Schenking van Constantijn

 

Nederlandse vertaling van de Verordening van Constantijn, ook bekend als
de Schenking van Constantijn: Constantijn de Grote schenkt
de macht over het west-Romeinse rijk aan paus Silvester I.

Deze oorkonde is een vervalsing uit de achtste eeuw: pausen probeerden
hiermee hun wereldlijke macht uit te breiden ten koste van de keizers.

 

Download het e-boek

Constitutum Constantini, de schenking van Constantijn
Vertaling door Leo Nellissen
Stilus 2012
ISBN 978-90-808719-0-8

 

Of lees de afzonderlijke onderdelen:
Inleiding
Nederlandse vertaling
Latijnse tekst

 

Aanvulling augustus 2013:
In 1993 is de vertaling van R.F.M. Brouwer verschenen in:
Dante Alighieri, De Monarchie en andere politieke teksten, p. 245-252.
De capita 3 (deels), 4 en 5 zijn niet vertaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding Constitutum Constantini

De Schenking van Constantijn is bekend en berucht: keizer Constantijn de Grote (306-337) plaatst de paus boven de keizer. Het document is (in de vijftiende eeuw door Lorenzo Valla ontmaskerd als) een vervalsing (uit de achtste eeuw). Als samenvatting is dit kort en accuraat: weinigen hebben de tekst zelf gelezen.

Deze publicatie geeft een Nederlandse vertaling met daarnaast het Latijnse origineel. De vertaling probeert het weerbarstige Latijn in leesbaar Nederlands weer te geven.
      Wie het Latijn leest, merkt dat de grammatica niet altijd de regels van het klassieke Latijn volgt, maar dat de inhoud daar niet onder lijdt. Het juridisch jargon is niet storend.
      Niet alle superlativi zijn als overtreffende trap vertaald en soms zijn voornaamwoorden weggelaten of toegevoegd. De zinslengte is aangepast aan het Nederlands. Voor moderne oren inconsequent woordgebruik is gebleven: in § 1 wordt Silvester heilig én zalig genoemd en de apostel Petrus is meestal zalig en een enkele keer heilig.

De Latijnse tekst is de editie van Horst Fuhrmann (Monumenta Germaniae Historica, 1968). Zijn editie met kritisch apparaat is te lezen via www.bsb-muenchen.de.
      In vier gevallen heb ik de voorkeur gegeven aan een lezing uit dat kritisch apparaat: § 9, consignationem, § 12, stabilitatem, § 17, omnis, en § 19, subiacentem.

Verwijzingen naar de Bijbel zijn (uiteraard) aanwezig. Duidelijk in het oog springen in § 4 het begin van Genesis en Johannes 1.14, in § 10 Psalm 96.5 en Matteüs 16.18-19 en in § 13 Marcus 6.43.

Voor wie meer wil lezen en weten over het Constitutum (of Donatio) Constantini: Wikipedia biedt een goed (Engelstalig) startpunt. Daar zijn onder andere een link naar een Engelse vertaling van Valla's weerlegging en een link naar een uitgebreid artikel over de Verordening in de Catholic Encyclopedia te vinden. Andere zaken zijn via zoekmachines vrij eenvoudig op te sporen.

Ik dank Emanuel van Dongen en Lucette Meijer-van Gorp voor hun commentaar op de vertaling. De vertaling is, met de Latijnse tekst, ook te lezen op www.stilus.nl/donatio.

18 augustus 2012

Leo Nellissen

 

                                                                                           TOP                                                                                           

 

VERORDENING VAN CONSTANTIJN

1. In de naam van de heilige en ondeelbare drie-eenheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Keizer Caesar Flavius Constantijn in Jezus Christus (één van diezelfde heilige drie-eenheid, onze Heiland, Heer en God), trouw, mild, groots, vriendelijk, zegevierend over Alamannen, Gothen, Sarmaten, Germanen, Britten en Hunnen, vroom, gelukkig, overwinnaar en triomfator, altijd verheven, [groet] de heilige en zalige vader der vaderen Silvester, bisschop van de stad Rome en paus, al zijn opvolgers (de pausen die tot aan het einde der tijden op de stoel van de zalige Petrus zullen zitten) en ook alle eerbiedwaardige en aan God beminnelijke katholieke bisschoppen, die in de hele wereld door deze keizerlijke verordening van ons onderworpen zijn aan dezelfde alheilige Romeinse kerk en die nu en in de toekomst en in het verleden aangesteld zijn. [Moge er] door God de almachtige Vader, Jezus Christus zijn Zoon en de Heilige Geest genade, vrede, naastenliefde, vreugde, volharding en barmhartigheid [zijn] met u allen.

2. Onze milde Hoogheid heeft ernaar gestreefd de zaken die de Heiland en Redder, God onze Heer Jezus Christus, zoon van de hoogste Vader, op wonderlijke wijze wilde uitvoeren door zijn heilige apostelen Petrus en Paulus, door tussenkomst van onze vader Silvester, hoogste bisschop en gemeenschappelijke paus, te vergroten met een heldere uiteenzetting door middel van de tekst van deze keizerlijke verordening van ons tot kennisneming door alle volken in de hele wereld. Om te beginnen tonen we ons geloof met de diepste belijdens van ons hart om de geesten van u allen te onderwijzen. In het geloof zijn we onderricht door onze uitzonderlijke en zalige vader en leraar Silvester, gemeenschappelijke paus, om de geesten van u allen te onderwijzen. En zo verkondigen we dan Gods barmhartigheid die over ons uitgegoten is.

3. Wij willen immers dat u weet, zoals wij al eerder hebben aangegeven in onze bevelschrift betreffende civiele zaken, dat wij zijn afgestapt van de verering van afgoden, van door mensenhand gemaakte doofstomme beelden, van duivelse maaksels en van de hele santenkraam van Satan. En dat wij overgegaan zijn tot het zuivere geloof van de Christenen, dat het ware licht en het eeuwige leven is. Overeenkomstig het onderricht van onze welwillende en hoogste vader en leraar Silvester, paus, geloven wij in God de almachtige Vader, de Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is en in Jezus Christus, zijn enige Zoon, God onze Heer, door wie alles geschapen is, en in de Heilige Geest die Heer is en het leven geeft aan heel de schepping. Wij erkennen hen, Vader en Zoon en Heilige Geest, dat er in de volmaakte drie-eenheid zowel volledigheid van goddelijkheid als eenheid van macht is. De Vader is God, de Zoon is God en de Heilige Geest is God. Deze drie zijn één in Jezus Christus. Drie verschijningsvormen dus, maar één macht.

