De bijen van de arme man

Apes pauperis

 

Een arme man heeft een proces aangespannen, omdat zijn bijen zijn vergiftigd door zijn rijke buurman. De redevoering die op naam stond van Quintilianus (eerste eeuw na Christus), is integraal vertaald; het commentaar gaat dieper in op de juridische en retorische facetten ervan.

De liefde van de arme man voor zijn (uitgeroeide) bijen is groot: hij laat zich telkens meeslepen door zijn eigen enthousiasme. Met uitgebreide beschrijvingen probeert hij zijn bijenvolk tot leven te wekken voor het oog van de rechters.

Een ander wapen in zijn strijd tegen de rijkaard is de ironie, vaak uitmondend in sarcasme. Met name het begin van de redevoering verdient het hardop voorgedragen te worden.

 

Download het e-boek

De bijen van de arme man.
Apes pauperis, Quintilianus, Declamatio maior XIII
E. van Dongen en L. Nellissen
Stilus 2014
ISBN 978-90-808719-4-6

 

Of lees de afzonderlijke onderdelen:
Voorwoord
Nederlandse vertaling
Latijnse tekst
Artikel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord

Ik was van plan het oude stamhuis, de muren die zoveel geboortes hadden meegekregen, onze bakermat, bovendien de armoedige stookplaats, het beroete dak, de eigenhandig geplante boompjes te verlaten, vastbesloten tot ballingschap.

Drama maar ook zelfspot zijn de man die een proces aangespannen heeft tegen zijn buurman, niet vreemd. Hij gebruikt grote woorden om zijn boerderij te omschrijven maar keert meteen terug naar de realiteit. Toch zullen die grote woorden zijn diepste gevoelens weergeven: hij wordt verdreven van zijn voorvaderlijke grond. En de buitenstaander ziet slechts een keuterboertje: een hutje met wat beplanting.

Deze redevoering is overgeleverd op naam van Quintilianus, de grote Romeinse leraar der welsprekendheid uit de eerste eeuw na Christus. Het is een schooloefening, een vergezochte casus, die juridisch en retorisch interessant is.
Na de vertaling van Declamatio maior XIII door Nellissen volgt Van Dongens retorische en juridische uitleg: "Apes pauperis. Recht en retorica in Pseudo-Quintilianus, Declamatio maior XIII".

Voor de Latijnse tekst is de Teubner-editie van Lennart Håkanson uit 1982 als uitgangspunt genomen. Een enkele keer is er gekozen voor een andere lezing. De vertaling van Lewis A. Sussman, The Major Declamations Ascribed to Quintilian. A Translation (1987) en de vertaling, met commentaar, van Gernot Krapinger, [Quintilian] Die Bienen des armen Mannes (Grössere Deklamationen, 13) (2005) zijn regelmatig geraadpleegd bij het maken van de Nederlandse vertaling.

We danken Elsemieke Daalder, Lucette Meijer-van Gorp, Sjoerd Meijer en Marie-Louise Schonewille voor hun kritische opmerkingen en aanvullingen.

Emanuel van Dongen
Leo Nellissen

 

                                                                                           TOP                                                                                           

 

Quintilianus, Declamatie maior XIII

De aanklacht wegens onrechtmatig toegebrachte schade kan in behandeling worden genomen.

Een arme man en een rijke man waren buren op het platteland omdat hun tuinen aan elkaar grensden. De rijke had bloemen in zijn tuin, de arme hield bijen. De rijke man heeft geklaagd dat zijn bloemen geoogst werden door de bijen van de arme. Hij eiste dat hij ze zou verplaatsen. Omdat de arme man de bijen niet verplaatste, heeft hij zijn eigen bloemen met gif overgoten. Alle bijen van de arme man zijn dood gegaan. De rijke man is aangeklaagd voor onrechtmatig toegebrachte schade.

Heren rechters, ik geloof dat de meeste mensen verbaasd zijn, dat ik, een onbeduidende en arme man (ik was al arm, voordat ik verloren had, wat ik bezat), het aangedurfd heb een rijkaard voor het gerecht te slepen, en dan ook nog mijn buurman. Hij staat bekend om zijn gebrek aan zelfbeheersing, heeft een naam als wreedaard en is door zijn sterke maatschappelijke positie een gevaarlijke vijand, zelfs als hij geen gif hanteert.

Ik ben me persoonlijk terdege bewust van dit gevaar, want ik heb een sterk voorbeeld hoeveel het me kostte omdat ik éénmaal niet zijn opdracht heb uitgevoerd. Maar die schade, heren rechters, is voor een arme man niet op te brengen, wanneer zelfs rijkaards door zulke kleine dingen onrustig worden. Hoewel er bijna niets is overgebleven wat ik kan verliezen, zal ik er eerder troost in vinden dat ik de woede van de rijke over me heen krijg dan zijn minachting, als ik dit soort zaken dan toch straffeloos moet verdragen. En er is echt voor mij geen reden meer om te leven, als er bij al die beledigingen die bij mijn lage afkomst horen, ook nog het volgende komt. Ik moet, als ik iets bezit, het ergens anders naartoe brengen en ik moet erover zwijgen, als ik het kwijtgeraakt ben.

Ik vraag maar om één ding: dat niemand denkt dat deze zaak over mijn ruzie beneden uw waardigheid is. Want voor alles moet u niet verwachten, dat een arme man als ik grote verliezen heeft geleden. Maar hoe weinig het ook is, wat de rijkaard van mij heeft afgepakt: wat hij heeft overgelaten, is nog minder. En wie heeft er moeite mee dat bijen door een gang naar het gerecht worden beschermd, wanneer zelfs bloempjes door gif worden beschermd?

Heren rechters, hoewel ik nu aan de grond zit en geen enkele hoop meer heb om mijn armoede in stand te houden, zou ik dit alles met een geruster gevoel verdragen, als ik die zware straf - zijn woede was toch terecht - had gekregen, in het besef dat ik ergens schuldig aan was. Maar als ik alles zo eens bekijk, kan de rijkaard mij niets verwijten, behalve dat ik zijn buurman ben.

[2] Ik heb een akkertje, heren rechters, erfenis van mijn vader. Het is heel klein en het is arme grond: er staan geen druiven, het levert geen graan, er groeit geen gras. Het is mijn bezit: droge kluiten, onooglijke tijmstruiken op een smalle strook rond mijn armoedige hut. Echt heel blij ben ik ermee, ook vanwege het feit dat het het niet waard was dat een rijke het zou willen hebben. Ik had me voorgenomen om in dit verlaten woonoord, buiten de mensenchaos om, mijn eenvoudig leventje te leiden, ver van de jacht op een politiek baantje en ver van het verlangen naar een betere maatschappelijke positie. Ook had ik me voorgenomen niet op te vallen, totdat mijn leven door de onverbiddelijke wet van de natuur veranderde. Mijn gemoedsrust had me dit stukje grond en het grove dak van mijn simpele hut tot mijn koninkrijk gemaakt en er was genoeg rijkdom om niet méér te willen. Heeft me dit geholpen? De afgunst heeft mij ook gevonden, nu ik me zo verborgen hield.

Ik ben, heren rechters, niet vanaf het begin af aan de buurman van de rijkaard geweest: eigenaren net als ik woonden rondom mij en een buurt met talrijke boerderijen zorgde harmonieus voor kleine percelen. Wat eens de burgers van voedsel voorzag, is nu van één rijkaard de tuin. Nadat het land van de rijke man ver buiten zijn oevers getreden was door alle grensstenen in de buurt los te rukken, nadat de boerderijen met de grond gelijkgemaakt waren en de heiligdommen van de dorpen vernietigd waren en de oude boeren, een blik nog op hun stamhuis, met hun vrouwen en kleine kinderen vertrokken waren, en nadat er een eenvormig geheel zonder mensen in de wijde omgeving ontstaan was, trokken de landerijen van de rijkaard op naar mijn bijen.

Zolang mijn leeftijd me zwaar werk toestond, heren rechters, heb ik inderdaad de grond met mijn handen bewerkt, heb ik met harde arbeid moeilijkheden overwonnen, heb ik de onwillige grond toch een beetje vruchtbaarheid afgedwongen. Een dag glijdt snel voorbij en met het klimmen van de jaren stijgt ook de benodigde inspanning. Verdwenen zijn mijn krachten (dat is mijn kapitaal). En mijn oude dag, zwak door het harde werken en voorbode van de dood, heeft me niks overgelaten behalve mijn nauwgezetheid.

[3] Ik dacht eens na over wat voor werk bij de zorg voor een gebrekkige oude dag paste: vee houden en met de opbrengst van een makke kudde mijn armoede behouden kwam bij me op. Maar aan alle kanten lag het land van de rijkaard en het gaf net een smal paadje voor mijn voeten. "Wat te doen?" zei ik. "Van alle kanten ben ik ingesloten door een muur van rijkdom. Aan deze kant de tuinen van de rijkaard, aan die kant z'n akkers, dan z'n wijngaarden, ginds z'n weilanden. Er wordt geen enkele uitweg over land geboden. Ik moet een dier zoeken dat vliegt." Wat heeft Moeder Natuur dan uitgevonden dat beter is dan bijen? Ze zijn sober, betrouwbaar, actief. Lief diertje toch, je lijkt zo op arme mensen!

En de gunstige ligging van mijn tuin bood me zeker de kans, want ze ligt op het zuidoosten, is zonnig en beschut tegen de wind. Uit een bron vlakbij ontspringt een beekje. Het water klettert tussen de glimmende kiezels en stroomt langs de oevers die allebei groen zijn. Met gulle hand gezaaide bloemen en de frisse bloesem van maar een paar bomen waren de eerste rustplaatsen voor het ontstaan van de bijenvolken. Daar heb ik regelmatig van een doorbuigende tak een samengebalde zwerm jonge bijen meegenomen.

Het genoegen de honing die uit de raten droop, op te slaan en naar de stad te brengen voor verkoop aan de rijken om de kosten van mijn armoede te dragen, was niet zo groot als het genoegen dat ik tegenover al dat vervelende en vermoeiende ouder worden iets had als oude man, waarmee ik mijn dag kon vullen. Ik had er plezier in om in de lente korven te vlechten van soepele twijgen en om kierende spleten dicht te smeren met mest om te voorkomen dat zomerhitte of winterkou de volle korf binnendrong. Of om zelf zwakke bijen honing te geven, een wegvluchtende zwerm door het rinkelen met brons schrik aan te jagen of oorlogen te sussen door wat zand te gooien. Ik had er ook plezier in om ter voorkoming van gevaar voor een individuele bij, hongerige vogels uitgebreid te verjagen, klein ongedierte van de ingang weg te houden en inmiddels geopende bijen-huizen te controleren dat dat lelijke monstertje geen verraderlijk web aan het weven was in de lege korven.

[4] Ik had mezelf, een oude man, verdiend ontslagen van dat harde werken: ik had bijen om het werk voor mij te doen. Waarin dring jij niet door, lelijke Afgunst? Wat is er veilig voor smerige gierigheid? De rijke was jaloers op de arme! Toen hij me plotseling uit mijn huis naar buiten geroepen had en me met alle drukte die bij zijn positie hoort, bedreigd had - ik kreeg het benauwd -, zei hij: "Nou? Kun jij jouw bijen niet opdragen alleen op jouw terrein te vliegen? Dan gaan ze niet op de bloemen in mijn tuinen zitten en dan verzamelen ze geen dauwdruppels op mijn terrein. Haal ze weg, verplaats ze!" Waarheen dan, almachtigste dwingeland? Heb ik dan zo'n uitgestrekt akkertje, dat de bijen niet over de grenzen ervan kunnen vliegen? Toch had ik niet zo'n lef in mijn lijf dat ik niet van mijn stuk gebracht werd door de dreiging van zijn bekende gebrek aan zelfbeheersing. Ik was van plan het oude stamhuis, de muren die zoveel geboortes hadden meegekregen, onze bakermat, bovendien de armoedige stookplaats, het beroete dak, de eigenhandig geplante boompjes te verlaten, vastbesloten tot ballingschap.

Ik was van plan, heren rechters, te wijken. Ik was het van plan, maar ik kon geen enkel akkertje vinden, waar ik de rijke niet als buurman zou hebben. Toch had ik niet veel tijd om te zoeken. Toevallig was het eens een schitterende dag: het was onbewolkt en het licht was helder. De lekkere warmte van de ochtendzon had de zwerm - fanatieker dan anders - uitgezonden voor de dagelijkse arbeid. Ja, ik was naar buiten gekomen om te kijken naar deze bedrijvigheid (daar genoot ik heel erg van) en ik hoopte te zien hoe bepaalde bijen, in balans door hun vleugels, een volle vracht binnenbrachten, hoe andere hun bagage aflegden en zich op nieuwe buit stortten, hoe de vertrekkers in hun haast de binnenkomers niet hinderden, hoewel het een drukte van belang was bij de nauwe ingang, hoe bepaalde bijen het trage darrenvolk uit hun kwartieren dreven, hoe andere, vermoeid door de lengte van de afgelegde afstand, op adem probeerden te komen en hoe dit bijtje hier haar vleugels uitspreidde om te zonnen.

