CE 2019 LATIJN, Ovidius

 

*********************

Voor hulp bij het vertalen: klik hier voor Didasko.

DIDASKO ONLINE

*********************

Voor oude examens: klik hier.

*********************

Voor de gesproken teksten van het examenpensum: lees hieronder verder.

*********************

Scanderen: een heel opvallend vers. Actaeon, Met. III, 184.

*********************

Nogmaals Actaeon: Apuleius, Met. II, 4.

*********************

Basiswoorden voor het pensum Ovidius.

Als je deze 313 woorden leert, heb je een dekking van 62% van de woorden in het pensum.

De woordenlijst met betekenissen.

De woorden groen gemarkeerd in het pensum.

Memrise om de woorden te leren (even scrollen naar beneden).

*********************

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  *********************

Ook dit jaar heeft Thomas Bervoets de teksten van het pensum voorgedragen.
tekst: Latijn met lengtestrepen op de lange klinkers.
geluid: mp3-bestanden.
Reacties zijn altijd welkom! Stuur je mail naar
t.m.bervoets@planet.nl.

Metamorphoses I, 452-567, Apollo en Daphne (2018-01) tekst en mp3

Metamorphoses III, 131-252, Actaeon, compleet, met hondencataloog (2018-2 en 2018-3) tekst en mp3
Een heel opvallend vers: Actaeon, Met. III, 184.

Metamorphoses VIII, 611-724, Philemon en Baucis (2017-4) tekst en mp3

Tristia IV, 10, over zichzelf (2017-5) tekst en mp3

Heroides XVI, 163-240, Paris aan Helena (2017-6) tekst en mp3

Heroides XVII, 75-138, Helena aan Paris (2017-6) tekst en mp3

*********************

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  *********************

Vers 184 van boek 3 is een uitzonderlijke hexameter.

Thomas Bervoets heeft het vers als volgt genoteerd:

nūbibus, esse solett, aut purpureae ǀ Aurōrae

Drie zaken springen in het oog.

1. (so)let is het begin van de derde voet en dus lang,
hoewel de uitspraak (normaal gesproken) solĕt is.

2. De hiatus tussen purpureae en Aurorae.

3. Door de laatste vier lange lettergrepen wordt het een versus spondiacus.

Dit alles legt een enorme nadruk op Aurora.

Een mogelijke verklaring is dat Ovidius aan wil geven hoe hard Diana bloost, hoe fel van kleur ze wordt.

Een andere uitleg: Aurora is de zus van Helios en Selene. Voor de Romeinen dus de zus van Diana. Aurora heeft verscheidene liefdesaffaires met sterflijke jongemannen en is ook moeder van een aantal kinderen. Hiermee is zij de complete tegenpool van Diana.
Maar: een van de affaires van Aurora was Orion. Ook Diana heeft met Orion willen trouwen, maar Apollo heeft dit verhinderd door Diana vanuit de verte Orion te laten doden met een pijl.

De goede (beste) oplossing komt van Simon Roosjen: Actaeon zegt in vers 149-151 tegen zijn makkers dat de jacht verder gaat bij de terugkeer van Aurora. Echter, Aurora verschijnt iets eerder dan gedacht: als kleur op de boze dan wel schaamtevolle wangen van Diana. De jacht gaat, o ironie, inderdaad verder. Nu is Actaeon echter het opgejaagde wild! Er is dus alle reden om in dit vers een metrisch schokeffect in te bouwen!

*********************

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  *********************

Ook in de Metamorphoses (boek 2, caput 4) van Apuleius wordt het verhaal van Actaeon verteld.

