed, en maalt en slijpt haar stuk,
Onwetend, zelfs als god, van al die nachten
Dat zij een deel van hem borg in 't geluk.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Atalanta's nederlaag

Aan alle vrijers, door haar uitgedaagd,
Gaf zij de speerdood als een bruidsgeschenk.
Hoe slechte loopers! - vaak had 't haar gekrenkt
Dat zij niet door de besten werd belaagd.

Hippomenes was in de bocht gezwenkt
En had het met een jongenslist gewaagd:
Hij wierp met app'len, waarover de maagd
Wild struikelde, - dat was zíjn bruidsgeschenk.

Voor sluwheid openstaand meer dan voor kracht
Wilde het volk op haar vertoornde klacht
Des snelsten loon de slimste niet ontrooven.

En hij was nog veel slimmer dan men dacht,
Want ná die app'len, en de eerste nacht,
Verdween hij, - en kwam ook de speer te boven.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Klytemnestra's klacht

‘Hoor ik mijn kind'ren achter zuilen hijgen?
En welke vloek wordt in hun mond gesmoord?
Alleen omdat 'k hun vader heb vermoord,
Durven zij mij met bloedwraak te bedreigen!

Maar voor de zwakken is 't gemompeld woord
Reeds daad, - geen bloed zal van hun handen zijgen;
Vonden zij mij in 't bad, mijn dood'lijk zwijgen
Joeg hen als naaktgeschoren lamm'ren voort.

Geef mij de furiën, - een beul - een vijand:
Al waarin 't wreed geweten zich vermomt,
En niet een jongen, die bloost en verstomt.

O wraak, ontdoe u van hun schaam'le bijstand:
Zoolang Orestes bij zijn dolken huivert,
Voel 'k mij onschuldig en voor God gezuiverd!’

Simon Vestdijk

Terug - Top


Absyrtos

Die nacht werd hij gestrooid, - niet voor de visschen,
Maar voor een ander glinsteren: van oogen
Betraand in machtloos wee, steeds aangezogen
Door nieuwe brokken die men niet mocht missen.

Zoo kwam hij langzaam, langzaam op het droge:
Eindlooze vangst, bemoeilijkt door het gissen
Naar wat wellicht nog ronddreef in 't onwisse
Van al die golven die zijn lijk bewogen.

Absyrtos, hoor, uw oude vader stamelt
Zijn waanzin op de plecht, waar gij verzameld
En tot een zoon bijeengebonden zijt.

Zulk leed heeft niet uw moeder ondervonden,
Toen gij met heel uw lichaam haar verwondde',
Als door een pink van u uw vader lijdt.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Endymion

Hij was verwend steeds door de groote slaap,
Zooals een dier, dat zich de slaap toeëigent,
De leden rekt en strekt en gulzig gaapt,
En wegzinkt als een steen zoo zwart en zwijgend.

Maar toen zíj hem in slaap bracht, overnijgend
En hem beschijnend, moest de teng're knaap
Voor 't eerst als minnaar in zijn sluimer stíjgen,
Haar tegemoet die hem had aangeraakt.

Zoo worstelde hij ied're nacht met haar,
Vol heimwee naar de kussen van haar mond,
En toch weerstrevend en onhandelbaar.

Zij kuste zelden, zelden; ook al laakte
Zij 't in zich, dat hij tot de morgenstond
Worstelen bleef en huiverend ontwaakte.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De geboorten van Hera

Trots, vrouwentrots, is niet 't plechtstatig tronen,
Waaraan een pauw zijn sluwe glans verleent;
Het is geen lediggang, verbloemd met schoone
Schitt'ring van paarlen en edelgesteent.

Veeleer is het de trots op kracht'ge zonen,
Op ied're nacht dat men in weeën weent
En 't glanzend rood gezwollen wicht kan toonen,
Waarin de vader zich t' herkennen meent.

De moeder der goden, met weinig kind'ren,
Bewaakte als een hond elk huw'lijksbed:
De vrouw moest lijden, en het kind moest lijken.

En verder was haar tijd veelal bezet
Met vader Zeus bij 't overspel te hind'ren
En ijzig naast hem aan de disch te prijken.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Het lied der Sirenen

Men heeft ons vaak belasterd, maar wij zijn
't Binnenste lied van uzelf, o zeeman.
Doe ons maar op uw vloten in de ban:
Uw angst is schijn en uw vloeken is schijn.

Vergeefs bondt gij uw groote kapitein
Die, de ooren toe, ons niet vergeten kan.
Wanneer wij zingen weet gij meer ervan,
Wanneer wij zwijgen zal uw hart het zijn

Dat verderzingt; en wilt gij het niet hooren,
Dan vallen wij in wéer met 't zelfde lied,
Niet met een gebaar van: versmaad ons niet,

Maar uit speelsch en moederlijk medelijden
Met elk die zijn eigen ziel wil bestrijden,
En zich miskent, en dom blijft als tevoren.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Hekate

Door 't maanlicht neergetooverd op het pad,
Drievuldig rijzend onder 't stergewelf, -
Zijzelf - haar schaduw - en nog eens zijzelf, -
Heeft zij op ieder kruispunt postgevat.

Hoe moeizaam wordt haar tastbaarheid geschat, -
Haar schaduw - weer haar schaduw - en zijzelf? -
Of niets dan schaduwen, die helft aan helft
Een vorm weerspieg'len die nooit vorm bezat.

Schaduw aan schaduw in dit schaduwspel:
Het oog, door meen'ge toovervorm gekweld,
Vindt bij dit drietal nog een wrange baat.

Drie is 't getal waar zij te wachten staat:
Zij en haar schaduwen, die vroeg of laat
Vervagen, als de uren zijn geteld.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Tantalos

Zelfs 't water kreeg genoeg van altijd weer
Te vluchten voor het reiken van zijn droge,
Korstige lippen: half uit mededoogen
Half uit een stoffelijk gevoel van eer.

En alle appelen, die keer op keer
Sinds jaren de bewijskracht van zijn oogen
Als sapp'ge kruidjeroermijniets bedrogen,
Verdroot de wreede folt'ring evenzeer.

Haast wekte deze weerzin der atomen
Een omwent'ling waarvan de dichters droomen:
De stof die nobel wordt en fijnbesnaard,

Die voortaan weigert om de mensch te kwellen
En slaafs bewerktuigd zich in dienst te stellen
Van goden om hun ijverzucht vermaard.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Arachne

Zij was reeds spin voordat zij de godin
Uitdaagde tot een wedstrijd in het weven:
Zij kon aan dunne glinsterdraden zweven,
Die hielden heel haar spichtig wezen in.

Eenkennig en langdradig, niettemin
Schaamtevol hunk'rend naar het huwelijksleven,
Werd zij in 't duiz'lig werk zoozeer bedreven,
Dat men de armzaligheid van deze spin

Niet meer bemerkte, haar voor vol aanzag, -
De volheid van het flonk'rend weefgetouw, -
En niet meer afmat aan haar zure lach.

De strenge straf verloste haar als vrouw.
Zij leefde wreed en zonder zich te schamen.
Men zag haar veel met and're spinnen samen.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De diefstal van Hermes

Men moet, om koeien van een god te stelen
Klein zijn, heel slim en klein, en zelf een god;
Men steelt dan met een kinderlijk genot,
Vol broederzin en zinrijk lotsbedeelen.

Apollo, nog een herder toen, maar tot
Groot werk verkoren in de Muzenspelen,
Kon zijn misnoegen nauwelijks verhelen
En voor de Olympos bracht hij het complot.

De uitspraak: dat Hermes zijn lier moest geven, -
Zijn kleine lier, onzinnig primitief, -
Verzoende de bestool'ne en de dief.

O godenwijsheid buiten recht en orde,
Dat ook de mensch niet aan bezit mag kleven,
Als hij van herder kunstenaar moet worden!

Simon Vestdijk

Terug - Top


Pentheus

Hoog in de boom vluchtte hij voor de menigt,
Die de verachter van haar dronkenschap
Van tak tot tak naar boven had gesteenigd,
Waar hij als vreemde vrucht hing, beursch en slap.

Daar kwam zijn moeder heerschend aangestapt,
De thyrsosstaf, die alle smarten lenigt,
Wild zwaaiend, en zij eischte rekenschap,
Zelf dronken, innig met haar god vereenigd.

Men wees haar zoon, de and're vrouwen krijschten;
Zij zag het bladergroen de angst omlijsten
Van deze bleeke onkoninklijke zot.

En 't was meer als vorstin dan als bacchante
Dat zij de lafaard scheurde in zijn strot
En bloed dronk met de and're godsgezanten.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Europa en de stier

Ofschoon zij moe waren van al die kransen
Te vlechten in elkanders donk're lokken,
Bleven twaalf oogen van bereidheid glanzen
Tot nieuwe bloemen die hun aandacht trokken.

Zij waren niet van deze plek te lokken,
Zij bleven tot de scheem'ring zich verschansen,
Te maagd'lijk trotsch om reeds te zijn betrokken
In ijd'ler spelen en in huw'lijkskansen.

En tot de avond viel was de prinses
In niets van de and're vijf te onderscheiden:
Zij zong en vlocht en wilde niet terug.

Toen zagen zij het bruine stiertje weiden,
Met list'ge oogen en een breede rug, -
En geen van hen bloosde, geen van de zes.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Hyakinthos

Geloof de fabel niet der jaloezie
Die Zephyros vanouds is aangewreven:
De discus is door hèm niet afgedreven,
Apollo zong een and're elegie:

De elegie van 't eenzaam godenleven,
Voor stervelingen ontoegank'lijk die,
In zin'lijk schoon hun slanke evenknie,
Naar oppermacht en naar verzwoeling streven.

De wind school in Apollo's eigen vingers,
Toen hij de schijf wierp die hem klagen deed
En bukken deed naar 't lichaam van zijn vriend.

Hij peinsde lang, de nieuwe bloemen ziend,
En plukte ze en betastte ze en vlocht slingers
Rondom een Niets dat Hyakinthos heet.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Ino's klacht

‘Ik sprong in zee, tezamen met mijn zoon,
Door Athamas vervolgd, mijn echtgenoot.
De goden vingen mij, vlak voor mijn dood,
Zoodat ik voortaan in hun rijen troon.

