Onderstaand artikel is verschenen in Jaarboek Numaga 2002, p.16-51.

Een aantal bijzondere tekens (met name kaders, getalstrepen en ligaturen) is op deze webpagina niet correct weergegeven. Waar een onvolkomen weergave begrip onmogelijk maakt is een ¤ geplaatst. Voor de correcte lezing raadplege men dan het Jaarboek.


LEO NELLISSEN EN LOUIS SWINKELS

In de Betouws opgedolven Verhandeling

Een overzicht uit het begin van de negentiende eeuw van militaire epigrafische bronnen uit het Romeinse Neder-Germanië.1

"... gewigtige stuk voor de Nederl[andse]. Geschiedenis. ... Het is met dat al mooi en nuttig. Ik hoop dat het zal gedrukt worden." Deze vriendelijke woorden van Ecco Epkema (1759-1832), vanaf 1813 rector van de Latijnse School in Middelburg, zijn destijds, in 1816, zonder resultaat gebleven.2 In de Betouws 'Verhandeling betreffende de overgeblevene Gedenkstukken van het Romeinsch krygsleger van Neder-Germanie, opgedolven in de omtrekken der aloude winterlegeringen' verschijnt nu pas, bijna tweehonderd jaar later, in druk. De publicatie van dit manuscript vergt enige introductie en verantwoording.

de auteur

De jurist en oudheidkundige Johannes In de Betouw werd in 1732 geboren in Nijmegen, waar hij in 1820 ook stierf. Zijn moeder was de kleindochter van Johannes Smetius junior (1634-1704), de bekende Nijmeegse predikant en oudheidkundige, auteur van Antiquitates Neomagenses, en de achterkleindochter van diens eveneens beroemde vader Johannes Smetius senior (1590-1651), auteur van Oppidum Batavorum. In de Betouw promoveerde in 1753 te Leiden in de rechten en vestigde zich als advocaat in Nijmegen. Hij werd lid van de raad en in 1798 volgde zijn benoeming tot lid van de commissie voor het ontwerpen van een burgerlijk wetboek voor de Bataafse republiek. Naast deze juridische carrière gaf hij zich over aan zijn oudheidkundige liefhebberijen.
De naam In de Betouw is vooral verbonden aan de Chronijk van de stad der Batavieren (1784). Dit werk staat op naam van zoon Gijsbert Cornelis, die ook de (Latijnse) correspondentie van Smetius senior heeft uitgegeven. Maar zonder twijfel mogen alle werken van Gijsbert op naam van Johannes gesteld worden, "omdat het geen op den naam van 's mans vooroverleden zoon, G.C. in de Betouw, uitgekomen is, grootendeels door den vader was bewerkt, die zulks ook, althans in de laatste jaren zijns levens, niet ontveinsde."3 Johannes In de Betouw heeft verder een groot aantal uitgaven over (Romeins) Nijmegen geschreven, in het Nederlands en in het Frans.4 Na zijn dood verwierf de universiteit van Leiden bij testament zijn bibliotheek, terwijl C. Reuvens (1793-1835), hoogleraar in de archeologie aan dezelfde universiteit, de Nederlandse staat probeerde te bewegen tot het aankopen van In de Betouws nagelaten collectie oudheden.5 Zowel op juridisch als op oudheidkundig vlak was In de Betouw een fameus man!

het manuscript

Het manuscript van de 'Verhandeling' is raadpleegbaar onder nummer 3334 in de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg. Het draagt nummer 18 N.a van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.6 De tekst is geschreven op 8 katernen van 8 pagina's elk. Deze katernen zijn aan elkaar genaaid. De afmetingen per pagina zijn 20,5 x 32 cm (b x h). De pagina's zijn, vóór gebruik, zowel in de lengte als in de breedte in vieren gevouwen geweest. Het bovenste en onderste kwart in de breedte is nog een keer gevouwen. Deze vouwen leverden In de Betouw de volgende bladspiegel op: de tekst staat in de drie rechtse kolommen (meestal 20 regels), in de meest linkse kolom noteert hij zijn bronnen. De bovenmarge is de vouwlijn op één achtste. In het onderste kwart staan over de hele breedte de noten, die arabisch genummerd tussen haakjes in de tekst staan. Een enkele noot loopt bij In de Betouw op een volgende pagina door vanwege ruimtegebrek. Er is geen ondermarge.
Om het eerste katern is een los vel gestoken, van dezelfde afmetingen als de katernen, maar van een andere papiersoort met als watermerk GEB ABRAHAMS, (kantoor)boekhandel in Middelburg. Het watermerk op het papier van In de Betouw bestaat uit de woorden PRO PATRIA, een ronde omheining met daarin een opgerichte leeuw en een vrouw, die beide naar links kijken, en de letters NP.7
Op de derde pagina van dit vel staan enkele aantekeningen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen:
"Vergad[ering] Perp[etueel]. Comm[itté].8 7 July 1813
Ontv[angen] van den H[ere]n Joh[anne]s In de Betouw eene Verhand[elin]g over de alsnog aanwezige Gedenkstukken van het Romeinsche Krygsleger van Neder-Germanië.
Gesteld in handen van V. Wyn, Te Water, Verheye van Citters benevens Pres[iden]t & secret[ari]s.9
Hierop is niets gevolgd: ten minste de Notulen tot & met ult[imo]10 Dec 1816 maken daarvan geene de minste melding."
Ook zit er een los velletje (9,5 x 20,5 cm) in het manuscript, betreffende een eventuele publicatie:
"W[el].E[del].G[eleerde]. Heer!
Dank voor de lezing van nevensgaande gewigtige stuk voor de Nederl[andse]. Geschiedenis. De Schryver had hier en daar nog wel gebruik kunnen gemaakt hebben van de Monumenta Paderbornensia,11 in 1713 uitgegeven, en vermoedelyk wat meer hebben doen uitdijen, zelfs ter bevoordering der duidelykheid. enz. Het is met dat al mooi en nuttig. Ik hoop dat het zal gedrukt worden.
Ik ben na minzame groete, gelyk steeds
T[otus].T[uus].12
E. Epkema"

de publicatie

In de Betouw was, zoals velen in zijn tijd, lid van meerdere wetenschappelijke genootschappen: van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, van het Koninklijk Instituut en van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.
13 Het is niet duidelijk waarom hij zijn 'Verhandeling' aangeboden heeft aan juist het Zeeuwsch Genootschap. In de Betouw behandelt hierin Romeinse inscripties die zijn gevonden in Neder-Germanië. Dit is de zuidoever van de Rijn tussen Bonn en de Noordzee, met aanliggend gebied. De inscripties waren ontleend aan altaren, grafstenen, een mijlpaal, oogartsenstempels en dakpannen en vloertegels. Al deze vondsten plaatst hij in een chronologisch kader. De periode waarover hij spreekt, begint bij de dood van C. Julius Caesar (44 v.Chr.) en eindigt met de regering van Valentinianus III (424-455 n.Chr.). Ter ondersteuning verwijst hij veelvuldig naar antieke auteurs, opschriften op munten en contemporaine literatuur.
Het is onduidelijk waarom In de Betouws verhandeling ondanks Epkema's aanbeveling niet in de Nieuwe Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen verschenen is. Het stuk is zonder meer in goede orde ontvangen. Er is ook melding van gemaakt in het Voorbericht op de uitgave van de Nieuwe Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen van 1818; de titel van de verhandeling wordt daarin verkort weergegeven. In dat wordt In de Betouw, samen met een aantal andere leden, geprezen vanwege het feit dat hij aan zijn verplichting als lid om een bijdrage in te sturen voldaan heeft.14
Misschien vonden de eerste referenten het stuk te licht? Met name Van Wijn (archivaris van de Bataafse Republiek) en Te Water (geschiedschrijver van Zeeland) waren zwaargewichten. Misschien was het onderwerp niet aantrekkelijk genoeg voor de leden? Hoewel het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in 1769 opgericht was ten dienste van alle wetenschapsdisciplines (en ook openstond voor leden van buiten Zeeland) is in het begin van de negentiende eeuw een verschuiving te zien naar onderwerpen die betrekking hebben op Zeeland zelf. Tegenwoordig richt de directe opvolger, het Archief, zich voornamelijk op de historie van Zeeland.15 Of speelde ruimtegebrek een rol? De verhandeling is in elk geval niet gedrukt, zoals de anonieme notitie op het manuscript zegt: "Hierop is niets gevolgd".

het onderwerp

De 'Verhandeling betreffende de overgeblevene Gedenkstukken van het Romeinsch krygsleger van Neder-Germanie' vormt een haast vanzelfsprekend vervolg op de omvangrijke reeks van eerdere publicaties die Johannes In de Betouw en zijn zoon Gijsbert Cornelis het licht hebben doen zien. Die reeks begint in 1783 en 1784 met de becommentarieerde uitgave, op naam van Gijsbert Cornelis, van enkele bundels met brieven van zeventiende-eeuwse geleerden, de meeste gericht aan voorvader Johannes Smetius senior. In de uitgaven zijn de brieven geordend naar de oudheidkundige thema's die erin worden besproken en die in de titels van de bundels worden omschreven. Naast voorwerpen als Romeinse olielampjes, kledingspelden en godenbeeldjes behandelen de brieven vooral Romeinse inscripties: altaren (arae) of gelofte-stenen (lapides votivi) met wijdingen aan de goden, grafstenen (monumenta sepulcralia) van soldaten van het tiende legioen in Nijmegen, inscripties uit Romeinse legerkampen en nederzettingen van Xanten (Castra Vetera) tot aan Nijmegen (Oppidum Batavorum) en de mijlpaal (columna milliaria) uit Beek. In latere geschriften komen dezelfde inscripties in een ander verband steeds opnieuw aan de orde, bijvoorbeeld in de beschrijving van de collectie in het Nijmeegse raadhuis (1787), in de bespreking van de Winseling, ten westen van Nijmegen, als belangrijke vindplaats van Romeinse oudheden (1802) en in twee publicaties over de Valkhofburcht (1797, 1804).16
Aangezien de inscripties, ook de religieuze, heel vaak samenhangen met het Romeinse leger in deze streken en de namen van verschillende legereenheden er regelmatig in worden genoemd, ligt het voor de hand om de teksten te gebruiken als bron voor de militaire geschiedenis van de Romeinse provincie Neder-Germanië. Opmerkelijk genoeg lijkt Johannes In de Betouw de eerste te zijn geweest die zich heeft gewaagd aan een alomvattende schets van die geschiedenis. Zijn 'Verhandeling' staat daarmee aan het begin van een lange onderzoekstraditie, die via de grote verzamelwerken en samenvattende studies van vooral Duitse geleerden in de negentiende en twintigste eeuw17 in Nijmegen een passend vervolg heeft gekregen in de indrukwekkende reeks publicaties van J.E. Bogaers en J.K. Haalebos18.