4. Want de in het verleden altijd wijze God heeft vanuit zichzelf het Woord gegeven, waardoor altijd de eeuwen geboren moesten worden. En toen hij met alleen datzelfde Woord van zijn wijsheid vanuit het niets de hele schepping heeft voortgebracht, was hij met het Woord en heeft hij alles samengesteld door zijn geheime mysterie. Na voltooiing van de deugden van de hemel en de algehele materie van de aarde heeft hij dus met de vrome wil van zijn wijsheid de eerste mens gemaakt uit de modder van de aarde naar zijn eigen beeld en gelijkenis. Deze mens heeft hij in het paradijs van het genot geplaatst. De oude slang en jaloerse vijand, de duivel, heeft hem door de bittere smaak van de verboden boom uitgesloten van hetzelfde geluk. En na diens verbanning is de duivel niet gestopt zijn giftige pijlen op vele manieren af te schieten, om de menselijke soort van de weg van de waarheid af te trekken en te overreden zich te wijden aan de verering van afgoden (namelijk de schepping) en niet aan de Schepper. Immers, door deze mensen kon hij wie hij kon strikken in zijn netten, bij zich laten branden in eeuwige pijn. Maar onze God, vol medelijden met zijn schepping, stuurde zijn heilige profeten door wie hij het licht van het toekomstige leven, de komst van zijn eigen Zoon, God onze Heer Jezus Christus, de Heiland, aankondigde. Hij stuurde zijn eniggeboren Zoon en het Woord van de wijsheid. Deze Zoon daalde af uit de hemel voor onze redding en is geboren uit de Heilige Geest en de maagd Maria. Het Woord is vlees geworden en woonde in ons. Hij verloor niet wat hij was geweest, maar begon te zijn wat hij niet was: volmaakte God en volmaakte mens. Als God voltooide hij wonderen en als mens verdroeg hij het menselijk lijden. Zoals we door de verkondiging van onze vader Silvester, paus, de ware God ook als ware mens erkennen, zo twijfelen we er op geen enkele manier aan dat de ware God de ware mens is geweest. Na de uitverkiezing van de twaalf apostelen heeft hij geschitterd door zijn wonderen te midden van hen en een menigte ontelbare mensen. Wij erkennen dat dezelfde Heer Jezus Christus de Wet en de profeten heeft vervuld, dat hij geleden heeft, gekruisigd is en volgens de Schrift op de derde dag uit de dood is verrezen, dat hij is opgenomen in de hemel en zit aan de rechterhand van de Vader en dat hij zal komen om te oordelen over de levenden en de doden. En aan zijn Rijk zal geen einde komen.

5. Dit is immers ons rechtzinnige geloof dat ons door onze zalige vader Silvester, paus, is getoond. Daarom sporen wij al onze onderdanen en de verschillende buitenlandse volkeren aan dit geloof na te leven, in ere te houden en te verkondigen, in naam van de heilige drie-eenheid de genade van de doop te verwerven en met toegewijd hart onze Heer Jezus Christus, de Heiland, te vereren, die met de Vader en met de Heilige Geest leeft en heerst tot in de eeuwigheid en die onze zalige vader Silvester, gemeenschappelijke paus, verkondigt.

6. Want God onze Heer, vol medelijden met mij als zondaar, heeft zelf zijn heilige apostelen gestuurd om ons te bezoeken en hij heeft de schittering van zijn aanzien in ons gestopt; jullie moeten dankbaar zijn dat ik uit de duisternis ben weggerukt en tot het ware Licht en het inzicht van de Waarheid ben gekomen. Want toen een zware en smerige melaatsheid heel het vlees van mijn lichaam was binnengedrongen en er veel artsen bijeengekomen waren om mij hiertegen te behandelen, kreeg ik van geen één mijn gezondheid terug. Bovendien kwamen de priesters van het Capitool erbij en zeiden dat er voor mij een brongebouw moest komen op het Capitool, dat dat bad gevuld moest worden met het bloed van onschuldige kinderen en dat ik gereinigd kon worden door een bad in dat warme bloed. Er waren heel veel onschuldige kinderen bijeengebracht, zoals ze gezegd hadden. Toen de goddeloze, heidense priesters hen wilden slachten en het bad met hun bloed wilden vullen, zag onze Hoogheid de tranen van hun moeders. Meteen huiverde ik voor de daad en vol medelijden met hen gaven wij bevel aan hen de eigen kinderen terug te geven. Wij hebben voor wagens gezorgd en geschenken gegeven en de mensen blij naar huis terug laten gaan.

7. Toen diezelfde dag voorbij was, heerste er voor ons een nachtelijke stilte. Toen de tijd van slapen gekomen was, waren daar de apostelen, de heilige Petrus en Paulus, en zeiden mij: "Omdat jij een eind gemaakt hebt aan de misdrijven en huiverde voor het vergieten van onschuldig bloed, zijn wij gestuurd door Christus, God onze Heer, om jou raad te geven je gezondheid terug te krijgen. Hoor dus onze raadgevingen aan en doe alles wat wij je onthullen. Silvester, bisschop van de stad Rome, vlucht voor jouw vervolgingen naar het Soracte-gebergte en houdt zich met zijn geestelijken verborgen in grotten. Wanneer je hem bij je hebt laten komen, zal hij jou een vijver van vroomheid tonen. Als hij je daarin voor de derde keer onderdompelt, zal die hele lepra-ziekte je verlaten. Als dat gedaan is, bewijs dan de Heiland de tegenprestatie dat alle kerken in heel de wereld op jouw bevel hersteld worden. Maar reinig je zelf op het volgende punt: dat je elk bijgeloof in afgoden achter je laat en de levende en ware God, die alleen en waar is, aanbidt en vereert om met zijn Wil in verbinding te staan."