Het is dieptriest met me. Vergeef me mijn gejammer van net: [5] ik ben geen bloempjes kwijtgeraakt, of herfstbladeren die door de volgende windvlaag zullen vallen, maar ik ben mijn ontsnapping aan armoede, mijn troost tegen ouderdom verloren. Hiervoor heb ik nooit gedacht dat ik arm was. Mij overviel de droeve stilte, en in de lege korf het onafgemaakte werk en de ruwe raten. U, heren rechters, probeer eens in hoeverre u zich kunt inleven in die stemming van mij: had ik het gevonden, dan had ik met alle plezier gif gedronken.

Deze schade heeft me niet de snijdende kou in de ijzige winter toegebracht. De bloemen zijn niet door een lange droogte geteisterd en hebben niet voor honger en dorst gezorgd voor de zielige bijen. Niet heeft onrechtvaardige hebzucht van de eigenaar geen drup honing voor de bijen overgelaten. Geen ziekte heeft de uitgeputte bijen overvallen. Niet zijn ze op de vlucht geslagen naar een bos ver weg omdat hun woning niet goed meer was. Mijn bijen ben ik, een ongelukkige arme man, tijdens het werk kwijtgeraakt. Deze goddeloze man heeft bovenal zoveel gif gemaakt dat het ook voor de tuinen van een rijkaard voldoende kon zijn, hij heeft zijn bloemen met die schadelijke vloeistof ingesmeerd en heeft de honing in vergif veranderd. Hij heeft alle bloemen met de dood besprenkeld en hoeveel meer heeft hij ondertussen vernietigd dan wat de bijen mee hadden kunnen nemen! Ze worden wakker uit enthousiasme voor hun dagelijks werk, wanneer de morgenstond het daglicht roept. En ze vliegen, de ongelukkigen, naar de gebruikelijke weides, om voordat de zonnestralen het vocht van de nacht opdrinken, de morgendauw te verzamelen, het hemelse water naar hun schuur te kunnen brengen en het niet voor zichzelf maar voor de korf te drinken.

[6] Dit hier was een droevig schouwspel, en ook de aanstichter moest het wel bijna zielig vinden. Een bij vliegt bij de eerste teug van de dodelijke drank - ze is geschrokken van de ongewone smaak - weg, maar vluchten heeft geen zin. Een andere wil langer eten, gaat de hoogte in en sterft boven in de lucht. Hier sterft er een meteen bij de eerste bloem; daar hangt er een, levenloos, zoals ze op de bloem zat, de poten stijf door de dood. Een andere bij kruipt nog traag over de grond, verzwakt door de inspanningen van het vliegen. Als een iets tragere doodsstrijd er toch een paar naar hun korf heeft laten gaan, dan heeft slechts de dood hen, tot een kluwen verenigd en elkaar vastgrijpend, zoals zieke bijen meestal onder de ingangen gaan hangen, kunnen scheiden. Wie zou kunnen schilderen, wie kunnen omschrijven, hoeveel vormen van ellende, hoeveel soorten dood zo'n groot aantal sterfgevallen heeft opgeleverd! Om zelf een einde te maken aan deze droevige uiteenzetting, moet ik zeggen: ik ben ze allemaal kwijtgeraakt. Die levendige bijenkorf, bekender dan zijn meester, is te gronde gegaan.

U moet nu het lef hebben de rijke aan te pakken, u, die nog een reden heeft om te leven. Maak met ferme woorden gebruik van uw vrijheid, als hij iets fout heeft gedaan. Hij heeft al getest wat het allermoeilijkste was: gif. Als het geluk me een sterk karakter of een sterke positie had gegeven, dan had deze misdaad niet een vaststelling van de schade bij een rechtszaak nodig gehad. Wetten verbieden het om gif te bezitten, te kopen en er zelfs weet van te hebben, want het is een onvermijdelijke ramp die met verborgen misleiding te werk gaat. Onschuld heeft eigenlijk geen bestaan, waar geheime misdaad aan de macht is. Gif, en ook nog snelwerkend, is gevonden, bewerkt en toegediend. Het is nauwelijks van belang wie het gedronken heeft! Een mens heeft het toegediend; ook aan een mens kan het toegediend worden. Oorzaken voor vetes zijn niet zo afwezig dat vijandschap maar af en toe voorkomt. En ook al schijnt iemand niets meer te haten dan andere mensen, dan kan hij er toch eens voor kiezen zijn hand uit te steken en toegeeflijk te zijn. Geloof me, heren rechters: het is moeilijker gif te vinden, dan een vijand.

[7] Maar mijn gebrek aan kracht, als resultaat van mijn nietigheid, zorgt ervoor dat ik me beperk tot alleen mijn klachten. Want ik heb schade geleden, heren rechters, en wel een zeer zware aderlating voor een arme man. Over deze schade kan ik bij u langer treuren dan dat ik haar moet bewijzen, want waarom al die moeite om misdaden aan te tonen tegenover iemand die bekent? Rijke mensen beledigen ons ook nog: ze vinden ons niet de moeite waard om te ontkennen. En verder is iemand die een misdaad die hij bekend heeft, verdedigt, niet op zoek naar vrijspraak voor die misdaad, maar naar toestemming daarvoor. Deze zaak reikt verder dan ik vreesde: we voeren hier geen rechtszaak alleen over het verleden. Het gaat er hierom dat, ook als ik misschien iets vergoed heb, de rijkaard toestemming heeft opnieuw te doden.

Want hij verdeelt zijn zaak, voor zover ik het kan beoordelen, in twee punten: of er schade is en of die schade onrechtmatig is toegebracht. Hij zegt dat er geen schade is omdat ik een dier verloren heb, dat vrij is, dat vliegt, dat rondzwerft en dat niet luistert naar mijn bevelen. Hij zegt dat de schade niet onrechtmatig is toegebracht, omdat het op zijn eigen terrein was, omdat hij bijen die zichzelf schade toebrachten, vernietigd heeft en, ten slotte, omdat de bijen vrijwillig hun dood ingingen, toen hij gif gestrooid had over zijn bloemen, en alleen maar over zijn bloemen. Ook al zou ik hierop geen antwoord hebben, is het eerlijk om zoiets te doen met je buren? Maar ik ga deze punten een voor een afschieten en ik kom niet eerder bij mijn eigen argumenten dan dat ik deze tegenargumenten weerlegd heb. De vraag waar het om draait, is namelijk of schade te definiëren valt als iets verliezen wat winst oplevert, als je het hebt.

[8] Stel je voor: het is een vrij dier. Ik zeg niet dat ik de jonge dieren eigenhandig ter wereld heb gebracht en op een veilige plek heb gezet en dat ze op mijn eigen terrein geboren zijn als mijn eigen zwerm - jij verdedigt immers de rechten van dwingelanden - omdat ik honingraten bewaard had als steun voor dit volk. Stel nu eens dat ik in de stronk van een holle boom of in rotspleten honingraten gevonden had en mee naar huis had genomen. Toch gaat er veel wat vrij is geweest, over in handen van wie het in bezit neemt, zoals bij de jacht of vogelvangst. Gesteld dat de Voorzienigheid alle dieren gemaakt heeft voor de mens, dan is wat voor iedereen geboren wordt, de beloning voor inspanning. Maar wat heeft de Natuur voortgebracht dat niet vrij is? Ik zwijg over slaven, die door onrechtvaardigheid in oorlogstijd als buit aan de overwinnaars zijn toegekend: ze zijn geboren met dezelfde kansen, met hetzelfde uiterlijk en met hetzelfde lot en ze ademen dezelfde hemellucht. Niet de Natuur maar het Toeval heeft hen een meester gegeven. Waarom zit iemand parmantig op een paard, met de teugels in de hand? Waarom schuren we dagelijks ossennekken kapot met een zwaar juk? Waarom worden schapen vaak geschoren: hun wol bestemd voor kleding? En dan zwijg ik over de bloedige maaltijden die door slachten klaargemaakt zijn. Als wij alles wat vrij geboren wordt, aan de Natuur terug geven, dan houdt u op rijk te zijn. Maar als geldt dat wat er van die dieren gebruikt wordt door een mens, van de bezitter is, dan wordt onrechtmatig weggenomen, wat rechtmatig in bezit is. Zoals dit geldt voor veel vogels en andere dieren, die op boerenbedrijven en in kelders van rijke mensen vetgemest worden en waarbij toch het bezit van de meester niet ter discussie staat. En voor koeien, trekvee en al het kleinvee.

[9] "Maar daarover is een herder aangesteld om ze in de gaten te houden." Is het recht dan slechter voor de eigenaar bij dieren die geen hoeder nodig hebben? Want als je zegt dat niet van ons is, wat verloren kan gaan, dan kan er bij geen enkel dier schade zijn, die deze gang naar het gerecht mogelijk maakt. Want vee dwaalt meestal wat rond en slaven vluchten meestal. Als dit bij de andere dieren geen bezwaar is, zou je dan niet willen dat bijen rondvliegen, aan het werk zijn en niet de veldtochten voor hun voortdurende arbeid weigeren te maken voor het dagelijkse vermogen? Maar vliegen ze niet zelf naar huis, houden ze geen rekening met de zon bij het eind van hun werkdag, brengt de hele zwerm zich niet in veiligheid in de normale korf en brengen ze de nacht niet in rust en stilte door? Vooruit, verder dan: ook al is het bezit van hen tijdens het vliegen niet zeker, ze zijn beslist in iemands macht wanneer ze teruggekomen zijn, wanneer ze opgesloten, verplaatst, weggegeven of verkocht kunnen worden. Maar hoe kan iets dat dagelijks van mij is, te gronde gaan zonder schade voor mij?

"Maar ze luisteren niet naar je bevelen." Mijn god, het is een wonder, dat zij niet bekend zijn met de menselijke taal en daarom tot de overige dieren behoren. Toch wonen ze in de korf die hun meester gegeven heeft, en weerhouden wij hen met gerinkel ervan weg te vliegen als ze vrolijk en uitgelaten zijn. Als er een opstand ontstaan is omdat er verschillende koningen zijn, en als die opstand hun woede aanwakkert tot oorlog, dan brengt een beetje stof of de dood van één leider heel die onrust tot bedaren. Hun ijver is echt bewonderenswaardig, omdat heel de dag gevuld is met werken en omdat ze alles wat weggenomen wordt, aanvullen als inkomsten voor hun meesters. Kom op, wat zou je nog meer bevelen, als ze konden gehoorzamen?

Ik denk dat ik deze flauwekul meer dan voldoende beantwoord heb. Als de bijen niet van mij zijn, dan is wat zij produceren ook niet van mij. Maar toch kon nooit de schaamteloosheid gevonden worden de opbrengst aan honing ter discussie te stellen. Kan dan misschien het volgende aan de hand zijn: wat voortgebracht wordt, is van mij, maar wat het voortbrengt, is van iemand anders? [10] Kom op zeg, als mijn korven gestolen zouden zijn, zou ik dan geen vordering meer hebben? Of zou ik in de gang naar het gerecht alleen de waarde van de korf, het goedkope vlechtwerk, geschat hebben en dan procederen, alsof ik lege korven was kwijtgeraakt? Als ik me niet vergis moet de waarde ook van de bijen geschat worden. Of is het dan toegestaan bijen die niet gestolen mogen worden, te doden? Is het geen schade, dat ik van mijn bijen beroofd ben, dat ik de inkomsten verloren heb, dat ik de jaarlijkse opbrengsten, de bescherming tegen armoede, kwijt ben? Is het geen schade verloren te hebben, wat ik moet kopen, als ik het wil hebben, om het volgende argument al te gebruiken? Waarom heb jij gifdranken gebruikt, wanneer je in alle openheid bijenkorven af mag slachten of volle korven met vuur mag verbranden of in het water verdrinken? Of bestaat er een dier dat alleen maar met gif gedood mag worden?

"Laat het dan schade zijn, ik heb haar toch rechtmatig op mijn eigen terrein toegebracht." Het gaat om uw eerlijkheid, heren rechters, help me bij dit precedent. Eén enkele arme boer is niet genoeg voor deze kant van het verhaal: men moet er gezamenlijk tegenin gaan en de handen moeten eendrachtig in elkaar geslagen worden tegen elk begin van deze toestemming. Geloof me: de zaak is groter dan dit geschil. U moet vandaag oordelen over waar iemand niet een misdaad mag plegen. Want waarom kan iemand niet ditzelfde bij een moord antwoorden? Waarom niet bij een beroving? Want deze wandaden verschillen niet volgens de wet, maar alleen in omvang van elkaar. Er opent zich een formidabele weg voor razernij. En misdaden die zich lang tegen de kluisters van de wet verzetten, springen vrij door de poort naar buiten. Als de wetten geen betrekking hebben op privé-bezit en als ook in overduidelijke gevallen van schade de zaak niet gaat over de daad maar over de plaats, dan hebben we in een ongelijke verhouding tegelijk met de misdaden heel de aarde opgedeeld. Want waar is het niet meer het privé-bezit van de rijken? [11] Het is een kleinigheid om de grensstenen in de buurt met de grond gelijk te maken en hun bezittingen met rivieren en bergen af te zetten, zoals ook bepaalde volken doen. Ze nemen zelfs afgelegen bergweiden en woeste bossen zonder mensen in de wijde omgeving in bezit. Watermassa's liggen verborgen, binnen bereik van een paar mensen. Het volk wordt geweerd van zijn eigen land. Er bestaat geen grens voor de rijke in zijn drang uit te breiden, tenzij hij op een andere rijkaard stuit. Toch werden het beroven van mensen die door zo'n gebied trokken, en het wegvoeren van kuddes vee nog altijd tegengehouden onder deze rechtsgrond. Is er nu een clausule voor privé-gif? Ik blijf u waarschuwen, heren rechters, kijk ernaar, overdenk het: nergens mag iets tegen de wet, of: op privé-bezit mag alles.