de wetenschappelijke betekenis

In de titel van zijn 'Verhandeling' heeft In de Betouw de woorden 'Romeinsch krygsleger van Neder-Germanie' onderstreept en daarmee vermoedelijk zijn kernthema aangeduid. Zijn opzet is in beginsel nogal ambitieus, want hij presenteert, hoe beknopt ook, een 'complete' historische schets van de Romeinse militaire aanwezigheid aan de Nederrijn. Hij had het zich veel gemakkelijker kunnen maken door de legereenheden zelf of de vindplaatsen van de inscripties als uitgangspunt te nemen voor zijn betoog, zoals later door anderen vaak is gedaan. Dat had hem bijvoorbeeld ontslagen van de plicht te schrijven over perioden waaraan hij geen monumenten kon toeschrijven, met name het hele tijdvak vanaf de eerste invallen van de Franken in de derde eeuw. In wezen hinkt de 'Verhandeling' op twee gedachten die elkaar steeds in de weg zitten: In de Betouw concentreert zich nadrukkelijk op de inscripties zonder die als informatiebron verder uit te diepen, omdat hij ze wil inpassen in een historisch betoog, dat hij vervolgens eveneens beknopt houdt om maar niet van de epigrafische gegevens af te dwalen.
Door de gekozen opzet en de beperkingen die hij zichzelf oplegt laat In de Betouw belangrijke historische gegevens onvermeld. Zo spreekt hij wel over wegenaanleg onder de keizers Trajanus en Antoninus Pius, omdat hij bijbehorende mijlpalen met opschrift kan noemen, maar niet over de beroemde waterstaatkundige werken van het Romeinse leger in Nederland - de dam en de grachten van Drusus en de gracht van Corbulo -, omdat hij geen inscripties kent die daarvan getuigen. Ook gaat hij voorbij aan de opstand van de Friezen in 28 n.Chr., de belegering van het Romeinse fort Flevum en het inzetten van het vijfde legioen bij de onderdrukking van de rebellie.19 Opmerkelijker nog is zijn geringe aandacht voor de Bataafse hulptroepen in het Romeinse leger, met name hun optreden tijdens de expeditie van Germanicus tegen Arminius in 16 n.Chr. en hun rol tijdens de Bataafse opstand van 69-70 n.Chr.20
Ten aanzien van de epigrafische bronnen laat In de Betouw eveneens kansen liggen en heeft hij niet systematisch alle toen bekende monumenten bijeengebracht. Met name voor de streek van Xanten tot Bonn had hij bijvoorbeeld in het verzamelwerk van Janus Gruterus (1560-1627) nog verschillende inscripties kunnen vinden.21 Gruterus komt dan ook niet voor bij de referenties die hij als bron citeert. Hij verwijst vooral naar publicaties van Hendrik Cannegieter (1691-1770), maar het meest naar die van zijn zoon en hemzelf, waarin, zoals gezegd, een groot deel van de opschriften al in ander verband was besproken.22 Uit Nederland ontbreekt de in Vechten gevonden grafsteen van Valens, veteraan uit een Thracische ruiterafdeling, die niettemin in een van de publicaties van Cannegieter wordt beschreven en zelfs afgebeeld.23 Uit het Nedergermaanse gebied kende men destijds overigens nog maar weinig inscripties van de hulptroepen, zoals de Thracische eenheden. Ze stelden In de Betouw voor het probleem dat hij ze niet kon koppelen aan historische bronnen, waarin de hulptroepen wel vaak in algemene zin maar vrijwel nooit afzonderlijk worden genoemd. In zijn 'Verhandeling' lost hij dit probleem op door de inscripties en bloc op te nemen na de vermelding van acties van keizer Maximinus Thrax (235-238 n.Chr.) aan het hoofd van een met 'vreemde hulpbenden' aangevulde 'Romeinsche krygsmagt'. Daarmee gaf hij ze een willekeurige plaats in zijn chronologische overzicht, want hij was niet of nauwelijks in staat de monumenten als zodanig te dateren. Ten aanzien van de legioenen weet hij over het algemeen voldoende houvast te vinden in de geschreven bronnen.24
In de Betouw toont opvallend weinig belangstelling voor de vindplaatsen van de inscripties en baksteenstempels en voor mogelijke identificaties met namen van legerplaatsen die in de historische bronnen zijn overgeleverd. Ook stelt hij zich nauwelijks de vraag welke legioenen op welke plaatsen waren gelegerd en welke wisselingen zich hierin hebben voorgedaan. In publicaties op naam van zijn zoon spelen deze kwesties wel degelijk een rol en komen de topografie van met name Xanten, Kalkar en Nijmegen en de daar gestationeerde troepen vrij uitgebreid aan de orde.25 Tenslotte gaat hij grotendeels voorbij aan de militair-strategische aspecten van zijn onderwerp, zoals de structuur van de grensverdediging en de opbouw van het leger. Zijn belangrijkste mededelingen in dit verband zijn de aanvoer van extra troepen ter onderdrukking van de Bataafse opstand in het jaar 70 en een reductie in de sterkte van de grensverdediging langs de Rijn van acht naar vier legioenen onder keizer Severus Alexander (222-235 n.Chr.).
Hoewel hij een belangwekkend onderwerp heeft aangesneden en kennelijk oog heeft gehad voor de potentie van het bijeengebrachte bronnenmateriaal, moeten we constateren dat het Johannes In de Betouw niet is gelukt zijn 'Verhandeling' enige diepgang te geven of dat hij zich, anders geformuleerd, in de reikwijdte van het thema heeft verslikt. Hij komt uiteindelijk niet veel verder dan het opsommen van de namen van legereenheden en legerplaatsen die hij in zijn bronnenmateriaal heeft aangetroffen en van de vindplaatsen van de inscripties. Wellicht hebben de referenten van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen een soortgelijke conclusie getrokken. Een aantal slordigheden in de tekst en in de verwijzingen zal ook niet hebben bijgedragen aan een positieve beoordeling. De Nijmeegse stadsarchivaris M. Daniëls stoorde zich ruim een eeuw later nog hevig aan "den algemeenen indruk van onbetrouwbaarheid, dien men van het bestudeeren van In de Betouw's talrijke geschriften noodzakelijk medeneemt" en aan de "slordigheden, onjuistheden en ongegronde beweringen" waarop hij hem telkens kon betrappen.26 Daarentegen had de Leidse hoogleraar Reuvens kort na de dood van In de Betouw vooral oog voor diens verdiensten, die er volgens hem mede toe hadden geleid, "dat bij niet eene der menigvuldige, aan den Rijn gelegene, Romeinsche sterkten, de voortbrengselen van den klassieken bodem ons zoo volledig bekend zijn, als bij ons Nijmegen."27

de tekstuitgave

De tekst is onveranderd overgenomen en niet herspeld. Een enkele keer maakt In de Betouw een schrijffout en soms is hij niet consequent in zijn spelling. Zo schrijft hij Overrhynsch in hoofdstuk 41 zonder h, in noot 21 Cannegiter in plaats van Cannegieter en zowel Holledoorn als Hollendoorn. Hij gebruikt geen trema's, behalve in noot 6 bij Ubiërs. Soms duidt hij een legioen aan met een uitgeschreven telwoord (tiende), soms met een Romeins cijfer (Xde). Hij schrijft IV en XXXIV, maar XIIII en XXIIII. Opmerkelijk is de vergeten R bij de inscriptie in hoofdstuk 39: MECVRIO, in plaats van MERCVRIO. We hebben ook deze woorden niet veranderd.
De antieke bronnen in de linkermarge zijn direct in de tekst opgenomen en tussen haakjes geplaatst. Tussen noot 34 en 35 voegt In de Betouw noot 342e in, na noot 37 telt hij abusievelijk verder met nummer 36. In deze tekstuitgave zijn de noten doorgenummerd. Een enkele maal hebben we ten behoeve van de leesbaarheid een komma of ander leesteken verwijderd dan wel toegevoegd, met name bij de bronnen en in de noten.

een leeswijzer

In de Betouw wil de lezer alle militaire inscripties tonen die in Neder-Germanië gevonden waren. Als kapstok om deze vondsten aan op te hangen gebruikt hij een tijdbalk, die van 44 v.Chr. tot 455 n.Chr. loopt. Deze tijdbalk is verdeeld in vijftig hoofdstukjes. Elk hoofdstuk behandelt een keizer, een bevelhebber van het leger in Neder-Germanië of de situatie van een afzonderlijk legioen. In de Betouw gaat zuiver chronologisch te werk. Hij heeft de hoofdstukken zonder titel gelaten. Hieronder hebben we de afzonderlijke hoofdstukken kort een omschrijving gegeven. Bovendien hebben we bij elk hoofdstuk de CIL-nummers28 van de inscripties genoteerd, in volgorde van behandeling in het betreffende hoofdstuk.
In de Betouw heeft verscheidene publicaties geraadpleegd voor zijn 'Verhandeling'. We hebben alle (niet-klassieke) auteurs alfabetisch geordend bijeengezet.

ICaesar, 58-44 v.Chr.
IIAugustus, 27 v.Chr.-14 n.Chr.
IIIDrusus, 12-9 v.Chr.; Tiberius, 9-7 v.Chr.
IVVarus' nederlaag, 9 n.Chr.
Vinscriptie Marcus Caelius
CIL 13,8648
VIGermanicus, 12-16 n.Chr.
VIImuiterij in Neder-Germanië, 14 n.Chr.
VIIIwraakactie tegen Arminius
IXlegioenen terug in Neder-Germanië
XGermanicus naar Rome, 16 n.Chr.
XIinscripties leger Neder-Germanië; legioen I
XIIinscripties legioen V
XIIIinscripties legioen XX
CIL 13,8737; CIL 13,8287; CIL 13,8707
XIIIIinscriptie legioen XXI
CIL 13,8651
XVbevelhebbers, 16-68 n.Chr.
XVIVitellius, 69 n.Chr.
XVIICivilis
XVIIIVespasianus
XIXCerialis
XXeinde opstand Bataven, 70 n.Chr.
XXIlegioen I; inscriptie legioen II
CIL 13,7234
XXIIinscripties legioen VI
CIL 13,1328*; CIL 13, 01328*; CIL 13,7869; CIL 13,7697
XXIIIinscripties legioen X
CIL 13,8735; CIL 13,8732; CIL 13,8733; CIL 13,8736; CIL 13,8715; CIL 13,7698
XXIIIIlegioen XIII
XXVinscriptie legioen XIV
XXVIinscripties legioen XV
XXVIIlegioen XVI
XXVIIIDomitianus, 81-96 n.Chr.
XXIXinscripties legioen I
CIL 13,7994; CIL 13,8809; CIL 13,8828
XXXTrajanus, 98-117 n.Chr.; inscripties
CIL 13,8742; CIL 13,9162
XXXIinscripties legioen XXX
CIL 13,8719; CIL 13,8625; CIL 13,8654; CIL 13,8609; CIL 13,8631; CIL 13,8634; CIL 13,8638
XXXIIHadrianus, 117-138 n.Chr.
XXXIIIAntoninus Pius, 138-161 n.Chr.
XXXIVinscripties Didius Julianus, 170-175 n.Chr.
XXXVinscripties legioen XXII
CIL 13,8652; CIL 13,7704; CIL 13,7703
XXXVISeverus Alexander, 222-235 n.Chr.
XXXVIIinscripties Severus Alexander
CIL 13,8619; CIL 13,8607; CIL 13,8616
XXXVIIIMaximinus, 235-238 n.
XXXIXinscripties
CIL 13,8693; CIL 13,8313; CIL 13,8806; CIL 13,8718; CIL 13,1326*; CIL 13,8827; CIL 13,8725; CIL 13,8724; CIL 13,8716; CIL 13,10021,199 en 200
XLGordianus, Decius, Valerianus, Gallienus en Postumus, 238-268 n.Chr.
XLIClaudius Gothicus, Aurelianus, Tacitus en Probus, 268-282 n.Chr.
XLIIMaximianus Herculeus, 286-305 n.Chr.
XLIIIConstantius Chlorus, Constantinus Magnus en Crispus, 305-337 n.Chr.
XLIVConstantinus, Constantius, Constans en Julianus, 337-363 n.Chr.
XLVValentinianus, Gratianus en Theodosius, 364-395 n.Chr.
XLVIHonorius, 395-423 n.Chr.
XLVIIFranken vestigen zich in Gallië
XLVIIIGalla Placidia, 421-450 n.Chr.
XLIXValentianus III, 424-455 n.Chr.
LRomeinen verlaten Neder-Germanië

De door In de Betouw genoemde publicaties:

Alting, Menso, Descriptio secundum antiquos agri Batavi & Frisii una cum conterminis sive Notitia Germaniae Inferioris, Amsterdam 1697
Banduri, Anselmo, Numismata imperatorum Romanorum a Trajano Decio ad palaeologos Augustos, Parijs 1718
Beyer, Jan de, Lettres de critique, d'histoire, de littérature &c. écrites à divers savans de l'Europe par feu monsieur Gisbert Cuper, Amsterdam 1742 [1743, 1755]
Boxhorn, Marcus Zuerius van, Aelius Spartianus, Julius Capitolinus, Aelius Lampridius, Vulcatius Gallicanus, Trebellius Pollio, Et Flavius Vopiscus, Leiden 1632
Cannegieter, Henricus, Dissertatio de Brittenburgo, Den Haag 1734 [1754]
Cannegieter, Henricus, De mutata Romanorum nominum sub principibus ratione liber singularis; item Postumus Bataviae adsertor; Hercules Magusanus et Deusoniensis aggerum Bataviae auctor, ex nummis atque ex inscriptionibus demonstratus; Nec non Trebellii Pollionis neglegentia; Monumentum Dodenwerdense expositum, Utrecht 1758
Cannegieter, Henricus, De gemma Bentinckiana; item de Iside ad Turnacum inventa; necnon de dea Burorina, Utrecht 1764
Cannegieter, Henricus, Epistula ad illustrissimum comitem Ottonem Fridericum de Lynden de ara ad Noviomagum Gelriae reperta aliisque inscriptionibus nuper effossis, Arnhem 1766
Cuperus, Gisbertus,   Harpocrates, sive explicatio imagunculæ argenteæ perantiquæ; quæ in figuram Harpocratis formata representat solem. Ejusdem monumenta antiqua inedita, Utrecht 1687 [1694]
In de Betouw, Gisbertus, De aris et lapidibus votivis ad Neomagum et Sanctenum effossis Gisberti Cuperi epistolae ex autographis editae, Nijmegen 1783
In de Betouw, Gisbertus, De Castris veteribus, Ulpiis sive Trajanis, Colonia Trajana, Burginacio, Harenacio, Batavorum oppido illustrium eruditorum epistolae ex autographis editae, Nijmegen 1783
In de Betouw, Gisbertus, De columna milliaria imp Caes Nervae Trajani supra Neomagum in pago Beek effossa J.I. Pontani et J. Smetii epistolae ex autographis editae, Nijmegen 1783
In de Betouw, Gisbertus, De monumentis sepulcralibus praesidiariorum militum Romanorum legionis X Geminae ad Neomagum conditorum Jo. Is. Pontani et Jo. Smetii epistolae ex autographis editae, Nijmegen 1783
In de Betouw, Gisbertus, De Mercurii Harpocratis aliisque Romanorum sigillis ad Neomagum erutis et inscriptionibus antiquis Gisberti Cuperi epistolae ex autographis editae, Nijmegen 1784
In de Betouw, Gisbertus, Uitlegging van opschriften op twee steenen in den muur van het Slot Duivenvoorde meldende de namen der Romeinsche keizers Septimius en Antoninus Caracalla, Nijmegen z.j.
In de Betouw, Johannes, Vertaaling en korte uitlegging van de opschriften op altaaren en gedenksteenen der Romeinen binnen en omtrent Nijmegen uitgegraven en op het Raadhuis aldaar geplaatst, Nijmegen 1787
In de Betouw, Johannes, Iets betreffende de gevondene oudheden op de Winseling, Lennepe-kamer, en den Roomschen voet : benevens eene vertaaling en uitlegging van een grafsteen van P. Cornelius Licinius, bij het ontblooten der grondslagen van den Burgt ontdekt, Nijmegen 1802
In de Betouw, Johannes, Nijmegen verdeeld in wijken, straaten, steegen, en streeken boven en beneden de stad, met Ubbergen, Beek en de Holle Doorn, voor zoo verre betreft het geen aldaar gevonden is van Romeinschen oorsprong en ouderdom, Nijmegen 1805
Lipsius, Justus, Historiarum et Annalium libri qui exstant, Antwerpen 1574.
Vanaf 1581 vele malen heruitgegeven onder de titel C. Cornelii Taciti opera omnia quae exstant
Merula, Paulus, Neomagum, in: Pontanus, Historiae Gelricae libri XIV respublica, Harderwijk en Amsterdam 1639, p. 49 [Pontanus, Noviomagum Gelriae ducatus urbs primaria, 1628]
Pighius, Stephanus Vinandus, Hercules Prodicius seu principis juventutis vita et peregrinatio, Antwerpen 1587 [1609]
Pontanus, Johannes Isacius, Historiae Gelricae libri XIV. Deducta omnia ad ea usque tempora nostra, quibus firmata sub ordinibus respublica, Harderwijk en Amsterdam 1639
Saxe, Christoph, Epistula ad virum amplissimum eruditissimumque Henricum van Wyn de veteris medici ocularii gemma sphragide prope Traiectum ad Mosam nuper eruta, Utrecht 1774
Scriverius, Petrus, Antiquitatum Batavicarum tabularium, in: Batavia illustrata, seu De Batavorum insula, Hollandia, Zelandia, Frisia, territorio Traiectensi et Gelria, Leiden 1609
Smetius, Johannes, Oppidum Batavorum seu Noviomagum, Nijmegen 1644 [1645]
Smetius, Johannes, Antiquitates Neomagenses sive notitia rarissimarum rerum antiquarum, Nijmegen 1678
Spaen, Willem Anne van, Oordeelkundige inleiding tot de Historie van Gelderland, Utrecht 1801-1805
Teschenmacher, Werner, Annales Cliviae, Juliae, Montium, Marcae Westphalicae, Ravensbergae, Geldriae et Zutphaniae duabus partibus comprehensi, Frankfurt en Leipzig 1721