 

In het wonderschone atrium verrees in ieder van de vier hoeken een zuil, die een standbeeld droeg, een beeld van de godin der overwinning, die stilstaand, de vleugels gespreid, met voeten zo fris als de dauw de wankele steun van een rollende kogel licht aanraakte, niet vastgehouden om daar te blijven, maar - zo kon men geloven - om ieder ogenblik haar vlucht te beginnen. En in het nauwkeurig gemeten midden van de gehele ruimte stond een Diana van Parisch marmer, een volmaakt kunstwerk. Met terugwapperend keled, met krachtige gang komt zij hun die binnentreden tegemoet, eerbiedwaardig door goddelijke majesteit. Honden flankeren de godin aan weerszijden, honden ook van steen, met dreigende ogen, gespitste oren, opengesperde neusgaten, woedende bek. Als van ergens nabij geblaf had weerklonken, dan kon men geloven dat het kwam uit die kelen van marmer. En waarin die voortreffelijke kunstenaar het hoogste bewijs van zijn beeldhouwkunst had geleverd: de honden richtten zich op met hoge borst, hun achterpoten bleven in rust, hun voorpoten liepen. Achter de godin verhief zich een tot grot uitgeholde rots met mos, gras, blaren en takken, hier met wijnranken, ginds met boompjes, alles opbloeiend uit steen. Daarbinnen verkreeg de schaduw van het beeld glans door het stralende marmer. Aan de uiterste rand van de rots hingen appels en druiven met meesterhand gebeeldhouwd, waaraan de kunst, de mededingster van de natuur, gelijkenis had gegeven met de werkelijkheid. Men kon zich verbeelden, dat men daarvan kon plukken om te weten, wanneer de mostrijke herfst hun de kleur der rijpheid had toegeademed en wanneer men voorovergebogen in de bron kijkt, die aan de voeten van de godin stromend zich rimpelt tot zacht gegolf, kon men geloven dat die druiventrossen als hingen zij op het open veld behalve de overige kenmerken van hun echtheid ook het vermogen der beweging niet ontbeerden. Midden tussen het uit steen gehouwen lover stak Actaeon, een marmeren held, het hoofd naar voren, een nieuwsgierige blik werpend op de godin; men zag hoe hij reeds bijna in een hert veranderd, in de grot en in de bron vol verwachting Diana bespiedde, als zij haar bad zou nemen.

Uit: De Gouden Ezel. Metamorphosen, roman van Apuleius, vertaald door M.A. Schwartz, Haarlem 1970

 

Atria longe pulcherrima columnis quadrifariam per singulos angulos stantibus attolerabant statuas, palmaris deae. Facies utraque pinnis explicitis, supergressu pilae volubilis, instabile vestigium plantis roscidis delibantes, nec ut maneant inhaerent et iam volare creduntur. Ecce lapis Parius in Dianam factus tenet libratam totius loci medietatem. Signum perfecte luculentum, veste reflatum, procursu vegetum, introeuntibus obvium et maiestate numinis venerabile. Canes utrimque secus Deae latera muniunt, qui canes et ipsi lapis erant. His oculi minantur, aures rigent, nares hiant, ora saeviunt et sicunde de proximo latratus ingruerit, eum putabis de faucibus lapidis exire, et in quo summum specimen operae fabrilis egregius ille signifex prodidit, sublatis canibus in pectus arduis pedes imi resistunt, currunt priores. Pone tergum Deae saxum insurgit, in speluncae modum muscis et herbis et foliis et virgulis et sicubi pampinis et arbusculis alibi de lapide florentibus. Splendet intus umbra signi de nitore lapidis. Sub extrema saxi margine poma et uvae faberrime politae dependent, quas ars aemula naturae veritati similes explicuit. Putes ad cibum inde quaedam, cum mustulentus autumnus maturum colorem afflaverit, posse decerpi. Etsi fontes, qui deae vestigio discurrentes in lenem vibrantur undam, pronus adspexeris, credes illos superne pendentes racemos inter cetera veritatis nec agitationis officio carere. Inter medias frondes lapidis Actaeon simulacrum curioso obtutu in Deam versum proiectus, iam in cervum ferinus et in saxo simul et in fonte loturam Dianam opperiens visitur.

Uit: Hildebrand, Leipzig 1842

*********************

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  *********************

Mochten er onverhoopt rechten overtreden worden op/door/met deze site, stuur dan even een mailtje zodat de plooien recht kunnen worden gestreken.

*********************

Deze pagina maakt deel uit van www.STILUS.nl.