En ook mijn zoon troont, en het daag'lijksch brood
Heet bij ons ambrozijn, en waar ik woon
Voert razernij nimmer de boventoon,
En waanzin kent men er ternauwernood.

Toch ben ik ongelukkig, want ik kan
Die laatste oogenblikken niet vergeten,
En vaak sterf ik van angst nog vele malen.

Het liefst zou ik niet Leukotheia heeten,
En weer mishandeld worden door mijn man,
En tot de goden bidden voor zijn kwalen.’

Simon Vestdijk

Terug - Top


Het kind Herakles

Toornig en trotsch, in alles reeds zijn vader,
Zooals hij in zijn wieg te spart'len lag,
Was hij de mannelijke leeftijd nader
Dan men wel aannam vóor die groote dag.

Zoo werd hij van zijn heldendaad de dader
Onder een schier volwassen hoongelach;
En op zijn voorhoofd zwol een gift'ge ader,
Toen hij de gift'ge slangen naad'ren zag.

Want dit was zijn geheim: dat aan die slangen
Hijzelf gelijk werd, in 't gespuwd venijn
Hun mind're niet, en even dood'lijk kronk'lend.

En 't donshaar op zijn bolle kinderwangen
Was even kil en glad als schubben zijn,
En drie paar oogen vochten, valsch en fonk'lend.

Simon Vestdijk

Terug - Top


De keuze van Paris

Als herdersknaap, die nauw zijn afkomst heugde, -
Er stroomden vorstenhuizen in zijn bloed, -
Wist hij toch, dat men schoonheid eeren moet
Ver boven wijsheid, trots en and're deugden.

Gedrieën lachten zij hem toe, zoo goed
Wist hij de afgunst, die onmerkzaam vleugde,
Te overstemmen met de lout're vreugde
Om 't hoog're schoon van die godinnenstoet.

Zíj won de prijs, - niemand was overrompeld:
Men klapte in de handen, en bekeek
De jonge pronker die hen vergeleek.

En na dit hoofsche spel om roem en eer
Hernam de werk'lijkheid haar rechten weer:
De keuze werd in heldenbloed gedompeld.

Simon Vestdijk

Terug - Top


[Orpheus]

Nog eenenveertig,
dan belichaam jij.
Ik kijk omhoog.
Daar is het al dag,
hanekraaiblauw.
Nog ben je schim,
blinde verdiept
in schemering.
Wie ben jij
die mij meenam,
hoe ben jij
zo je spinsel bent,
even volstrekt
als met de ogen dicht
een cirkel is?
Zesentwintig nog.
Nu of nooit.
je krijgt al stem,
ik hoor althans
een adem die je haalt.
Zolang ik volgde
Was je niet te zien -
begeerte ontzielde je
tot een beweging
zonder gezicht
en ook die vervloeide
en toen vielen we
vereenzelvigd elk
in onze eigen slaap.
Nog elf. Of nooit?
Of nu. Kijk achterom.
Er is een kennis
die bij daglicht niet
te achterhalen is.
Afkijken wil ik van jou
de gelukzaligheid
der gelukzaligheden,
van opzien naar de ogen
van de derde man -
de flits voordat ik jou
ten volle daag.

Willem Jan Otten

Terug - Top


Orpheus en Eurydice

Toen hem de steenen en de wilde dieren
Verveelden met hun schorre loftrompet,
Wou hij een vrouw met zijn gezang bestieren
En ruilde de natuur voor 't bruiloftsbed.

Zijn nieuwe liefde won het van de lier en
Wanneer hij speelde, - zelden, - was het met
Die ijd'le acht'loosheid bij 't feesten vieren,
Waar noob'ler kunst het bloeien wordt belet.

Het vonnis: dat hij deze vrouw moest missen,
Werd zeer verzacht, doordat hij uit de hel
Haar zonder om te kijken halen mocht.

Hij ging haar voor, als spelend op zijn tocht,
En keek tòch om, om zich te vergewissen
Van haar bewond'ring voor zijn snarenspel. .

Simon Vestdijk

Terug - Top


Eurydice heeft spijt

Hedor Crémnieux, Ludovic Halevy, J. Offenbach: Orphée aux enfers(1858)

Dit is een bestaan om te huilen,
mijn leven is hier echt een hel.
En waar zou Pluto zich verschuilen?
Heeft hij al genoeg van het spel?

Hij zou me zo heerlijk verwennen.
daarginds in zijn eigen gebied.
Maar... nu heb ik hem leren kennen
als minder dan wie ik verliet,
als minder dan wie ik verliet.

Zijn lijf en zijn ziel zou hij geven.
Ik merkte helaas veel te gauw
dat ook wie een eeuwigheid leven
niet weten van eeuwige trouw.

Waar is de verrukking gebleven?
Wat ligt er nog in het verschiet?
Ach ... dit nieuwe licht in mijn leven
brandt lager dan wie ik verliet,
brandt lager dan wie ik verliet.

Willem Wilmink

Terug - Top


[Orpheus en Ahasverus]

De voetstappen die nimmer kwamen:
Tot zelfs hun echo is gedoofd.
Zij zijn als de verloren namen
Waarvan alleen de gek gelooft

Dat zij eens, aan het eind der dagen,
Gelezen worden en onthuld,
Waar wij staan met ons zinloos klagen,
Met onze angst en onze schuld,

Waar ik herkennen zal de schreden
Van wie eens in de schemerzee
Onhoorbaar was teruggegleden:
Eurydice, Eurydice...

J. Presser 22 januari 1952

Terug - Top


[Orpheus en Ahasverus]

Men kent alouds het smartelijk zoet verhaal
Van Orpheus, die de honderdduizend treden
Ten Orcus afdaalde. En hoe zijn taal
In magisch lokken de brandende bede
Joeg door de grijze rij zwijgende schimmen:
'Eurydice! Eurydice!' Een kreet
Die echo's sloeg tegen de vale kimmen
Totdat zij in zijn smachtende armen gleed.
En toen: één blik. En daarna nimmermeer.
Toen zonk zij achterover in 't rijk der doden.

Mij, die in hunkring lijf en ziel verteer,
Ook die seconde troost blijft mij verboden.

Ik echter klamp mij - net als alle joden -
Vast aan de illusie van de wederkeer.

J. Presser 1 april 1943

Terug - Top


Orphisch

Als Orpheus voor de dieren speelt,
de aardgeboren volken,
verschijnt hun levend evenbeeld:
in 't kruiven van de wolken
stuwt leeuw en lam en adelaar aan.
En dèze en gindse karavaan
glanst in de stroom, die stil bleef staan
tot spiegelen en vertolken.

Ida Gerhardt 1973

Terug - Top


De herschepping

Als Orpheus bij de lier zong gingen stenen
bewegen, takken van machtige eiken
wilden met handen naar elkander reiken,
de wilde dieren van het bos verschenen,
die luisterend zich bij hem nedervleiden
en bomen kwamen nader op de tenen.
Een witte wolk is daar zómaar gedaald.
Dit had mijn ouder zusje mij verhaald;
zij zei: 'hij zingt het, maar het heeft géén woorden.'
En die nacht droomde ik van een groot geruis,
en dat, terwijl ik Orpheus spelen hoorde,
mijn ouders wandelden door het trappenhuis.

Ida Gerhardt 1970

Terug - Top


SAMENSPRAAK VAN THISBE MET HET LIJK VAN PYRAMUS
Naar Nijhoff

(Pyramus ligt dood met het zwaard in zijn lichaam. Bij zijn eerste woorden verschijnt Thisbe)

PYRAMUS
Ik ben een dode Pyramus
Mors est communis omnibus.
Behanger, zanger, Bey van Tunis :
Finis est omnibus communis.

THISBE
Nu is hij dood en spreekt Latijn :
hij moet al in de hemel zijn.
Zeg Pyramus - och lieve Heer -
ken jij je Thisbe dan niet meer ?

PYRAMUS
Thisbe, ben jij 't, voor wie 'k zo even
verliet mijn huis, verliet mijn leven ?
Ik dacht dat je daarginds al was,
dat 'k je zag zitten in het gras.

THISBE
Is daar dan gras ? Zijn daar konijnen ?
Of grazen daar de cherubijnen ?
Ik smeek je op mijn blote knieën :
vertel me Pyramus, wat zie je ?

PYRAMUS
Ik wil wel maar ik kan het niet;
ik zie, ik zie wat jij niet ziet.
Ik zie een wei waar duizend witte
engelen in het zonlicht zitten.

THISBE
Bestaat zoiets dan inderdaad ?
Dan is de dood nog niet zo kwaad.
Als 't lichaam hier ligt voor de maden
gaat dan de ziel uit zonnebaden ?

PYRAMUS
Ik spreek alleen maar vergelijkend;
de taal is daarvoor ontoereikend.
Daar ginds op aarde is ieder ding
een weerschijn slechts, een spiegeling.

THISBE
Zijn alle dingen hier een afschijn
van die aan gindse kant van 't graf zijn ?
Doet men daar alles intensiever ?
Wie lief heeft, heeft die daar nog liever ?

PYRAMUS
De liefde bij ons doden kent
geen strikt persoonlijk element.
't Is alles eender, vijand, vrind,
zijn even lief, even bemind.

THISBE
Dat moet iets heerlijks voor een vrouw zijn :
ieder beminnen, niemand trouw zijn.
Nu blijkt dat wie zijn levenslot
nog langer draagt, zichzelf bedot.

PYRAMUS
Maar is er niets meer dat je bindt
aan 't aards bestaan ? Zeg had je als kind
geen pop waarvan je hield, en had je
geen hondje, geen klein blazend katje ?

THISBE
Mijn pop is stuk en heeft geen kop.
Mijn kat ging in de pepersop.
De buurman heeft mijn hond vergeven,
en jij bent ook niet meer in leven.

PYRAMUS
Voor dat je sterven gaat, vergeef
wat men aan kat, aan hond misdreef.
Het mensdom heeft ten enen male
een neiging tot het bestiale.

THISBE
'k Vergeld het kwaad niet met het kwade;
'k Vergeef hem die mijn kater braadde.
Hier, met mijn voet al in het graf
vergeef ik die mijn hond vergaf.