Verhandeling betreffende de overgeblevene Gedenkstukken van het Romeinsch krygsleger van Neder-Germanie, opgedolven in de omtrekken der aloude winterlegeringen

I

Ten tyde van Caesars geweldige dood was het Overrhyns Germanie door de Romeinen meer bevochten, en met den schrik der Romeinschen naams bevangen dan overwonnen (Tacitus, de morib. German. cap. 37; Florus, lib. IV.12).

II

Om echter de Overrhynsche volken te beteugelen, en de (1) Gallische zyde des Rhyns tegen derzelver invallen te beveiligen, had Augustus het opperbevel over de krygmagt aldaar opgedragen aan Claudius Drusus (Vellejus Paterculus, lib II.97; Suetonius, in Claud. cap. 1); en na de dood van Drusus aan deszelfs broeder Tiberius Nero, beiden 's keizers stiefzonen, zonen van Livia Drusilla, 's keizers gemalinne.

III

Omtrent tien jaren voor de gemeene tydrekening der Christenen verzekerde Drusus de Gallische zyde der Rhynstrooms met meer dan vyftig vestingen, en behaalde groote overwinningen op de Sueven, Tencteren, Usipeten, Sicambren, Cauchen, Angrivariers, Cheruscen en andere Overrhynsche volken (Florus, lib. IV.12). Hier van kreeg hy den naam van (2) Germanicus, en zyne soldaten droegen hem, als overwinnaar, eenparig dien van Imperator op.
Tiberius, na de dood van Drusus derwaards gezonden, trok ook over den Rhyn, en bragt Germanie van wapenen voor eenen tyd tot rust (Tacitus, Ann.II.26). Augustus was met de verrigtingen van Tiberius zodanig te vrede, dat hy hem toestond den naam van Imperator te voeren, en te houden eene plegtigen zegepraal.

IV

In het achtste jaar onzer tydrekening was Quinctilius Varus, opvolger van Sentius Saturninus, bevelhebber, of, zoo als de Romeinen hem noemden, Legaat van 's keizers wege aan den Gallischen oever des Rhyns. Tegen dezen vatten dan de Overrhynsche Germanen onder het bevel van Arminius, legerhoofd der Cheruscen, de wapenen op. Het kwam tot eenen veldslag by het Teutoburgsche wald tusschen de Lippe en de Eems, en het leger der Romeinen kreeg de nederlaag, waar in drie legioenen, onder welke het achttiende en negentiende, de beste van het gansche Ryk, benevens de hulpbenden, en derzelver krygsoverstens sneuvelden. Varus afgemat, en tot er dood toe gewond, benam zich uit wanhoop het leven. En van de drie Romeinsche arenden vielen er twee in handen der Germanen (Suetonius, in August. cap. 33; Florus, lib. IV.12).

V

Van deze beruchte nederlaag der Romeinen onder Varus heeft onzen tyd bereikt een belangryk overblyfsel der oudheid, voor het graf van Marcus Caelius, bevelhebber onder het achttiende legioen, door zynen broeder Publius Caelius, vervaardigd, (3) om daar in deszelfs beenderen te leggen, zo die mogten gevonden worden.
Dit gedenkteken is te (4) Vetera uitgegraven en behelst het volgend opschrift.
De kop van Priva- De kop van Thia-
tus, vrygemaakte minus, vrygemaak-
slaaf van Mar- te slaaf van Mar-
cus Caelius cus Caelius
M. CAELIUS M. CAELIUS
M.L. M.L.
PRIVATUSTHIAMINUS
Het borstbeeld van
Marcus Caelius met
een burgerkroon op
het hoofd
M. CAELIO T. F. LEM. BONO
> . LEG. XIIX. ANN. LIII
::CIDIT BELLO VARIANO OSSA
:INFERRE LICEBIT. P. CAELIUS T. F.
LEM FRATER FECIT (5)

afbeelding

VI

De Gallische oever des Rhyns, de scheidpaal des Romeinschen gebieds aan dien kant, werd bezet gehouden met acht legioenen, verdeeld in twee krygslegers. Het leger aan den Bovenrhyn bestond uit vier legioenen, het tweede, dertiende, veertiende, en zestiende met de hulptroepen onder het bevel van Cajus Silius (Tacitus, Ann.I.31, IV.5). En aan den Benedenrhyn insgelyks uit vier legioenen, het eerste, vyfde, twintigste, en een en twintigste met de Cohorten onder Aulus Caecina. Beiden onder het oppergezach van Germanicus Caesar, zoon van Drusus.

VII

Het krygsleger onder het bevel van Caecina lag aan de grenzen der (6) Ubiers, en, zoo dra men aldaar de tyding kreeg van de dood van keizer Augustus, ontstond er onder de nieuwe manschap, ongebondene lediggangers, aan de vrolykheden van Rome gewend, en ongewoon aan krygsarbeid en tucht, eene gevaarlyke muitery. Het eenentwintigste (7) en het vyfde legioen hieven den oproerkreet aan, het eerste en het twintigste volgden, en weigerden eenen voet uit de winterlegeringen te verzetten, voor dat zy voldoening ontfangen hadden. De rust werd nogtans door Germanicus, die in allen spoed in het leger was aangekomen, gelukkiglyk hersteld door het doen van betaling aan de muitzuchtigsten, en het verhogen der waardye van het geld. (8)

VIII

Kort daar aan werd de nederlaag van Varus op het felst gewroken. Germanicus Caesar, veertig Cohorten onder Caecina voor uit gezonden hebbende, bezocht met het vyfde, een en twintigste, eerste en twintigste legioen de gewezene legerplaats van Varus. Hier ontdekte men velden met gebleekte beenderen van menschen, gebrokene wapenen en den Adelaar, welke het negentiende legioen ontweldigd was. (9) Sedert kwam Germanicus met het leger van Arminius in hevige gevechten, en behaalde na verscheidene bloedige veldslagen eindelyk den overwinning (Tacitus, Ann.I.68).

IX

Na de overwinning vervolgde Caecina ongemoeid zynen weg naar de grenzen der Ubien met het eerste, vyfde, twintigste en een en twintigste legioen, dewelke van daar verspreid wierden naar de winterlegeringen en legerplaatsen Bonna, Novesium, Gelduba, Asciburgium, Vetera, en andere sterktens langs den linker Rhyn oever.

X

Doch Tiberius, door wangunst ontstoken wegens den grooten roem, dien Germanicus door zyne behaalde overwinningen verworven had (Ann.II.26), besloot hem van zyne getrouwe legioenen af te trekken, en drong sterk aan op zyne terug komst. Hy verliet derhalven zyne verdere groote ontwerpen, ging op reis, en vierde te Rome eene plegtige zegepraal over de Catten, Angrivariers, Cheruscen, en andere Germanische volken tusschen den Rhyn en de Elbe.

XI

Van het Romeinsche leger aan den Benedenrhyn, en deszelfs vexillationes, is uit de grafplaatsen der Romeinsche soldaten in de omtrekken der winterlegeringen eene ontelbare menigte van steenen opgedolven met de woorden EX.GER.INF - VEX.EX.GERM - VEX.EX.GER.INF. Het Iste legioen, Iulia bygenaamd, was met het XXste ten tyde van Augustus en Tiberius gelegerd (10) te Bonna, en binnen de stad der Ubien, naderhand Colonia Agrippinensis. Van dit legioen zyn, zoo veel my bekend is, in Neder-Germanie geene gedenktekenen overig. En daar er meer legioenen in de Romeinsche heirlegers waren van eenerlei getalnaam, moet dit Iste legioen niet verwisseld worden met het Iste Italica, door Nero ingesteld, noch met Iste Adjutrix, door Galba opgeregt, noch met het Iste Menervia door Domitianus in Neder-Germanie geplaatst.

afbeelding

XII

Het Vde legioen, Macedonica (11), had met het XXIste meestentyds zyne standplaats in Castra Vetera. Van het zelve zyn te Birten, te Morreberg by oud Calcar, te Nymegen en elders vloertegels ontdekt, bezegeld met de letters L.V - LEG.V - LEG.V.AV - LEG.V.MAG - LEG.V.C.SEVI - LEG.V.P.SATRI

XIII

Van het XXste legioen, Victrix, ook Valeriana genaamd, zyn vloertegels en pannen overig met LEGXX.
By het ontblooten der grondslagen van den alouden burgt te Nymegen in het jaar 1796 is opgedolven een grafsteen, ter gedachtenisse van Lucius Cornelius Licinius, geboortig van Modena, veteraan onder dit legioen, door zyne huisvrouw Prima opgeregt, met het volgende opschrift (12)

L. CORNELIV
L. F. POL. LECINIV sic
MVT. VET. EX LEG.
XX ANN LXV
H. S. E.
PRIMA CON
Ook is niet ver van Keulen ontgraven een gelyk gesteente van Coeccius, geboortig van Pavia, houdende
COECCIVS L. F
PAPIRIA TICINI
MILES LEG. XX
PECVARIUS ANN
XXXV STIPENDIO
RVM XVI H. P. EST
En aan den Maaskant omtrent Roermonde een Outer of geloftesteen door Titus Domitus Vindex, hoofdman over honderd, aan Mars Halamorus toegewyd, waar van het opschrift is (13)
MARTI
HALAMARO
SACRVM
T. DOMIT. VINDEX
>. LEG. XX. V. V.
V. S. L. M.
XIIII

Van het XXIste legioen, genoemd Rapax, is my bekend een groote dakpan, met de letters LEG.XXI te Ubbergen, naby Nymegen, uitgegraven, benevens een stuk steens in den Jare 1756 te Birten aan den afbrekenden Rhynoever ontdekt, luidende het opschrift

FAN::FORTUNE sic
:::::::::
:::::::::
::: CRESCENS
VETERAN. EX LEG. XXI
:::::::::
:::::::::

XV

Na het vertrek van Germanicus Caesar, in het zeventiende jaar onzer tydrekening, had Servius Sulpicius Galba, opvolger van Lentulus Gaetulicus, de landvoogdelyke magt van 's keizers wege aan den Bovenrhyn. En Cneus Domitius Corbulo, opvolger van Sanquinius Maximus, voerde dit gezach aan den Benedenrhyn. Galba sloeg de Overrhynsche Germanen, die eenen inval in Gallia deeden, met zulke vaardigheid, dat Caligula, destyds in Gallie zich bevindende den roem van deze daad zich toeeigende (Suetonius, in Calig. cap. 4, in Vesp. cap. 2).
Insgelyks noodzaakte Domitius Corbulo de Cauchen, onder hun legerhoofd Gannascus, over den Rhyn te wyken tot in hun eigen land (Tacitus, Ann.XI.18, 19, 20), en hy zoude dezelve gedwongen hebben tot onderwerping aan het Romeinsch gebied, had Claudius uit achterdocht de overwinning niet gestuit, en last gegeven, om de legioenen aan de Gallische zyde te rug te brengen.
Galba, na Nero's dood tot de keizerlyke waardigheid verheven zynde, droeg aan Hordeonius Flaccus het gezach op over het krygsleger aan den Bovenrhyn, en aan Aulus Vitellius, opvolger van Fontejus Capito, aan den Benedenrhyn (Suetonius, in Vitellio cap. 7).