"Wraak op iemand die schade toebracht, was zeker rechtvaardig." Moet ik nu zeggen hoe onrechtvaardig daarentegen vereffening van onrecht is en hoe zij ingaat tegen de wet en ook tegen de vrede? Dat is de gewoonte bij barbaarse volken, die ver verwijderd zijn van een leven onder menselijk recht en die daarom door de natuur verwilderen, precies zoals wilde dieren. Wij hebben daarom een overheid en wetten van onze voorouders gekregen, om te voorkomen dat iedereen de rechter van zijn eigen verdriet is en dat voortdurend aanleidingen voor misdaden zich vernieuwen, als wraak de misdaad na zal apen. Je hebt schade geleden? Er was een wet, een gerecht, een rechter, of je moet je er voor schamen je recht te halen. Mijn god, als wij tot strijd gedreven worden, als geschillen aangebracht worden om elkaar verderfelijk schade toe te brengen en als woede de plaats van de wet inneemt, dan zullen de onderdanige zwakken zeker onderdrukt worden, dan zal het volk, dat onderworpen is aan de heerschappij van enkelen, een droeve slavernij te dragen hebben. Toch hebben ook de arme mensen ondertussen verdriet en, zoals aan ons makkelijker schade toegebracht kan worden, zo kan dat aan u op een breder terrein. Ten slotte, rijkaard, ook al vind je het prettig te vertrouwen op je rijkdom, als het voor mij niet nuttig is te leven, zijn we elkaars gelijken.

[12] Dus: als mijn bijen jou een beetje schade hadden toegebracht, dan zou ik geen proces mogen voeren, maar jij misschien wel? Waar zeur je nu dan over? Volgens mij over verwoeste akkers en verloren opbrengst. Want het kan niet dat het over een pietluttige schade gaat, omdat de rijkaard zegt dat hij hem niet kan dragen. Hij zegt: "Zij waren mijn bloemen aan het oogsten." Begrijpt u, heren rechters, hoeveel verdriet past bij wat ik verloren heb, zelfs als dit schade was? "Ze namen mijn bloemen weg." Lijkt me duidelijk. Jij bewaarde ze anders zeker tot hun oude dag en dan zouden ze er nog fantastisch bij staan, als mijn bijen niet in jouw tuin gekomen zouden zijn? Waarvan kan een leven gevonden worden, dat korter is? Want terwijl het buitenste blad de te jonge bladeren bij elkaar houdt, kun je nog niet spreken van een bloem. Vervolgens zwelt het binnenste langzaam op door levenskrachtigere sappen en scheurt het wit open; toch is het nog geen bloem. Maar wanneer de kopjes zich, na het verbreken van het buitenste blad, breed uitgewaaierd hebben en als het ware in een cirkel liggen, dan is de zachte rijpheid ervan te zien, en het aangeboren einde. En ook al zonder windvlagen kwijnt de bevalligheid weg omdat de natuur haar verlaten heeft. En niets is een bloem, behalve als het een jonge bloem is. En als ik daarom zou zeggen: de bijen hebben zaken die op het punt stonden ten onder te gaan, weggenomen en zaken die al snel op de grond gelegen zouden hebben, voor menselijk gebruik omgezet, dan zou het toch een ongehoorde daad van afgunst schijnen om de bijen de bloemen te misgunnen.

Moet ik nu echt uiteen gaan zetten, hoe gering de buit van dit diertje was? Wij weten niet, met wat voor een behendigheid een bij vliegt - meestal de bloemen nauwelijks aanraakt en in al zijn ervaring snel tussen de afzonderlijke bloemen door gaat. Hoe bijen zelfs bij het wachten in evenwicht op hun vleugels in de lucht hangen? Wie heeft er ooit gevonden wat hij een bij zag dragen, toen dat weg was? [13] Het is echt een mini-hoeveelheid, die ze verzamelen uit deze met de hand gezaaide bloemen! Weilanden, bossen, wijnstokken vol druiven, heuvels ruikend naar tijm leveren voedsel, voor zover deze gissing vermoed kan worden. Ze plukken niet bij alle bloemen wat ze kunnen gebruiken voor hun werk, maar ze zoeken het wel bij alle bloemen. De prijs daarvoor wordt meteen terugbetaald, omdat ze op alle bloemen waarop ze gaan zitten, de geur van honing inademen en omdat ze door dat korte contact de kracht van hun eigen honing achterlaten. Zie jij dit als schade? Bestraf je met gif wat je ook met rook - ook al behoorlijk lomp - had kunnen verhinderen?

Of heb ik, je enige buurman, jou niet als goede buur behandeld? Heb ik je niet elke lente mijn eerste opbrengst gestuurd? Zijn er voor jouw diners geen honingraten bewaard als er een raat was, die witter was dan de verse was? Altijd werden deze onbenullige, kleine geschenkjes als volgt aanbevolen: "Dit sturen mijn bijen jou." Ik denk wel, dat mijn burenhulp nu vergoed is!

"Ik heb je gewaarschuwd en geëist dat je ze zou verplaatsen." Daarom heb jij terecht een eigenzinnig man gestraft? Want ik zie niet in, wat deze verklaring anders kan bijdragen aan jouw verdediging: als jij niet mocht doen waarover ik klaag, dan is ze onrechtmatig, als je het wel mocht, overbodig. Zonder die rot-verklaring en zelfs niet ermee zou je zaak sterk staan. Dit is een lekkere dekmantel voor je schande: een slechte naam hebben door je schuld, maar verdedigd worden door je trots!

Ook al zullen je stallen die overal staan, je vee niet kunnen huisvesten, ook al zullen alle bosweiden met je runderen voor je loeien, zal jij met kuddes je velden ploegen en ook al zal een zelfs aan jouw opzichters onbekende ploeg personeel verder gaan met de bewerking van je akkers, zal de graanvoorziening voor het volk afhangen van jouw graansilo's, dan nog zullen wij niet afgunstig zijn en zal niemand menen dat jouw geluk als een zware last op hem drukt. Als wij een paar bijen bijeengebracht hebben binnen de beperkte afmetingen van onze arme tuin - zij zorgen voor jou toch voor honing - moet er dan zo verontwaardigd over gedaan worden? En, wat nooit uitgesproken wordt: is een arme buurman vervelend voor een rijkaard? [14] Wordt heel veel bezitten dan zo onbelangrijk gevonden, dat je meent dat alles wat meer is dan simpele armoede, door ons veracht wordt, hoewel ook jouw slaven een kapitaaltje mogen hebben? Leven we dan volgens zo eervolle wetten in deze, volgens onze mening, volkomen gelijkheid en vrijheid, dat wij geen hulp mogen hebben maar jij wel gif?

Ten slotte, heren rechters, had ik niet het idee dat er een antwoord moest komen op de verdediging van de rijke, behalve dan dat ik het belachelijk maken van uw waardigheid door zijn respectloze verdediging niet kon verdragen. "Want jouw bijen zijn vrijwillig de dood ingegaan." Ja, natuurlijk. Jij had je bloemen sowieso gif gegeven. Moet ik het, heren rechters, aan zijn onbeschaamdheid toeschrijven, als hij niets bij u gedaan heeft gekregen, of aan zijn domheid, als hij erop gehoopt heeft? Als hij een man gif gegeven had, dan zou hij zeggen dat die man de beker zelf naar zijn lippen had gebracht. Als hij een moordenaar in een bos opgesteld had, dan zou hij roepen dat het slachtoffer zelf vrijwillig in de hinderlaag was gevallen. Als hij in het donker een speer gegooid had, dan zou hij beweren dat het slachtoffer zich er door zijn eigen schuld op had gestort.

Heren rechers, wat bedoel ik te zeggen? Het zijn maar twee dingen, die bij elke misdaad onderzocht moeten worden: bedoeling en afloop. Wat was de bedoeling van de rijke, toen hij het gif uitstrooide? De dood van de bijen. Wat was de afloop? De dood. Kort en goed, heren rechters, wie twijfelt eraan dat schade valt aan te rekenen aan de persoon zonder wie het niet gebeurd zou zijn?

[15] Ik begrijp dat uw wijsheid niet meer informatie over de zaak nodig heeft en dat uw eerlijkheid en professionaliteit geen behoefte hebben aan een aansporing om rechtvaardig uitspraak te doen. Waarom stop ik dan niet? Verdriet en het verlangen naar het gebruikelijke genot hebben me in hun greep. In deze zaak zijn er dingen die een boete niet kan goedmaken. Mijn gevoelens mogen dan misschien groter lijken dan het onderwerp rechtvaardigt, maar dat komt omdat wij als arme mensen alleen maar van kleinigheden kunnen houden, die dan noodgedwongen waardevol zijn voor ons, omdat zij de enige dingen zijn. Zoveel bijen-levens, gedood in een uur tijd, grijpen mijn gemoed aan; het grijpt me aan dat ze dood zijn, omdat ze me goed gediend hebben. Ja, het soort dood voegt er verontwaardiging aan toe: ze zijn door gif gedood!

Wie kan dit met alleen maar afgunst uitvoeren? Bijen door gif! Wordt hen dit als dank vergolden, omdat ze zorg besteden aan onze opbrengst en omdat ze zich zelfs niet door schade laten afhouden van de dagelijkse patrouilles van hun voortdurende arbeid? Want het lijkt me dat zoals de natuur alle andere dieren voor ons gebruik voortgebracht heeft, ze deze dieren ook voor ons plezier voortgebracht heeft. En wel omdat er in de dieren die wij africhten om te ploegen of een snelle reis te maken, veel energie gaat zitten voordat het iets oplevert, omdat ze, hoewel ze getraind en gevoed moeten worden, toch niets presteren zonder een man erbij en omdat ze alleen maar onder dwang nuttig zijn. Bijen doen hun werk zonder bevelen. En zonder enige hulp van de menselijke geest komt heel de opbrengst vanzelf binnen. Voeg hieraan toe dat andere dieren pas opgekomen zaaigoed vertrappen of wijnstokken vernielen. En dat, zo gaat het verhaal, de voornaamste reden voor het offeren van vee de schade was, die door dat vee toegebracht was aan de gewassen. Het werk van deze bijen verspreidt zich snel zonder schade over de weilanden en bossen, zodat alleen het gedane werk te zien is.

[16] Hoe kan ik hen het respect dat ze verdienen, voldoende geven? Moet ik zeggen dat dit dier min of meer een kleine kopie van een mens is? Maar de menselijke handigheid kon dit diertje niet bedenken. Zelfs ons verstand dat onder de aarde voordeel wist te vinden en dat op zijn ontdekkingstochten de zeeën met de sterren verbonden heeft, kon dit diertje toch niet vormen, begrijpen of namaken. We hebben liever gif uitgevonden.

Om te beginnen past hun oorsprong bij het roemrijke leven dat volgt: geen wellust brengt hen voort en Venus die alle dieren temt en die zelfs macht heeft over de goden - zie de mythen die mensen vertellen om zichzelf schoon te praten - heeft de bijen niet in haar macht. De begeerte, de vijand van de deugden, is afwezig in die kuise en smetteloze lijfjes. Van alle dieren baren alleen bijen geen jongen, maar ze fabriceren ze. Langzaamaan komen ze zelf, zoals ze door de honing geperst zijn, tot leven. Zoals te verwachten is, wordt er uit die inspanning een dier geboren dat niet bang is om te werken. Zodra de jonge bijen volwassen zijn en in de kracht van hun leven tot soortelijk werk in staat zijn, maken ze plaats voor hun ouders. Om te voorkomen dat de in de nauwe ruimte samengepakte massa last heeft van de nieuwe groep, vertrekt uit een soort eerbied het jongste volk. De zwerm gaat aan takken dicht in de buurt hangen en wacht op mensenhanden. Vol vertrouwen bewoont zij het gekregen huis.

Hoewel ons verstand, waarvan wij, ijdele deskundigen op het gebied van de zelfkennis natuurlijk, menen dat het nagenoeg gelijk is aan dat der goden, zich met veel moeite in het zweet werkt om kennis op te doen, wordt elke bij geboren als een vakman. Kun je dan iets anders geloven dan dat er een deel van de goddelijk geest in hun bewustzijn zit? Wat kun je als bijzonder aanmerken? [17] Ze gaan niet, zoals alle andere dieren die over weides dwalen en die altijd persoonlijk een slaapplek voor de nacht kiezen, voor hun rust willekeurig ergens liggen. Nee, ze bevinden zich in veilige woonplaatsen. Ze imiteren steden met hun onderkomens, met hun grote massa volken. Ze leven niet, zoals vogels in het wild, van dag tot dag omdat ze niet alleen maar aan voedsel voor nu denken. Er wordt eten apart gelegd dat genoeg is voor de winter. Het jaar is veilig omdat de cellen in de lente weer gevuld zijn. Zelfs wanneer de resultaten van hun werk weggehaald zijn voor menselijk gebruik, gaan ze aan de slag de verliezen weer goed te maken; dan wakkert de geleden schade hun werklust aan en nooit schiet hun energie tekort voordat de opslagruimte tekort schiet.