PYRAMUS
Nu kan je ziel, van schuld bevrijd
opstijgen naar de eeuwigheid,
terwijl tot mussenschrik verstijfd
het lichaam hier beneden blijft.

THISBE
Lijken zijn eng; door hun oogharen
liggen ze star omhoog te staren.
Hun lijven liggen waterpas.
Verstijven doen ze later pas.

PYRAMUS
Maar tussen hun halfopen lippen
kon ongeblust de vonk ontglippen
die smeulen blijft totdat hij wordt
tot hoger leven opgepord.

THISBE
Is dat de dood : een porder die
ons wekt uit onze rêverie ?
Het moet een vreemd ontwaken zijn.
Pyramus, doet dat porren pijn ?

PYRAMUS
Iemand, de naam ben ik vergeten
heeft eens gezegd : non dolet, Paete.
Toen ik het zwaard stak in mijn vel
deed het geen pijn, maar koud was 't wel.

THISBE
Voor wie zich aan de Laren wijdt
bestaan geen graden Fahrenheit.
Temperatuur is maar een fictie.
Temperament is alles. Dixi.

PYRAMUS
Zij heeft gezegd en zwijgt. Nooit zweeg
een vrouw die niet het slotwoord kreeg.
Mijn laatste woorden hebben plaats te
verlenen aan haar allerlaatste.

THISBE (trekt het zwaard uit Pyramus' lijk)
Maar als mijn donker bloed omhoogspuit
dan spreekt dit zwaard de epiloog uit.
- Hoe kon het zo bezoedeld raken ?
Ik zal het eerst schoon moeten maken.

Kees Stip

Terug - Top


Pyramus en Thisbe
Naar Speenhoff

Dit is het bloedig moordverhaal,
Van Pyramus en Thisbe,
De een een schone jongeling
Wiens ouwe heer in vis dee,
De andere, Miss Babylon,
De dochter van de buurman,
Bij wie hij op beperkte schaal
Des avonds door de muur kwam.

Die muur had namelijk een spleet;
Het ding zat er al jaren,
Want in die tijd had Babylon
Gebrek aan metselaren.
De Aziatische idee
Zo heette het, ging voor en
Ze werkten tegen wil en dank
Aan de mislukte toren.

De huisbaas schreef in spijkerschrift
(Hetgeen een hele toer was)
Een lang request waarin stond dat
Bij hem de muur ajour was,
Maar toen het aankwam op de plaats
Waar zo'n request moet wezen
Toen brak de spraakverwarring uit
En niemand kon het lezen.

Door deze spleet nu wurmde This-
be 's avonds hare lippen,
En Pyramus placht dan daaraan
Een poze lang te nippen.
Dat was misschien wel aardig, maar
Hoezeer zij ook genoten,
Toch waren beiden erop uit
Hun afzet te vergroten.

En Thisbe op een goeie dag
Sprak in het Babylonisch:
Die muur is toch maar niks gedaan,
Hij maakt mijn hele koon vies.
Je hebt gelijk, zei Pyramus,
Die muur dat is een vieze,
Vanmiddag bij het eten zat
De kalk nog in m'n kiezen.

Ik heb een plan, we gaan eruit,
We doen het clandestien, zus:
Achter het Wilhelminapark
Daar is het graf van Ninus.
Dat is een plekkie waar geeneen
Ons kan bespioneren;
Ik wil nou wel eens weten wat
We zonder muur presteren.

En zo begaven beiden zich
Met uitgedachte smoezen
Apart naar wijlen Ninus toe
Om daar te rendez-voezen,
Maar Thisbe, die het eerste kwam,
Werd bleek gelijk een lelie
Toen zij een leeuw trof, juist ontsnapt
Uit Barrenum en Bailey.

Die leeuw zat daar op Ninus' graf
En at wat eens een ree was;
Hij keek precies of in z'n maag
Nog plenty plaats voor twee was.
Het arme kind wist weliswaar
Het ondier te ontkomen,
Maar 't kostte haar d'r mantel die
Ze pas had laten stomen.

Toen nu de leeuw verdwenen was
Kwam Pyramus haar vrijer,
En las op het verscheurde flard
De naam van Brenninkmeyer.
Hij wist dat dit de firma was
Waar Thisbe vaste klant was
En snapte dus meteen wat of
Er met haar aan de hand was.

Zijn haren rezen overeind,
Zijn wangen werden sneeuwwit.
Hij sprak: Het heeft er alles van
Of Thisbe in een leeuw zit.
Ach waren we toch nog maar thuis,
Zelfs met de muur ertussen,
Want iemand binnen in een leeuw
Die laat zich lastig kussen.

Vaarwel mijn ouders, nimmermeer
Komt Pyramus uw zoon thuis;
Ik sla nu mijn penaten op
In huize Aïdoneus.
Hij trok daarop een slagersmes
En stak het in zijn baadje,
En zonk toen rochelend ineen
Op Thisbe's C & Aatje.

Toen Thisbe hem daar liggen vond,
Gij raadt het reeds, eilacie,
- De vrouw is van nature toch
Geneigd tot imitatie -
Trok zij het mes uit Pyramus
En stak het in haar sinus;
Toen lagen twee kadavers daar,
Nog afgezien van Ninus.

Moraal:
Dit drama leert ons iets omtrent
De ouderlijke plichten:
Men dient de gaten in zijn huis
Terstond te laten dichten.
Wie dit niet doet die brengt zichzelf
In vele ongemakken,
Dus hebt gij jonge dochters, laat
Er dan behang op plakken!

Kees Stip

Terug - Top


EERSTE ZANG. Deucalion en Pyrrha

Diep was het menschengeslacht in de zee van de zonde verzonken.
Zeus, op vergelding bedacht, voelt het vuur van zijn tooren ontvonken.
IJlings ontbiedt hij zijn Raad. Langs het pad, nog de Melkweg geheeten,
komen zij op. Zijn gelaat spelt een storm; en als elk is gezeten,
kondigt hij aan zijn besluit om het menschelijk ras te verdelgen.
"'k Zweer bij de Styx," roept hij uit, "dat het water het land zal verzwelgen!
Alles wat leeft, wat bestaat, overweldigd van woedende golven,
zij door mijn wrekende daad onder ziedende zeeën bedolven!"
Plotseling klettert met kracht van den Hoogen een hevige regen;
stortend bij dag en bij nacht, overvloeiende velden en wegen.
Droef ziet de landman zijn oogst hem ontgaan en zijn nijveren lieden.
Nog is de nood niet het hoogst, neen, het gruwzame gaat nog geschieden.
Thans krijgt Neptunus tot taak van Saturnius, schriklijk verbolgen,
zinnend op wreedere wraak, de verdervende daad vervolgen.
Fel woedt de god van de zee, met zijn drietand orkanen verwekkend;
't water, al boven de reê, loopt het land in, de beemden bedekkend.
Donderend stort zich de vloed, die de menschen verdelgt, en gebouwen
krakende tuimelen doet, op de lieflijke loover-landauwen.
Daar, waar de geit had gegraasd, zwemmen zeemonsters thans, en dolphijnen;
Oceaniden, verbaasd, zweven rond tusschen beuken en pijnen.
Alles wordt zee, zonder grens, vale vlakte van vocht zonder leven.
Zoo was het eind van den Mensch, van zijn werken en hopen en streven. -
Slechts de Parnassus, die hoog zich verhief, met de kruin in de wolken,
was aan het uiteinde droog, onbereikt door de kokende kolken.
Hier dreef Deucalion heen in een wankele boot, met zijn gade;
klagende klinkt hun geween en hun jammergeroep om genade.
Kraai hadden beiden, noch kind; hij, de grijsaard, en Pyrrha, zijn ega,
hadden de deugd steeds bemind, (een gevoel, waarin ik met ze mee ga).
Jupiter spaarde die twee om hun deugd te beloonen - zij beiden
worden gered, want de zee wijkt weerom, van de landen gescheiden.
d' Aarde herrijst. Veld en bosch, eerst met modder bedekt en ontoonbaar,
prijken in vroegeren dos, en de wereld is weder bewoonbaar.
Echter, het menschdom ontbrak, op die twee na, die overig waren,
beiden gebrekkig en zwak, en gedrukt door den last van de jaren.
"O, gij mijn nicht en mijn vrouw," zegt de grijze Deucalion teeder,
blijde, maar nochtans in rouw, "zie, den bodem betreden wij weder;
wel zijn de luchten ontwolkt, maar, al zien wij de zonne weer schijnen,
hoe wordt de wereld bewolkt? wee! met ons zal 't menschdom verdwijnen!"
Door den nog drassigen grond gaan zij op naar den eenigen tempel,
Themis gewijd, die daar stond ongerept op den berg. Bij den drempel
knielen zij, mat en verbleekt, en nu klinkt van het heilig gesteente,
- Themis is 't zelve, die spreekt - "Gaat van hier, werpt uw moeder's gebeente
achter uw ruggen ter aard!
" en Deucalion, denkend, heeft spoedig
't wondere raadsel verklaard. "Onze moeder," zoo roept hij blijmoedig,
"is deze aarde, en been is het steen in den bodem verscholen!"
Zonder verwijl gaan zij heen voor de daad door de godheid bevolen.
't Tweetal werpt steenen, en ziet reeds de vormlooze hardheid vermindren....
Thans is het wonder geschied, want de keien vergroeien tot kindren!
't Heerlijke werk was volbracht van het paar, boven allen verkoren.
Zoo is het menschengeslacht na den Vloed uit de bodem herboren.

Vreest gij den wassenden vloed, die de wateren stuwt en omhoog drijft,
leef dan behoorlijk en goed, want dán heb je nog kans dat je droog blijft.