8. Ik werd dus meteen wakker uit mijn slaap en ik voerde zonder meer de goede raad van de heilige apostelen uit. De voortreffelijke en welwillende vader, de brenger van het geestelijk licht, Silvester, gemeenschappelijke paus, werd erbij geroepen en ik vertelde alle woorden die ik eerder van de heilige apostelen had vernomen. Wij ondervroegen hem wie die goden, Petrus en Paulus, waren. Hij zei dat zij geen goden genoemd moeten worden, maar apostelen van God onze Heer, Jezus Christus, de Heiland. En opnieuw begonnen we dezelfde zalige paus te ondervragen, of hij een duidelijke afbeelding had van die apostelen om van dat plaatje te weten te komen dat zij het waren die de openbaring had laten zien. Toen gaf dezelfde eerbiedwaardige vader opdracht dat afbeeldingen van dezelfde apostelen door zijn diaken getoond werden. Toen ik daarnaar keek en de gezichten van de mannen wier vormen ik in mijn slaap had gezien, op die afbeeldingen had herkend, bekende ik met luid geschreeuw in tegenwoordigheid van al mijn landvoogden dat zij het waren die ik in mijn slaap gezien had.

9. Onze zalige vader Silvester, bisschop van de stad Rome, legde ons vervolgens een periode van boetedoening op in een boetekleed in één slaapkamer in ons Lateranen-paleis. Het doel daarvan was om voor alles wat wij op goddeloze wijze gedaan en op onrechtvaardige wijze bevolen hadden, door waken, vasten, tranen en gebeden bij God onze Heer, Jezus Christus, de Heiland, [vergiffenis] te verkrijgen. Daarna kwam ik door handoplegging van de geestelijken bij de paus zelf. En daar nam ik afstand van de santenkraam van Satan en van zijn werken en alle handgemaakte afgodenbeelden en ik verklaarde uit eigen vrije wil, in aanwezigheid van alle mensen, dat ik geloofde in God de almachtige Vader, de Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is, en in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer, die geboren is uit de Heilige Geest en de maagd Maria. Het water van het Heil reinigde mij daar door een drievoudige onderdompeling, omdat het bad gezegend was. Want ik stond daar in de badkuip en ik zag met eigen ogen dat een hand uit de hemel me aanraakte. Door die hand gereinigd ging ik staan en jullie moeten je realiseren dat ik compleet gereinigd ben van die smerige melaatsheid. Ik was gedoopt in de eerbiedwaardige bron en deed witte kleding aan. Hij gaf mij de zalving van het zalig oliesel, het zegel van de zevenvoudige Heilige Geest. Hij wreef de banier van het heilige Kruis op mijn voorhoofd met de woorden: "God tekent jou met het zegel van zijn geloof in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest ten teken van het geloof." Alle geestelijken antwoordden: "Amen." De paus voegde toe: "Vrede met u."

10. En zo realiseerde ik me op de eerste dag na ontvangst van het mysterie van de heilige doop en na de lichamelijke genezing van die smerige melaatsheid dat er geen andere god is dan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De zalige paus Silvester verkondigt hem als drie-eenheid in eenheid en eenheid in drie-eenheid. Want alle goden van de heidenen, die ik tot nu toe vereerd heb, worden beschouwd als demonen, als door mensen gemaakte werken. Hoe groot de macht is die onze Heiland aan zijn zalige apostel Petrus in de hemel en op aarde gegeven heeft, toen hij door zijn vraag diens trouw ontdekte, heeft de eerbiedwaardige vader ons glashelder verteld. Hij zei: "Jij bent Petrus, en op deze rots zal ik mijn kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen." Machtige heren, let op en spits het oor van uw hart op wat de goede Meester en Heer zijn leerling toevertrouwde toen hij zei: "En aan jou zal ik de sleutels van het koninkrijk der hemelen geven; al wat jij op aarde zult hebben verbonden, zal ook verbonden zijn in de hemel en al wat jij op aarde losgemaakt zult hebben, zal ook losgemaakt zijn in de hemel." Het is heel wonderlijk en roemrijk, dat 'op aarde verbinden en losmaken' ook betekent 'in de hemel verbonden en losgemaakt'.

11. Ik vernam deze dingen, toen de zalige Silvester ze verkondigde, en ik kwam te weten dat mijn gezondheid compleet hersteld was door de weldaden van de zalige Petrus in eigen persoon. Samen met al onze landvoogden en heel de senaat, met de edelen en heel het Romeinse volk dat ondergeschikt is aan de roem van onze macht, vonden wij het nuttig dat, zoals er op aarde een plaatsvervanger van de Zoon van God ingesteld lijkt te zijn, zo ook de pausen, die de positie van de eerste van de apostelen bekleden, van ons en onze staat de macht van de heerschappij in ruimere mate ontvangen dan dat die macht de zachtzinnigheid van onze keizerlijke Hoogheid op aarde schijnt toe te komen. Wij kiezen de eerste van de apostelen en zijn plaatsvervangers uit als onze betrouwbare beschermheren bij God. En zoals de keizerlijk macht op aarde van ons is, hebben wij besloten zijn alheilige Romeinse kerk eerbiedig te eren en de allerheiligste stoel van de zalige Petrus uitbundiger te prijzen dan ons rijk en onze aardse troon. En aan die stoel kennen we macht, roemvolle waardigheid, kracht en keizerlijke eer toe.

12. En wij besluiten en bepalen dat hij de heerschappij bezit zowel over de vier belangrijke zetels in Antiochië, Alexandrië, Constantinopel en Jeruzalem, als ook over alle kerken van God in de hele wereld. Dat de paus die op een gegeven moment aan het hoofd staat van de alheilige Romeinse kerk, als hoger dan en voornaamste van alle priesters van heel de wereld geldt. En dat alles wat verzorgd moet worden voor de eredienst van God en voor de standvastigheid van het geloof van de Christenen, ingericht wordt volgens zijn oordeel. Want het is rechtvaardig dat de heilige wet de hoofdzetel van zijn heerschappij heeft, waar de gever van de heilige wetten, onze Heiland, voorschreef dat de zalige Petrus de stoel van het apostolaat bezette, waar hij ook de dwarsbalk van het kruis hield en de beker van de zalige dood dronk en waar hij zich een volgeling van zijn Leermeester en Heer toonde. En dat ook de heidenen hun hoofd buigen voor de belijdenis van de naam van Christus, waar hun leraar, de zalige apostel Paulus, na zijn onthoofding gekroond is om zijn martelaarschap voor Christus. En dat zij tot aan het einde der tijden hun leraar op kunnen zoeken, waar het heilige lichaam van die leraar rust. En dat zij, op hun knieën en vernederd, onderworpen zijn aan de hemelse Koning, onze God Jezus Christus, de Heiland, waar zij trots de macht van de aardse koning dienden.