XVI

Het leger aan den Benedenrhyn riep, na Galba's geweldigen dood, hunnen bevelhebber Aulus Vitellius tot keizer uit, in het negen en zestigste jaar onzer tydrekening, byna op den zelfdertyd, dat M. Salvius Otho tot keizer was uitgeroepen. Vitellius vertrok naar Italie, en tusschen die beiden kwam het tot eenen burgerkryg. Dertig duizend uitgelezene manschappen uit het Bovenleger, en veertig duizend uit het Benedenleger met de adelaar van het vyfde legioen, benevens eenige Cohorten en Batavische ruiterbenden, worden tot dien kryg, onder het bevel van Caecina en Fabius Valerius, naar Italie gevoerd (Tacitus, Hist.I.9).

XVII

De krygsmagt der Romeinen aan den Rhynkant, nu onder het bevel van Hordeonius Flaccus, werd hier door in eenen zwakken staat gebragt. De legioenen, door het vertrek der stoutmoedigste keurbendelingen, meer dan tot de helfte verminderd, bleven onvoltallig, en verspreid in de legerplaatsen van tegen over den Mainstroom af, tot in het eiland der Batavieren aan den zeekant toe. Claudius Civilis, een der aanzienlykste Batavieren, misgenoegd tegen de Romeinen, kende dezen zwakken en verdeelden staat, en noemde hunnen krygsmagt inania legionum nomina (Hist.IV.35).

XVIII

Wel haast verklaarde Flavius Vespasianus, die in Palestina den oorlog tegen het Joodsche volk voerde, en door het leger aldaar tot keizer was uitgeroepen, zich ook tot keizer tegen Vitellius. Hier op veinsde Civilis de zyde van Vespasianus tegen Vitellius te kiezen, en dus dat gedeelte der Romeinen, die Vespasianus volgden, getrouw te willen blyven. Zyne veinzery kort daarna ontdekt zynde, ondernam hy Vetera, den sterkste winterlegering der Romeinen, te bestormen, (14) Asciburgium te overmeesteren, (15) Gelduba, daar Vocula legerde, te overvallen, de Galliers tot opstand te bewegen, voorts den moord van Vitellius, en de daar uit te Rome ontstane oproeren overnemende, een eedverwantschap met Classicus, Tutor en Sabinus, hoofden der Treviren en Lingonen, aan te gaan, en zich openlyk vyand der Romeinen te verklaren (Tacitus, Hist.IV.35, 55).

XIX

De Romeinen hier door genoodzaakt zynde zich weder ten stryde toe te rusten, droegen, in het zeventigste jaar onzer jaartelling, het gezach over hunne naar den Rhynkant bestemde krygmagt op aan twee voorname legerbevelhebbers Gallus Annius voor het Bovenleger en Petilius Cerealis voor het Benedenleger (Tacitus, Hist.IV.68, 77, 78, V.19).
Vier legioenen werden uit Italie over het gebergte herwaards gevoerd. Het veertiende legioen ontbood men te rug uit Britannie, het zesde, en het tiende uit Hispanie. Sextilius Felix kwam voor uit aan het hoofd van eenige hulpbenden, by zich hebbende het een en twintigste legioen, ontboden uit Vindonissa. (16)

XX

Zoodra Cerialis zich bevond in Neder-Germanie, stuitte hy den voorspoed van Civilis, hem slaande aan de oevers van den Moesel. De een en twintigste legioen muntte by die gelegenheid uit in moed. De Ubien vielen van Civilis af, en, na in twee gevechten by Castra Vetera de nederlaag bekomen te hebben, werd Civilis genoodzaakt, daar Cerealis hem te zeer benaauwde, naar het (17) Oppidum Batavorum, of de Stad der Batavieren, de wyk te nemen, en, zich niet sterk genoeg achtende het zelve te verdedigen, die stad in brand te steeken, en naar het Eiland der Batavieren te vlugten, en eindelyk na eene volgende nederlaag, geene behoorlyke tegenweer kunnende bieden, eene vreede met Cerealis te sluiten (Tacitus, Hist.IV.78, V.25).

XXI

Na de vreede met Civilis werden de legioenen, welke het leger van Cerealis hadden uitgemaakt, in de winterlegeringen en legerplaatsen langs de Gallische zyde des Rhyns gelegd.
Het Iste legioen, Adjutrix, door Galba opgeregt, schynt spoedig naar elders te zyn verzonden. Geene gedenkteekenen van het zelve ontdekt in Neder-Germanie, zyn my bekend. Insgelyks niet van het IIde, Flavia, ten tyde van Vespasianus te Rome nieuw geworven, eene Ala van de welke, en van het tiende legioen, gediend heeft ter bezetting van Arenacum, Batavodurum, Grinnes en Vada, Romeinsche standplaatsen, volgens Tacitus in het bovenste gedeelte des eilands der Batavieren.
Nog een IIde legioen, Italica geheeten, is naderhand door Marcus Aurelius ingesteld, en vervolgens door Severus Alexander een IIde Parthica, beide gemeld op de zuil in het Capitool te Rome, en op zilveren gedenkpenningen van Gallienus. Te Maints leest men onder andere opschriften het volgende op een grafsteen

C. IVLIVS C. F. VOL
CAEC. NIGER MI
LES LEG II ANNOR
XXXXV. AER. XVIII
H. S. F.

XXII

Het VIde legioen, Victrix, tot versterking der krygsmagt onder Cerealis uit Spanje naar Neder-Germanie gezonden, moet niet verward worden met het VIde Ferrea, Ferrata, ook Ferratensis geheeten, het welk ten dezen tyden onder het oppergezach van Titus Vespasianus in Palestina gelegerd is geweest. (18) Van het VIde Victrix zyn in Sancten, te Birten, Morreberg, en ter wederzyde van den weg naar Marienboom, alszo dit legioen te Vetera in bezetting heeft gelegen, vloertegels en pannen gevonden, hebbende de ingedrukte letters LEG.VI - LEG.VI.VIC.P.F. - LEG.VI.VIC.P.F.IVL.MARC - LEG.VI.ADR.NOS. (19)
In den jare 1703 is te Birten uitgegraven een gelofte steen door C. Metius Martialis, uit den krygsdienst ontslagen onderbevelhebber, aan Mars toegewyd; op denzelven staat (20)

MAR ET SVI
C. METIVS
MARTIALIS
B. F. LEG. LEG. ¤
VI VICTR
V. S. L. M.
En in den jare 1748 op den Hunerberg by Nymegen een byna gelyke ter vereering van Mercurius
MER ET SVI
C. MITI
VARIA
:: IL. L. : C
VI VICTR
V. S. L. M. (21)
In den omtrek van Gulik een geloftesteen, door L. Vitellius Consors, bespieder op kondschap van 's vyands land, toegewyd aan de Matronae Rumanehae, zynde het opschrift (22)
RVMANEHABVS
SACR
L. VITELLIVS
CONSORS EXPLO
LEG. VI VICTR
Tusschen Bon en Andernach een geloftesteen door den Hoofdman Iulius Cossutus, en door de standaartdragers van het eerste, zesde en tiende legioen, aan Hercules Saxanus toegewyd.
HERCV SA
VEXILLAR
L. I. ME. VI. VICT
L. X. G. P. G. ET. AL. C O I
CLQ. SOACVT
SVCVM IVLI
COSSVTI > L. VI
VIC. P. C. (23)

XXIII

Na de overmeestering van het vaste land der Batavieren door Cerealis, en na den haastigen overtogt van Civilis uit de Stad naar het eiland der Batavieren is het Xde legioen, Gemina (24) genaamd, aan den linkerkant der Waal ter bezetting gebleven tot op den tyd van keizer Hadrianus. En de meeste gedenkteekenen van het zelve zyn binnen de Stad Nymegen, en in den omtrek, de Holledoorn in het Rykswald, Ubbergen, Beek en Leur, gewezene Romeinsche standplaatsen, ontdekt. Voor al is eene ontallyke menigte van deksteenen en dakpannen uit de begraafplaatsen der soldaten op den Hunerberg uitgegraven, hebbende de ingedrukte letters L.X.G. - LEG.X.G. - LEG.X.GEM. - L.X.G.P.F. - LEG.X.G.P.F. En dit legioen Gemina, uit Spanje herwaarts gezonden tot versterking van het leger onder Cerealis, moet niet verwisseld worden met het Xde Fretensis, het welk met Titus Vespasianus ten zelfden tyde in Palestina gelegerd, en, na de verovering van Jerusalem, aldaar onder den bevelhebber Terentius Rufus in bezetting geweest is (Josephus, de bello Iudaico lib. VII. cap. 2, 4; Tacitus, Hist.V.3).

afbeelding
Een grafsteen, opgeregt ter gedachtenisse van C. Iulius Pudens, Veteraan dezer Xde legioen, en van zynen zoon Iulius Iunius, is uit de muur der Kapel op den Hofborg naar de Galerye van het Raadhuis overgebragt, waar van het opschrift luidt. (25)
DIS MANIBVS
C. IVLIO CLAV
PVDENTI LVIEONFIA
VET. LEG. X G.P.F
AN. L ET IVL
IVNIO F. EIVS
H. F. ¤ C
afbeelding
Insgelyks is aldaar geplaatst een omtrent Nymegen gevonden Grafsteen van drie Aurelien, Flavus, Festus en Flavinus, van Calahorra uit Spanje geboortig, met het volgende opschrift
:: RELIVS T. F. GALE
:: AVOS GAL. MIL LEG X
GEM. ANN. XL. STIP. XVIII
ET M. AVRELIVS T. F.
GAL. FESTVS GALAG
ANN XXXIII STIP XVII
ET AVRELIVS FLAVI F.
FLAVINVS LIXA ANN
XVIII. HIC SITI SVNT
S. V. T. L. H. F. C.
In het jaar 1527 werd op het hogeveld by Nymegen een grafsteen gevonden van Q. Bisius Secundus, geboortig van Brixia, als krygsman gediend hebbende in dit legioen onder het bevel van Cominius Celsus
Q. BISIVS SECVND
Q. F. DOMO BRIXSAE
MIL. LEG. X G. > COMIN
CELSI ANN. XXX. STIP VII
HERED. EX T. F. C.
En omtrent den zelfden tyd, mede aldaar, een gedenkteeken van L. Valerius Maternus of Matrinus, geboortig van Toleda, met het opschrift
L. VALERIVS
L. F. VOL. MATR
NVS TOL. D.
MIL LEG X. G
ANN. XXXV
AER. XII
S. T. T. L
H. E. T. F. C.
Nog werd in het jaar 1782 te Ubbergen, na by Nymegen, in myne tegenwoordigheid een gelofte steen uitgegraven door C. Ianuarius, Veteraan der Xde legioen aan Iupiter toegewyd (26)
I. O. M.
C. IANV
ARIVS VE
L. X. : : F
V. S. M.
Tusschen Andernach en Bon een altaarsteen door den honderdman Coelius Marcellus en zyne spitsbroeders ter vereering van Hercules Saxanus opgeregt. (27)
HERCVLI SA
XANO
COELIVS
MARCELLVS >
L. X. G. ETQVE O
COMMILITO
NES V. S. L. M.

XXIIII

Het XIIIde legioen, door Dio Gemella genoemd, op zilveren penningen van Septimius Severus, en van Gallienus LEG.XIII.GEM, is onder Augustus en Tiberius in Opper-Germanie gelegerd geweest; onder Vitellius in Italie; onder Vespasianus in Neder-Germanie, en in bezetting te Novesium, Gelduba en andere vestingen langs den linker Rhyn oever. Zoo veel ik weet, zyn geene gedenkteekenen van het zelven in Neder-Germanie overgebleven.

XXV

Het XIIIIde legioen, op zilveren gedenkpenningen van Septimius Severus en van Gallienus LEG.XIIII.GEM, was ten tyde van Augustus in Opper-Germanie, daar na in Britannie; onder Vespasianus tot versterking van het leger onder Cerealis in Neder-Germanie; vervolgens wederom in Britannie, en ten tyde van Theodosius in Thracie. Een enkel overblyfsel, aan den Rhyn oever te Birten gevonden, is een vloersteen met de letters LEG.XIIII.

XXVI

Van het XVde legioen, Apollinea, het welk met het Vde onder den bevelhebber Mammius Lupercus de bestorming van Vetera door Civilis heeft uitgestaan (28), zyn te Birten, en in den omtrek van Sancten vloersteenen ontgraven, gemerkt LEG.XV. Een dezelven van het grootsten soort, aan den Waaloever ontdekt, ziet men op de Galery van het Raadhuis te Nymegen.

XXVII

Het XVIde legioen, Apollinaris, was gelegerd ten tyde van Galba in Neder-Germanie te Novesium, onder het bevel van Numisius Rufus. Naderhand heeft Vespasianus het zelve afgedankt, en een nieuw XVIde in Syrie opgeregt, het welk naar hem den naam van Flavia voerde. Geen overblyfsel van dit legioen is in Neder-Germanie ontdekt. Te Maints ziet men Graf- en Geloftesteenen, zoo van het zestiende, als van het dertiende en veertiende legioen.