Charivarius

Terug - Top


TWEEDE ZANG. Echo

Echo, de praatzieke maagd, die maar eindeloos kleppert en babbelt,
ook als geen mensch haar iets vraagt, als een beek, die langs rotsblokken kabbelt,
Diende god Jupiter vaak, als hij vree met de nymphen der wouden,
want dan had Echo de taak om zijn vrouw op de praatstoel te houden.
Juno, die 't eerst niet doorzag, was er eindelijk achter gekomen,
daarom heeft z' eens op een dag haar de gaaf van het spreken ontnomen.
Zij, zoo loslippig voorheen, nu de eigene woorden haar falen,
Echo, eheu! kan alleen wat een ander gezegd heeft, herhalen. -
Eens, toen zij dwaalde door 't woud, in een onbestemd liefde-verlangen,
heeft zij Narcissus aanschouwd, en, van hevige hartstocht bevangen,
Zielsverrukt, nadert zij hem, en zij brandt hem haar min te verklaren....
Ach! nu begeeft haar de stem, en zij wenkt hem met stomme gebaren.
"Wie daar?" zoo roept hij, en vlucht, als een veulen door velden en dreven.
"Wie daar!" Het suist als een zucht, want geen antwoord vermag zij te geven.
Voort ijlt hij, rusteloos voort, en "Ga weg!" doet de vliedende klinken,
"Weg!" zoo herhaalt zij zijn woord, en dan voelt zij de kracht haar ontzinken.
"Sterf!" roept de vluchtling, "Verga!" en "Ga!" jammert zij tot den beminde.
Hijgende snelt zij hem na, als de honden de hollende hinde.
Eindlijk, in blakenden nijd, dat zij 's jongelings liefde moet derven,
zwijmt zij, verstikkend van spijt, om in spraakloze wanhoop te sterven.
't Lichaam verdroogt en vervaagt, en vermengt zich met 't dorrende loover.
Weg is de minzieke maagd, slechts de klank van de Echo is over.

Meisjelief, hoor naar mijn raad, ik hoop niet, dat je hierdoor gegriefd wordt:
Zorg, dat je niet te veel praat, en vooral, dat je niet te verliefd wordt.

Charivarius

Terug - Top


DERDE ZANG. Narcissus

Liriope had een zoon, en Narcissus, - zoo heette de jongen -
was zoo verwonderlijk schoon als geen dichter het ooit had bezongen.
Eens, wen de moeder zich wendt tot den god, om zijn leef-tijd te vragen,
"Zoo hij zich zelven niet kent," is 't bescheid, "tot in lengte van dagen."
Dit was een duistere maar'! wat beteekent het: hopen of vreezen?
Klinkt het al vreemd - het is waar; aan het eind van dit Rijm zal je 't lezen.
't Spruitje wies op tot haar roem: toen het zestiende jaarfeest gevierd werd,
leek hij de lieflijkste bloem waarmee immer een gaarde gecierd werd.
Iedere maagd die hem ziet is verrukt. Hij is blind voor die blikken,
vrouwen bekoren hem niet en, wat hem betreft, kunnen ze -
Liefde? Hij lacht er wat mee, neen, daar zal hij zijn hart niet aan wagen!
Hij is volkomen tevree in zijn eentje, met visschen en jagen.
Diep in het woud lag een plas tusschen struiken en stronken en boomen,
't water was helder als glas, bonte bloemen ontwiesen den zoomen.
Hier kwam Narcissus een keer, overmoe van jachtlievenden ijver;
afgemat zonk hij er neer, aan den kant van den blinkenden vijver.
Dan, om zijn dorst te verslaan, houdt hij 't hoofd naar het water gebogen....
Plots grijpt ontroering hem aan - wat aanschouwen zijn starende oogen?
't Beeld van een bloeienden knaap, waar de maagden in droom naar verlangen,
't golvende blond aan den slaap en de teederste blos op de wangen.
Star, met een koortsigen blik, blijft hij 't schitterend schijnbeeld bestaren,
beurtlings in blijdschap en schrik wenkt hij 't toe met de wildste gebaren.
Strekt hij de hand, dan verdwijnt door het golven het schijnsel daaronder -
dan, na een oogenblik, schijnt in de plas weer het beeldschoone wonder.
"Wee mij!" zoo klaagt hij zijn smart, "hoe verdraag ik dit nameloos lijden?
Vlak bij den vriend van mijn hart, en toch vademen van hem gescheiden!
Ik, die naar teederheid dorst, moet in eenzame wanhoop versmachten!"
En hij kastijdt zich de borst, en het hoofd, onder kreten en klachten.
Jammerend stort hij terneer, als verzengd, op de koelende zoden....
Nu lijdt Narcissus niet meer, want zijn ziel is het lichaam ontvloden.
Nimfen der vlieten, in smart, snellen toe naar de plek.... zij ontwaren
niets dan een bloem, geel in 't hart, met een kransje van sneeuwwitte blaren.

Mijd dus den spiegel als 't kan, want het kon je nog wel eens berouwen!
Dit is 't verhaal van een man, maar 't geldt haast nog meer voor de vrouwen.

Charivarius

Terug - Top


VIERDE ZANG. Arachne

Laat mij bezingen de vrouw in het weven ervaren als geene,
die in de kunst van 't Getouw zich wou meten met Pallas Athene.
Arm was Arachne - maar fier op de gaaf door den god haar gegeven;
schoonheid stond in haar banier, en de Kunst was haar lust en haar leven.
Ja. Daar verdreef zij den tijd van 't begin tot het eind van den dag mee;
iedereen prees haar om strijd, want geen mensch die 't zoo kon als Arachne.
Arm was Arachne - maar trotsch! ja, zij minachtte zelfs de godinnen:
't stond bij haar vast als een rots, dat Minerva 't van háár niet zou winnen!
Pallas Athene, die 't hoort, zelf de Eerste der Weefsters geheeten,
nadert, verbaasd en verstoord, en stelt voor om zich met haar te meten.
Blij gaat Arachne ten kamp; o, zij schijnt naar den wedstrijd te haken!
Weinig vermoedt zij de ramp, die dit Rijm tot een drama zal maken ....
Elk neemt haar plaats op haar stoel. Door de zucht naar de zege gedreven
vangen zij aan, en de spoel schijnt om schering en inslag te zweven.
Nauwlijks is Pallas gereed, of zij monstert het werk van Arachne,
schoon ze voor zich al wel weet dat het zwakjes zal wezen .... Maar ach nee!
't Tegendeel is 't, wat ze ziet: 't is een meesterstuk - zonder gebreken!
Neen, zij ontveinst het zich niet: de godin is de zwakste gebleken.
Blakend van afgunst en haat, in een vlaag van ontembare woede,
scheurt zij het weefsel in draad en dan grijpt zij in gramschap de roede.
Roepend: "Wat gij hebt volbracht, is alleen aan de goden geoorloofd!"
slaat zij tot driemaal met kracht de rivaal op het bloedige voorhoofd.
Snel maakt Arachne een strop van de flarden die raaf'lig daar lagen;
ziedende hangt zij zich op, want dien hoon kon de trotsche niet dragen.
Maar nu van meelij vervuld zegt Minerva: "Ik schenk u het leven,
echter tot straf voor uw schuld zult gij, levende, wevende .... zweven!"
Uit het noodlottige touw groeit een netwerk al fijner en fijner;
't lijf der rampzalige vrouw krimpt gestadig. Al kleiner en kleiner,
wordt het een gruwzaam insect, bolgebuikt, van veel pooten omgeven.
Zoo op haar webbe gestrekt, blijft Arachne, de Spinnekop, weven.

Vrouwen zijn meestal charmant, en dan moeten wij mannen ze minnen;
maar, zijn ze trotsch en pedant als Arachne, dan worden ze spinnen.

Charivarius

Terug - Top


VIJFDE ZANG. Pyramus en Thisbe

Pyramus en Thisbe, zij, de lieflijkste onder de vrouwen,
vurig en jong alle twee, spraken af met elkander te trouwen.
Jammer genoeg voor het paar - of "'n paar" mocht het dus nog niet heeten,
maakten de ouders bezwaar, van geen huwelijk wilden ze weten!
Vruchtloos der kind'ren geween! en tot overmaat nog van hun lijden
waren zij buren, alleen door een muur van elkander gescheiden.
Dicht bij elkaar - toch zoo ver! In de muur was geen poort of geen deurtje,
maar.... als een lichtende ster in den nacht scheen hun eenmaal een scheurtje,
Veilig verborgen in 't groen, groot genoeg voor 't verliefde gefluister,
maar net te klein voor een zoen. Hier nu dweepten zij dikwijls in 't duister.
En om het blakende vuur hunner heimlijke liefde te blusschen,
drukten zij elk op de muur bij het kiertje de klappendste kussen.
O dat gehate verbod! Is me dat een manier om te vrijen?
't Is maar een matig genot, dat gezoen op die ijskoude keien!
Eindlijk verwint zij haar schroom; hoor de schalken het schema beramen:
"Onder den moerbeienboom, vlak bij Ninus' graf, komen wij samen!"
"Goed!" - Zoo gezegd, zoo gedaan. Zie nu Thisbe ontsnappen.... daar gaat ze....
Zacht bij het schijnsel der maan sluipt ze voort, en is tijdig ter plaatse.
Alles rondom is in droom; geen gevaar is in 't duister te duchten;
hier is de moerbeienboom; hagelblank zijn de volrijpe vruchten.
Plotsling verbleekt haar gelaat: een leeuwin ziet zij dreigend genaken,
dicht bij de plaats waar ze staat, met van runderbloed druipende kaken!
Snel, voor haar leven beducht, is nu Thisbe een grot in gekropen,
maar, in haar angstige vlucht daar ontglipt haar de sluier bij 't loopen.
Dezen verscheurt de leeuwin, en teleurgesteld, langer niet wachtend,
sluipt zij de wouden weer in, de nu bloedige flarden verachtend.
Pyramus komt. - Ach! het rood van den sluier, en 't poot-merk in d'aarde
zeggen hem: Thisbe is dood! - heeft het leven voor hem nu nog waarde?
Neen. Hij doorsteekt met het staal zich de borst in die droevigste stonde,
rukt het weer uit, en een straal spuit omhoog uit de kokende wonde.
Thisbe, verheugd dat het lot haar den dood der verscheuring bespaarde,
sluipt, nog bedeesd, uit de grot.... ziet den dooden geliefde ter aarde....
werpt zich op 't lijk met een gil.... heft den dolk op, en rukt zich de tressen -
"Boom!" krijt ze, "gij, die daar stil, overladen met sneeuwwitte bessen,
staat, als getuige der smart, moog' uw vrucht, als een blijk onzer pijnen,
Voortaan in 't klaaglijke zwart van den rouw voor de menschheid verschijnen!"
't Boezemwit bloedig bespet, zinkt zij neer, zich uit liefde vermoordend.
Dat was haar laatste gebed - en genadige goden verhoorden 't.