13. Ondertussen willen wij dat alle mensen van alle stammen en volken in de hele wereld weten dat wij binnen ons Lateranen-paleis voor God onze Heer, Jezus Christus, de Heiland, een kerk met een doopkapel gebouwd hebben, van de grond af. En dat jullie weten dat wij voor de fundamenten daarvan twaalf manden (overeenkomstig het aantal van de twaalf apostelen) gevuld met grond op eigen schouders daarheen hebben gedragen. Wij bepalen dat deze alheilige kerk de belangrijkste en het hoofd van alle kerken in de hele wereld genoemd wordt en als zodanig vereerd, aanbeden en verkondigd wordt, zoals wij besloten hebben door onze andere keizerlijke decreten. Zo hebben we ook de kerken van de zalige Petrus en Paulus, de voornaamste apostelen, gebouwd, die we verrijkt hebben met goud en zilver. Daar hebben we ook hun heilige lichamen met grote eer begraven: we hebben barnstenen kisten gemaakt (geen enkele stof is sterker dan barnsteen). En we hebben ook een kruis van puur goud met kostbare edelstenen op hun afzonderlijke kisten geplaatst en met gouden spijkers bevestigd. Deze [kerken] hebben wij stukken grond van onze bezittingen aangeboden voor de vervaardiging van waskaarsen en we hebben hen met andere zaken verrijkt. We hebben door onze keizerlijke bevelschriften aan hen onze vrijgevigheid verleend in zowel de oostelijke als de westelijke en ook in de noordelijke of zuidelijke streken (namelijk Judea, Griekenland, Klein-Azië, Thracië, Noord-Afrika en Italië en de tegenoverliggende eilanden); dit in de overweging om alles door de hand van onze zalige vader Silvester, paus, en zijn opvolgers in te laten richten.

14. Laat al onze onderdanen en de buitenlandse volkeren in de hele wereld zich met ons verheugen. Wij sporen iedereen aan dat jullie aan onze God Jezus Christus, de Heiland, samen met ons onmetelijke dank brengen, omdat God zelf boven in de hemel en hier beneden op aarde, die ons door zijn heilige apostelen bezocht, ons waardig maakte het heilige sacrament van de doop en lichamelijke gezondheid te ontvangen. In ruil hiervoor kennen wij toe en dragen wij vanaf nu over aan de heilige apostelen, mijn heren, de zalige Petrus en Paulus, en door hen ook aan onze zalige vader Silvester, hoogste bisschop en gemeenschappelijke paus van de stad Rome, en aan alle pausen die hem opvolgen en tot aan het einde der tijden op de stoel van de zalige Petrus zullen zitten, het paleis van ons rijk: het Lateranen-paleis dat zich van alle paleizen in de hele wereld onderscheidt en er bovenuit steekt. Daar komen de diadeem (de kroon op ons hoofd) bij, de tiara, de schoudermantel (de band die normaal gesproken om de keizerlijke hals zit), ja zelfs de purperen staatsiemantel, het rode tuniek en alle keizerlijke kledij. Ook bieden wij een eervolle lijfwacht keizerlijke ruiters en de keizerlijke scepters, de veldtekens en lansen, ook de banieren en de verschillende keizerlijke versierselen. En de hele entourage van onze keizerlijke toppositie en de roem van onze macht.

15. Want wij bepalen dat de eerwaarde mannen, de geestelijken van verschillende ordes, die de alheilige Romeinse kerk dienen, de entourage, de bijzondere positie, macht en voortreffelijkheid bezitten, waarvan de roem onze aanzienlijke senaat aanzien schijnt op te leveren. Wij maken dus bekend dat zij tot patriciërs en consuls benoemd worden en dat zij met de overige keizerlijke waardigheden bekleed worden. En wij besluiten dat de geestelijkheid van de alheilige Romeinse kerk onderscheiden wordt, zoals de keizerlijke soldaten. En zoals de keizerlijke macht wordt geëerd met verschillende functionarissen (toegerust met kamerheren, portiers en allerlei lijfwachten) willen we dat ook de heilige Romeinse kerk geëerd wordt. Om de pauselijke waardigheid heel breed te laten schitteren, besluiten we dat, zoals de geestelijken van deze heilige Romeinse kerk in linnen mantels (met een helderwitte kleur dus) gekleed gaan, ook hun paarden uitgedost worden, en zo bereden worden. En dat [de geestelijken] glans ontlenen aan schoenen van vilt (van wit linnen dus), zoals onze senaat ze gebruikt. De bedoeling is dat ook het aardse zich tot eer van God versiert, net zoals het hemelse. Maar boven alles kennen wij aan onze heilige vader Silvester, bisschop van de stad Rome en paus, en aan alle zalige pausen die na hem tot in de eeuwigheid als opvolgers komen, de vrijheid toe tot eer en roem van Christus, onze God, uit onze senaat iemand die die geheel uit eigen overtuiging geestelijke wil worden, op te nemen in dezelfde grote katholieke en apostolische kerk van God of in een groep monniken. En die persoon wordt verondersteld dit in alle nederigheid te doen.

16. Wij hebben dus ook het volgende besloten, dat onze eerbiedwaardige vader Silvester, paus, en alle pausen die hem opvolgen, de diadeem (de kroon, die wij van ons hoofd aan hem hebben toegestaan, uit puur goud en kostbare edelstenen) moeten gebruiken en, tot lof van God en ter ere van de zalige Petrus, op hun hoofd moeten dragen. De heilige paus zelf is tot geestelijke gewijd boven de kroon die hij draagt ter ere van de zalige Petrus, en hij stond het helemaal niet toe de gouden kroon te gebruiken. Maar wij hebben met onze handen de tiara die met schitterende glans de prachtige opstanding van de Heer uitbeeldt, op zijn heilige kruin geplaatst. En we hebben de teugel van zijn paard vastgehouden en bewezen hem daarmee de diensten van een stalknecht, uit eerbied voor de zalige Petrus. Wij hebben besloten dat alle pausen die hem opvolgen, allemaal dezelfde tiara mogen dragen in processies in navolging van onze macht.