Wat valt er te zeggen over de zo grote overeenstemming bij het werk, de zo grote eensgezindheid bij de aanpak van de aartsmoeilijke zaak, bij dieren die niet verbonden zijn door taal of door verstand? Elke bij levert zijn rijkdom niet voor zijn eigen privé-gebruik, volgens de menselijke ondeugd, maar ze leven voor het collectief. Gemeenschappelijke middelen zijn voor iedereen toegankelijk en het hoort niet om ergens van te proeven voordat de volle silo's de belofte uitspreken dat er maanden zonder risico's zijn. En daarbij: wat is hun arbeidsethos groot, wat een taakverdeling (een aantal bijen verzamelt de vrachtjes, een aantal neemt ze in ontvangst, een aantal zorgt voor goede opslag) en wat een strenge straffen bij luiheid!

Er is veel wonderlijks te zien en te vertellen: stormen voorzien, bij veranderlijk weer goed opletten en bij bewolking in de buurt blijven. Als een te ongunstige bries lichte bijen gegrepen heeft, dan brengen ze hun vleugels met een niet te zwaar steentje in evenwicht om recht op hun doel af te gaan. Getuigenissen van een dappere inborst: ze rukken uit voor hun koning, stormen naar voren, gaan het gevecht aan en sterven voor hun leider een eervolle dood. Een volgend punt: als bijen bezwijken onder hun oude dag of een ziekte, dan wordt eerst hun lijk naar buiten gedragen en de prioriteit voor een zorgvuldige begrafenis ligt hoger dan voor het werk. [18] Waarom grijpen ze bloemen vast met hun poten, waarom dragen ze sap in hun mond voor de gemeenschap?

Toch komt er een bijzondere bewondering voor alleen al hun bouwkunst bij me op: we moeten niet denken dat ze zomaar toevallig over de vorm van hun cellen nagedacht hebben alleen maar om hun voedsel op te slaan. Onbewerkte was krijgt een vorm en onbeschrijflijke schoonheid stijgt met het gebruik. Want het eerst hangen ze de basis met stevige draden op en dan groeit het werk vanaf dat begin gelijkelijk alle kanten op. Vanaf de start is elk klein onderdeel door zijn eigen verhoudingen al volmaakt en het heeft daarvoor geen ander onderdeel nodig. Want de hoeken zitten vast aan elkaar en ze zijn onderling zo verbonden en verknoopt dat alles wat je kiest het midden is. Beide kanten worden met was afgestreken. Aan openingen wordt vrijgemaakt wat de bijen van nature nodig hebben om een zwerm voort te brengen - vlechtwerk sluit deze openingen af om te voorkomen dat heel de hoeveelheid honing eruit stroomt. En de vrachtjes honing die opgeborgen zijn, worden afgesloten. Wie is nou niet verbaasd dat dit zonder handen kan gebeuren en dat deze kunst ontstaat zonder tussenkomst van onderwijs? Wat hebben ze dat niet goddelijk is, behalve dan dat ze sterven?

[19] Vereren wij Bacchus niet als de schepper van de wijn, worden de eerstelingen van het gewas niet aan Ceres teruggegeven, wordt Minerva niet geëerd als uitvinder van de olijf? Is het laten ontstaan van honing minder waard? En het maken van iets groots voor het genot van de smaakpapillen, dat zelfs de Natuur zelf niet kon? Tegen aanvallen van de meeste ziektes is dit middel het doeltreffendste medicijn - want wat voedsel betreft: dat hebben de rijken al lang gezien.

Iemand kon op deze diertjes een aanslag plegen, ja, een aanslag plegen met het spul waarmee ze honing maakten. Met rampzalige sappen - hun dood is heel precies en met boze opzet voorbereid - heeft hij ze afgemaakt. En dan het schandelijkste: heeft hij misschien het gif met honing gemengd om ze zo makkelijker te misleiden? Wat een onmenselijke wreedheid, wat een ongehoorde afgunst! Niets is er, rijkaard, wat jij kunt gebruiken voor je verdediging: je doet net alsof je verdriet had over het verlies van een paar blaadjes? Terwijl je mijn bijen wilde doden, heb je je eigen bloemen onbruikbaar gemaakt.

 

                                                                                           TOP                                                                                           

 

M. FABI QVINTILIANI DECLAMATIO MAIOR TERTIA DECIMA

Damni per iniuriam dati sit actio. Pauper et dives in agro vicini erant iunctis hortulis. Habebat dives in horto flores, pauper apes. Questus est dives flores suos decerpi ab apibus pauperis. Denuntiavit, ut transferret. Illo non transferente flores suos veneno sparsit. Apes pauperis omnes perierunt. Reus est dives damni iniuria dati.

[1] Credo ego, iudices, plerosque mirari, quod homo tenuis et iam ante quam quod habebam perdidi, pauper, ausus sim iudicio lacessere divitem utique vicinum eumque notae inpotentiae, expertae crudelitatis, in tantis fortunae viribus perniciosum inimicum, etiam si venena non habeat. Neque hoc ipse periculum ignoro expertus non levi documento, quanti steterit mihi, quod semel inperata non feci. Sed neque illud, iudices, damnum tolerabile est pauperi, cum tam parvis etiam divites moveantur, et mihi, quamquam prope nihil iam relictum est, quod perderem, si tamen ista impune sustinenda sint, solacium erit iram potius quam contemptum pati. Nec sane vitae causa iam superest, si ad ceteras humilitatis nostrae contumelias hoc quoque accedat, ut, si habemus aliquid, migrandum sit, si perdidimus, tacendum. Unum oro, ne cui minor dignitate vestra videatur causa litis meae. Ante omnia enim non debetis expectare, uti pauper magna perdiderim. Sed quantulum est, quod abstulerit mihi dives, minus est, quod reliquit. Et tamen quis indignatur apes formula vindicari, cum venenis etiam flosculi vindicentur? Quae tamen, iudices, quamquam eversus et ab omni spe tuendae paupertatis exclusus, aequiore animo omnia tolerarem, si cuius mihi conscius culpae etiamsi iniustam poenam, meritam tamen iram tulissem. Sed circumspicienti omnia nihil mihi obici potest a divite, nisi quod vicinus sum.

[2] Est mihi paternus, iudices, agellus, sane angustus et pauper, non vitibus consitus, non frumentis ferax, non pascuis laetus; ieiunae modo glebae atque humilis thymi, et non late pauperi casae circumiecta possessio. Verum mihi vel hoc fuit gratissima, quod non fuit digna, quam dives concupisceret. In hoc ego vitae meae secreto remotus a tumultu civitatis ignobile aevum agere procul ab ambitu et omni maioris fortunae cupiditate constitui et, dum molesta lege naturae transiret aetas, vitam fallere. Hoc mihi parvulum terrae et humilis tugurii rusticum culmen aequitas animi regna fecerat, satisque divitiarum erat nihil amplius velle. Quid prodest? Sic quoque me latentem invenit invidia. Nec ab initio, iudices, vicinus divitis fui; pares circa me habitavere domini, et frequentibus villis concors vicinia parvos limites coluit. Quod cives pascebat, nunc divitis unius hortus. Postquam proximos quosque revellendo terminos ager locupletis latius inundavit, aequatae solo villae et excisa pagorum sacra et cum coniugibus parvisque liberis respectantes patrium larem migraverunt veteres coloni et latae solitudinis indiscreta unitas facta est, ad apes meas divitis fundus accessit.

Namque ego, iudices, dum fortius opus permisit aetas, terram manibus subegi, et difficultatem labore perdomui, et invito solo nonnihil tamen fecunditatis expressi. Cito labitur dies, et proclivis in pronum fertur aetas; abiere vires, census meus, defectaque labore senectus, magna pars mortis, nihil mihi reliquit nisi diligentiam. [3] Circumspicienti, quod conveniret opus invalidae senectutis curae, succurrebat sequi pecora, fetuque placidi gregis paupertatem tueri, sed ex omni parte circumiectus divitis ager vix tenuem ad gressus meos semitam dabat. Quid agimus? Inquam, undique vallo divitiarum clusi sumus. Hinc hortuli locupletis, hinc arva, inde vineta, hinc saltus; nullus terrae datur exitus. Quaeramus animal, quod volet. Nam quid apibus invenit natura praestantius? Parcae, fideles, laboriosae. O animal simile pauperibus! Et sane dabat occasionem mihi oportunitas hortuli mei; est namque positus ad ortus solis hiberni, apricus, omnibus ventis semotus. Fusus ex proximo fonte rivus trepidantibus inter radiantes calculos aquis utrimque ripa virente praeterfluit. Satis consiti flores et viridis quamvis paucarum arborum coma nascentibus populis prima sedes, unde ego frequenter consertum novae iuventutis agmen ramo gravescente suscepi. Nec me tanta capiebat voluptas, quod fluentia ceris mella conderem, quod ad sustinendas paupertatis impensas deferrem in urbem quod divites emerent, quam quod adversus omnia lassae taedia aetatis habebam senex, quod agerem: iuvabat aut lenta vimina vernis fetibus texere vel, ne aestivus ardor aut hiberna vis gravidam penetraret alvum, hiantes rimas tenaci linire fimo, aut fessis apibus ultro praebere mella aut fugiens examen aere terrere aut bella sedare pulveris iactu, tum, ne quid periculi saltem singulis esset, avidas longe fugare volucres et arcere parva aditu animalia, reclusas interim scrutari apium domos, ne per vacuas alvos foeda pestis insidiosas texeret plagas.

[4] Dederam laboribus meis iustam senex missionem; habebam, quae pro me opus facerent. Quo non penetras, livor improbe, quidve scabrae malignitati clausum est? Invidit pauperi dives! Cum evocasset me subito trepidum totoque fortunae suae strepitu circumstetisset, 'Quid? Tu,' inquit, 'non potes imperare apibus tuis intra privatum volent, ne hortorum meorum floribus insidant, ne in meo rorem legant? Remove, transfer!' Inpotentissime tyranne, quo? Numquid tam latum possideo agellum, ut illum apes transvolare non possint? Neque tamen tantum inerat pectori meo robur, ut non perturbarer denuntiatione notae inpotentiae. Volui relinquere avitos lares et conscios natalium parietes et ipsam nutriculam casam iamque pauperem focum et fumosa tecta et consitas meis manibus arbusculas destinatus exul. Volui, iudices, decedere, volui, sed nullum potui invenire agellum, in quo non mihi vicinus dives esset.

Nec tamen licuit diu quaerere. Forte serenus pura luce fulserat dies, et hilaris matutini solis tepor ad cotidiana opera laetius solito agmen effuderat. Quin ipse spectator operis (praecipua namque haec mihi voluptas erat) processeram sperans fore, ut viderem, quemadmodum aliae libratae pinnis onera conferrent, aliae deposita sarcina in novas prorumperent praedas, et, quamquam angusto festinaretur aditu, turba tamen exeuntium non obstaret intrantibus, aliae militaribus castris pellerent vulgus ignavum, aliae longum permensae iter fatigatae anhelitum traherent, haec ad aestivum solem porrectas panderet pinnas. Miserum me, ignoscite modo gemitibus meis: [5] non flosculos perdidi, nec caduca folia proximo lapsura vento; suffugium tenuitatis meae, solacium senectutis amisi. Numquam me alias pauperem putavi. Triste me excepit silentium et inanis alvei inchoata tantum opera et rudes cerae. Vos, iudices, aestimate, quatenus recipiatis hunc adfectum meum: libenter bibissem, si invenissem, venenum.

Hoc mihi damnum non brumae glacialis penetrabilis intulit rigor; non suppressi longa siti flores induxerunt ieiunam miseris famem, non aviditas iniusta domini nihil mellis reservavit; non aliquis fessas morbus invasit, non damnatis sedibus suis avias fuga petiere silvas. Apes pauper miser in opere perdidi. Paravit homo nefarius ante omnia tantum veneni, quod posset et divitis hortis satis esse, et linivit flores maleficis sucis et in venenum mella convertit. Sparsit omnibus floribus mortem, et quanto plura interim corrupit quam quae apes abstulissent! Illae studio cotidiani operis excitatae, ut primum aurora lucem vocavit, in adsueta miserae pascua volant, ut, ante quam noctis umorem radii solis ebiberent, matutinos legerent rores et caelestes aquas ad horreum ferre possent, nec sibi sed operi biberent. [6] Hic triste spectaculum et tantum non ipsi, qui fecerat, miserandum: illa ad primum feralis suci haustum insolito consternata gustu fugit, sed fugisse nihil prodest. Illa longiores expetitura pastus in altum tollitur vitamque in aura relinquit. Haec primo statim flosculo inmoritur. Illa rigescentibus morte pedibus exanimis, sicut haeserat, pendet. Alia defecta nisu volandi adhuc per terram languide repit. Si quas tamen usque ad sedem suam distulit mors lentior, sicut aegrae solent sub ipsis pendere portis, in globum nexas et mutuo amplexas mors sola divisit. Quis figurare possit, quis dicere, quam multas mali formas, quam varia leti genera fecerint tot mortes! Semel ut ipse tristem finiam expositionem, dicendum est: omnes perdidi. Celebre illud alvearium et domino suo notius ad nihilum recidit.