XXVIII

Eer de tyding der getroffene vreede met Civilis te Rome kwam, was Domitianus, tweede zoon van keizer Vespasianus, benydende de eer, welke zyn broeder Titus by den oorlog in Palestina had verworven, met een leger naar Germanie getrokken, ten einde het leger van Civilis het hoofd te bieden (Suetonius, in Domitiano cap. 2). Hy kwam echter, zonder vyand te zien, naar Italie te rug.
Doch, na de dood van Titus tot de keizerlyke waardigheid gevorderd zynde, trok hy op tegen de Overrhynsche volken, zonder iet uit te voeren (Tacitus, Hist.IV.86; Suetonius, in Domitiano cap. 6). Hy regte op het eerste legioen Menervia, plaatste het zelve in Neder-Germanie, en was verwaand genoeg zich den naam van Germanicus te geven. (29)

XXIX

Van dit Iste legioen Minervia, zynde in krygsbezetting geweest te Bonna, en in andere legerplaatsen langs den Gallischen oever des Rhyns, wordt eene menigte van gebakken pannen en vloersteenen gevonden, met ingedrukte letters L.I.ME en LEG.I.ME.

afbeelding
Te Andernach heeft men een geloftesteen ontdekt, aan de Fortunae Salutares toegewyd, door Q. Venidius Rufus en Marius Maximus, behelzende (30)
FORTVNIS
SALVTARIBVS
AESCVLAPIO HYG
Q. VENIDIVS RVF
MARIVS MAXIM
CALVINIANV
LEG. LEG. I ME. P.
LEG. AUG. :: PRA
:: CI :: C
D
Te Voorburg een soortgelyke aan Iupiter, Iuno, Minerva, en den Genius loci toegewyd door T. Flavius Peregrinus (31)
I. O. M. IVNONI RE
GINAE MINERVAE
ET GENIO LOCI T. FL
PEREGRINVS >
LEG. I. MIN. PRO SE
ET SVIS V. S. L. M
DVOBVS SILA
NIS COS
En by de ontbloting der grondslagen van het Huis te Britten (32)
::: EVER PIVS PERT. AVG
:: MAX. TRIB. POT. XIII
:: NTONIN. PIVS AVG
:: ER MILIT. LEG. I. ME
::: ENDIOR

XXX

Ulpius Trajanus was van keizer Nerva's wege, als landvoogd, met het krygsbewind en de regeering der Romeinsche landen aan den Gallischen Rhynoever belast (Plinii Panegyric cap. 14; Eutropius, lib. VIII cap. 2). Na de dood van Nerva, in het zeven en negentigste jaar onzer tydrekening, ’s Ryks bestuur in handen gekregen hebbende, liet hy den naam van Germanicus (33) op zyne munten slaan; stelde het Dertigste legioen in; deed by Vetera eene nieuwe legerplaats voegen, Castra Ulpia en Trajana geheeten, en stichte eene Volkplanting van Veteranen aan den Rhyn, bekend onder den naam van Colonia Ulpia Trajana, (34) van welke volkplanting gewag wordt gemaakt op eenen gedenksteen van Sextus Secundus Felix, keizerlyk amptenaar, in het jaar 1698 te Nymegen ontgraven. (35)

SEX. SECVND
PAPIRIA FELICI
:::: AVGVSTALI
C.V.T. T.P. IVSSIT H E
afbeelding
Hy deed ook de heirbanen of groote wegen hier te lande herstellen tot het vervoeren van krygsvoorraad. Op eene afgebrokene zuil op den landweg naar Vetera uitgegraven in het dorp Beek, een uur van Nymegen gelegen, leest men (36)
IMP. CAES. NER
VA TRAIAN
AVG. GER. PON
MAX. TR. P.
P. P. COS :::
::::::
::::::

XXXI

Het XXXste legioen, Ulpia, en wegens de behaalde overwinningen ook Victrix genaamd, heeft sedert den tyd van Trajanus tot den ondergang van het Romeinsche keizerryk aan de Gallische zyde des Rhyns, eene legerplaats in Neder-Germanie gehad, byzonderlyk te Vetera, daarom ook Germania by Dio geheeten.
Te Birten, Sancten, Morreberg by oud Calcar in het Rykswald aan den Hollendoorn, en elders zyn veele vloertegelen en pannen, door de soldaten van dit legioen in de tigchelovens gebakken, ontdekt met LEG.¤ - LEG.XXX - L.XXX.V.V -LEG.XXX.V.V (37)

afbeelding
In het Rykswald, niet verre van Nymegen, werd in het jaar 1655 een geloftesteen uit den grond gegraven, aan Iupiter en den Genius loci toegewyd door C. Candidinius Sanctus, standaartdrager van dit legioen, houdende (38)
I. O. M.
ET GENIO
LOCI
C. CANDIDINIVS
SANCTVS SIGN.
LEG. XXX V. V
PRO SE ET SVIS
L. M.
MATERNO ET ATTICO CO::
afbeelding
Te Birten een gelyke steen, ter vereering van Jupiter, Iuno en Minerva opgeregt door den standaartdrager T. Quartinius Saturnalis (39)
I. O. M. IVNONI REGINE sic
MINERVAE T. QVARTINI
VS SATVRNALIS SIGNI
FER LEG. XXX. V.V. PRO SE
ET SVIS V. S. L. M
:: MP.D.N.GORDIANO ET AVIOLA COS. KAL.IVL.
Ook is aldaar een gedenksteen opgedolven van M. Antistius Placidinus, M. Ulpius Aspadius en L. Victor, van den dienst ontslagene onderstandaartdragers (40)
M. ANTIST. PLACIDIN
M. VLP. ASPADIVS I
::::: L. VICTOR MISSI
HON. MISSIONE EX
SIGNIFF. LEG. XXX V.V.
FAVSTINO ET RVFINO
COSS
Verder in den naburigen oord van Birten een altaarsteen, aan Fortuna opgedragen door C. Sextilius Lepidus (41)
FORTVNAE
SACRVM
C. SEXTILIVS
LEPIDVS VET
LEG. XXX V.V
PRO SE ET SVIS
V. S. L. L. M.
Nog een aldaar uitgegraven steen ter vereering van de Matres Brittae door L. Valerius Simples (42)
MATRIBVS
BRITTIS
L. VALERIVS
SIMPLEX
MIL. LEG. XXX
V.V
V. S. L. M.
En een aan de Matres Trevirae toegewyd door T. Paternius Perpetuus, die wegens zyne dapperheid met een versiersel was beschonken (43)
MATRIBVS
TREVIRIS
T. PATERNIVS
PERPETVS sic
CORNICVLAR
LEG. LEG
XXX V.V. L.M
Te Qualburg by Cleve, onder andere aldaar uitgegravene oudheidsstukken, een geloftesteen aan de Matres of Matronae Quadriburgiae door Flavinus Severus, Veteraan van dit legioen (44)
:::::::::
QVADRV :::::
::: FLAVIN :::
SEVERV :::::
VET.LEG.X ::::
V.V. TEMPLVM
CVM ARBOR
CONSTITVIT
V. S. L. M.

XXXII

Zyn opvolger Hadrianus heeft insgelyks, kort na zyne verheffing tot de keizerlyke waardighed, by het bezoeken der Romeinsche landen langs den linker Rhynoever, eenigen tyd in Neder-Germanie doorgebragt, om de legerplaatsen, voormaals door Drusus ter verzekering van den Rhynstroom opgeregt, te bezien en te verbeteren, en om onder de legioenen, aldaar gelegerd, de oude krygsoefening te doen herleven (Spartianus, in Hadriano cap. 10). (45)

XXXIII

Onder Antoninus Pius schynen geene invallen in Gallie door de volken, die over den Rhyn oonden, te zyn ondernomen. Doch uit een opschrift op eenen brok steens, te Nymegen opgedolven, blykt, dat, even als onder Trajanus, ook onder het gebied der Antoninen aan het herstellen der heirbanen of openbare wegen alhier (46) de hand gehouden is. Alstoen is ook het twee en twintigste legioen naar den Gallischen Rhynoever gezonden.

XXXIV

Didius Iulianus, bevelhebber dezes twee en twintigste legioens, en gebiedende het krygsleger aan den Rhynoever van wege M. Aurelius Antoninus, onmiddelyk opvolger van Antoninus Pius, dreef de Catten, Cauchen en andere overrhynsche Germanen, die over den stroom getrokken waren, te rug (Capitolinus, in M. Aurelio Antonino cap. 8; Spartianus, in Did. Juliano cap. 1). Marcus Aurelius eigende zich deze overwinningen toe, en nam den naam van Germanicus aan, waar van getuigen eenige trotsche opschriften (47) op gedenkpenningen. Hy liet ook het dertigste legioen Antoniniana noemen. Iulianus was voor dezen dienst met het Burgemeesterschap beloond, en het landvoogdelyk bestuur van Neder-Germanie werd hem vervolgens opgedragen. Na de geweldige dood van Helvius Pertinax zag men hem verheven tot de keizerlyke waardigheid. In den omtrek der legerplaatsen, byzonderlyk aan den Hollendoorn in het Rykswald, en elders, zyn veele gebakken vloersteenen en pannen gevonden met de woorden SUB DID.IVLI en SUB DID. IVL. COS.

afbeelding

XXXV

Het XXIIste legioen, Primigenia, ook Antoninana genoemd, uit Syrie in Italie en vervolgens in Neder-Germanie aangekomen, werd te Vetera, te Bonna, en te Novesium ter bezetting gelegd. Van het zelve zyn veele vloersteenen en pannen, door de soldaten in de tigchelovens aldaar gebakken, opgedolven zynde bezegeld met LEG.XXII -LEG.XXII.PR. - LEG.XXII.PRI - LEG.XII.PRIM - LEG.XXII.PRI.V.V - LEG.XXII PR.P.F - P.P.F LEG.XXII - LEG.XXII P R P F (48)
Een gedenkteeken ter eere van M. Vettius Saturninus, Burger van Colonia Trajana door M. Antonius Honoratus opgeregt, is te Birten uitgegraven, tot opschrift hebbende (49)

DIS MANIBVS
M. VETTI SATVR
NINI VET. LEG
XXII P. F CIVI
TRIANENSI M
ANTONIVS HONO
RAT
Ook is aldaar een geloftesteen opgedolven in het begin der zeventiende eeuw, door den honderdman C. Sulpicius Maturus en zyn spitsbroeders toegewyd aan Hercules Saxanus (50)
HERCVLI SAX
SANO SACRVM
C. SVLPICIVS MA
TVRVS > LEG XXII
PR. P. F. ET COMMI
LITONES LEG EIV
SDEM QVI SUB
EO SVNT
V.S.L.M
Tusschen Bon en Andernach een geloftesteen voor eene ruiterbende van dit legioen ter vereering van Hercules vervaardigd.
HERCVLI SAXAN
O SACRVM VEX
SILLATIO LEG. XXII sic
PR. QVI SVNT SVB
CVRA R APRILI >
V

XXXVI

Ten tyde van keizer Severus Alexander begon het Romeinsch Ryk tot verval te hellen. Verscheidene volken, die ter rechter zyde des Rhyns woonen, trokken in grooten aantal over de rivier, de landen der Romeinen aan dien kant aflopende. Alexander kwam hier op met een leger in Gallie, en de Overrhynsche volken de tyding zyner aankomst vernemende, gingen in haast wederom over den Rhyn, en keerden naar hunne verlatene woningen te rug (Lampidius, in Alexandro Severo pag. 375, 386).

XXXVII

De staat der krygsmagt onder Severus Alexander was niet dezelfde als ten tyde van keizer Augustus. De krygstucht in de legers was aanmerkelyk vervallen. Eenige legioenen waren afgedankt, en ondergestoken in de nog overige (Dio Cassius, lib. LV. pag. 564, 794). Vier derzelver, ieder uit niet meer dan vyf duizend man bestaande, bevonden zich aan den Gallischen Rhynoever, daar die te voren werd bewaard door niet minder dan acht legioenen, ieder van ruim zes duizend man, behalven de Cohorten. Het schynt ook, dat het dertigste legioen Ulpia victrix, het welk te Vetera in bezetting lag, by deze gelegenheid verandering heeft ondergaan, zynde na Severus Alexander ook Severina Alexandrina genoemd. Te Birten zyn vloersteenen gevonden met SEVER.ALEX. en LEG.XXX.V.V.S.A.
Een gelofte steen, aan Iupiter toegewyd door Tertinius Vitalis, is te Birten ontgraven, waar van het opschrift luidt (51)

I. O. M. CONSER
VATORI TERTI
NIVS VITALIS
MIL. LEG. XXX V. V. S. A.
LIB. PRAEF. PRO SE
ET SVIS V. S. L. M.
VI KAL MAIAS
LVPO ET MAXIMO COSS.
Ook een gesteente, opgeregt ter behoudenisse van Severus Alexander door drie Septimii Mucatrae, Septimius Gallus, Septimius Diosporus en Septimius Sammus, is te Birten ontdekt (52)
IN H. DD. PRO
SALVTE IMP. SEVERI
ALEXANDIRI AUG. DEO sic
APOLLINI DYSEROLUS
OLO DE MILITES LEG
XXX V. V. P. F SVB CVRA
AGENT. T. F APRI COM
MODIAN LEG. AUG. P. P. T
CANNVTI MODESI LEG
LEG. SEPT. MVCATRA
IMAC. ET SEPT. GALLVS
ET SEPT. MVCATRA
SEPT. DEOSPOR. ET SEPT
SAMMVS ET SEPT. MVCATRA
CANDIDATI V. S. L. M.
MAXIMO II ET AELIANO
COS
Verder is, in den omtrek der Castra Vetera Birten, Sancten en Furstenberg, een geloftesteen aan Iupiter gewyd door Martius Victor, behelzende het opschrift (53)
I. O. M.
MARTIVS
VICTOR
MIL LEG. XXX. V. V.
SEVERIANAE
ALEXANDRI
P. F. V. S. L. M.
AGRICOLA ET CLE
MENTIANO COSS