17. Zodat de pauselijke macht niet zijn waarde verliest, maar veel meer dan de macht van het aardse keizerrijk en de kracht van roem verheerlijkt wordt, kijk: wij geven ons paleis (zoals al gezegd is) en de provincies, plaatsen en steden van de stad Rome, heel Italië en de westelijke gebieden, aan de vaak genoemde onze zalige vader Silvester, bisschop en gemeenschappelijke paus. En door ons betrouwbaar, keizerlijk oordeel dragen we dit over in de macht en zeggenschap van hem en de pausen die hem opvolgen. Wij besluiten door deze keizerlijke brief en verordening betreffende civiele zaken van ons dat dit alles zo ingericht wordt en wij staan toe dat dit alles afhankelijk van de heilige, Romeinse kerk blijft.

18. Daarom hebben wij voorzien dat het passend is dat ons keizerrijk en de heerschappij van ons rijk naar de oostelijke gebieden verplaatst en verzet wordt, dat er in de provincie Byzantium op een uitmuntende plek een stad met onze naam gebouwd wordt en dat daar ons keizerrijk gevestigd wordt. Het is namelijk niet juist dat, waar de heerschappij van priesters en het hoofd van de christelijke godsdienst door de hemelse keizer gevestigd is, daar ook de aardse keizer macht heeft.

19. Wij besluiten dat dit alles wat wij door deze keizerlijke brief van ons en door andere keizerlijke decreten hebben besloten en bevestigd, tot aan het einde der tijden onverminderd en onwrikbaar moet blijven bestaan. Daarom verzekeren wij plechtig ten overstaan van de levende God die ons opdroeg te regeren, en ten overstaan van zijn vreeswekkend oordeel door deze keizerlijke verordening van ons, dat alle keizers die ons opvolgen, alle edelen en ook landvoogden, de aanzienlijke senaat en heel het volk in de hele wereld dat nu en in de toekomst en in het verleden onder ons gezag valt - dat niemand van hen op wat voor manier dan ook dit alles wat door ons in een keizerlijk artikel aan de alheilige Romeinse kerk en al haar pausen is toegestaan, mag verhinderen, vernietigen of op enigelei wijze verbreken. Maar als iemand - wat wij niet geloven - dit schendt of veracht, dan hopen wij dat hij dan vastgeknoopt wordt en blootgesteld wordt aan eeuwige straffen. Dat hij merkt dat de voornaamste apostelen van God, de heilige Petrus en Paulus, zijn tegenstanders zijn in zijn huidige leven en dat in de toekomst. En dat hij brandt in het diepst van de hel en met de duivel en alle goddelozen ophoudt te bestaan.

20. Wij hebben de tekst van dit keizerlijke decreet van ons met onze eigen handtekening bekrachtigd en op het eerbiedwaardige lichaam van de zalige Petrus, eerste van de apostelen, gelegd. Daar hebben we aan dezelfde apostel van God beloofd, dat wij alles onwrikbaar handhaven en dat alles met instructies ter handhaving achtergelaten wordt voor de keizers die ons opvolgen. We hebben met goedkeuring van God onze Heer, Jezus Christus, de Heiland, aan onze zalige vader Silvester, hoogste bisschop en gemeenschappelijke paus, en door hem aan alle pausen die hem opvolgen, alles overgedragen om eeuwig en succesvol te bezitten.

De keizerlijke ondertekening: Moge de Godheid jullie, heilige en zalige vaders, vele jaren beschermen. Rome, 30 maart, tijdens het consulaat van de roemvolle mannen, onze heer Flavius Constantinus, de Augustus, voor de vierde keer, en Gallicanus.

 

                                                                                           TOP                                                                                           

 

CONSTITUTUM CONSTANTINI

1. In nomine sanctae et individuae trinitatis patris scilicet et filii et spiritus sancti.

Imperator Caesar Flavius Constantinus in Christo Iesu, uno ex eadem sancta trinitate salvatore domino deo nostro, fidelis mansuetus, maximus, beneficus, Alamannicus, Gothicus, Sarmaticus, Germanicus, Britannicus, Hunnicus, pius, felix, victor ac triumphator, semper augustus, sanctissimo ac beatissimo patri patrum Silvestrio, urbis Romae episcopo et papae, atque omnibus eius successoribus, qui in sede beati Petri usque in finem saeculi sessuri sunt, pontificibus nec non et omnibus reverentissimis et deo amabilibus catholicis episcopis eidem sacrosanctae Romanae ecclesiae per hanc nostram imperialem constitutionem subiectis in universo orbe terrarum, nunc et in posteris cunctis retro temporibus constitutis, gratia, pax, caritas, gaudium, longanimitas, misericordia a deo patre omnipotente et Iesu Christo filio eius et spiritu sancto cum omnibus vobis.

2. Ea quae salvator et redemptor noster dominus deus Iesus Christus, altissimi patris filius, per suos sanctos apostolos Petrum et Paulum, interveniente patre nostro Silvestrio summo pontifice et universali papa, mirabiliter operari dignatus est, liquida enarratione per huius nostrae imperialis institutionis paginam ad agnitionem omnium populorum in universo orbe terrarum nostra studuit propagare mansuetissima serenitas. Primum quidem fidem nostram, quam a praelato beatissimo patre et oratore nostro Silvestrio universali pontifice edocti sumus, intima cordis confessione ad instruendas omnium vestrum mentes proferentes et ita demum misericordiam dei super nos diffusam annuntiantes.

3. Nosse enim vos volumus, sicut per anteriorem nostram sacram pragmaticam iussionem significavimus, nos a culturis idolorum, simulacris mutis et surdis manufactis, diabolicis compositionibus atque ab omnibus Satanae pompis recessisse et ad integram Christianorum fidem, quae est vera lux et vita perpetua, pervenisse credentes iuxta id, quod nos isdem almificus summus pater et doctor noster Silvester instruxit pontifex, in deum patrem omnipotentem, factorem caeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium, et in Iesum Christum, filium eius unicum, dominum deum nostrum, per quem creata sunt omnia, et in spiritum sanctum, dominum et vivificatorem universae creaturae. Hos patrem et filium et spiritum sanctum confitemur, ita ut in trinitate perfecta et plenitudo sit divinitatis et unitas potestatis: pater deus, filius deus et spiritus sanctus deus, et tres unum sunt in Iesu Christo. Tres itaque formae, sed una potestas.