Audete nunc lacessere divitem, quibus vitae causa superest, exerite libertatem fortibus verbis, si quid offenderit; et quod difficillimum fuit iam expertus est: venenum. Quodsi mihi fortuna vel ingenii vires vel suas dedisset, crimen istud non privatam taxationem formulae merebatur. Venenum leges habere, emere, nosse denique vetant, inevitabilem pestem occulta fraude grassantem. Male haeret ibi innocentia, ubi in potestate est secretum scelus. Venenum, et quidem praesentaneum, inventum, compositum, datum est. Quantulum interest, quis biberit! Homo dedit; et homini dari potest. Non adeo desunt odiorum causae, ut iam rara simultas sit, et, ut videatur aliquis nihil magis quam alios odisse, libebit aliquando longius manum porrigere et indulgere animis. Credite mihi, iudices: difficilius est venenum invenire quam inimicum.

[7] Sed me conscia mediocritatis infirmitas intra meas tantummodo continet querelas. Nam damnum, id est, iudices, gravissimum pauper vulnus accepi. Quod mihi diutius deflendum apud vos quam probandum est, nam coarguendi quidem criminibus quis labor est adversus confitentem? Habent divites hoc quoque contra nos contumeliosum, quod non tanti videmur, ut negent. Porro qui confessum defendit, non absolutionem sceleris petit, sed licentiam. Longius ista, quam timui, quaestio pertinet; non de praeterito tantum litigamus; hoc agitur, ut, etiam si quid forte reparavero, iterum diviti liceat occidere.

In duas enim, quantum animadvertere potui, quaestiones dividit causam: an damnum sit, et an iniuria datum. Negat esse damnum, quod animal liberum et volucre et vagum et extra imperia positum perdiderim. Negat iniuria datum, quod in privato suo, quod eas, quae sibi nocerent, extinxerit, postremo, quod sparso tantum per flores veneno ipsae apes ultro ad mortem venerint. Ut nihil esset, quod his possem respondere, aequum erat inter vicinos sic agi? Sed excutiam singula, nec prius meis argumentis nitar, quam diversa reppulero, quoniam quidem quaeritur, an damnum sit perdere, quod lucrum est habere.

[8] Liberum est animal, puta; non dico fetus meis manibus exceptos et in tutam conditos sedem et, reservatis ad supplementa generis favis, examen vernaculum, quoniam quidem tyrannorum iura defendis, natos in privato meo. Puta me vel inanis arboris trunco vel cavis inventos petris domum favos retulisse; multa nihilominus, quae libera fuerant, transeunt in ius occupantium sicut venatio et aucupatio. Nam, ut cetera animalia hominum causa finxerit providentia, quod omnibus nascitur, industriae praemium est. Quid autem non liberum natura genuit? Taceo de servis, quos bellorum iniquitas in praedam victoribus dedit, isdem legibus, eadem forma, eadem necessitate natos; ex eodem caelo spiritum trahunt, nec natura illis sed fortuna dominum dedit. Cur infrenatis equis victor insidet, cur iniusto cotidie iugo boum colla deterimus, cur in usum vestium saepe pecori lanae detrahuntur? Taceo de sanguine et epulis per mortem paratis. Si omnia, quae libera generantur, naturae reddemus, desinitis divites esse. Si vero haec condicio est, ut quicquid ex his animalibus in usum hominis cessit, proprium sit habentis, profecto quicquid iure possidetur, iniuria aufertur, ut volucres multae et alia, quae per rusticas villas quaeque ditibus cellis saginantur, in quibus tamen domini non ambigua possessio est, et vaccae et armenta et omne pecudum genus.

[9] 'Sed illa inpositus cohibet magister.' Peiusne domino in his ius est, quibus custode non opus est? Nam si hoc dicis, nihil esse nostrum, quod perire possit, ex nullius animalis damno haec edi formula potest. Nam et errare pecudes solent et fugere mancipia. Si hoc in ceteris non obstat, apes vagari tu nolles, in opus exire et ad cotidianum censum laboris assidui non detractare militiam? At non ipsae domum sua sponte revolant finemque laboris sui sole metiuntur, et omnis intra solitas domos turba conditur, noctemque modesto silentio trahunt? Age porro, ut non sit earum certa possessio, dum volant, nempe cum remearunt, cum cludi, transferri, donari, venire possunt, in potestate sunt. Quomodo autem potest sine damno meo perire, quod cotidie meum est?

'At extra imperia positum est.' Mirum hercules, si negato commercio sermonis humani sunt in ceterorum animalium forma. Tamen quam dominus dedit, incolunt sedem, lascivientem luxuria fugam tinnitu conpescimus. Etiam, si diversis regibus coorta seditio ad bellum inflammavit iras, exiguo pulvere vel unius poena ducis residit omnis tumor. Illa vero admiranda sedulitas, quod operi totus insumitur dies, in dominorum reditus ablata supplentur. Age, si obsequi possent, quid amplius imperares?

Intellego his vanis ultra necessitatem esse responsum. Si non sunt apes meae, ne id quidem, quod his efficitur, meum est; atqui nulla umquam inveniri potuit inpudentia, quae fructus mellis in dubium vocaret. Hoc ergo fieri forte potest, ut quod nascitur, meum sit, quod generat, alienum? [10] Age, si mihi alvei furto abessent, utrum nulla daretur actio? An viminis modo vilisque texti pretium formula taxassem, et proinde agerem, quasi inanes perdidissem? Nisi fallor, esset aestimatio et apum. An tandem quas subripere non liceret, liceat occidere? Non est damnum, quod exutus sum, quod reditus perdidi, quod annuos fructus, praesidia paupertatis amisi? Non est damnum id perdidisse, quod, ut proximo utar argumento, si habere voluero, emendum est? Quid ergo tibi opus est maleficis sucis, cum liceret palam trucidare et plenas vel cremare igni vel aquis inmergere alvos? An est aliquod animal, quod non liceat nisi venenis occidere?

'Ut damnum sit,' inquit, 'iure tamen feci in privato meo.' Per fidem vestram, iudices, succurrite exemplo; non sufficit his partibus unus rusticus pauper, obviam publice eundum est et obiciendae adversus nascentem licentiam consensu manus. Credite mihi, maior lite quaestio est. Hoc vobis hodie iudicandum est, ubi scelus facere non liceat. Nam cur non hoc idem de homicidio respondeat, cur non de latrocinio? Non enim iure ista sed modo differunt. Aperitur ingens furori via, et obluctantia diu legum velut claustris scelera libera porta prorumpunt. Si in privatum iura non veniant, et in manifestissima quoque noxa non de facto quaeritur, sed de loco, non aequa portione cum sceleribus terras divisimus; ubi enim non iam divitum privatum est? [11] Parum est proximos solo aequare terminos et possessiones suas velut quasdam gentes fluminibus montibusque distinguere. Iam etiam devios saltus et silvas vasta solitudine horridas occupant, totae aquae intra paucorum umbram latent, e finibus suis populus excluditur, nec ullus procedentis finis est, nisi cum et in alterum divitem inciderit. Adhuc tamen spolia transeuntium et abacti pecorum greges sub hoc titulo defendebantur; iam privati veneni praescriptio est? Iterum ac saepius, iudices, admoneo, considerate, dispicite: aut nihil usquam contra ius licet aut in privato omnia.

'Etenim adversus inferentem damnum iusta ultio fuit.' Dicam nunc, quam iniqua sit invicem iniuriae conpensatio quamque non solum legi adversa sed paci? Barbarorum mos est populorum, quos procul omni iuris humani societate summotos proxime beluis natura efferavit. Nos ideo magistratus legesque a maioribus nostris accepimus, ne sui quisque doloris iudex sit, et adsiduae scelerum causae se reficiant, si ultio crimen imitabitur. Damnum accepisti? Erat lex, forum, iudex, nisi si vos iure vindicari pudet. At mehercule, si ad arma mittimur, et instituitur perniciosa nocendi contentio, et in vicem legis ira succedit, premetur quidem obnoxia infirmitas, et paucorum dominio subiecta plebes triste servitium perferet; est tamen et pauperibus interim dolor, et, ut facilius nobis noceri potest, ita vobis latius. Postremo, placeas licet tibi opum tuarum fiducia, dives; si mihi vivere non expedit, pares sumus.

[12] Quid ergo? Si quid tibi damni attulissent apes meae, non mihi auferretur actio, sed forsan aliqua daretur et tibi. Nunc vero quid quereris? Credo, depopulatos agros eversosque reditus; non enim debet leve esse damnum, quod dives ferre non possit. 'Decerpebant,' inquit, 'flores meos.' Ecquid intellegitis, iudices, quanto dolore dignum sit quod ego perdidi, si etiam hoc damnum est? 'Flores auferebant.' Ita plane. Alioquin tu illos in vetustatem reservabas, et durarent adhuc, nisi ad hortum tuum apes venissent. Cuius rei inveniri potest brevior aetas? Namque dum inmaturos exterior alligat cortex, nondum dixeris florem. Paulatim deinde vividiore suco tumescit uterus et albentis accipit rimas, necdum tamen flos est. At cum se ruptis iam tunicis in patulum capita fuderunt et velut fissa in orbem, iam quae tenera eorum videtur maturitas et ingenitus occasus est, et iam sine ventis quoque soluta natura labitur gratia, nec quicquam est flos nisi novus. Quare si dicerem: abstulere peritura, et, quae protinus humi iacuissent, in usus hominum conversa, inauditus tamen livor videretur etiam apibus invidere. Nunc vero disserendum mihi est, quam momentosa sit huius animalis rapina? Nescimus, qua pernicitate plerumque vix contactis floribus revolet discurratque per singulos velox experimento, quam etiam, ubi inmorantur, libratis pendeant alis? Quis umquam quod ferentem apem viderat, ubi deesset, invenit? [13] Quantulum vero est, quod ex his manu consitis floribus legant! prata silvaeque vel maturae fructibus vites et fraglantes thymo colles, quantum coniectura suspicari potest, pabulum ministrant. Non omnibus floribus carpunt utilia operi suo, sed in omnibus quaerunt. Praesens quidem illa protinus redditur merces, quod omnibus, quibus insedere, odorem mellis inspirant et brevi contactu vim sui relinquunt. Hoc tu damnum intellegis? Hoc veneno vindicas, quod mehercule inhumane etiam fumo prohibuisses?

An non te solus vicinus colui, non frugum mearum primitias omni vere misi, non, si quis ceris novis candidior incidit favus, tuis reservatus est mensis, cum parvis mediocritate munusculis illa semper adiceretur commendatio: 'Hoc tibi mittunt apes meae'? Puto, relata est mihi gratia!

'Admonui,' inquit, 'et, ut transferres, denuntiavi.' Idcirco contumacem merito punisti? Non enim video, quid aliud patrocinio tuo conferat haec denuntiatio; si non licuit tibi facere quod queror, iniusta; si licuit, supervacua; aut sine ista, aut ne cum ista quidem valeat. Pudoris vero quod velamentum est male audire culpa, defendi superbia! An tandem tuas pecudes quamvis diffusa stabula non capient, tibi omne armentis mugiet nemus, tu gregibus arva sulcabis, et ad excolendos agros procedet ignota etiam vilicis familia, tuis horreis populi annona pendebit, nec tamen invidebimus, nec quisquam tamen grave putabit sibi istud fortunae tuae pondus. Nos si paucas apes intra angustias pauperis horti conposuimus, quae tamen vobis mella faciunt, id prorsus indigne ferendum est, et, quod numquam fando cognitum est, vicinus diviti pauper molestus est? [14] Adeo parum est plurimum possidere, ut, cum servis quoque vestris habere peculium liceat, invidiosum nobis putetis quicquid egestatis nomen excesserit? Tam honestis in hac, ut putamus, aequissima libertate legibus vivimus, ut nobis habere medellam non liceat, vobis habere liceat venena?

Postremo quidem divitis patrocinio non putavi, iudices, respondendum, nisi rideri vestram maiestatem contumeliosa defensione non ferrem. 'Ultro enim,' inquit, 'ad mortem venerunt apes tuae.' Ita plane; alioquin tu venenum floribus dederas. Impudentiaene, iudices, eius adsignem, si hoc nihil apud vos obtinuerit, an stultitiae, si speravit? Si venenum homini dedisset, diceret ipsum labiis admovisse pocula; si percussorem posuisset in saltu, ipsum in insidias ultro venisse clamaret; si telum obiectasset in tenebris, inlatum sua culpa contenderet. Ego, iudices, quid dico? Duo esse sola, quae omni in crimine spectanda sint, animum et eventum. Quis animus divitis fuit, cum venenum sparsit? Ut apes perirent. Quis eventus? Perierunt. In summa, iudices, quis dubitat, quin damnum ei sit imputandum, sine quo non accidisset?

[15] Intellego neque prudentiam vestram desiderare plura de causa neque vestram fidem ac religionem egere exhortatione vere iudicandi. Quid moror igitur? Tenet me dolor et adsuetae voluptatis desiderium. Sunt quaedam in hac causa, quae sarcire poena non possit. Maior forsitan materia videatur adfectus, si pauperes amare nisi parva non possumus, et necessario nobis pretiosa, quae sola sunt. Animum meum extinctae unius horae momento tot animae movent, movet quod perierint de me bene meritae. Quin ipsum leti genus addit indignationem: veneno perierunt! Quis hoc ulla satis persequi possit invidia? Apes veneno! Haec illis gratia refertur, quod fructibus nostris invigilant, quod cotidiana statione laboris adsidui ne damno quidem summoventur? Nam ut cetera animalia videtur mihi natura usibus nostris genuisse, haec etiam deliciis, cum eo quod in illis, quae vel scindendo solo vel maturando itineri comparamus, multus ante reditus insumitur labor, et, cum perdomanda, cum alenda sint, nihil tamen possunt sine homine, et tantum coacta prosunt. Apes opus faciunt iniussae, ac sine ullo rationis humanae ministerio totus fructus ultro venit. Adice quod cetera aut satis incurrunt aut vitibus nocent, primaque, ut fama est, hostiae causa pecudi fuit laesa fruges. Harum ita innoxius per prata silvasque discurrit labor, ut tantum factum opus appareat.