Als je knus moerbeien eet, zal je meestal wel ver van de smart zijn;
toch is het goed dat je weet, hoe 't komt dat die vruchten zoo zwart zijn.

Charivarius

Terug - Top


ZESDE ZANG. Icarus

Daedalus, wereldberoemd, die den dwarlenden Doolhof gebouwd had,
alom met eere genoemd door wie 't kunstig wonder aanschouwd had,
vlug en vernuftig van geest, de bekwaamste van Griekenland's mannen,
juist om zijn kunde gevreesd - was door Minos naar Creta verbannen.
Dof zit de banneling daar, waar Kronion het licht zag, te zuchten,
peinzend: hoe speel ik 't klaar uit dit straf-oord van Minos te vluchten?
"Hij heeft het water - en 't land, (hm! ik ook!) "zoo denkt Daedalus dikkels,
"ik heb de lucht en 't verstand!"en zijn heimwee, die sterkste der prikkels,
Brengt hem een plan voor den geest. Door het onrecht nog hevig verbolgen,
zint hij, beducht noch bevreesd, de natuur van de vogels te volgen.
Nu komt zijn kunde te pas! hij vervaardigt van vederen vlerken,
lijmt z' aan de leden met was, en erlangt zoo het loon voor zijn werken.
Zie! daar verheft hij zich al om zijn vlieg-apparaat te probeeren;
('t Is maar een proef, voor 't geval dat er soms nog iets aan mocht mankeeren.)
Icarus, Daedalus' zoon, ziet hem gaan, en komt stralende nader.
"O!" roept hij uit, "dat is schoon! maak mij ook van die vleugelen, vader!"
Daedalus draalt in 't begin, maar (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders)
geeft hem ten slotte zijn zin, en hij smeert hem het was op de schouders,
hecht er de vleugelen aan, maar vermaant hem voorzichtig te wezen.
Steelsgewijs pinkt hij een traan, en dan denkt hij, met heimelijk vreezen:
Deed ik wat plicht mij gebiedt, 'k gaf het heele plan op, en ik bleef hier....
Lang duurt de weifeling niet, en hij zeilt op de zucht van den zephir
zalig in 's Blaue hinein. Daar blijkt Icarus, 't eerste natuurlijk,
hoog in de wolken te zijn, in den woordlijken zin en figuurlijk.
't Boertje op 't land aan de ploeg, die het ziet, bij het spitten der zoden,
mompelt: "Dat's duidlijk genoeg; die twee vliegers daar ginder zijn goden!"
Icarus, jeugdig en dwaas, d'overmoedige, die geen gevaar schuwt,
slaat er geen acht op, helaas! hoe de vader hem vliegende waarschuwt:
"Icarus, Icarus, kom! Toe, niet hooger! Vlieg net even laag als
ik het doe! Wees niet zoo dom! Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!"
Alles vergeefs. Wee! zijn zucht om maar hooger en hooger te zweven,
blij door de blauwende lucht, kost den jongen vermeetle het leven.
Zwaar treft den strever de straf: zie, de zon smelt het was.... Even later
vallen de vleugelen af - en hij stort met een kreet in het water!
Daedalus is al aan wal en hij kijkt er ontzet van de ree naar....
Zoo was dan Icarus' val; daar heet nu nog d'Icarische Zee naar.

d'Aviatiek staat nog zwak, ook al vordert de kunst wonderbaarlijk;
kies maar een veiliger vak, want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.

Charivarius

Terug - Top


ZEVENDE ZANG. Scylla

Nisus - zoo meldt ons de maar' - die als koning te Megara heerschte,
pronkte met purperen haar; dat bewonderden allen ten zeerste.
Scylla, zijn dochter, was dol op die glanzende, rossige krullen....
Purperen pruik! Wat een rol zult gij straks in dit drama vervullen?
"Als gij uw lokkentooi mist," was te Delphi voorzegd, "door de zonde,
dan, - zoo heeft Phoebus beslist - gaat uw koninkrijk, met u, ten gronde."
Lacie! een bloedige strijd werd om Megara's wallen gestreden:
in dien fantastischen tijd was het menschdom al net zoo als heden.
Minos lag lang voor de stad, maar het mocht dezen held niet gelukken,
schoon hij een keurleger had, als verwinnaar de poort in te rukken.
Dicht bij den wal was een slot, waar Apollo eens zong in den toren,
en, naar den wil van den God, deed de muur daar zijn stemme nog hooren.
Scylla, de schoone, zat vaak op het dak, daar ze zeer muzikaal was,
en - hoe veelzijdig van smaak! - ook op zoek naar een netten gemaal was.
Neen. Het was niet om die muur, dat ze kwam. 't Was om Minos t'aanschouwen,
dien ze beminde met vuur, en met wien ze verlangde te trouwen!
Phoebus' orakel, schoon vaag, was háár helder, in ziel en in zinnen:
vrouwen zijn dikwijls wat traag, maar scherpzinnig, wanneer ze beminnen.
"Niet, dat ik," mijmert zij stil, "tegen Nisus, mijn vader, een grief heb,
maar.... dat hij wijk' voor mijn wil! en die is: dat ik krijg wien ik liefheb."
Toen is zóó gruwzaam een plan in haar blakenden boezem gerezen,
dat ik het billijken kan, als men weigert om verder te lezen.
Ja. Op een duisteren nacht, toen de koning gerust lag te slapen,
heeft zij de wandaad volbracht om zijn kleurige kapsel te kapen!
Knip! zei de schaar. Het geluid klonk de maagd als muziek in de ooren;
blij rent ze weg met de buit - en bevolking en vorst zijn verloren!
Scylla snelt dwars door het kamp van den vijand om hem te ontmoeten,
dien zij verafgoodt - o, ramp! - en zij werpt hem de vlecht voor de voeten.
"Minos!" zoo juicht zij, "ik kom met het middel voor u om te winnen;
trek nu met wapp'rende trom, och, met slaande - 'k verspreek me - naar binnen;
Wappere wimpel en vaan! nu zijn weerloos het volk en zijn koning;
neem deze pruik van mij aan, ik verlang slechts uw hart tot belooning."
"Scylla!" roept Minos ontzet, "kondt gij zóó uw geweten beladen!
Hebt gij" - hij zei het woord! - "slet, om uw lusten uw vader verraden?"
't Duizelt den edelen held in het hoofd, en het beukt er, en bonst er....
"Ga!" roept hij, doodlijk ontsteld, "als ik trouw, trouw ik niet met een monster!"
Scylla krijgt, wat ze verdient: alle wegen zijn voor haar gesloten:
Vijand en vroegere vriend zullen haar, de gevloekte, verstooten....
Nisus ligt bleek op de baar; de bevolking moet capituleeren.
Minos, vermoeid, maakt zich klaar om de veste den rug toe te keeren.
Scylla doolt droef aan ree, als de schepen zich westwaarts bewegen....
Plotseling springt zij in zee, en geen macht houdt de zwemmende tegen.
Wild streeft ze na wat ze wenscht, en, zoowaar! wat ze zoekt zal ze vinden,
want, tot een zeemeeuw ontmenscht, zweeft zij rond om het schip des beminden.

Nisus - hij verfde zijn haar, dat begrijp je! - kwam smaadlijk te sterven;
hoed je dus voor het gevaar dat je loopt, door je haren te verven.

Charivarius

Terug - Top


ACHTSTE ZANG. Philemon en Baucis

Jupiter - alias Zeus - met god Hermes, vermomd als mortalen,
zochten een veilig tehuis toen zij zwierven door Phrygië's dalen.
Iedere deur was op slot; zij beproefden aan honderden huizen -
overal vingen zij bot, tot zij klopten aan 't kleinste der kluizen.
Daar, voor zijn jaren nog vlug, woont Philemon, de grijsaard, en Baucis,
grauw, en gebogen van rug, dus je hoeft niet te vragen hoe oud z' is!
Teeder beminde hij haar; door gedegene liefde verbonden,
woont er het waardige paar, zonder geld, zonder goed - zonder zonden.
Daar, in die schamele hut, met wat riet overdekt en wat zoden,
zwak, en gebrekkig gestut, wordt den zwervers gastvrijheid geboden.
Snel zoekt Philemon een bank voor de gaste' uit een donkeren hoek op;
knoestig en hard is de plank, maar de vrouw legt er dalijk een doek op.
Zij blaast het smeulende vuur, tot de vlammen al lekken en laaien,
hij haalt het spek uit de schuur, en het besje begint het te braaien.
Spoedig is alles gereed, en als Baucis de tafel gaat dekken,
- proper, maar oud is het kleed - kort Philemon den tijd met gesprekken.
En daar één poot van den disch, door den ouderdom wankel geworde',
korter dan d' anderen is, maakt hij dat met een potscherf in orde.
Baucis biedt wat ze bezit: in de kast mag geen kruimeltje blijven:
eieren, goudgeel en wit, kaas en brood, en Minerva's olijven.
Knus in een mandje van riet ligt de noot bij de rijpe kornoelje -
weelde die vin je daar niet, maar het hart is zoo goed. En dàt voel je.
Dan nog een appel, een peer, voor dessert een beschuitje met honing,
aardbeien zijn er niet meer, maar wel druiven. Tot slot en bekroning
komt er nog wijn. Maar o schrik! toen zij schonken, den gasten ter hulde,
zag hun verbijsterde blik dat de kan zich van zelve weer vulde!
Biddende zijgen zij neer, ja, nu zien ze : de gasten zijn goden!
"Straft ons, o goôn, niet te zeer voor het schamele maal dat wij boden!"
stamelt Philemon, en thans gaat hij gauw in de gaarde daar achter
't offerdier grijpen: een gans, die zij hielden bij huis als een wachter.
Vlug vliegt de vogel bevreesd in de hut en zoekt heul bij de goden;
deze beschermen het beest en verbieden den man het te dooden.
"Braven!" zoo spreken de goôn, "onze gunst hebt gij weten te werven;
spreekt! wat verlangt gij als loon? Uw nabuurschap zal smadelijk sterven!"
"Dat g'ons uw dienaren maakt," zegt Philemon, "en 't zij ons gegeven,
dat, als het einde genaakt, wij malkanderen niet overleven!"
Zoo is geschied. In een poel ligt de bodem der buren verzonken;
d' oudjes bereiken hun doel, want 't priesterschap wordt hun geschonken.
d' Arme, bouwvallige kluis, in het riet en met ranken omlooverd,
wordt op een teeken van Zeus in een statigen tempel vertooverd.
Jaren nog dienden zij daar als gewijden in Jupiter's tempel. -
Eens op een dag stond het paar voor den dienst bij den heiligen drempel,
toen zij bemerkten, dat plots aan hun lichamen takken ontsproten;
dit was de gave des gods en de gunst voor de goede genooten:
Godes genadig bestel, dat hun einde gelijk zoude komen.
Zacht klonk het tweemaal: "Vaarwel....!" Toen veranderden beiden in boomen.