4. Nam sapiens retro semper deus edidit ex se, per quod semper erant gignenda saecula, verbum, et quando eodem solo suae sapientiae verbo universam ex nihilo formavit creaturam, cum eo erat, cuncta suo arcano componens mysterio. Igitur perfectis caelorum virtutibus et universis terrae materiis, pio sapientiae suae nutu ad imaginem et similitudinem suam primum de limo terrae fingens hominem, hunc in paradiso posuit voluptatis; quem antiquus serpens et hostis invidens, diabolus, per amarissimum ligni vetiti gustum exulem ab eisdem effecit gaudiis, eoque expulso non desinit sua venenosa multis modis protelare iacula, ut a via veritatis humanum abstrahens genus idolorum culturae, videlicet creaturae et non creatori, deservire suadeat, quatenus per hos eos, quos suis valuerit irretire insidiis, secum aeterno efficiat concremandos supplicio. Sed deus noster, misertus plasmae suae, dirigens sanctos suos prophetas, per quos lumen futurae vitae, adventum videlicet filii sui, domini dei et salvatoris nostri Iesu Christi, annuntians, misit eundem unigenitum suum filium et sapientiae verbum. Qui descendens de caelis propter nostram salutem natus de spiritu sancto et Maria virgine, verbum caro factum est et habitavit in nobis. Non amisit, quod fuerat, sed coepit esse, quod non erat, deum perfectum et hominem perfectum, ut deus mirabilia perficiens et ut homo humanas passiones sustinens. Ita verum hominem et verum deum praedicante patre nostro Silvestrio summo pontifice intellegimus, ut verum deum verum hominem fuisse nullo modo ambigamus; electisque duodecim apostolis, miraculis coram eis et innumerabilis populi multitudine coruscavit. Confitemur eundem dominum Iesum Christum adimplesse legem et prophetas, passum, crucifixum, secundum scripturas tertia die a mortuis resurrexisse, assumptum in caelis atque sedentem ad dexteram patris, inde venturum iudicare vivos et mortuos, cuius regni non erit finis.

5. Haec est enim fides nostra orthodoxa a beatissimo patre nostro Silvestrio summo pontifice nobis prolata; exhortantes idcirco omnem populum et diversas gentium nationes hanc fidem tenere, colere ac praedicare et in sanctae trinitatis nomine baptismi gratiam consequi et dominum Iesum Christum salvatorem nostrum, qui cum patre et spiritu sancto per infinita vivit et regnat saecula, quem Silvester beatissimus pater noster universalis praedicat pontifex, corde devoto adorare.

6. Ipse enim dominus deus noster, misertus mihi peccatori, misit sanctos suos apostolos ad visitandum nos et lumen sui splendoris infulsit nobis et abstracto a tenebris ad veram lucem et agnitionem veritatis me pervenisse gratulamini. Nam dum valida squaloris lepra totam mei corporis invasisset carnem, et multorum medicorum convenientium cura adhiberetur, nec unius quidem promerui saluti; ad haec advenerunt sacerdotes Capitolii, dicentes mihi debere fontem fieri in Capitolio et compleri hunc innocentium infantum sanguine et calente in eo loto me posse mundari. Et secundum eorum dicta aggregatis plurimis innocentibus infantibus, dum vellent sacrilegi paganorum sacerdotes eos mactari et ex eorum sanguine fontem repleri, cernens serenitas nostra lacrimas matrum eorum, ilico exhorrui facinus, misertusque eis proprios illis restitui praecepimus filios, datisque vehiculis et donis concessis gaudentes ad propria relaxavimus.

7. Eadem igitur transacta die, nocturna nobis facta silentia, dum somni tempus advenisset, adsunt apostoli sanctus Petrus et Paulus dicentes mihi: "Quoniam flagitiis posuisti terminum et effusionem sanguinis innocentis horruisti, missi sumus a Christo domino deo nostro, dare tibi sanitatis recuperandae consilium. Audi ergo monita nostra et fac quodcumque indicamus tibi. Silvester episcopus civitatis Romae ad montem Seraptem persecutiones tuas fugiens in cavernis petrarum cum suis clericis latebram fovet. Hunc cum ad te adduxeris, ipse tibi piscinam pietatis ostendet, in qua dum te tertio merserit, omnis te valitudo ista deseret leprae. Quod dum factum fuerit, hanc vicissitudinem tuo salvatori compensa, ut omnes iussu tuo per totum orbem ecclesiae restaurentur, te autem ipsum in hac parte purifica, ut relicta omni superstitione idolorum deum vivum et verum, qui solus est et verus, adores et excolas, ut ad eius voluntatem adtingas."

8. Exsurgens igitur a somno protinus iuxta id, quod a sanctis apostolis admonitus sum, peregi, advocatoque eodem praecipuo et almifico patre et illuminatore nostro Silvestrio universali papa, omnia a sanctis apostolis mihi praecepta edixi verba, percunctatique eum sumus, qui isti dii essent: Petrus et Paulus? Ille vero non eos deos debere dici, sed apostolos salvatoris nostri domini dei Iesu Christi. Et rursum interrogare coepimus eundem beatissimum papam, utrum istorum apostolorum imaginem expressam haberet, ut ex pictura disceremus hos esse, quos revelatio docuerat. Tunc isdem venerabilis pater imagines eorundem apostolorum per diaconem suum exhiberi praecepit. Quas dum aspicerem et eorum, quos in somno videram figuratos, in ipsis imaginibus cognovissem vultus, ingenti clamore coram omnibus satrapibus meis confessus sum eos esse, quos in somno videram.