XXXVIII

De krygstogten door Maximinus, die Severus Alexander was opgevolgd, aan den Gallischen oever des Rhyns gevoerd, waren gelukkig. Hy bediende zich niet alleen van de Romeinsche krygsmagt, maar ook van vreemde hulpbenden, viel aan het hoofd van een magtig leger in het Overrhynsche Germanie, verwoeste het land, nam eene menigte gevangen en herstelde de rust (Eutropius, lib. IX, pag. 825). (54)

XXXIX

De vreemde hulpbenden, die ten dezen tyde in het Romeinsche leger aan den linker oever des Rhyns dienden, genoemde en ongenoemde, zyn kennelyk uit derzelver vreemde en naar den Romeinschen tongval gedraaide namen. Van dezen zyn ook alsnog eenige gedenkteekenen aanwezig. In den omtrek van Vetera was gelegerd de achtste Cohors Breucorum, en van dezelve zyn te Birten uitgegraven grafgesteentens van Marcinus, zoon van Surco

MARCINVS SVR
CONIS F. BREVCV
MIL. EX COH. VIII
BREVC. ANN. XXXV
STIP. XII. H. S. E.
en van Sasaius, zoon van Licaius, waar van het opschrift is. (55)
SASAIVS LICAI
F. MILES EX. COH
VIII BREVCORVM
ANN. XXII STIP. XII
H. S. E. H. T. H.
Te Dodeweerd, waarschynlyk het ad duodecimum, of plaats der twaalfde mylsteen, volgens de Romeinsche landkaart van Peutinger, en Reistafel van Antoninus, is een grafsteen van Jucgumattius, zoon van Gaisio, gediend hebbende onder eene ruiterbende van Africanen, in de muur der kerktoren gemetzeld, waar van het opschrift luidt (56)
M. TRAIAN. IVC
GVMATTIVS GAI
SIONIS F. VET. ALAE
AFROR. T. P. I
afbeelding
Een geloftesteen van Brato aan Jupiter gewyd, in den omtrek van Nymegen ten jare 1634 opgedolven (57)
I. O. M.
DOMES
TICO
BRATO
VETERA
NVS L M
Een gelyke van Blesio, zoon van Burgio, mede aldaar in het jaar 1681 uitgegraven, aan Mercurius en Fortuna toegewyd, met het opschrift (58)
MECVRIO
REGI SIVE
FORTVNE sic
BLESIO BVR
GIONIS FIL
V. S. L. M.
Van een vleugel van Batavieren en Caninefaten is by de ontblooting der grondslagen van het Huis te Britten gevonden (59)
IMP
CAES
ANTO
AVG
COH
BAET
ORV
P. E
afbeelding

Van een vleugel van Britten zyn te Sancten aan den Hollendoorn in het Rykswald, en elders, vloersteenen opgedolven met de letters VEX.BRIT. (60)
Van korenhalers, zoetelaars, artsen en anderen, die het leger en legerplaatsen der legioenen volgden, zyn aanwezig.
Een geloftesteen, in den omtrek van Nymegen in het jaar 1669 ontdekt, toegewyd aan de Matres Mopates door M. Liberius Victor, korenhandelaar en Nervisch burger (61)

MATRIBVS
MOPATIBVS
SVIS
M. LIBERIVS
VICTOR
CIVES sic
NERVIVS
NEG. FRV
V. S. L. M.
Een gelyke steen mede aldaar ten jare 1628 ontgraven, aan de Matronae Aufaniae gewyd door T. Albinius Ianuarius (62)
MATRONIS
AVFANIABVS
T. ALBINIVS
IANVARIVS
En in het jaar 1630 een altaarsteen van Licinius Seranus ter eere van Iupiter
I. O. M.
LICINIVS SERA
NVS
V. S. L. M.
Een gemma sphragis van een Grieksch Arts by het Romeinsch krygsleger, zynde een drukmerk, aan de Winseling by Nymegen ontdekt, behelzende (63)
M. VLPI HERACLETIS
STRATIOTICVM

M. VLPI HERACLETIS          ¤           M. VLPI HERACLETIS
TALASSEROSA                                    DIARODONADIM

M. VLPI HERACLETIS
CYCNARIVMADIMP

En een evengelyk drukmerk in den jare 1671 mede aan de Winseling gevonden

MARCI VLPI HERA
CLETIS MELINVM

MARCI VLPI HERA              ¤              MARCI VLPI HERA
CLETIS DIAMYSVS                            CLETIS TIPINVM

MARCI VLPI HERACL
ETIS DIARICESAD

XL

Ten tyde van keizer Gordianus, van Decius, en daar na van Gallienus dreigden de Franken met andere Overrhynsche Germanen eenen geduchten inval, 't zy om te rooven, het zy om woningen in een gunstiger landstreek te zoeken. Op hen behaalden zoo Decius als Gallienus groote overwinningen. Zosimus schryft dat de barbaren van den rechter oever des Rhyns door hen bedwongen zyn, (64) en Eutropius, dat de verrigtingen van Gallienus tegen dezelven zeer nuttig geweest zyn voor het Romeinsche Ryk; gelyk de gedenkpenningen ook van twee of drie overwinningen gewagen, waar van Gallienus den naam van Germanicus Maximus aannam. (65)
Intusschen begon het Ryk onder hem sterk te verzwakken. In verscheidene gewesten maakten zich de bevelhebbers en landvoogden onafhankelyk, en wierpen zich op tot keizers, die tot dertig in getal worden opgenoemd, en onder den naam der XXX Dwingelanden bekend zyn (Trebellius Pollio, in trig. tyran. cap. 1). Gallienus werd in het jaar 260 vermoord. Middelerwyl werd de Romeinsche krygsmagt aan den Gallischen oever des Rhyns met veel beleid aangevoerd door hunnen veldheer Posthumus, naderhand tot keizer uitgeroepen, en door gansch Gallie erkend. Hy dreef de Franken, die in Gallie waren ingedrongen, te rug over den Rhyn, daar hy volgens Trebellius Pollio, verscheidene legerplaatsen tegen dezelven heeft aangelegd; en hy herstelde alzoo de vorige veiligheid en rust. Met meerder recht, dan Valerianus en Gallienus, werd hy vereerd met den naam van Germanicus Maximus. (66)

XLI

De overwinning op de Franken en Alemannen, door Claudius Gothicus behaald, wordt bevestigd door gedenkpenningen van dezen keizer (Trebellius Pollio, XXX tyran. cap. 2). (67) Aurelianus, bevelhebber van het zesde legioen, naderhand keizer (Vopiscus, in Aureliano cap. 7), bragt in het jaar 274 den Cauchen, Alemannen en Franken gevoelige slagen toe, (68) keizer Tacitus ondernam daar na zynen krygstogt tegen de Overrynschen met merkelyken voorspoed (in Tacito cap. 3); en Probus, tot de keizerlyke waardigheid verheven, noodzaakte de Chamaven, Franken en Alemannen hunnen behoudenis in de vlugt over den Rhyn te zoeken (in Probo cap. 13), en had het geluk hen voor eenigen tyd te sluiten. (69)
Sommige legioenen schynen ten dezen tyde verandering te hebben ondergaan, onder welke de eerste Minervia, en de zesde Gallicana, andere te zyn afgedankt, of in de overige ondergestoken. (70)

XLII

Maximianus Herculeus door Diocletianus in het jaar 281 tot Caesar benoemd, ging den Rhyn over, en het Overrhynsche Germanie zynde ingetrokken (Mamertini Panegyricus Maximiano Herculeo cap. 7), verwoeste hy des vyands land, nam een groot getal gevangen, en trok wederom naar de Gallische zyde des Rhyns. (71)

XLIII

Vervolgens behaalde Constantius Chlorus, aan wien Britannie, Gallie, Spanje, en 't geen de Romeinen aan den linker Rhynkant bezaten, ter bestieringe was ten deel gevallen, eene merkwaardige overwinning op de Alemannen, Chamaven en Franken (Eumenii Panegyricus Constantio Caesari cap. 9). En Constantinus, de teugels van het Ryksbestuur aanvaard hebbende, ontving aan het hoofd van zyn leger de Franken, dreef dezelve op de vlugt, en maakte onder hen eene groote slagting (Constantino cap. 21). (72) Ook deed hy een brug over den Rhyn leggen omtrent Keulen, en zyn zoon Crispus, die onder den titel van Caesar het opperbevel in Neder-Germanie had, ondernam verscheidene togten tegen de Overrhynsche Germanen met veel voorspoed, en drong derhalve tot het afleggen der wapenen. (73)

XLIV

Constans maakte, na de overwinningen van Constantinus Iunior, (74) met de Alemannen en Franken een verdrag van vreede. Maar de veldheer Iulianus, naderhand keizer, de Afvallige genoemd, door Constantius in het jaar 354 tot Caesar verklaard (Eumenius, in Panegyr. Constant. cap. 5, 6), en naar den Rhyn gezonden zynde, rukte op dezelve los, en bragt hen door kracht van wapenen tot stilstand. Evenwel schreeft Constantius zich zelven den ganschen roem van dezen veldtogt toe, zonder van den naam van Iulianus te gewagen. En wanneer de Quaden en Saliers, een byzonder soort van Franken, begonnen op te staan, dwong Iulianus dezelve zich aan hem te onderwerpen, en maakte met hen vreede op voorwaarden, die hy goedvond hun voor te schryven (Zosimus, lib. III, pag. 707). (75)
De Overrhynsche volken te keer gegaan hebbende, herstelde hy de vervallene sterktens aan den Gallischen Rhyn oever, Castra Herculis, Quadriburgium, Tricasimae, Burginacium, Colonia Trajana, en andere omtrent het eiland der Batavieren (Ammianus Marcellinus, lib. XVIII, cap.2). Ook bragt hy de legioenen, welke in dien tyd op verre na zoo talryk niet waren, als voor heen, in de winterlegeringen te rug, en liet Salische Franken, Quaden en inwoners van het eiland der Batavieren werven tot versterking zyner krygsmagt. (76)

XLV

Onder Valentinianus vielen de Franken en Alemannen wederom in Gallie, en leverden veldslag in het holst van den winter, wanneer de Rhyn was toegevrozen, De Romeinsche legioenen gedroegen zich by deze gelegenheid met grooten moed. Ook verdedigden zich de Overrhynsche Volken met veel wakkerheid. De overwinning der Romeinen was dus gering. Valentinianus, vergezeld van zynen Zoon Gratianus (Amminanus Marcellinus, lib. XXVII, cap. 14, XXVIII, cap. 5, XXX, cap. 3, 7), en zyne twee legerhoofden Severus en Theodosius, versterkte op nieuw de legerplaatsen en burgten van Rhatie tot aan de zee (Orosius, lib. VII.32). Gratianus bleef aan den Rhyn met eene talryke krygsmagt een gedeelte des jaars om de Overrhynsche Volken in ontzach te houden. En Theodosius, naderhand tot keizer verkozen, sloeg de Franken en Alemannen.

XLVI

Honorius te jong en te zwak zynde om de aanhoudende invallen der woeste volken te keeren, en geduurende zyne minderjarigheid door den keizer Theodosius, zynen overleden vader, het bewind der regeeringen zynde gesteld in handen van Stilico, staatsdienaar van Theodosius, werden de Romeinsche landen aan den Gallischen oever des Rhyns gewigtiger overvallen door de Franken en Alemannen, opgehitst door Stilico, die deze volken aan de Gallische zyde hadde gelokt (Orosius, lib. VII, cap. 38), ten einde door dit middel zynen zoon Eucherius tot keizer te verheffen (Gregorius Turonnensis, lib. II.9), waar toe hy ook enige legioenen, welke den Gallischen Rhynoever bewaarden, wegtrok en naar den Donaua zond. (77)

XLVII

Eindelyk trokken de Franken na zoo veele vruchteloze pogingen over den Rhyn, en verkregen eenen vasten voet in Gallie, welken zy reeds ten tyde van Iulianus gezocht, en nu van Honorius bekomen hadden.

XLVIII

Na de dood van Honorius in het jaar 423 werd Iohannes door het leger in Italie tot Augustus verklaard. Doch Galla Placidia, dochter van keizer Theodosius, en halve zuster van Honorius, aanvaardde de regeering onder den naam van haren zoon Placidius Valentinianus.

XLIX

Zoo dra Galla Placidia overleden was, verergerde de staat des Romeinschen ryks. De regeering van Pladicius Valentinianus was vol rampen (Orosius, lib.VII, cap.40; Cassiodorus, in Chron. pag.921): De orde en krygstucht onder de legioenen vernietigd, en ontelbare zwermen van allerhande volken verwoesteden van alle kanten het ryk door hunnen invallen, waardoor de bewooners van de linker zyde des Rhyns, van het Eiland der Batavieren, en van gansch Belgisch Gallie genoodzaakt werden hunne betrekkingen met de Romeinen te verlaten.