Schriel zijn is slecht, maar ook dom; geef je gasten dus volop te eten;
'k zeg het niet erregens om, maar enfin, hè, je kunt toch nooit weten....

Charivarius

Terug - Top


NEGENDE ZANG. Pygmalion

Zekere Pygmalion, in den tijd van het verre verleden,
leefde zoo vrij als hij kon, ongetrouwd, dus volkomen tevreden.
Minnaar van kunst, in 't gemeen, en van beeldhouwen in het bijzonder,
schiep hij uit levenloos steen het idool van een vrouw. 't Was een wonder.
't Was van zoo zeldzame pracht, dit produkt van zijn vaardige handen,
dat, met ontembare kracht, het zijn minnevuur fel deed ontbranden.
't Was van een lijn en een bouw, die zóó schoon en zóó levensgetrouw scheen,
dat het geen beeld van een vrouw, maar een vrouw ( en 'n beeld van 'n vrouw!) scheen.
Als hij het marmer betast, is zijn minnevlam niet meer te blusschen,
en hij bedekt het albast van den mond met de vurigste kussen.
Zinnekens, zalig en zoet, meer gezucht dan gezegd, en gefluisterd,
luchten zijn dwepend gemoed, en hij beeldt zich in, dat zij luistert.
Dan brengt hij gaven in goud, dan de roos, dan de wuivende winde,
reukwerk, en druiven, bedauwd - als de minnaar de teeder beminde.
Sieraden, kostbaar en mooi, die de zinnen der maagden bekoren,
hangt hij zijn lief om, ten tooi, diamanten aan hals en aan ooren.
t'Avond, alleen met zijn leed, als de duisternis daalt en de stilte,
hecht hij een purperen kleed om haar schouderen, tegen de kilte. -
't Feest van de Lente breekt aan, dat de Cypriër vroom pleegt te vieren;
't altaar, met gaven belaân, wacht het offer der sneeuwwitte stieren.
Pygmalion komt, en vraagt Aphrodite gehoor voor zijn smeeken:
"Geef mij mijn marmeren maagd tot mijn vrouw...." neen, zoo durft hij niet spreken....
En dan bedenkt hij een zin, half vertolkend 't gevoel dat hem blaakte:
"Gun mij een gade, godin, die gelijkt op het beeld dat ik maakte!"
Venus verhoort zijn gebed, en de vlam flikkert op tot een teeken.
Blijde, met luchtigen tred, keert hij weer, want zijn angst is geweken.
Honderdwerf kust hij het beeld; nu betast hij het ijzige marmer....
als hij het koozende streelt, schijnt het steen hem al zachter en warmer.
Dan, naar zijn innigen wensch, gaat het hooge geluk tot hem naad'ren:
't beeld wordt een levende Mensch, en het bloed kleurt haar levende aad'ren!
Andermaal kust hij haar mond, en hij voelt zich verrukt, als verwinnaar -
blozende blikt zij in 't rond, en dan schouwt zij in 't oog van haar minnaar.

Kunstenaar, weet wat je doet! maak maar nooit mooie beelden van vrouwen,
want het begint soms zoo goed, en dan eindig je met ze te trouwen.

Charivarius

Terug - Top


TIENDE ZANG. Phaëton

Phaëton, Clymene's zoon, kreeg van Epaphus telkens te hooren,
- mokkend verkroppend den hoon - dat hij niet uit een god was geboren.
Clymene klaagt hij zijn leed, en hij smeekt haar: "Verklaar het mij nader,
moeder, bewijs wat gij weet! Is het waar, is Apollo mijn vader?"
"Ga naar het Zonnepaleis," was het antwoord, "leg Sol zelf de vraag voor;
ik kan niet tegen de reis, anders ging 'k met je mee, jongen - graag hoor!"
't Prachtig paleis van den vorst prijkt in pralenden pronk in den hoogen;
't dak van kolommen getorst, diamanten en goud aan de bogen.
Mulciber zelf had de poort van het zuivere zilver gedreven:
't zwerk, waar de zonne van gloort, en het land, van de zeeën omgeven.
Schuchter, met wankele voet, nadert Phaëton - zal hij het wagen?
Nauwelijks kan hij den gloed, de verblindende schitring verdragen.
Daar, op den goudenen troon, zit de god van de laaiende lichten,
stralende, schitterend schoon, om het voorhoofd de vurige schichten.
Rondom hem heen staat een schaar satellieten, gecierd van festoenen:
't Uur en de Dag en het Jaar; naast de Maand en de Eeuw, de Seizoenen.
"Phaëton!" zegt hij verbaasd, "wat verlangt ge? Wees welkom, treed nader!"
Dalijk, in koortsigen haast, roept de knaap: "O, bewijs mij, mijn vader,
Dat ik uw zoon ben!" - "Ik zweer 't!" zegt Apollo, "en 'k geef, ten bewijze,
Phaëton, wat ge begeert!" "O, zoo moog ik een enkele reize
mennen uw vurige span....!" En de vader ten diepste verslagen,
dat hij niet weigeren kan, brengt zijn telg naar den vlammenden wagen,
balsemt hem lijf en gelaat, dat de gloed ze niet moge verbranden,
en, na veel woorden van raad, legt de teugels den knaap in de handen.
Statig, op Helios' woord, dat het wonder des dags ga geschieden,
opent Aurora de poort, en de Starren verbleeken, en vlieden.
Phaëton's hand is onvast, en het tweespan, gehoefd en gevleugeld,
vliegt met den veerlichten last door de lucht, noch geleid, noch beteugeld.
Voort! nu eens scheef, dan weer recht gaan de rossen, die nimmer vermoeid zijn,
hooger, en lager - men zegt, dat de Mooren er zwart door geschroeid zijn.
Heviger blakert de gloed, dien geen zonnezoon zelfs kan verdragen,
vuur blaast het tweespan verwoed, en de vlammen slaan hoog uit den wagen.
Eindelijk, hijgend en heet, stort de knaap, wien de teugels ontgleden,
met een ontzettenden kreet, half verzengd en ontzield naar beneden.
't Vlammende haar om het hoofd leek het licht van een vallende sterre,
plots in de ruimte gedoofd - en hij viel, van zijn vaderland verre.
't Lichaam, met roetstof bedekt, werd, met geurende bloemen beladen,
zacht in de groeve gestrekt door de weenende Weste-Najaden.

Streng was des jongelings straf; en nu kun je van Phaëton leeren:
Ben j' al van hooge komaf, daarom kun je maar zóó niet chauffeeren!

Charivarius

Terug - Top


ELFDE ZANG. Koning Midas

Pan speelde vaak op de fluit om de harten der nymphen te stelen;
eens riep hij pochende uit, dat hij beter dan Phoebus kon spelen!
"Zoo!" sprak Apollo, "welnu, dan moet Tmolus, de berggod, maar zeggen,
of hij aan mij of aan u den laurierkrans om 't voorhoofd wil leggen."
Tmolus bedacht zich niet lang, want zoo'n wedstrijd beviel 'm ten zeerste;
"Goed," zei de god, "ga je gang. Neem je rietje, Pan. Jij speelt het eerste."
Pan droeg een herderslied voor, en hij joedeledoedelde danig;
Midas (die vormde 't gehoor) was verrukt, en zei: "Pan, dat is kranig."
"Stil jij!" zegt Tmolus. "Nu gij, o, Apollo; laat gij nu eens hooren,
of gij mij beter dan hij met uw citherspel weet te bekoren."
Phoebus staat op in den kring, schudt zijn goudene kunstenaarsharen;
even nog stemmen - ping-ping! en zijn vingers beroeren de snaren.
Eerst klonk de klank met een kracht, dat het eerder lawaai dan geluid was,
't slot was zóó teer en zóó zacht, dat je bijna niet wist of het uit was....
"Zeusallemachtig, da's mooi!" juicht de berggod. "Dat zóó iets bestaan kan!
Dat u het eereloof tooi'! (tot Pan) 't Spijt me wel, maar jij kan nu wel gaan, Pan."
Maar nu nam Midas het woord, en hij gaf een kritiek, die niet malsch was:
hij had nog nooit iets gehoord, dat zóó onmuzikaal en zóó valsch was!
"Zwijg!" roept Apollo verwoed, "met je kwasi-kunstzinnig gekwezel!"
En hij verandert voorgoed Midas' ooren in die van een ezel.
Dus van zijn eere beroofd, zou de vorst ieders lachlust verwekken,
daarom besloot hij zijn hoofd permanent met een muts te bedekken.
Totdat zijn kapper een keer bij het knippen den gruwel ontwaarde....
Snikkend valt Figaro neer, en vertrouwt het geheim aan de aarde.
Dáár, na een tijd, wast het riet, dat in 't ruischen de mare laat hooren:
"Menschen! al zie je ze niet, Koning Midas heeft muilezelooren!"

Lezerlief, leer uit dit Rijm in barbiers geen vertrouwen te stellen;
werkelijk, je kunt je geheim net zoo goed aan een vrouw gaan vertellen.