[16] Qua satis digna prosequar laude? Dicam animal quodammodo parvum hominis exemplar? Hoc humana excogitare non potuit sollertia. Etiam ratio nostra, quae sub terris lucrum invenit, quae maria inquisitione sua sideribus inmiscuit, hoc tamen efficere, consequi, imitari non potuit. Venena potius invenimus. Iam primum futurae laudabilis vitae digna principia: non illas libido progenerat, domitrixque omnium animalium Venus, utque homines in excusationem sui fabulis tradiderunt, etiam deorum potens, has regnis suis excepit. Abest inimica virtutium voluptas castis sine labe corporibus: solae omnium non edunt fetus sed faciunt. Ipsae paulatim, sicut stipatae sunt per mella, vivescunt, et, ut oportet, animal laboriosum ex opere nascitur. Inde ut adolevit iuventus, et ad similes labores aetas roborata convaluit, relinquitur liber parentibus locus, et, ne coacta in angustum multitudo nova turba laboret, quasi habita verecundiae ratione cedit populus minor, suspensumque proximis ramis examen humanas manus expectat; acceptas cum fide colit sedes. Et, cum ingenia nostra, quae nos scilicet ambitiosi nostri aestimatores proxima divinis credimus, ad percipiendas disciplinas multo labore desudent, nulla apes nisi artifex nascitur. Quid credas aliud quam divinae partem mentis his animis inesse? Quid praecipuum referas? [17] Non, ut cetera animalia per pastus vaga, incertum quieti capiunt cubile noctis arbitrio semper habitatura sed tutae sedes continent; urbes tectis, turba populos imitantur. Non ut ferae volucres, non praesentis modo cibi memores in diem vivunt; duraturus hiemi reponitur victus, et repletis vere cellis tutus annus est. Etiam cum ad humanos usus opera subducta sunt, reparare amissa contendunt, et labor damno incenditur, et numquam deficit animus ante quam locus. Quid, quod inter animalia, quae non verba coniungunt, non vincla rationis invicem nectunt, tantus operis consensus est, tanta difficillimae rei laboris concordia? Non humano vitio in proximos quaeque usus lucrum ducit; in publicum vivitur, et communes opes congeruntur in medium, nec fas est delibare gustu prius quam plena horrea securos spondeant menses. Quis porro tantus ardor operis quaeve officiorum partitio, ut aliae congerant onera, aliae accipiant, aliae linant! Quae severitas in castiganda inertia! Multa dictu visuque miranda: praevidere tempestates nec dubio se caelo tradere nec ultra viciniam nubilo tendere. Iam si leves iniquior aura rapuit, ad dirigendos in destinata cursus modico lapilli pondere librare pinnas. Illa maiorum pectorum: motis pro rege castris procurrere et inire bella mortemque honestam pro duce oppetere. Adice quod, si quas aut aetas longior aut morbus oppressit, efferuntur prius corpora, posteriorque operum quam funerum cura est. [18] Quid inligare cruribus flores, quid ore sucos in publicum ferre? Me tamen ipsius operis praecipua admiratio subit: non eas temere nec fortuito figuram et sedes modo reponendis cibis quaesisse credas; rudis cera componitur, accedit usibus inenarrabilis decor. Nam primum tenacibus vinculis fundamenta suspendunt, tum ab exordio in omnem partem opus aequaliter crescit, nec quicquam ex inchoatis parum est quod non sua portione perfectum sit, nec iam alia parte opus esset. Ipsi enim sibi invicem anguli haerent, et ita mutuo vinciuntur atque inligantur, ut, quod voles, id medium sit. Gemina frons ceris imponitur, et, cum foraminibus tantum spatium detur, quantum ad generanda examina natura apum capiat, his textis, ne universi mellis effluat pondus, intersaepta onera cluduntur. Quis non stupeat hoc fieri posse sine manibus, nulla interveniente doctrina hanc artem nasci? Quid non divinum habent, nisi quod moriuntur?

[19] An vero auctorem vini Liberum colimus, primitiae frugum Cereri referuntur, inventrix oleae Minerva veneratur, mella genuisse minus est et in temperanda gustus voluptate tantum effecisse, quantum ne ipsa quidem rerum natura per se potuit? Ad plurimarum incursus valetudinum remedium est praesentissima medicina — nam quod ad cibos quidem pertinet, divites viderint. His animalibus aliquis insidiari potuit, et insidiari qua re mella facerent, haec pestiferis sucis, exquisita per fraudem morte confecit, et, quod sit indignissimum, quo facilius deciperet, fortasse venena melle permiscuit? Quae tam inhumana crudelitas, quis tam inauditus livor! Nihil est enim, quod utaris patrocinio tuo, dives: paucorum damno foliorum doluisse te simulas? Dum meas apes occidere vis, flores tuos inutiles fecisti.

 

                                                                                           TOP                                                                                           

 

Apes pauperis. Recht en retorica in Pseudo-Quintilianus, Declamatio maior XIII

1. Introductie
Al in de Griekse en Romeinse Oudheid werden bijen gehouden voor hun honing (bijenteelt). De hiervoor vertaalde redevoering betreft een casus in de Romeinse tijd en gaat over bijen en indirect ook over de door hen geproduceerde honing. Honing was van groot belang voor de Romeinen, aangezien het de enige ruimschoots beschikbare zoetstof was.
      Over bijen en honing gaat een (retorische) tekst van Pseudo-Quintilianus uit de tweede of derde eeuw na Christus, Declamatio maior XIII (Grotere declamatie 13). Een arme man en een rijke man waren buren op het platteland omdat hun tuinen aan elkaar grensden. De rijke had bloemen in zijn tuin, de arme hield bijen. De rijke man klaagde, omdat de bijen van zijn bloemen aten. Hij eiste van de arme dat hij de bijen verplaatste. Toen de arme man dat niet deed, goot de rijke man gif op zijn bloemen. Alle bijen van de arme man stierven. De arme man maakte vervolgens een civiele zaak aanhangig tegen de rijke buurman op grond van onrechtmatig toegebrachte schade. De tekst is buitengewoon interessant als illustratie: zowel van de werking van de retorica in de oudheid, als ook van de toepassing van het Romeinse recht in de betreffende materie.
      In het navolgende zal eerst worden ingegaan op het karakter van de declamationes, de retorica en Quintilianus. Daarna zal Declamatio maior XIII worden geplaatst in de procesrechtelijke context. Vervolgens wordt dieper ingegaan op de opbouw en het onderwerp van de tekst en ten slotte zullen enkele juridische kwesties worden besproken die centraal staan in deze tekst.

2. Declamationes, retorica en Quintilianus
In de Romeinse tijd bestond er een hechte relatie tussen de retorica aan de ene kant en het recht en de politiek aan de andere kant. Op het terrein van het recht waren juristen en redenaars werkzaam. Hoewel het houden van redevoeringen en het geven van juridisch advies twee verschillende bezigheden waren, was er geen strikte scheiding tussen juristen en redenaars. Beide groepen behoorden tot dezelfde elite. De Romeinse juristen waren bekend met de retorica. Jongemannen uit de Romeinse elite die als carrière een publieke functie ambieerden, werden onderwezen in grammatica, literatuur, retorica, recht en filosofie. De regels van de retorica werden sinds de tweede eeuw voor Christus in Rome onderwezen. In de keizertijd werden door de retorenscholen declamationes, voordrachtsoefeningen over fictieve rechtszaken en politieke problemen, tot een doel op zichzelf gemaakt. De leraar in de retorenschool gaf aan de studenten een hypothetisch geval dat betrekking had op een of meer wetten, en voegde daaraan een praktijkgeval van een vermeende overtreding toe. De Declamationes maiores bevatten 19 voorbeelden van dergelijke gevallen uit de rechtspraktijk (controversiae). Declamatio maior XIII volgt op Declamatio maior XII, die over een stad gaat, waar hongersnood heerst. Een afgevaardigde wordt uitgestuurd om graan te kopen. Een datum wordt vastgesteld waarop hij terug moet zijn. Hij koopt het graan, maar hij raakt uit koers en komt in een andere stad aan. Daar verkoopt hij het graan voor de dubbele prijs. Vervolgens koopt hij de dubbele hoeveelheid van de oorspronkelijke hoeveelheid graan. In de stad waar hongersnood heerst, verslechtert de situatie en is de bevolking genoodzaakt om de lijken van familieleden en uiteindelijk zelfs pasgeboren baby's op te eten. Nadat de afgevaardigde terugkomen is op de afgesproken dag, wordt hij beschuldigd de staat benadeeld te hebben. De spreker is een van de geschade bewoners en klaagt de man aan die van hem in feite een kannibaal heeft gemaakt. Na Declamatio maior XIII volgt Declamatio maior XIV, die over een prostituee gaat, die beschuldigd is van het geven van een haatdrankje aan haar verarmde aanbidder. De aanbidder is inderdaad niet meer verliefd, maar klaagt haar aan voor vergiftiging. Dit zijn twee voorbeelden van declamaties waaruit blijkt dat de onderwerpen vergezochte, redelijk theoretische onderwerpen zijn. Pseudo-Quintilianus, Declamatio maior XIII is ook een voorbeeld van zo'n voordrachtsoefening.
      Hoewel deze declamatio gewoonlijk wordt toegeschreven aan de beroemde redenaar Marcus Fabius Quintilianus (eerste eeuw na Christus), is het auteurschap niet zeker en is de declamatio mogelijk door iemand anders, wellicht door één van zijn leerlingen, geschreven. Desalniettemin kan men de retorische inzichten zoals uiteengezet door Quintilianus, duidelijk terugzien in deze redevoering.
1 Marcus Fabius Quintilianus was de auteur van de Institutio Oratoria (De opleiding van de redenaar, 94/95 na Christus), bestaande uit twaalf boeken over de opleiding van redenaars. Dit werk bevatte een alomvattende en systematische studie van de retorische inzichten die waren ontwikkeld in de daaraan voorafgaande eeuwen. De redenaar heeft volgens de retorica vijf taken (de officia oratoris): de vinding, het bedenken, van de lijn van de redevoering en van relevante argumenten (inventio), de opbouw en ordening van de argumentatie (dispositio), de op passende manier verwoording (elocutio), het memoriseren van de redevoering (memoria) en ten slotte het uitspreken ervan (pronuntiatio of actio). De eerste taak van de redenaar behandeld door Quintilianus in zijn Institutio Oratoria, is hier van belang en betreft het vinden van de ter discussie staande vraag en het vinden van geschikte argumenten (inventio). De inventio is de zoektocht naar ware (en waarschijnlijke) argumenten die een zaak geloofwaardig maken. De status-leer van Hermagoras van Temnos (tweede eeuw voor Christus), waarop de status-leer van Quintilianus (en ook die van Cicero) waarschijnlijk is gebaseerd, neemt een centrale plaats in deze zoektocht naar argumenten in. De status is verbonden met de positie die men kiest voor zijn verdediging. Hermagoras van Temnos onderscheidde in zijn status-leer vier status: de status coniecturalis (heeft aangeklaagde het ten laste gelegde feit begaan?), de status definitivus (hoe moet de daad juridisch omschreven worden?), de status qualitatis (heeft de aangeklaagde onrechtmatig gehandeld?) en de translatio (is de aanklager ontvankelijk of de rechter bevoegd?). Nadat een jurist had bepaald welke status van toepassing was, kon hij de argumenten voor zijn gezichtspunt vinden door het consulteren van lijsten van vindplaatsen voor argumenten (zgn. topoi of loci) die in het bijzonder relevant waren voor de specifieke status.
      De keuze van de status van het conflict is dus verbonden met de gekozen positie door de advocaat voor de verdediging van de zaak van de cliënt (i.c. de arme). Wat was de aard van de vraagstelling (quaestio) die voortvloeit uit de confrontatie van de meningen van eiser en gedaagde? In Declamatio maior XIII lijken er twee quaestiones te zijn. De arme zegt dat hij schade heeft geleden en bovendien zegt hij dat deze schade onrechtmatig (door de rijke) is toegebracht. De rijke zegt dat er helemaal geen schade is, dat wil zeggen vermogensschade, en bovendien dat het overlijden van de bijen niet is veroorzaakt door zijn onrechtmatig handelen. De quaestiones die hieruit voortvloeien zijn: a. is er schade geleden door de arme en b. is deze onrechtmatig toegebracht door de rijke? In de zaak zoals beschreven in Declamatio maior XIII bekende de rijke het feit begaan te hebben. Hij had de bloemen daadwerkelijk besprenkeld met gif en hij had in zoverre dus in beginsel niet zijn toevlucht genomen tot de status coniecturalis. De eerste quaestio is duidelijk een definitio (is dit schade?), de tweede een qualitas-vraag. Hoewel de rijke bekende zijn bloemen te hebben vergiftigd, ontkende hij dat er financiële schade was (damnum) en stelde hij dat, indien mocht blijken dat er toch schade was, die schade niet was veroorzaakt door zijn onrechtmatig handelen (iniuria).
      Een rede op basis van zakelijke argumenten is vaak niet voldoende om een publiek (of, in een juridische setting, de rechters) te overtuigen aangezien dat zich ook laat leiden door gevoelens en emotie. Daar wordt ook aandacht aan geschonken in de retorica. Men onderscheidt het ethische middel (ethos), pathetische middel (pathos) en het logisch bewijs (logos). Bij ethos gaat het om het karakter, persoonlijkheid van de redenaar; de functie van ethos is de redenaar en daardoor de redevoering geloofwaardig te maken. Bij pathos gaat het om het in een bepaalde gemoedsstemming brengen van de toehoorder, het opwekken van emoties. De functie daarvan is de beïnvloeding van de attitude van het publiek en gaat ervan uit dat het publiek (de rechters) in zijn oordeelsvorming wordt beïnvloed door het hebben van een pro- of contra-attitude ten opzichte van de aangeklaagde. Het logisch bewijs (logos) duidt op de argumenten waarmee de redenaar zijn zaak tracht te bewijzen. In Declamatio maior XIII vindt men naast het gebruik van logische argumentatie (logos), ook veel voorbeelden van het gebruik van ethos en pathos.