L

Ysselyke verwoestingen werden toen aangeregt met roven, moorden en branden, waar van getuigen de in volgende eeuwen opgedolvene dona militaria, gouden eereteekenen, en gouden munten van dien tyd, waarschynlyk de krygskassen, die men by den verhaasten aftogt van de overschot des Romeinschen legers genooddrongen werd in den schoot der aarde te verbergen. (78)


Terug
1. Dit artikel is ook te lezen op http://www.stilus.nl/betouw.

Terug
2. Citaat: zie hieronder
Epkema: A.J. van der Aa,   Biographisch woordenboek der Nederlanden, Haarlem 1852-1878 [BWN].

Terug
3. C.J.C. Reuvens, 'Levensberigten van oudheidkundigen', in: Antiquiteiten. Een oudheidkundig tijdschrift II.2 (1823), p. 287-288.

Terug
4. Een uitgebreide lijst in BWN.

Terug
5. Zie voor de wederwaardigheden van In de Betouws collectie de bijdrage van Mulder in dit Jaarboek.

Terug
6. We zijn het manuscript op het spoor gekomen via A.W. Byvanck, Excerpta Romana. De bronnen der Romeinsche geschiedenis van Nederland deel 2, 's-Gravenhage 1935, p. 70. Byvanck verwijst hier naar F. Nagtglas, Vervolg op den inventaris der handschriften van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Middelburg, Altorffer 1869, p. 1.

Terug
7. "Dieses patriotische Wasserzeichen wurde von fast allen niederländischen Papiermühlen geführt". Wisso Weiß, Historische Wasserzeichen, München: Saur 1987, p. 74-75.

Terug
8. Perpetueel committé: permanente commissie.

Terug
9. Hendrik van Wijn (1740-1831), in 1802 archivaris van de Bataafse Republiek, grondlegger van het Algemeen Rijksarchief (BWN); Jona Willem te Water (1740-1822), predikant, in 1776 geschiedschrijver voor de Staten van Zeeland, in 1785 hoogleraar kerkgeschiedenis in Leiden (BWN); Jacob Verheije van Citters (1753-1823), Raadsheer tot 1795, daarna ambteloos burger, woonachtig op slot Popkensburg op Walcheren (BWN).

Terug
10. Ultimo: op de laatste (dag van de maand).

Terug
11. Ferdinand von Fürstenberg, Monumenta Paderbornensia, ex historia Romana, Francica, Saxonica eruta, et novis inscriptionibus, figuris, tabullis geographicis & notis illustrata. Accedunt Caroli M. capitulatio de partibus Saxoniæ, ex antiquissimo ms. Palatino Bibliothecæ Vaticanæ, & panegyricus Paderbornensis, nec non manes Ferdinandei, Frankfurt en Leipzig 1713, 3de druk (1e druk: 1669).

Terug
12. Totus tuus: geheel de uwe.

Terug
13. Lid Provinciaal Utrechtsch Genootschap, 1786: Members of scientific and literary societies and other organisations, 1770-1810, http://members.ams.chello.nl/nordholt/societies1800/socframe.html. Correspondent Koninklijk Instituut (voorloper van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen), 1809: BWN en Collectie Johannes In de Betouw 1, Gemeentearchief Nijmegen. Lid Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1809: "Mr. J. IN DE BETOUW, Oud-Raad te Nijmegen, 1809", in: 'Namenlijst der heeren directeuren en leden van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1817', p. 24, in: Nieuwe Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 2 (1818).

Terug
14.'Voorbericht', in: Nieuwe Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen 2 (1818), p. 26.

Terug
15. Ha.C.M. Ghijsen, 'Voorwoord', in: Ha.C.M. Ghijsen, L.W. de Bree, M.P. de Bruin (red.), Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1769-1969, Middelburg: Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1969; Jeanine Dekker, 'Over heren van stand en culturele erfgenamen; wetenschapsbeoefening in het Zeeuws Genootschap bezien in het licht van de tijd', in: Zeeland 10 (2001), p. 2-9, met name p. 6.

Terug
16. Zie de lijst met de door In de Betouw gebruikte referenties aan het eind van de leeswijzer hieronder. De publicaties over het Valkhof worden daarin niet genoemd: J. In de Betouw, Lotgevallen en eindelyke ondergang van den van ouds alom vermaarden Burgt binnen Nymegen, Nijmegen 1797; Bijvoegsel tot de lotgevallen van den gewezen Burgt te Nymegen betreffende de aloude capellen aldaar, Nijmegen 1804.

Terug
17. Behalve de verzamelwerken van inscripties vooral: E. Ritterling, 'Legio', in: G. Wissowa, Paulys Real-Encyclopädie der classischen Altertumswissenschaft deel 12, Stuttgart: Metzler, 1924, k. 1211-1837; E. Ritterling en E. Stein, Die kaiserlichen Beamten und Truppenkörper im römischen Deutschland unter dem Prinzipat. Beiträge zur Verwaltungs- und Heeresgeschichte von Gallien und Germanien, Wien 1932; G. Alföldy, Die Hilfstruppen in der römischen Provinz Germania inferior, Düsseldorf: Rheinland-Verlag, 1968; J. Künow, 'Die Militärgeschichte Niedergermaniens', in: H.G. Horn (Hrsg.), Die Römer in Nordrhein-Westfalen, Stuttgart: Braun, 1987, p. 27-109.

Terug
18. Onder andere: J.E. Bogaers, 'De bezettingstroepen van de Nijmeegse legioensvesting in de 2de eeuw na Chr.', in: Numaga 12 (1965), p. 10-37; idem, 'Exercitus Germanicus Inferior', in: Numaga 12 (1965), p. 98-106; J.E. Bogaers en C.B. Rüger (red.), Der niedergermanische Limes. Materialien zu seiner Geschichte, Köln: Rheinland, 1974; J.K. Haalebos, 'Mosterd na de maaltijd. Een vergeten jubileum: Traianus en het jaar 98 na Chr. in Nijmegen', in: Jaarboek Numaga 47 (2000), p. 9-41; idem, 'Romeinse troepen in Nijmegen', in: Bijdragen en Mededelingen Gelre 91 (2000), p. 9-36.

Terug
19. Tacitus, Annales IV, 72-73.

Terug
20. Tacitus, Annales II, 8 en 11 (expeditie van Germanicus); Historiae IV, 12 en 15-20 (Bataafse opstand).

Terug
21. J. Gruterus, Inscriptiones antiquae, Heidelberg 1602 [1616] (heruitgegeven door J.G. Graevius, Amsterdam 1707), nrs. 51.5, 519.7, 535.1, 538.7, 545.5, 562.9, 568.1, 571.4, 571.7. Ook ontbreekt een wij-inscriptie uit Xanten, die wel in een eerdere publicatie is opgenomen: G.C. In de Betouw, De aris et lapidibus votivis ad Neomagum et Sanctenum effossis Gisberti Cuperi epistolae, Nijmegen 1783, p. 15, noot 12.

Terug
22. Zie de lijst hieronder.
In de voetnoten bij de 'Verhandeling' noemt In de Betouw de eigen publicaties zonder auteursnaam en alleen met de titel.

Terug
23. H. Cannegieter, De mutata Romanorum nominum sub principibus ratione liber singularis; item Postumus Bataviae adsertor; Hercules Magusanus et Deusoniensis aggerum Bataviae auctor, ex nummis atque ex inscriptionibus demonstratus; Nec non Trebellii Pollionis neglegentia; Monumentum Dodenwerdense expositum, Utrecht 1758, p. 231, 284-285. De grafsteen wordt ook genoemd in G. C. In de Betouw, Vertaaling en korte uitlegging van de opschriften op altaaren en gedenksteenen der Romeinen binnen en omtrent Nijmegen uitgegraven en op het Raadhuis aldaar geplaatst, Nijmegen 1787, p. 96.

Terug
24. De aanwezigheid van het tweeëntwintigste legioen aan de Nederrijn plaatst In de Betouw aan het eind van de tweede eeuw. In werkelijkheid was het vanaf 71 n.Chr. ruim 20 jaar lang in Xanten gestationeerd.

Terug
25. Zie vooral: G.C. In de Betouw, De Castris veteribus, Ulpiis sive Trajanis, Colonia Trajana, Burginacio, Harenacio, Batavorum oppido illustrium eruditorum epistolae ex autographis editae, Nijmegen 1783, p. I-IV en de voetnoten op p. 3-4; idem, Vertaaling en korte uitlegging, p. 9-12, 54-55, 77-79, 84.

Terug
26. M.P.M. Daniëls, 'Romeinsch Nijmegen. II. Ulpia Noviomagus', in: Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, nieuwe reeks 8 (1927), 94-95.

Terug
27. C.J.C. Reuvens, 'Nijmegen en Amsterdam', in: Antiquiteiten. Een oudheidkundig tijdschrift II.2 (1823), 277.

Terug
28. Corpus Inscriptionum Latinarum, Berlijn 1862-.


Terug
1. Het gedeelte van Belgisch Gallie langs den linker oever des Rhyns had den naam van Germania cisrhenana aangenomen, in superior en inferior of prima et secunda Germania onderscheiden.

Terug
2. Op gedenkpenningen van de eerste grootte in koper, in de omtrekken van Nymegen, Sancten, Birten en andere legerplaatsen gevonden, is het randschrift der voorzyde NERO CLAUDIUS DRUSUS GERMANICUS IMP en NERO CLAUDIUS DRUSUS GERMAN IMP.

Terug
3. Daar de oude opschriften op gedenksteenen de echtste stukken zyn, waar op is staat te maken, en van de drie legioenen onder het bevel van Varus maar een zeer gering overschot was, zal men by Tacitus, Hist.I.18, 55, II.100, IV.24 moeten lezen duo et vicesima, en III.22, IV.37 duo et vicesimani, in de plaats van duo de vicesima en duodevicesimani. Welke lezing ook overeenstemt met de beste handschriften.

Terug
4. In den omtrek daar in Birten of Beertheim, Furstenberg, Sancten en de Altenburg liggen.

Terug
5. Eene afteekening van dit gedenkstuk, door den oudheidkundigen Ewichius in 1630 naauwkeurig gemaakt, ziet men by Teschenmacher, Ann. Cliv. lib. II. pag. 59 en by Alting, Notit. Germ. inf. pag. 34 en men vindt eene beschryving en uitlegging van hetzelves in de Epistolae illustrium eruditorum de Castris veteribus pag. 13 in notis.

Terug
6. De Ubiërs waren ten dezen tyde van den rechter aan den linker Rhynoever in Germania cisrhenana geplaatst.

Terug
7. Het negentiende legioen was by de nederlaag van Varus volkomen gesneuveld; men behoort derhalven by Tacitus, Ann.I.31 te lezen, orto ab unetvicesimanis quintanisque, en cap. 45 quintae et unetvicesimae in de plaats van undevicesimanis en undevicesimae. Deze lezing komt ook over een met het eenigste handschrift van de zes eerste boeken van de Annales van Tacitus, in het klooster te Corbi gevonden.

Terug
8. Hy liet de koperen munten van Augustus, vermits er nog geen geld van Tiberius voor handen was, instempelen met TIB IMP - CAES - TI.AUG - IMP.AUG - CAES.AUG - TI.IMP.AUG - PRO - BON. In grooten aantal zyn dezelve gevonden omtrent Birten, Sancten, Nymegen en elders, meest op de munten der IIIviri A.A.A.FL.F.

Terug
9. Op de keerzyde van gedenkpenningen van Germanicus, in koper, van een tweede grootte, ziet men hem in eene gebiedende houding met den adelaar in zyne linkerhand, en het byschrift SIGNIS RECEPT. DEVICTIS GERM.

Terug
10. Te Bonna kon niet meer, dan één legioen gelegerd worden, maar men plaatste de legioenen ook in den omtrek. Tacitus, Hist.IV.22.

Terug
11. Tacitus, Hist.II.22 heeft quartam Macedonicam. Dit is een kennelyke misslag der afschryveren. Het vierde legioen is nergens elders Macedonica geheeten. De steenen zuil op het Capitool te Rome heeft V.MACEDONICA, zilveren gedenkpenningen van Gallienus hebben op de keerzyde LEG.V.MAC. Ook wordt het vyfde legioen by Dio Cassius Macedonica genoemd.

Terug
12. Eene beschryving en uitlegging van dit gedenkteeken vindt men in Iets betreffende de oudheden van Romeinsche oorsprong op de Winseling aan den Waaloever ontdekt.

Terug
13. Cannegieter, in Inscription. antiq. pag. 61.

Terug
14. Nu Asburg, een dorp op de scheiding van het voormalig Keulsche en Meursche grondgebied, daar nog grondslagen zyn van eene aloude sterkte.

Terug
15. Nu Galdub of Gelb, een dorp boven Urdingen in het voormalig Keulsche.

Terug
16. Nu Windisch, in het Canton Bern.

Terug
17. Het Oppidum Batavorum lag buiten het eiland der Batavieren aan den linkeroever der Waal in dat klein gedeelte van het vaste land van Belgisch Gallie, het welk de Batavieren bezaten, zich zuidwaards uitstrekkende tot de Maas, Batavodurum genoemd by Ptolemaeus, Geogr.lib.III.cap.9, en onderscheiden van het Batavodurum binnen het eiland, door Tacitus modicus vicus geheeten, Hist.V.20, ter plaatse daar nu Nymegen ligt. Zie de oordeelkundige Inleiding tot de Hist. van Gelderl. van den Heer Baron van Spaan III D. 5.10. bl. 48. IV D. 9.80. bl. 7, vergeleken met Smetii Opp.Batavor. cap. 1 en met Nymegen verdeeld in wyken enz. bl. 4. Sommigen nogtans hebben van dit Oppidum zeer verkeerd Batenburg willen maken, in het welk nimmer eenig teeken van Romeinschen oorsprong, noch eenige Romeinsche munt, gevonden of ontdekt is.