Charivarius

Terug - Top


TWAALFDE ZANG. Io

Eenzaam zat Inachus neer, nu hij Io, zijn dochter, moest missen;
leeft zij, of leeft zij niet meer? Wee! hij waagt slechts het ergste te gissen....
Zeus echter zag haar eens gaan, vrij, en ver van den vloed van d'r vader,
"Bruidje, jij staat me wel aan!" zei de zondaar en driest drong hij nader.
"Ga met mij mee naar het bosch, naar den hout op de helling der heuvlen,
vlijen wij ons op het mos, want daar kunnen wij kozen en keuvlen.
Schaam je niet, schuchtere maagd, ik ben heusch niet de eerste de beste,
Jupiter is 't, die u vraagt...." en zoo zwichtte de zwakke ten leste....
Zeus was op alles bedacht, en als schut tegen booze bespieders,
daalde de duistere nacht op een teeken des hemelgebieders.
Juno, de zedige, zag, op haar troon in de wolken gezeten,
't donker op klaarlichten dag, en daar moest zij het fijne van weten!
Ach, haar vertrouwen is klein in de deugd van den donderverwekker,
"'t Zou niet de eerste maal zijn," zucht ze zacht, "en hoe ouder, hoe gekker."
Snel strijkt Saturnia neer, en, bedachtzaam, al onder het dalen,
doet zij het zonnelicht weer de gebergten en bosschen bestralen.
Zie nu, hoe Zeus, op het punt dat ze hem met de maagd zou betrappen,
Io herschept in een rund, om aan smaad en verwijten t'ontsnappen!
"Geef mij die prachtige koe!" vleit zijn gade. Hij raadt haar vermoeden.
Dies geeft hij zuchtende toe, om haar argwaan niet verder te voeden.
"Waar komt dat wonder vandaan?" vraagt nu Juno, die welhaast verrukt staat.
"Z' is uit den bodem ontstaan," zegt Jupijn, en hij liegt of 't gedrukt staat.
Juno gaf Argus den last om het blinkende beest te bewaken.
"Zorg, dat ge goed er op past, dat haar goden noch menschen genaken!"
Streng was het woord dat zij sprak, maar zij vreesde te worden bedrogen.
Argus was goed voor zijn vak; want hij had wel een honderdtal oogen;
twee er van waren slechts dicht als hij sliep. Met de rest bleef hij loeren;
zoo hield hij Io in 't zicht, en kreeg niemand de kans haar t'ontvoeren.
Droef was het lot dat zij leed, ook al was zij de schoonste der koeien!
d'Arme, zij eet niet - zij vreet; d'eens zoo lieflijke stem luidt als loeien.
Jupiter houdt het niet uit op den duur, Io zoo te zien lijden;
Hermes, zoo is zijn besluit, doode Argus, om haar te bevrijden!
Hermes begeeft zich tot hem, en begint met een slaaplied te spelen,
dan, met een droomige stem, tracht hij Argus met klets te vervelen.
Eindelijk, zij het ook laat, heeft de guit de voldoening genoten,
dat door zijn eindloos gepraat alle honderd de oogen zich sloten!
Fluks, met een enkelen slag, doodt Mercurius hem. Uit den hoogen
daalt echter Juno, die 't zag; ze vergaart de gedienstige oogen,
steekt ze haar pauw in de staart, en, verwoed dat haar prooi haar ontglipte,
jaagt zij in razende vaart de verbijsterde vaars naar Egypte.
Toen was de wreekster tevreê, en (zoo schijnt soms de zonne na stormweer)
Zwichtend voor Jupiter's beê, schenkt zij Io haar vorigen vorm weer.

Duidelijk blijkt nu aan elk, die het wezen doorziet van de dingen,
dat om de koe en haar melk de studenten "Io vivat" zingen.

Charivarius

Terug - Top


DERTIENDE ZANG. Bacchus en de matrozen

Hier is het vreemde verhaal, dat Acoetes, de schipper, laat horen,
hoe, bij een boos bacchanaal, alle maats hun gestalten verloren.
"Eens heb ik Chios bezocht, - dat ik sedert heb leeren vervloeken! -
Delos was 't doel van mijn tocht, maar wij landden om water te zoeken.
'k Stuurd' er mijn mannen op uit, en daar kwamen ze - juichten en zongen:
"Io! wij brengen een buit!" en wat zie ik? Een beeldschoone jongen.
"Dwazen, dat kind is een god!" roep ik uit, "laat dien hemeling loopen!
Zijn jullie heelemaal zot? maar, bij Bacchus! die knaap is bez....!"
Want inderdaad, aan zijn gang zag ik duidlijk zijn toestand. Zijn oogen
deden mij beven, en bang werd mijn ziele, van godsvrees bewogen.
Maar zij minachtten mijn woord, en in spijt van mijn dreigen en manen,
sleuren de mannen hem voort in het schip, en zij grijpen de spanen.
Pijlsnel langs klip en langs kaap snijdt de snebbe de barnende baren.
Bacchus ontwaakt uit zijn slaap, want ja, BACCHUS was medegevaren!
"Mannen, waar brengt ge mij heen?" zegt hij, suf nog, "naar Naxos? Daar woon ik;
Naxos ligt rechts, naar ik meen, en wie mij er naar toe brengt, beloon ik."
"Goed, jongen, net wat je wil!" klinkt 't spottend, en links wordt de richting!
Plotseling liggen wij stil, en 't is waarheid, al lijkt het verdichting:
klimop ontspruit aan den mast, aan de ra's en het want; wilde wingerd
hecht aan de riemen zich vast, om de dollen geslierd en geslingerd.
Bacchus, het loof en de tros van de druif om de slaap, staat er zwijgend;
panter en tijger en los loopen loerend, de mannen bedreigend.
Plots, in dien heilloozen stond, werkt de Wijngeest: gehuil en geschater....
razend geren in het rond.... en daar duiken zij dol in het water!
Schubben en vinnen en staart wassen aan, waar de leden verdwijnen;
geen van de maats wordt gespaard, zie, zij zwemmen in zee als dolfijnen!
Mij alleen heeft toen het Lot weer naar huistoe terug laten keeren,
waar ik den machtigen god al mijn leven met offers zal eeren.

Vrees dus het vurige vocht, want je weet: na de keet komt de kater!
Neem het niet mee op een tocht - of de heele boel valt in het water.

Charivarius

Terug - Top


VEERTIENDE ZANG. Actaeon

Zacht zonk de zonneschijf heen, en Actaeon, vermoeid van het jagen,
riep zijn gezellen bijeen, om het werk voor een wijl te verdagen.
"Thans," sprak hij, "lokt ons de rust; ik wil langer uw diensten niet vergen;
dwalen wij, elk naar zijn lust, door de koelende bosschen en bergen."
Iedereen volgt zijn bevel; en hij doolt, van zijn makkers gescheiden,
weinig vermoedend hoe snel hem het Lot ten verderve zou leiden.
Dicht in de buurt lag een dal, van cypressen beschaauwd, waar het water
stroomde, zoo rein als kristal, met geklots en geklets en geklater.
Hier kwam Diana dien dag met haar nymphen, om lekker te baden;
en, daar toch niemand het zag, zoo ontdoen zij zich van haar gewaden.
"Plonst er maar in!" zegt Diaan, "hup! hier heb je geen last van de haaien;
zusjes, hoe staat je dit aan? dit is beter dan pootje te baaien!"
Plots kijkt zij op. Met een schrik, die het bloed van haar wangen doet wijken,
ziet zij den gretigen blik van Actaeon, die stil staat te kijken!
Ginds ligt haar boog en haar pijl, ("wat een eend was ik!" zuchtte ze later)
dies gooit ze 'm zonder verwijl, bij gebrek aan wat beters, met water.
"Best, ik doe mee!" zegt de guit, en gezwind naar den oever getreden,
pletst hij het vocht voor zich uit, dat het druipt van de rozige leden.
"Onverlaat!" roept ze verwoed, "poch maar vrij op hetgeen ge volvoerd hebt:
dat ge met euvelen moed een godin bij het baden beloerd hebt!
Poch - als je kunt, maar, bij Zeus! ik beloof je, je zult het niet kunnen;
ik en mijn maagden zijn kuisch, en ik zal je dat pretje niet gunnen!"
't Antwoord bedacht hij zich gauw, en het toont, dat hij gaar en gewiekst was:
"Neem me niet kwalijk, juffrouw, ik dacht heusch, dat het bad hier bain mixte was."
Nauwelijks heeft hij 't geuit, of hij voelt, als ontzet, zich de slapen,
waar een gewei aan ontspruit.... wee! hij wordt in een damhert herschapen!
Voort vliegt Actaeon van daar, of zijn pooten er geld mee verdienden!
Plotseling ziet hij de schaar van zijn trouwe viervoetige vrienden.
"Hier!" wil hij roepen, en "koest!" tevergeefs, want geen woord kan hij zeggen;
wanhoop bevangt hem, en woest gaat zijn vlucht over heggen en steggen.
Langzaam vermindert zijn vaart, want hij voelt zijn krachten verzwakken....
Eindelijk stort hij ter aard, tot een prooi der bloeddorstige brakken.
Een bijt zijn pooten kapot, en een tweede verscheurt hem de flanken,
weer een vliegt recht naar zijn strot, en het galmt van het bassen en janken.
Zoo geeft Actaeon den geest, en, verbloed uit ontelbare wonden,
ligt zijn cadaver ontvleescht, en verscheurd door zijn eigene honden.

Laat het een les voor je zijn! wie niet waakt, zal het vast ondervinden:
schoon het afschuwelijk schijn', je lijdt dikkels het meest door je vrinden.