3. Processuele inbedding
Om de redevoering goed te kunnen plaatsen is het nuttig kort in te gaan op de inbedding van de zaak van Declamatio maior XIII in het zogenaamde formula-proces. Deze manier van procederen voorzag in een tweefasenproces: de eerste fase (in iure) bij een magistraat, de praetor, de tweede fase (apud iudicem) bij de rechter (of soms een college van rechters). Wanneer een geschil aan de praetor werd voorgelegd, raadpleegde hij het edict dat hij in het begin van zijn ambtsperiode had uitgevaardigd. Daarin had hij alle rechtsmiddelen opgesomd die hij bereid was te verlenen, steeds met de tekst van de daarbij behorende schriftelijke formule (formula). Bestond er voor het desbetreffende geschil geen rechtsmiddel, en meende de praetor dat dat terecht was, dan wees hij de vordering (in beginsel) af. Bevatte het edict wel een rechtsmiddel, dan verleende hij rechtsingang. In dat geval stelde hij een formula op waarin hij het geschil beschreef en waarin hij een samen met de partijen uitgekozen rechter benoemde, die zich over het geschil moest uitspreken. Daarin nam hij het betreffende rechtsmiddel (actio) van de eiser op en eventueel het verweer van de gedaagde.
      Indien er echter geen rechtsmiddel aanwezig was in het edict - hetzij al bekend uit het ius civile hetzij door hemzelf of een vorige praetor gecreëerd - maar de praetor niettemin rechtsbescherming wilde verlenen, kon hij ad hoc een nieuwe actie (actio in factum) formuleren. Deze nieuwe actie berustte niet op het ius civile, maar op grond van de feitelijke toedracht van de zaak. In Titel 9.2 van de Digesten (hierna afgekort tot: D.) kan men een fraai en toepasselijk voorbeeld vinden. Zo schrijft de jurist Ulpianus in D. 9.2.49pr. dat als iemand door het maken van rook andermans bijen heeft verdreven of zelfs heeft gedood, hij wordt geacht veeleer 'de dood te hebben veroorzaakt' dan 'te hebben gedood' en daarom zal hij aansprakelijk zijn met een actio in factum. Zoals later zal worden uiteengezet is voor toepasselijkheid van het eerste hoofdstuk van de lex Aquilia vereist dat er sprake is van 'doden' (occidere). Daarmee kan volgens de Romeinse juristen niet (zomaar) worden gelijkgesteld 'de dood veroorzaken' (mortis causam praebere); daarom is in dat geval de lex Aquilia niet van toepassing maar werd een actio in factum verleend.
      Declamatio maior XIII kan worden gesitueerd in de tweede fase van het (formula-) proces, waarin partijen bewijsmiddelen konden aanvoeren en de rechter(s) (iudex/iudices) konden proberen te overtuigen van hun gelijk (fase apud iudicem). Partijen konden hun standpunten laten verdedigen door één of meerdere advocaten. De advocaten hielden hun pleidooi gewoonlijk volgens de regels van de retorica. Aangezien Declamatio maior XIII bestemd was (fictief) te worden gehouden voor meerdere rechters, is het in deze fase dan ook niet verwonderlijk dat er gebruik wordt gemaakt van de retorische middelen ethos en pathos en dat bespeling van het publiek, i.c. de rechters, op sommige momenten belangrijker is dan de daadwerkelijke argumenten (logos).

4. Opbouw en inhoud van de redevoering
Het geschil (controversia) opgenomen in Declamatio maior XIII volgt de conventie van de geldende theorie van retorica met een introductie (exordium), uiteenzetting van de feiten (narratio), de voornaamste te verdedigen stelling (propositio), een opsomming van de belangrijkste te bespreken argumenten (partitio), beargumenteren van eigen stelling(en) (confirmatio) en de verwerping van de argumenten van de wederpartij (refutatio) en een (emotionele) afsluiting (peroratio).
      Hoewel men gewoonlijk een onderscheid moet maken tussen de advocaat (actor) en de betrokken procederende partij (litigator), zijn beide personen in deze redevoering dezelfde aangezien de arme zelf als redenaar optreedt. De redevoering begint met het exordium (1). In dit deel van de redevoering wordt het publiek (i.c. de rechters) ingelicht over de feiten, wordt de eis geformuleerd, wordt de aandacht van de rechters getrokken en wordt getracht de rechters op de hand van de spreker te krijgen. Dit deel van de redevoering is met name gericht op het verkrijgen van de welwillendheid van rechters (captatio benevolentiae), onder meer door de armoede van de arme te overdrijven, door het opwekken van medelijden en door het oproepen van afgunst bij de rechters jegens de rijke (dit is een voorbeeld van pathos). De arme wordt afgebeeld als onbeduidend, iemand van lage afkomst en levende in armoede, tegenover de rijke, iemand met een gebrek aan zelfbeheersing, die wreed is, vanuit een machtspositie heeft gehandeld en dient te worden gezien als een gevaarlijke vijand. Het lijkt rigoureus sterk polair opgesteld: tegengestelde waarden, een symmetrie van de personages (dit is een voorbeeld van het gebruik van ethos). Bij nadere bestudering blijkt echter dat de arme een grotere rijkheid aan karakteristieken wordt toegeschreven, een variëteit aan houdingen, reacties op gebeurtenissen et cetera, terwijl van de rijke een veel statischer aangezicht wordt geschetst. Bovendien wordt in het exordium (en later ook in de narratio) veel uitgebreider ingegaan op het leven en de levensomstandigheden van de arme, terwijl van de rijke niet veel wordt gezegd - is hij oud of jong, woont hij in een luxueus huis, op het land of in de stad? - en wat er over hem wordt gezegd schetst niet echt een reële of werkelijke dimensie van zijn leven. Op de rijke wordt slechts in het algemeen ingegaan en hij wordt zelfs gedepersonaliseerd.
      Dan volgt de narratio (2-6). Hierin wordt de voorgeschiedenis en relevante achtergrondinformatie weergegeven en wordt ook de rijke man zwart gemaakt (ethos). Verder volgt onder meer een beschrijving van het landgoed en het leven van de arme man. Voor het vormgeven van de leefwijze en leefomstandigheden van de arme als ook voor de spirituele houding ten opzichte van de misère kan duidelijk een parallel worden gevonden in Vergilius' Georgica, boek IV (in het bijzonder IV 125-146, over de grijsaard uit Corycus). De arme had een akkertje, gelegen op een afgelegen plaats, ver van de drukke stad.2 Toen de arme nog jong was, had hij zijn grond bewerkt, maar op latere leeftijd ging dat niet meer en ging hij bijen houden. Hij verkocht honing om in zijn levensonderhoud te voorzien. Volgens de arme verloor hij door het overlijden van zijn bijen het enige wat hem in zijn ouderdom nog wat vreugde bracht. De zorg voor de bijen verschafte hem een dagvulling en door het sterven van zijn bijen is hij nu erg bedroefd. Wanneer de arme de (werkwijze van de) bijen beschrijft en looft kan dit figuurlijk opgevat worden, en spreekt hij waarschijnlijk vooral over zichzelf.
      Na de narratio volgt de kern van de redevoering, de argumentatie (argumentatio, 7-14). Gewoonlijk komt, aangehaakt aan de hoofdstelling (propositio), de aankondigende indeling van de argumentatie, de structuuraanduider (partitio), die aangeeft hoe de argumentatie voor de stelling wordt opgebouwd. In deze redevoering was de centrale stelling het doelbewust doden van de bijen - eigendom van de arme. De partitio (7), de samenvatting van argumenten die het vervolg bepaalt, bestaat uit de hierboven besproken twee quaestiones. De rijke ontkent dat er schade is omdat het dier vrij is, vliegt en rondzwermt, en bovendien niet luistert naar bevelen en buiten de macht van de eigenaar geplaatst is. Daarnaast ontkent de rijke dat de schade onrechtmatig is toegebracht omdat de bewuste handeling op zijn eigen terrein was verricht, omdat hij slechts de bijen die zichzelf schade toebrachten, heeft vernietigd en ten slotte omdat de bijen vrijwillig hun dood tegemoet gingen nadat hij gif over zijn bloemen, alleen maar over zijn eigen bloemen, had gestrooid. Volgens de arme is de centrale vraag waar alles om draait, of schade te definiëren valt als het verlies van hetgeen winst oplevert, als men het heeft. Na de partitio vervolgt de schrijver van de redevoering eerst met de ontkrachting of weerlegging van het betoog van de wederpartij (refutatio, 8-14) en de bekrachtiging van de eigen stelling (confirmatio, 14). In de confirmatio worden de bewijzen voor de stelling geleverd en in de refutatio worden de argumenten van de opponent weerlegd. De arme tracht eerst de tegenargumenten van de rijke te ontkrachten - deze tegenargumenten worden geciteerd door de arme. Daarna gaat de arme pas in op zijn eigen argumenten.
      In de peroratio (15-19) vat de auteur het betoog samen en geeft hij zijn slotconclusie. Het eerste deel daarvan is het bejammeren door de redenaar (commiseratio) om zo medelijden op te wekken bij de rechters (15, ook nu wordt pathos gebruikt). De arme heeft verdriet en verlangt naar zijn bijtjes. Dan volgt de laudatio (lofrede) op de bijen (16-19) - hierin klinkt de arme zelf (en zijn deugd) door. De auteur sluit af met de opmerking dat de rijke geen valide verdediging heeft, veinst verdriet te hebben wegens het verlies van een paar bloemen, maar in werkelijkheid, terwijl hij de bijen wilde doden, zijn eigen bloemen onbruikbaar heeft gemaakt.

5. Juridische situering en kwesties

Onrechtmatige zaaksbeschadiging
Al in de eerste regels van de tekst wordt door de woorden damni per iniuriam dati sit actio duidelijk dat de vordering (actio) van de arme man gebaseerd is op de lex Aquilia, waarin het delict damnum iniuria datum geregeld was. Deze wet is waarschijnlijk in 286 voor Christus uitgevaardigd door de vergadering van plebejers (concilium plebis), en was dus een zogeheten plebisciet (plebiscitum). Aanvankelijk waren plebiscieten enkel bindend voor de plebs. Dankzij de lex Hortensia (287 voor Christus) gold de lex Aquilia voor het gehele Romeinse volk: de plebs en het patriciaat. Het delict damnum iniuria datum stelde de dader bloot aan een poenale, dat wil zeggen op boete gerichte, rechtsvordering. De rechtsvordering die door de praetor aan de eiser werd verleend, waarmee deze voor de iudex (in de tweede fase van het proces, daarover later meer) kon procederen, was evenwel niet alleen op een boete maar tegelijk op schadevergoeding gericht.
      De lex Aquilia bestond uit drie hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk betrof het onrechtmatig doden van slaven of viervoetig vee. Het derde hoofdstuk - het tweede hoofdstuk van de lex Aquilia was in onbruik geraakt - betrof overige gevallen van schade ontstaan door het onrechtmatig verbranden, breken of vernielen. Volgens de juristen in de klassieke periode van het Romeinse recht, dus in de eerste eeuwen na Christus, betrof het derde hoofdstuk niet alleen andere schade aan slaven en viervoetig vee, maar ook aan andere zaken. Dit hoofdstuk is relevant voor deze zaak. Op basis ervan kon zoveel geld worden gevorderd als de zaak waard zal zijn in de naaste 30 dagen.
      De eigenaar van de beschadigde zaak kon succesvol een actio legis Aquiliae instellen indien er schade was, de schade onrechtmatig was toegebracht (met iniuria, dat wil zeggen opzettelijk of met schuld)) en deze het directe gevolg was van een handelen van de dader, dat wil zeggen rechtstreeks was toegebracht door een fysieke handeling - er moest een causaal verband zijn tussen daad en ontstane schade. Op den duur kon ook een nalaten tot aansprakelijkheid leiden.