9. Ad haec beatissimus isdem Silvester pater noster, urbis Romae episcopus, indixit nobis poenitentiae tempus intro palatium nostrum Lateranense in uno cubiculo in cilicio, ut omnia, quae a nobis impie peracta atque iniuste disposita fuerant, vigiliis, ieiuniis atque lacrimis et orationibus apud dominum deum nostrum Iesum Christum salvatorem impetraremus. Deinde per manus impositionem clericorum usque ad ipsum praesulem veni, ibique abrenuntians Satanae pompis et operibus eius vel universis idolis manufactis, credere me in deum patrem omnipotentem, factorem caeli et terrae, visibilium et invisibilium, et in Iesum Christum, filium eius unicum, dominum nostrum, qui natus est de spiritu sancto et Maria Virgine, spontanea voluntate coram omni populo professus sum; benedictoque fonte illic me trina mersione unda salutis purificavit. Ibi enim, me posito in fontis gremio, manu de caelo me contingente propriis vidi oculis; de qua mundus exsurgens, ab omni me leprae squalore mundatum agnoscite. Levatoque me de venerabili fonte, indutus vestibus candidis, septemformis sancti spiritus in me consignationem adhibuit beati chrismatis unctionem et vexillum sanctae Crucis in mea fronte linivit dicens: "Signat te deus sigillo fidei suae in nomine patris et filii et spiritus sancti in consignatione fidei." Cunctus clerus respondit: "Amen." Adiecit praesul: "Pax tibi."

10. Prima itaque die post perceptum sacri baptismatis mysterium et post curationem corporis mei a leprae squalore agnovi, non esse alium deum nisi patrem et filium et spiritum sanctum, quem beatissimus Silvester papa praedicat, trinitatem in unitate, unitatem in trinitate. Nam omnes dii gentium, quos usque hactenus colui, daemonia, opera hominum manufacta comprobantur etenim, quantam potestatem isdem salvator noster suo apostolo beato Petro contulerit in caelo ac terra, lucidissime nobis isdem venerabilis pater edixit, dum fidelem eum in sua interrogatione inveniens ait: "Tu es Petrus, et super hanc petram aedificabo ecclesiam meam, et portae inferi non praevalebunt adversus eam." Advertite potentes et aurem cordis intendite, quid bonus magister et dominus suo discipulo adiunxit inquiens: "Et tibi dabo claves regni caelorum; quodcumque ligaveris super terram, erit ligatum et in caelis et quodcumque solveris super terram, erit solutum et in caelis." Mirum est hoc valde et gloriosum, in terra ligare et solvere et in caelo ligatum et solutum esse.

11. Et dum haec praedicante beato Silvestrio agnoscerem et beneficiis ipsius beati Petri integre me sanitati comperi restitutum, utile iudicavimus una cum omnibus nostris satrapibus et universo senatu, optimatibus etiam et cuncto populo Romano, gloriae imperii nostri subiacenti, ut, sicut in terris vicarius filii dei esse videtur constitutus, etiam et pontifices, qui ipsius principis apostolorum gerunt vices, principatus potestatem amplius, quam terrena imperialis nostrae serenitatis mansuetudo habere videtur concessam, a nobis nostroque imperio obtineant; eligentes nobis ipsum principem apostolorum vel eius vicarios firmos apud deum adesse patronos. Et sicut nostra est terrena imperialis potentia, eius sacrosanctam Romanam ecclesiam decrevimus veneranter honorare et amplius, quam nostrum imperium et terrenum thronum sedem sacratissimam beati Petri gloriose exaltari, tribuentes ei potestatem et gloriae dignitatem atque vigorem et honorificentiam imperialem.

12. Atque decernentes sancimus, ut principatum teneat tam super quattuor praecipuas sedes Antiochenam, Alexandrinam, Constantinopolitanam et Hierosolymitanam, quamque etiam super omnes in universo orbe terrarum dei ecclesias; et pontifex, qui pro tempore ipsius sacrosanctae Romanae ecclesiae extiterit, celsior et princeps cunctis sacerdotibus totius mundi existat et eius iudicio, quaeque ad cultum dei vel fidei Christianorum stabilitatem procuranda fuerint, disponantur. Iustum quippe est, ut ibi lex sancta caput teneat principatus, ubi sanctarum legum institutor, salvator noster, beatum Petrum apostolatus obtinere praecepit cathedram, ubi et crucis patibulum sustinens beatae mortis sumpsit poculum suique magistri et domini imitator apparuit, et ibi gentes pro Christi nominis confessione colla flectant, ubi eorum doctor beatus Paulus apostolus pro Christo extenso collo martyrio coronatus est; illic usque in finem quaerant doctorem, ubi sanctum doctoris quiescit corpus, et ibi proni ac humiliati caelestis regis, dei salvatoris nostri Iesu Christi, famulentur officio, ubi superbi terreni regis serviebant imperio.

13. Interea nosse volumus omnem populum universarum gentium ac nationum per totum orbem terrarum, construxisse nos intro palatium nostrum Lateranense eidem salvatori nostro domino deo Iesu Christo ecclesiam a fundamentis cum baptisterio, et duodecim nos sciatis de eius fundamentis secundum numerum duodecim apostolorum cophinos terra onustatos propriis asportasse humeris; quam sacrosanctam ecclesiam caput et verticem omnium ecclesiarum in universo orbe terrarum dici, coli, venerari ac praedicari sancimus, sicut per alia nostra imperialia decreta statuimus. Construximus itaque et ecclesias beatorum Petri et Pauli, principum apostolorum, quas auro et argento locupletavimus, ubi et sacratissima eorum corpora cum magno honore recondentes, thecas ipsorum ex electro, cui nulla fortitudo praevalet elementorum, construximus et crucem ex auro purissimo et gemmis pretiosis per singulas eorum thecas posuimus et clavis aureis confiximus, quibus pro concinnatione luminariorum possessionum praedia contulimus, et rebus diversis eas ditavimus, et per nostras imperialium iussionum sacras tam in oriente quam in occidente vel etiam septentrionali et meridiana plaga, videlicet in Iudaea, Graecia, Asia, Thracia, Africa et Italia vel diversis insulis nostram largitatem eis concessimus, ea prorsus ratione, ut per manus beatissimi patris nostri Silvestrii pontificis successorumque eius omnia disponantur.