Charivarius

Terug - Top


VIJFTIENDE ZANG. Atalanta

Wie las er ooit van een maagd, die zoo buitengewoon hard kon loopen,
dat, wie den kamp had gewaagd, 't met 'n smaadlijken dood moest bekoopen?
Zoo een heeft werklijk bestaan, een Griekin, Atalanta bij name,
en - maar daar twijfel ik aan - geen godin, maar een sterflijke dame.
Eens ging ze zich bij den god over mooglijken echt vergewissen.
"Trouw nooit!" zoo luidt het gebod, "daar gij, huwend, u zelve zult missen."
"'t Is weer zoo!" zucht ze, ontstemd, "die kan nooit eens goed duidelijk spreken"
en ze gevoelt zich beklemd - zeer terecht; dat is later gebleken.
Weinig tot trouwen gezind, zei ze steeds tot wie om 'r kwam werven:
"Wie 't in den loop van mij wint, wordt mijn man. Wie verliest, die moet sterven."
Toch werd ze hevig gevrijd, wat intusschen niet buitengewoon was,
daar die ondeugende meid helaas niet alleen vlug, maar ook schoon was.
't Uur van den wedloop is daar; zie, daar tsaan ze met kloppende harten,
vrijers, verblind voor gevaar, en gereed om Fortuna te tarten.
Een, twee, drie - af! Een orkaan heeft geen grootere vaart in het stormen;
steeds Atalanta vooraan, 't is een plaatje van verv' en van vormen.
Thans tint een teedere schijn haar gelaat, als van bloeiende rozen,
zoo als het purper gordijn het ivoor in den tempel doet blozen.
't Einde vermoedde je wel: Atalanta verslaat ze, de sloomen!
"Hangen!" is 't barsche bevel, en daar bungelt de bent aan de boomen!
Hypomenes stond er bij, "o, heldin van mijn hart, hoe vereer 'k je!"
zegt hij, "ach, meet u met mij, en ik ga met je strijken - dat zweer 'k je!"
"Goed!" is het antwoord, en weer zijn de maagd en een minnaar aan 't hollen,
als hij, al rennend, een peer - ik vergis me - een appel laat rollen.
't Cyprisch ooft, versch geplukt, drijft het water haar tusschen de tanden.
't Wordt haar te machtig. Zij bukt, en ze grijpt het met gretige handen.
Hypomenes schiet vooruit, en de list, zoo menschkundig verzonnen,
brengt hem de beeldige bruid, want zoo heeft hij den wedstrijd gewonnen.
't Engagement is er door - tot genoegen van beide partijen.
"Zeg," lispt ze zacht aan zijn oor, "weet j'n plaatsjen om knus wat te vrijen?"
"Och," zegt hij, "net waar je wil.... in den tempel van Venus maar, schatje;
't is er nu rustig en stil, en daar stoort ons geen stervling, dat vat je."
Sterveling - neen. Maar, o dwaas, er zijn ook nog onsterflijke goden,
en dàt vergeet je, helaas; spot maar, spot jij maar met hun geboden!
Best - Atalanta gaat mee, en zij sluipen het heiligdom binnen;
Eén echter ziet ze, die twee, één, die óók wel verstand heeft van minnen!
Venus was 't zelf, die ze zag, en zij heeft zich, in tooren ontstoken,
op dien noodlottigen dag door een wreede vergelding gewroken.
't Woord van Apollo werd waar, en de mare verspreidde 't in 't ronde:
't goddeloos-schennende paar boet, in leeuwen veranderd, hun zonde.

Vrouwen doen óók aan de sport, en verslaan soms de mannen. Wat zou dat?
Immers ze schieten te kort, als je werkt op d'r snoeplust. Onthou' dat.

Charivarius

Terug - Top


[Doctor Wiekel]

De leraar Latijn Doctor Wiekel
spreekt niet van gevaar, maar 'perikel'
en ook nooit van 'geflikker'
of poep aan de knikker
maar faecalia aan de testikel.

John O'Mill

Terug - Top


Op een os

'Boer Bos', zo sprak een os devoot,
'heeft dertig ossen en is dood.
Hij kocht, gekweld door knokkelpijnen,
een grote doos met medicijnen.
Daarbinnenin las toen boer Bos:
"Neem elk uur 1 tablet per os.'

Kees Stip

Terug - Top


Op een muis

Een muis, op zoek naar kruimels kaas,
kroop in de baard van Sinterklaas.
'Wel eerder', sprak de Sint bedaard
'werd door een berg een muis gebaard.
Maar dit is wonderlijk, bij Zeus:
hier bergt zowaar een baard een muis.'

Kees Stip

Terug - Top


Op een mier

Een mier verlangde naar het uur
dat hij gezeten bij het vuur
Homerus lezen zou en Dante.
Zijn vrouw, een nogal ruwe tante,
sloeg echter reeds bij het begin
zijn mierenhoop de bodem in.

Kees Stip

Terug - Top


Op een mensaap

Een mensaap legde zich te Stroe
op de klassieke talen toe.
Gegrepen door een groot begeren
de evolutie te forceren
verboog het beest tot in zijn slaap:
mensa, mensae, mensae, mensaap.

Kees Stip

Terug - Top


Op een glimworm

Een glimworm zat met zeven neven
in de Stadsschouwburg licht te geven.
De jongste, nog wat zwak van stroom,
Vroeg: 'Waarvoor doen we dat nou, oom?'
Toen sprak de helderste van kop:
'Wij voeren de Electra op.'

Kees Stip

Terug - Top


Op een eend

Een eend die bij Pythagoras
de leer der zielsverhuizing las
schreef aan zijn achternicht te Strijp
'Als ik 's mans stelling goed begrijp
dan zegt hij, maar hij zegt het mooier:
wie dood is wordt voortdurend dooier.'

Kees Stip

Terug - Top


Tantalus

De honger knaagt, de dorst vexeert. Ja, vragen staat me vrij
En uitgelezen spijzen geuren aan mijn rechterzij
Verkwikkelijke dranken zijn voorradig links van mij
Maar hoe ik grijp, en hoe ik rek, ik kan er    net      niet

Drs. P

Terug - Top


Kirke en Odysseus

Zij stonden samen aan de steile kust,
Betooverd en onttooverd na die nacht,
De zwijnen weer naar 't schip teruggebracht,
Tot man herleid, en met 'n goed woord gesust.

Zij sprak: "Opdat gij weer in de armen rust
Van haar die meer dan mij uw tooverkracht
Behoort, en die gij minder aarz'lend kust,
Daal af in de Hades, waar 't orakel wacht,

De branding ruischte, en hij zag haar aan,
En wist: bij 't liefdesspel, die nacht begaan,
Had zij een and're naam hem hooren fluist'ren.

Zij straft en beloonde als een vrouw:
Zij bràcht hem thuis, maar om zijn huw'lijkstrouw
Zou zij zijn weg tot 't einde toe verduist'ren.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Aktaion

Toen hij nadat de druppelen hem raakten
Zijn laag viervoetig vluchten over beken,
Rotsen, paden, waar hij vroeger vaak ter
Jacht gegaan was, aanving, - en na 't breken

Van takken onder speerworp haast bezweken
Ter neer lag: toen stief zijn menschzijn uit en maakte
Traag plaats voor 't ruige, bruine, dat nu braak te
Liggen kwam achter het hoornen teeken,

Waarmee de kuische wraak van de godin der maan
Hem wild bezwaard had in een licht verplaatsen
Harer hand. - De mensch zag, en zag 't laatste,

Het rijzig beeld van zijn vermeetlen waan,
Maar ook het andre vlood: als haar weerkaatsing
Zag 't stervend dier een witte hinde staan...

Simon Vestdijk

Terug - Top


Ikaros

Het was hun een'ge kans om te ontsnappen.
Het Labyrinth was kil, en 't heimwee groot.
De vader wist: een wedstrijd met de dood...
De zoon wist niets, en volgde alle stappen

Met heel 't vertrouwen van de tochtgenoot
Van een meesterlijk man: hij maakte grappen
Over het vleugelpaar dat dicht kon klappen
En dat met was aan beider schouders sloot.

De vader wist: als ik hem waarschuw, stort
Hij neer, omdat hij dan onzeker wordt;
Daarom gezwegen van het doodsgevaar!

De zoon wist niets, bewoog het vleugelpaar
In staat'ge rust, -tot aan zijn val in zee
Was híj de ware meester van de twee.

Simon Vestdijk

                         Analyse Leo Nellissen

Terug - Top


Philemon en Baucis

Op zoek in 't Phrygisch land naar de gastvrijen,-
Uit hoofde van hun bokkige natuur
Te dun gezaaid helaas in die contreien,-
Stapten de twee goden in 't avonduur,

Als mensch vermomd, naar de armoed'ge schuur,
Waar Baucis sinds onheugelijke tijden
De ruwe wol spon en hurkend bij 't vuur
Voor haar Philemon 't avondmaal bereidde.

De oudjes schrokken, haalden kaas en honing
En wildbraad en wijn en menige zaak
Die zij voor het oogstfeest wilden bewaren.

De goden, zeer verzadigd in die woning,
Besloten 't land te straffen, niet uit wraak,
Maar enkel om die twee te kunnen sparen.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Narkissos

Holoogig spiegelbeeld van 't groot verdwazen...
Zijn wij dit zelf? Is het een ander niet
Die ons zoo duldloos toelonkt uit het riet
Als waaz'ge deelgenoot van onze extase?

Nooit staat het vast wat men in water ziet;
Geen peil is er te trekken op het glazen
Geheim, waarvan wij nimmer meer genazen
Sinds deze vocht'ge schoonheid ons verried.

Verried aan wie? Wellicht aan derden, vierden,
Die wankelend van golf op golf vertrokken
Naar de and're oever, van het beeld geschrokken?

Eens keert het weer. Eens staart er, laatst verraad,
Uit deze schomm'ling, die haar drift uitvierde,
De stilte van 't oorspronkelijk stil gelaat.

Simon Vestdijk

Terug - Top


Woordjes leren

Jongens, heb je verdriet,
sprak toen de leraar Grieks,

dan moet je woordjes leren, woordjes
leren. Hij knikte energiek

zodat er as viel op zijn vest,
maar dat was toch al vies.

Wij lachten halfvertederd,
halfmeewarig, want tragiek

daar wist je alles van en hij,
heel oud, haast vijftig, niets.

En dat het overging als je maar
woordjes leerde, dat was iets

zo absurds, zo dolkomieks
dat het in omloop kwam als een

gevleugeld woord. Het klapwiekt
nu verdrietig om mij heen

omdat ik later woordjes leerde
waarmee je 't monster kunt bezweren

en ik hem niet meer zeggen kan
hoe ik soms naar die stem verlang,
naar dat onhandige advies.

Jan Eijkelboom

Terug - Top