Quaestio 1: de schade
De rijke lijkt te beweren dat er geen schade is omdat de bijen niet het eigendom van de arme zijn. In dit kader kan een interessante parallel worden getrokken met de visie van de jurist Celsus zoals opgenomen in de Collatio legum Mosaicarum et Romanarum (Coll.) XII.7.10, die het geval beschrijft van het uitroken van bijen toen deze bijen naar andermans bijen uitgezwermd waren. Volgens sommige juristen, waaronder Proculus, kon geen actio legis Aquiliae gegeven worden met het argument dat de bijen niet behoorden tot de eigendom van degene die de bijen hield. Maar Celsus beweerde dat dit argument onjuist was en hij was wel bereid een dergelijke actie te verlenen, aangezien bijen gewoon zijn terug te komen en de bijenhouder het genot (fructus) ervan had. Proculus liet zich leiden door de overweging dat de bijen niet tam waren en dienovereenkomstig ook niet opgesloten waren geweest. Maar Celsus zei zelf dat er geen verschil is tussen bijen en duiven die, ook al ontvluchten zij de (mensen)hand, toch naar huis vliegen.3
      De arme man stelt dat ook al is een bij een vrij dier dat vrij geboren is, veel wat vrij geboren is toch in eigendom overgaat op degene die in het in bezit neemt. In het Romeinse recht werden bijen beschouwd van nature wild te zijn. Wilde dieren waren zaken die aan niemand toebehoren (zgn. res nullius) en konden door toe-eigening (occupatio) in eigendom worden verkregen. De bijen bleven behoren tot het eigendom zolang ze door bewaking werden vastgehouden. Ten aanzien van dieren die de gewoonte hebben weg te gaan en terug te komen, is de regel aanvaard dat zij worden geacht zolang toe te behoren aan de eigenaar als zij het instinct om terug te keren behouden.4 Echter, als zij het instinct om terug te keren verliezen, dan houden zij op toe te behoren aan degene die de bijen tot dan toe hield, en worden zij eigendom van degenen die hen zich toe-eigenen. Het instinct om terug te keren (animus revertendi) zullen zij geacht worden te hebben verloren zodra zij de gewoonte om terug te keren hebben opgegeven.5 Volgens de jurist Gaius worden bijen die door iemand worden gekorfd, hierdoor de eigendom van de bijenhouder (Gai. D. 41.1.5.2). Volgens Gai. D. 41.1.5.4 wordt een zwerm die uit de korf weggevlogen is, geacht net zolang nog toe te behoren aan de bijenhouder als de zwerm nog in het gezichtsveld is van hem en de achtervolging ervan niet moeilijk is; anders gaat hij toebehoren aan degene die hem zich toe-eigent.
      De arme stelt ook dat bijen in een korf verplaatst, weggegeven en verkocht kunnen worden en dat daarom iets wat dagelijks van hem is, niet te gronde kan gaan zonder hem schade te berokkenen. Bovendien, zo stelt de arme, als de bijen niet van hem zouden zijn, zou de honing ook niet van hem zijn. Aangezien niemand dit zo ziet, is het ook ondenkbaar dat de voortbrenger van de honing niet van hem is. De arme concludeert aldus dat hij schade heeft, want hij heeft inkomsten verloren en hij heeft iets verloren waarvoor hij moet betalen als hij het weer wil hebben.

Quaestio 2: de onrechtmatigheid
De rijke stelt dat zelfs indien er schade zou zijn, deze rechtmatig op eigen terrein toegebracht is. De arme stelt echter dat men niet dient te kijken naar de plaats van de handeling maar naar de daad, anders zouden de wetten nergens meer geldig zijn aangezien het bezit van de rijken overal is.
      De rijke beweert de bijen als ongedierte te hebben vernietigd en dat zijn wraak gerechtvaardigd was. De arme stelt dat vereffening van onrecht onrechtvaardig is. Eigenrichting dient afgekeurd te worden, er zijn immers wetten en als de rijke schade had geleden dan had hij maar naar het gerecht moeten gaan. Het is volgens de arme niet duidelijk wat de schade van de rijke is, ook al zegt de rijke dat de bijen zijn bloemen vernielden. De arme vraagt zich af wat de rijke dan met de bloemen zou hebben willen doen, bewaren voor hun oude dag? Hier wordt op ironische wijze een beroep gedaan op het ontbreken van het zgn. conditio sine qua non verband: de voorwaarde zonder welke het gevolg niet ingetreden zou zijn ontbreekt, de arme stelt immers dat de bloemen anders (i.e. indien de bloemen niet door de rijke waren vernietigd) ook waren vergaan.
      De arme stelt dat het niet voldoen aan de waarschuwing van de rijke om de bijen te verplaatsen, onvoldoende is om hem te straffen. Het argument van de rijke was dat niet hij, maar de bijen zichzelf hadden gedood (hij ontkent dus het onmiddellijke causale verband van zijn handelen). Ter weerlegging gebruikt de arme een argument ter herleiding tot het absurde (ad absurdum), door het gebruik van enkele voorbeelden. Een van de voorbeelden is het volgende: als hij in het donker een speer gegooid had, dan zou hij beweren dat het slachtoffer er zich door zijn eigen schuld op had gestort. Dit voorbeeld lijkt op D. 9.2.9.4, waarin een slaaf werd gedood doordat een geworpen speer hem raakte toen hij een veld overstak. De situatie was daar natuurlijk wel wat anders, bovendien was het in de casus van D. 9.2.9.4 niet donker. Toch zou men in beide gevallen aan eigen schuld van het slachtoffer kunnen denken.
      Volgens de arme dienen slechts twee aspecten te worden onderzocht, net als bij elke misdaad: de bedoeling en de afloop. De bedoeling van de rijke met het uitstrooien van het gif was in dit geval volgens de arme duidelijk het doden van de bijen, met als gevolg (afloop) de dood van de bijen. Daarom dient de daad volgens de arme in dit geval te worden toegerekend aan diegene zonder wiens handeling de schade niet zou zijn opgetreden.6 Daarom moet de handeling van de rijke als causaal voor de schade worden beschouwd (conditio sine qua non).

6. Slot
Deze redevoering is buitengewoon interessant, zowel als illustratie van de werking van de retorica in de oudheid als ook van de toepassing van het Romeinse recht in de betreffende materie. De redevoering geeft een beeld van een mogelijke gang van zaken in de tweede fase van de formula-procedure. Hoewel het een voordrachtsoefening met een redelijk vergezocht feitencomplex betreft, is het zowel fraai te zien dat de arme, en zijn advocaat, zich soms volledig laten meeslepen door hun enthousiasme, als ook dat door middel van de retorica wordt getracht de rechters te overtuigen van het gelijk van de arme. Bovendien blijkt ook hier dat bij het overreden het van groter belang is dat de redenaar het publiek gunstig voor zich gestemd heeft (ethos) en dat het publiek zo beïnvloed wordt dat het meer door emoties (pathos) wordt beheerst dan door een weloverwogen oordeel op grond van de juridische argumenten (logos). Tevens blijkt uit de redevoering een meesterschap in de topiek en gaat zij uit van een publiek dat net als de spreker bekend is met een literair spel, i.e. (impliciete) gebruikmaking en parallellen met teksten uit de literaire traditie. Doordat het publiek dit herkend zal hebben, zal het zich meer betrokken gevoeld hebben met de voordracht. Ten slotte blijkt uit de redevoering een goede kennis van het Romeinse recht en van de lex Aquilia in het bijzonder. Net als tegenwoordig wordt in de redevoering ingegaan op de argumenten van de wederpartij en wordt er geconcentreerd op de cruciale juridische vereisten voor (al dan niet) aansprakelijkheid.

Bibliografie
A. Braet, De klassieke statusleer in modern perspectief. Een historisch-systematische bijdrage tot de argumentatieleer, Groningen 1984.
A. Corbino, 'Actio in factum adversus confitentem. Quint., Declam. maior XIII', in: Studi in onore di Antonino Metro. Tomo I, a cura di C. Russo Ruggeri, 2009, p. 511-524.
E.G.D. van Dongen, Contributory Negligence. A Historical and Comparative Study, Maastricht 2013, p. 50-51, 70-71.
B.W. Frier, 'Why Did the Jurists change Roman Law? Bees and Lawyers revisited', Index: quaderni camerti di studi romanistici 22 (1994), p. 135-149.
N. Hömke, 'The Declaimer’s One-man Show. Playing with Roles and Rules in the Pseudo-Quintilian Declamationes maiores', Rhetorica 27/3 (2009), p. 240-255.
G. Krapinger, [Quintilian] Die Bienen des armen Mannes (Größere Deklamationen, 13), Cassino 2005.
F. Lanfranchi, Il diritto nei retori Romani, Milano 1938, in het bijzonder p. 324-332.
A.D. Leeman & A.C. Braet, Klassieke retorica. Haar inhoud, functie en betekenis, Groningen 1987.
D. Mantovani, 'I giuristi, il retore e le api. Ius controversum e natura nella Declamatio maior XIII', in: D. Mantovani & A. Schiavone (red.), Testi e problemi del giurisnaturalismo romano, Pavia 2007, p. 323-385.
A. Nieuwhof, 'Bijenhouden in de oudheid', Maandblad voor imkers 7 (1998), p. 291-293; 7 (1998), p. 338-340; 8 (1999), p. 18-20.
D. Nörr, 'Texte zur lex Aquilia', in: Iuris professio, Vienna/Köln/Graz 1986, p. 211-219, herdruk in: T.J. Chiusi, W. Kaiser & H.-D. Spengler (red.), Historiae iuris antiqui. Gesammelte Schriften. Band 3, Goldbach 2003, p. 1701*-1710*.
M. F. Quintilianus, Institutionis oratoriae libri duodecim, ed. M. Winterbottom, 2 dln., Oxford 1970.
- Declamationes XIX Maiores, ed. G. Lehnert, Leipzig 1905; ed. L. Håkanson, Stuttgart 1982.
L.A. Sussman, The Major Declamations Ascribed to Quintilian. A Translation, Frankfurt am Main/Bern/New York 1987 [Studien zur klassischen Philologie; Bd. 27].
- 'Controversiae', The Encyclopedia of Ancient History, Malden 2012, p. 1762-1763.
R. Tabacco, 'L’utilizzazione dei topoi nella declamazione XIII dello Pseudo-Quintiliano', in: Atti della Accademia delle Scienze di Torino 112 (1977-1978), p. 197-224.
- 'Povertà e ricchezza. L’unità tematica della declamazione XIII dello Pseudo-Quintiliano', in: Materiali e contributi per la storia della narrativa greco-latina, II, Perugia 1978, p. 37-70.
- 'Apes pauperis [ps.-Quint. XIII] Articolazione tematica ed equilibri strutturali', in: Atti dell’ Accademia Pontaniana 28 (1979), p. 81-104.
O.E. Tellegen-Couperus, Korte geschiedenis van het Romeinse recht, 4e editie, Amsterdam 2003.
M. Winterbottom, Roman Declamation, Bristol 1980.

Noten
1. Verwijzingen naar parallellen met Quintilianus' voorschriften in de Institutio oratoria zullen in deze uitleg grotendeels niet worden vermeld; de geïnteresseerde lezer wordt verwezen naar de literatuur vermeld in de bibliografie. Daarnaast steunt de redevoering, hoewel juridisch van karakter wegens de plaatsing van het geschil voor rechters, ook op een rijke literaire traditie; zie hiervoor de andere bronnen genoemd in de literatuur in de Bibliografie. Terug.
2. Dit is een zgn. stad vs. land topos, zie Quintilianus, Institutio Oratoria, II.4.24. Terug.
3. Zie in dat verband ook een andere mening van Celsus, opgenomen in D. 9.2.27.12 waarin staat dat indien iemands bijen naar een ander zijn uitgezwermd en aldaar door de ander zijn uitgerookt, eerstgenoemde volgens Celsus de actio legis Aquiliae toekomt. Terug.
4. Vervolgens heeft de jurist Paulus in D. 41.2.3.16 over het bezit - de feitelijke heerschappij - van bijen geoordeeld dat de bijen die van korven wegvliegen en de gewoonte hebben daarin terug te keren, in het bezit van de bijenhouder blijven. Terug.
5. Zie Gai. D. 41.1.5.5; zie ook Gaius, Institutiones, II.68, waar bijen niet expliciet genoemd worden.Terug.
6. In D. 9.2.30.3 beschrijft de jurist Paulus het geval van iemand die zijn stoppelveld of zijn doornstruiken afbrandt, het vuur zich verspreidt en daardoor schade toebrengt aan andermans gewas of wijngaard; door dit op een winderige dag te doen, handelt hij onzorgvuldig: immers ook diegene wordt geacht schade te hebben toegebracht, die daartoe de gelegenheid heeft gecreëerd (nam et qui occasionem praestat, damnum fecisse videtur). Aldus wordt iemand die de situatie in het leven roept waardoor schade kan ontstaan, geacht de schade te hebben veroorzaakt. Zonder de daad van de rijke die de situatie in het leven riep waardoor de schade kon ontstaan, zou de schade niet zijn ontstaan; hij wordt dus geacht de schade te hebben veroorzaakt. Terug.

 

                                                                                           TOP                                                                                           

 

Mochten er onverhoopt rechten overtreden worden op/door/met deze site, stuur dan even een mailtje zodat de plooien recht kunnen worden gestreken. Vragen en opmerkingen zijn welkom.

Leo Nellissen

Deze pagina maakt deel uit van www.STILUS.nl