Terug
18. By Tacitus, Hist.V.14 staat secundae et XVI by misslag der afschryveren, in plaats van . Vergelyk lib.V.16: Sextae legionis auctoritate etc. en Hist.III.44, IV.68.

Terug
19. Zie Pighius, in Hercule Prodic. pag. 31.

Terug
20. Epistol. illustr. eruditor. de Aris et lapidibus votiv. pag. 28.

Terug
21. Beschreven en uitgelegd door Cannegiter, in Epistol. ad illustr. Comitem Lyndenum de Ara ad Noviomagum Gelriae reperta pag. 2 etc.

Terug
22. Pighius, in Hercul. Prodic. pag. 31.

Terug
23. Cannegieter, in Postumo pag. 170.

Terug
24. Legioenen, die veel geleden hadden in den kryg, en onder anderen gestoken waren, werden Geminae of Gemellae genoemd. Caesar, de bello civili III.8; Dio Cassius, lib. LV. pag. 646.

Terug
25. Zie de beschryving en uitlegging van dit gedenkteeken, en der drie volgende in de Epistol. illustr. eruditor. de Monumentis sepulcralibus pag. 3, 10, 12, 16 en by Scriverius, in Tabulor. antiq. Batavie. pag. 197, 200, 203. Merula, in Dissent. de Noviomago pag. 53. Pontanus, Hist. Gelr. lib. I. pag. 9 en Cannegieter, de Ara ad Neomag. reperta pag. 43.

Terug
26. Epistol. de Aris et lapidib. votiv. pag. 19 en Uitlegging der opschriften op Altaren. pag. 20.

Terug
27. Cannegieter, de Brittenb. pag. 102; in Postumo pag. 169.

Terug
28. By Tacitus, Hist.IV.35 behoort men te lezen, e quinta et quintadecima legionibus apud Vetera obsessis, in plaats van quarta decima; gelyk men cap. 36 leest adventu quintanorum quintadecimanorumque. De quartadecimani waren toen reeds door Vitellius naar Britannie verzonden. Zie Lipsius, ad Tacitum Hist.III.23. Maar Tacitus meldt Hist.V.1 dat de quinta decima legio, vetus Vespasiani miles by Vespasianus in Palestina was. Hoe is dit over een te brengen met de quintadecimani apud Vetera obsessi op den zelfden tyd, als Jerusalem door Titus met de quintadecimani belegerd werd? De lezing by Tacitus Hist.V.1 moet door de afschryveren bedorven zyn, of er is eene tweede XVde legioen geweest.

Terug
29. Gedenkpenningen van Domitianus in goud hebben op de keerzyde GERMANICUS COS.XIIII, andere COS.XV en COS.XVI, de keizer in een zegewagen met vier paarden bespannen. In zilver op de voorzyde IMP.CAESAR DOMITIANUS AUG. GERMANIC. Op de keerzyde P.M.TR.POT.IIII.IMP.VIII.COS.XI. In koper, op de keerzyde DE GERM. andere met GERMANIA CAPTA, en een zegeteeken met gebondene gevangens.

Terug
30. Cannegieter, de Brittenb. pag. 117.

Terug
31. Boxhornius, in not. ad Spartianum in Did. Iuliani pag. 789.

Terug
32. Scriverius, in Tabulor. antiq. Batav. pag. 176; Cannegieter, de Brittenb. pag. 116; Beschryving en uitlegging van twee steenen op het Slot Duivenvoorde bl. 8.

Terug
33. Op de voorzyde IMP.CAES.NERVA.TRAIAN.AVG.GERM. Op de keerzyde P.M.TR.P.COS.III.P.P. een overwinningsbeeld met een lauriertak in de rechter hand.

Terug
34. Nu Kellen, een dorp naby Cleve. Pighius, in Herc. Prodic. pag. 32.

Terug
35. Epistolae ill. erudit. de Monument. sepulcral. pag. 19; Cannegieter, de Brittenb. pag. 23.

Terug
36. Smetius, in Antiquit. Neomag. pag. 77; Epistolae illust eruditor. de Columna milliaria Trajani. pag. 10.

Terug
37. Op zilveren gedenkpenningen van Septimius Severus, en van Gallienus LEG.XXX.VLP.VI.

Terug
38. Eene beschryving en uitlegging van dit opschrift vindt men in de Epistol. illustr. eruditor. de Aris et lapidib. votivis pag. 2.

Terug
39. Epistolae de Castris veteribus pag. 6.

Terug
40. De Aris et lapidib. votiv. pag. 28.

Terug
41. Pighius, in Herc. Prodic. pag. 34; Epistolae de Aris et lapid. votiv. pag 4.

Terug
42. Scriverius, in Tabul. antiq. Batav. pag. 226; Alting, Notit. Germ. infer. pag. 36; Cannegieter, de Brittenb. pag. 21; Epistolae de Aris. pag. 15.

Terug
43. Cannegieter, de Brittenb. pag. 36.

Terug
44. Epistolae de Aris et lapid. vot. pag. 16.

Terug
45. Op de keerzyde van zilveren gedenkpenningen van Hadrianus vindt men GERMANIA, een staand vrouwenbeeld met spies en schild.

Terug
46. Een opschrift van zulken inhoud, gewagende van M. Aurelius Antoninus, en L. Verus, te Monster na by het dorp Naaldwyk gevonden, heb ik ook gezien op het voorplein van het Huis Persyn, in het duin een uurtje ten oosten van Den Haag gelegen.

Terug
47. Op de keerzyde van gouden penningen DE GERM. TR. P. XXXI. IMP. VIII. COS. III. P. P, een bondel krygswapenen. Van zilveren DE GERM. TR. P. XXX. IMP. VIII. COS. III. P. P. In koper van de eerste grootte: GERMANICO AUG. IMP. VI. COS. III en GERMANIA SUBACTA IMP. VI. COS. III, een zegeteken met gebondene gevangens. Van de derde grootte GERMANIA SUBACTA IMP. VIII. COS. II. P. P; op andere het onderschrift DE GERMANIS.

Terug
48. Eene zeldzame penning van Victorinus in koper van de derde grootte, door Banduri aangehaald Numism. Imp. Rom. Tom. 1. pag. 321, heeft op de keerzyde LEG.XXII PRIMIGENIE. sic.

Terug
49. Cannegieter, de Brittenb. pag. 24; Epistol. de Castris Veteribus pag. 18.

Terug
50. Cuperus, in monument. ad Harpocr. pag. 166; Cannegieter, in Postumo pag. 167; Epistol. de Mercuri aliisque sigillis pag. 31.

Terug
51. Epistol. de aris et lapid. votiv. pag. 31.

Terug
52. Epistolae de aris et lapidib. votiv. pag. 23.

Terug
53. Epistolae de aris et lap. vot. pag. 23.

Terug
54. Op de keerzyde van zilveren gedenkpenningen van Maximinus vindt men VICTORIA GERM, een overwinningsbeeld met een lauriertak in de rechter, en een palmtak in de linkerhand, aan de voeten een gevangen. En van koperen der tweede en derde grootte: VICTORIA GERMANICA, Maximinus staande, gekroond wordende door de overwinning, voor zyne voeten een gevangen.

Terug
55. Cannegieter, de Britenb. pag. 58.

Terug
56. Cannegieter, ad monumentum Dodenwerdense pag. 213.

Terug
57. Epistolae de aris et lapid. votivis pag. 5.

Terug
58. Epistolae de Castris Veterib. pag. 37.

Terug
59. Cannegieter, de Brittenb. pag. 15; Lipsius, ad Tacit. Ann.IV.73 haalt aan een opschrift op eenen steen, in den omtrek van Bolsenna gevonden, gewagende van de ALA PRIMA CANNANEFATUM.

Terug
60. Smetii Antiq. Neomag. pag. 88, 99; Cannegieter, de Brittenb. pag. 17, 59.

Terug
61. Epistolae de aris et lapid. vot. pag. 14; Cannegieter, de Ara ad Neomagum Gelriae reperta pag. 5, 16.

Terug
62. Epistolae de aris pag. 23.

Terug
63. Smetius, in Antiquit. Neomag. pag. 99; Saxii epistola ad virum amplissimum eruditissimumque Henricum van Wyn de veteris Medici gemma sphragide pag. 23-31; Iets betreffende de gevondene oudheden op de Winseling bl. 10, 11.

Terug
64. Zilveren gedenkpenningen van Decius hebben op de keerzyde VICTORIA GERMANICA, Decius te paard, voorgegaan door een overwinningsbeeld.

Terug
65. Op de keerzyde van gouden gedenkpenningen van Gallienus VICT. GERMANICA. Van zilveren GERMANICVS MAXV, op andere VICTORIAE AUGG II GERM. Op koperen VICTORIA GERM en VICTORIAE AUG. IT. GERM, ook FIDES MIL. GERM, en op de keerzyde van een zilveren van keizer Valerianus, vader van Gallienus, GERMANICVS MAX. TER.

Terug
66. Op de keerzyde van gouden en zilveren gedenkpenningen van Posthumus leest men VIC.GERM.P.M.TR.P.V.COS.III.P.P. en in koper van de tweede grootte GERMANICUS MAX, op andere GERMANICUS MAXV.

Terug
67. Op de keerzyde van een koperen gedenkpenning van de derde grootte van Claudius Gothicus vindt men: VICTORIA GERMAN.

Terug
68. Op een gelyke penning van Aurelianus: VICTORIA GERM.

Terug
69. Op de keerzyde van een gedenkpenning, zoo in zilver als in koper, van Probus: VICTORIA GERM.

Terug
70. Op de keerzyde van een zeer zeldzame penning in koper van den dwingeland Aureolus heeft men: L. I. MI. RESTITVTA.

Terug
71. In een oud opschrift op een steen wordt Maximianus vereerd met den naam van GERM. MAX. by Banduri, numism. imp. Rom. Tom. II. pag. 36.

Terug
72. Op gouden penningen van Constantinus vindt men: CONSTANTINVS P. F. AVG. met GAVDIVM ROMANORVM op de keerzyde, een schreiend vrouwenbeeld onder een zegeteeken, en daar onder ALEMANNIA. Op andere GAVDIVM ROMANORVM en onder FRANC. ET ALAM. Ook DEBELLATORI GENTIVM BARBARARVM.

Terug
73. Op de keerzyde van een gouden penning van Crispus, GAVDIVM ROMANORVM, onder het zegeteeken ALAMANNIA. Van koperen van de derde grootte, ALAMANNIA DEVICTA, en van kleiner soort in koper ALAMANNIA CAPTA.

Terug
74. Op de keerzyde van zilveren penningen van Constantinus Iunior en van koperen van de derde grootte, ALAMANNIA DEVICTA.

Terug
75. Op gouden en zilveren penningen van Constans leest men aan de keerzyde: TRIVMFATOR GENTIVM BARBARARVM. sic.

Terug
76. Op de keerzyde van gouden penningen van Iulianus: VIRT. EXERC. GALL.

Terug
77. Er zyn nogtans gedenkpenningen van Honorius in zilver, en in klein koper met het randschrift op de keerzyde: TRIVMFATOR GENT. BARB.

Terug
78. In het jaar 1715 werd in een stuk lands tusschen het Huis Biljoen en den Yssel, by gelegenheid van het dieper omspitten van den grond ontdekt een yzeren pot, gevuld alleen met gouden munten van de zoonen van Constantinus en volgende keizeren tot Placidius Valentinianus, benevens een gouden ketting, waaraan vyf gouden medaillons waren gehegt, van welken de Medaillon van Honorius de grootste, en van Galla Placidia de zeldzaamste was, vervat in kostbare gouden randen, te zamen tot innerlyke waarde van omtrent zes duizend guldens. Zie Lettres d'Histoire et de Litterature écrites à divers savans de l'Europe par Monsieur Gisb. Cuper pag. 179, 183.
afbeelding
In het midden van die zelfde eeuw op de Menselersche heide, niet verre van Birten ten zuidoosten, eene groote lykbus, vol met gouden munten van Constantinus en volgende keizeren en dwingelanden van het lage Ryk, alle nieuw. En eenige jaren later in een stuk bouwland van het klooster Hagenbosch, kort by Sancten, een koperen pot of kruik met gelyke gouden munten van dezelfde keizeren, ieder van nog grooter innerlyke waardye.
Overblyfsels van krygstuig en stukken van krygsgereedschappelyk gebruik, hoe onverschillig en onopmerkzaam men ook daaromtrent in vorige eeuwen is geweest, en het zelven genoegzaam allezins heeft verwaarloosd, zyn echter nog aanwezig, in koper en yzer, van werpspiessen, pieken, degens, helmen, knoppen, kledergespen, armbanden, halssieraden, yzere ketenen van gevangenen, ringen van goud, zilver, koper en yzer, zonder en met gestaantens en beeldtenissen van Mars, Serapis, krygslieden enz. drinkschalen, bekers, kannen, van welke sommige beschilderd met bygevoegde woorden: MISCE of MITE MERUM of DA BIBERE of MISCE BIBE DA MI of VIVAS enz.