14. Gaudeat enim una nobiscum omnis populus et gentium nationes in universo orbe terrarum; exhortantes omnes, ut deo nostro et salvatori Iesu Christo immensas una nobiscum referatis grates, quoniam ipse deus in caelis desuper et in terra deorsum, qui nos per suos sanctos visitans apostolos sanctum baptismatis sacramentum percipere et corporis sanitatem dignos effecit. Pro quo concedimus ipsis sanctis apostolis, dominis meis, beatissimis Petro et Paulo et per eos etiam beato Silvestrio patri nostro, summo pontifici et universali urbis Romae papae, et omnibus eius successoribus pontificibus, qui usque in finem mundi in sede beati Petri erunt sessuri atque de praesenti contradimus palatium imperii nostri Lateranense, quod omnibus in toto orbe terrarum praefertur atque praecellet palatiis, deinde diademam videlicet coronam capitis nostri simulque frygium nec non et superhumerale, videlicet lorum, qui imperiale circumdare assolet collum, verum etiam et clamidem purpuream atque tunicam coccineam et omnia imperialia indumenta seu et dignitatem imperialium praesidentium equitum, conferentes etiam et imperialia sceptra simulque et conta atque signa, banda etiam et diversa ornamenta imperialia et omnem processionem imperialis culminis et gloriam potestatis nostrae.

15. Viris enim reverentissimis, clericis diversis ordinibus eidem sacrosanctae Romanae ecclesiae servientibus illud culmen, singularitatem, potentiam et praecellentiam habere sancimus, cuius amplissimus noster senatus videtur gloria adornari, id est patricios atque consules effici, nec non et ceteris dignitatibus imperialibus eos promulgantes decorari; et sicut imperialis militia, ita et clerum sacrosanctae Romanae ecclesiae ornari decernimus; et quemadmodum imperialis potentia officiis diversis, cubiculariorum nempe et ostiariorum atque omnium excubiorum ornatu decoratur, ita et sanctam Romanam ecclesiam decorari volumus; et ut amplissime pontificalis decus praefulgeat, decernimus et hoc, ut clerici eiusdem sanctae Romanae ecclesiae mappulis ex linteaminibus, id est candidissimo colore, eorum decorari equos et ita equitari, et sicut noster senatus calciamenta uti cum udonibus, id est candido linteamine illustrari: ut sicut caelestia ita et terrena ad laudem dei decorentur; prae omnibus autem licentiam tribuentes ipso sanctissimo patri nostro Silvestrio, urbis Romae episcopo et papae, et omnibus, qui post eum in successum et perpetuis temporibus advenerint, beatissimis pontificibus, pro honore et gloria Christi dei nostri in eadem magna dei catholica et apostolica ecclesia ex nostra synclitu, quem placatus proprio consilio clericare voluerit et in numero religiosorum clericorum connumerare, nullum ex omnibus praesumentem superbe agere.

16. Decrevimus itaque et hoc, ut isdem venerabilis pater noster Silvester, summus pontifex, vel omnes eius successores pontifices diademam videlicet coronam, quam ex capite nostro illi concessimus, ex auro purissimo et gemmis pretiosis uti debeant et eorum capite ad laudem dei pro honore beati Petri gestare; ipse vero sanctissimus papa super coronam clericatus, quam gerit ad gloriam beati Petri, omnino ipsam ex auro non est passus uti coronam, frygium vero candido nitore splendidam resurrectionem dominicam designans eius sacratissimo vertici manibus nostris posuimus, et tenentes frenum equi ipsius pro reverentia beati Petri stratoris officium illi exhibuimus; statuentes, eundem frygium omnes eius successores pontifices singulariter uti in processionibus ad imitationem imperii nostri.

17. Unde ut non pontificalis apex vilescat, sed magis amplius quam terreni imperii dignitas et gloriae potentia decoretur, ecce tam palatium nostrum, ut praelatum est, quamque Romae urbis et omnis Italiae seu occidentalium regionum provincias, loca et civitates saepefato beatissimo pontifici, patri nostro Silvestrio, universali papae, contradentes atque relinquentes eius vel successorum ipsius pontificum potestati et ditioni firma imperiali censura per hanc nostram divalem sacram et pragmaticum constitutum decernimus disponenda atque iuri sanctae Romanae ecclesiae concedimus permanenda.

18. Unde congruum prospeximus, nostrum imperium et regni potestatem orientalibus transferri ac transmutari regionibus et in Byzantiae provincia in optimo loco nomini nostro civitatem aedificari et nostrum illic constitui imperium; quoniam, ubi principatus sacerdotum et christianae religionis caput ab imperatore caelesti constitutum est, iustum non est, ut illic imperator terrenus habeat potestatem.

19. Haec vero omnia, quae per hanc nostram imperialem sacram et per alia divalia decreta statuimus atque confirmavimus, usque in finem mundi illibata et inconcussa permanenda decernimus; unde coram deo vivo, qui nos regnare praecepit, et coram terribili eius iudicio obtestamus per hoc nostrum imperialem constitutum omnes nostros successores imperatores vel cunctos optimates, satrapes etiam, amplissimum senatum et universum populum in toto orbe terrarum nunc et in posterum cunctis retro temporibus imperio nostro subiacentem, nulli eorum quoquo modo licere, haec, quae a nobis imperiali sanctione sacrosanctae Romanae ecclesiae vel eius omnibus pontificibus concessa sunt, refragare aut confringere vel in quoquam convelli. Si quis autem, quod non credimus, in hoc temerator aut contemptor extiterit, aeternis condemnationibus subiaceat innodatus, et sanctos dei principes apostolorum Petrum et Paulum sibi in praesenti et futura vita sentiat contrarios, atque in inferno inferiori concrematus, cum diabolo et omnibus deficiat impiis.

20. Huius vero imperialis decreti nostri paginam propriis manibus roborantes super venerandum corpus beati Petri, principis apostolorum, posuimus, ibique eidem dei apostolo spondentes, nos cuncta inviolabiliter conservare et nostris successoribus imperatoribus conservanda in mandatis relinqui, beatissimo patri nostro Silvestrio summo pontifici et universali papae eiusque per eum cunctis successoribus pontificibus, domino deo et salvatore nostro Iesu Christo annuente, tradidimus perenniter atque feliciter possidenda.

Et subscriptio imperialis: Divinitas vos conservet per multos annos, sanctissimi ac beatissimi patres. Datum Roma sub die tertio Kalendarum Aprilium, domino nostro Flavio Constantino augusto quater et Gallicano viris clarissimis consulibus.

 

                                                                                           TOP                                                                                           

 

Mochten er onverhoopt rechten overtreden worden op/door/met deze site, stuur dan even een mailtje zodat de plooien recht kunnen worden gestreken. Vragen en opmerkingen zijn welkom.

Leo Nellissen

Deze pagina maakt deel uit van www.STILUS.nl